Het geheimzinnige verleden van Belgis

Rond 1540 concentreert Gentenaar Marcus van Vaernewyck zich op de kronieken van een aantal obscure kroniekschrijvers om zijn illustere Historie van Belgis neer te schrijven. Zuivere fantasie vinden ze in de 19de eeuw, maar hier en daar priemt een glimp van waarheid door de huid van zijn teksten. Onze oudste geschiedenis zoals u die nog niet gelezen hebt.

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

Ik maak kennis met geschiedschrijver Marcus van Vaernewyck. Een Gentenaar die het tussen 1518 en 1569 schopt tot bestuurder in zijn thuisstad en daar het enigszins bevreemdende manuscript ‘Historie van Belgis’ neerschrijft. Een lokale uitgever drukt de handschriften in 1829 en heeft het over een poëtische roman. Ik deel aanvankelijk die mening: zijn teksten zijn zuivere fantasie. Maar is dit zo?

Mijn twijfels rispen op. Kan iemand 1200 jaar geschiedenis uit de prehistorie zo maar uit de duim zuigen? Nee. Ik moet op zijn minst mijn vooringenomen houding laten varen en me samen met Marcus van Vaernewyck begeven op zijn pad van de geschiedenis. Mijn twijfel heeft alles te maken met de erg herkenbare woorden en namen van steden die hier en daar doorheen de huid van zijn teksten priemen. Ze verraden een glimp van waarheid.

De dolmen in de buurt van Bavay is er niet van zelf gekomen. Menhirs in Wallonië en Noord-Frankrijk, Stonehenge. Die gigantische rotsformaties staan daar niet zo maar: ze zijn duizenden jaren geleden geplaatst door een mensenzee van volk. Wat een buitengewone kans krijg ik hier toegeschoven om wat meer te ontdekken over onze voorouders nog lang voor er sprake is van Jezus Christus of van Julius Caesar.

Mijn besluit staat vast: ik vertrek op reis in de tijd en begeef me op een tocht die zowat drie weken zal duren. Onderweg tref ik voldoende argumenten aan om de geschriften van Marcus van Vaernewyck hun eigen stek te geven in mijn ‘Kronieken van de Westhoek’. Meer zelf: zijn ‘Historie van Belgis’ wordt prominent als eerste geplaatst. We maken kennis met zijn prettige oude Vlaamse taal die we zo goed mogelijk zullen proberen tot zijn recht te laten komen.

Ik geraak, onderweg in mijn zoektocht naar de geschiedenis van Belgis, bijzonder geïntrigeerd door een speciale studie van de heemkundige kring van Gooik; ‘Bel, Belinus en Belfort’ van Johnny van Bavegem. Ik heb gelijk gehad om te beginnen aan de ‘Historie van Belgis’. Ik besef het nu al. Rond 2000 voor Christus is er nog sprake van één oppergod: de zonnegod of de lichtgod schrijft van Bavegem. Baäl, Beël, Bélus of Bel. Beëlzebub. We ontdekken de naam van ‘belfort’, het fort van Bel, belforten, erg doelbewust neergeplant op kruispunten van aardlijnen die hij Belinuslijnen noemt. Het is een fascinerend artikel over geomantie.

Meetkunde waar wij, simpele stervelingen niets van af weten. Johnny van Bavegem geeft wat verduidelijking rond zijn bronnen en die blijken precies dezelfde te zijn als die van Marcus van Vaernewyck: Jacques de Guyse, een monnik die in de jaren 1300 leeft en werkt in Valenciennes en die de lokale geschiedenis van Henegouwen in liefst 15 boekdelen beschrijft. De meeste historici van zijn tijd beperken zich tot het herschrijven of interpreteren van de klassieke Griekse en Romeinse bronnen. En dat zijn ongetwijfeld meestal schrijvers die dat in opdracht gedaan hebben van keizers of koningen die natuurlijk hun eigen interpretatie van de geschiedenis wilden laten overleven.

Jacques de Guyse baseert zijn verhalen echter op zogezegde ‘barbaarse’ schrijvers. ‘Obscure kroniekers’ lees ik. Barthélémi, Clérembaud, Hélinaud, Nicolas Rucléri, Lucius van Tongeren en Hugues de Tour. Ook de mondelinge overlevering en volkslegendes spelen hun rol. De bronnen die ik hier aantref, zijn er ook in mijn ‘Historie van Belgis’. Schrijver Marcus heeft er nog andere: Julius Trevirensis, Anntus van Viterba, Paradin, Paulus Emilius en andere.

We maken in -1153 kennis met Bavo. De man is koning van Hoog-Frygië en afstammeling van Priamus de laatste koning van Troye. Hij en zijn volk leven op de Anatolische hoogvlakte waar hij niet de minste perspectieven ziet voor zijn mensen. Op de vlucht voor de Grieken. Verder weg trekken naar het oosten, richting Azië is geen alternatief. De sterren vertellen het hem: ‘het geslagt der Troyaenen zoude te niet gaen in Asia en moet herplant worden in Europa.’

Via de haven van Tyr schepen de Indo-Europeanen in op 200 schepen. Richting westen. We beleven één van die fameuze volksverhuizingen waar onze geschiedenis bol van staat. ‘Zy kwamen in de spaensche zee, omringden de kusten van Portugael en Spagnien, voords die van Gallien, Normandien en Picardien, en naederden by geval het eyland Albion, nu Engeland.’ Geen van alle namen bestaat op dat moment.

Bavo moet aangemeerd zijn op Albion, maar verkiest verder te varen. ‘Bavo met al zyn volk kwam in de zuyder-zee, alwaer den Rhyn en de Maes in de zee stroomen.’ Ergens middenin de plek waar pas veel later Vlaanderen, Brabant en Holland zullen komen piepen. Een bosrijk en verlaten gebied. Er is nogal wat groot volk mee met koning Bavo. Hertogen en prinsen met hun gevolg. Feitelijke stamhoofden die de scepter hebben gezwaaid over lokale volkeren en die er nu natuurlijk op azen om in deze nieuwe contreien hun statuut verder te zetten.

De massa immigranten worden ingedeeld bij hun respectieve stamhoofden en vinden hun plaats in 1200 tenten. ‘Zoo dat de menigte byna ontelbaer was’ vernemen we. Na de jacht op een verdwaalde wolf geraken enkele jagers verzeild op een berg waar ze een tempel aantreffen die toegewijd is aan de afgod Bel. Bavo twijfelt niet en laat meteen de tenten opbreken. Op die heuvel zullen ze zich vestigen. De verhuis duurt 3 dagen. Ze treffen er een hooggelegen en vruchtbaar land in de nabijheid van ‘vloeden, rivieren en poelen’.

De zo goed als verlaten streek valt onder de heerschappij van de stad Trier en het zijn priesters van datzelfde Trier die de marmeren tempel van Bel bedienen. ‘Bavo sloeg zyne tenten daer neder ter uytgestrektheyd van 4000 schreden in het ronde.’ Ik gebruik heel bewust de taal die Marcus van Vaernewyck gebruikt in de jaren 1500: ‘hy bleef dit gewest eenige jaeren bewoonen, geduerende de welke hy zestig hertogen en een diergelyk getal graeven maekte, die het volk zouden bestieren en in den wapenhandel doen offenen.

Hy stelde onder iederen hertog zestig kapiteynen, en dertig onder elken graeve. Iedereen kapiteyn had onder zyne bevelen honderd quinquagenariussen, en onder elken quinquagenarius stonden vyftig strydbaere mannen.’ Mijn rekenmachine maakt het wat eenvoudiger en meteen ongeloofwaardig. Ik laat het u, lezer, zelf narekenen.

Na enkel jaren krijgen ze het bezoek van afgezanten van Trier die een vergoeding eisen voor het gebruik van hun land. Een ‘jaerlykschen tribuyt’ van 1000 everzwijnen, 1000 herten en 1500 koeien met daer by voegende groot dreygementen hierby zweerende te dooden alle die de voornoemde schatting zouden weygeren.’ Koning Bavo is niet van gisteren en weigert af te dokken. Eigenlijk zouden die van Trier aan hem moeten betalen.

Simpel en gezond imperialisme van de zuiverste soort. Het gevolg laat zich raden. ‘Hier uyt rees tusschen beyde de partyen eenen zwaeren oorlog.’ Trier is geen partij voor onze aangespoelde Indo-Europeanen. Bavo verdierf geheel hun land en veroverde vervolgens de stad. Zy plonterden die en staken ‘er het vuer in, de poorten en mueren tot den grond afbrekende. Bavo voerde den afgod Bacchus, die aldaer aenbeden wierd, met zig, om hem ten behoorlyken tyde eenen tempel te doen bouwen, ter gedagtenis van zyne eerste overwinning.

Hy trok van daer voord tot aen den Rhyn, aldaer hy al het land van beyde de kanten onder zyne heerschappye bragt.’ De buit is navenant en voldoende om te investeren in een echte stad op de berg van Bel. Steenhouwers, metsers, timmerlieden en andere stielmannen beginnen aan de bouw ervan. Bomen worden gekapt, de ovens smelten metalen en bakken stenen en ‘tichelen’ bij de vleet.

We leven in het gezegende jaar -1129 als koning Bavo dus beslist om een machtige stad te bouwen op de berg van Bel. Hoog gelegen en omringd door poelen en rivieren, op 30.000 schreden van de plaats waar de snelle Rijn in de zee vloeit. Hij noemt zijn stad ‘Belgis’ naar de Babylonische afgod Bel of Belus, de vader van koning Ninus en de overgrootvader van Abraham die volgens de overlevering de eerste man was die na zijn dood als afgod vereerd werd. Van deze stad die achteraf trouwens nog zal worden genoemd als Octonia, heeft het rijk van Belgis zijn naam ontvangen. Er komt natuurlijk een tempel ter ere van onze Bel met in annex een paleis van gehouwen steen.

De muren zijn 70 cubitussen hoog lees ik. Een kleine berekening brengt me op een muurhoogte van 33 meter. Indrukwekkend dus en dat zijn ook de 402 torens die allemaal 170 voeten hoog zijn. Meer dan 51 meter, impressionant dus. En ongeloofwaardig. De Wolfpoort is gebouwd bovenop de schuilplaats, een spelonk waar de bewuste wolf blijkbaar huizenierde. De muren van de torens rond de Wolfpoort hebben een dikte van 12 meter en het met dure stenen geplaveide binnenplein moet zowat 400 op 400 meter groot zijn.

Aan de westkant van de tempel zien we de woning van de priester waar koning Bavo en zijn priesters offerdiensten opdragen ter ere van hun Belus. De stad bezit verder nog een tempel die opgedragen is aan Bacchus en 7 stadspoorten die allemaal opgedragen zijn aan een planeet of een ster, weet Marcus te vertellen, een primeur in Europa. En vanuit de stadspoorten vertrekken er overal stenen wegen. Bavo moet ongetwijfeld zijn land met ijzeren hand besturen. Een stad bouwen van dergelijke afmetingen moet veel volk vergen.

De Trojaanse wetten lees ik. Met het ouder worden, verliest hij zijn grip en ontstaat er onenigheid bij zijn mensen: ‘zij kwamen in de wapenen en sloegen enige princen en andere personen dood van de gene die met den voornoemden vorst mede gekomen waeren uit Tryr’. Een dispuut rond leenheren die niet willen afhangen van Bavo. Om meer onheil te vermijden laat hij hen met hun families oprotten uit Belgis.

Het verhaal wordt voor het eerst pikant als de namen van de vertrekkers bekend raken. Eerst is er Turguncius die met zijn aanhangers vertrekt naar een regio waar hij een stad sticht met de naam Tongeren. Torgotus en Troyades, de zonen van Troyrus, worden verdreven van Sicambren en belanden aan de Rijn waar ze de stad Bonn optrekken. Maar de broers vallen in ruzie waarop Troyades er van onder trekt en zorgt voor het ontstaan van de stad Zancten. Er is geen gebrek aan dissidente prinsen. Een zekere Moselanus trekt met zijn gevolg door de bossen van de Ardennen en sticht aan een schone rivier de stad Mosella, een stad die in de tijd van Marcus van Vaernewyck benoemd is als ‘Metz’.

De derde die het aftrapt uit Belgis wordt omschreven als Morinus of Morianus. We belanden voor de eerste keer in onze Westhoek. Ik ga weer over op de taal van onze geschiedschrijver: ‘Morianus ging met zynen aenhang uyt Belgis. Dezen houd men voor den stigter der stad Morinum in Picardien, sedert genoemd Terouanen, of in het latijn Terra vana, welke stad aldus genoemd is van de Hunnen of Hongersche, die de zelve naermaels verwoest hebben’. De stad kent een grote bloei. In de tijd van koning Agipanus is dat, maar dan belandt Terwaan in een sukkelstraatje.

Dank zij Brabanton van Britania, de zoon van Brunchault zal de stad echter heropgebouwd worden, ‘sterker en schoonder als zij te vooren geweest was.’ De vorst Quevardus en diens zoon Therulpus doen het prima als opvolgers, maar dan is er die vermaledijde Julius Caesar, de eerste keizer van Rome, die de Westhoekstad overrompelt en verwoest. Onze geschiedschrijver schuift mee op in de tijd: dank zij de milde hulp van enkele Franse koningen komt de stad de schade te boven vooraleer dan nog eens geteisterd te worden door de Hunnen en de Vandalen.

De vierde hoofdman die zich afscheidt van Belgis is Carinus. Sommigen noemen hem Carmeüs. Hij en zijn geslacht en zijn aanhangers gaan op zoek naar nieuwe woonplaatsen. Eigenlijk had Marcus hier beter de term ‘ras’ gebruikt. Wat hij vertelt over vertrekkers komt neer op de volksverhuizingen van de verschillende volksstammen die aanvankelijk naar de pijpen hebben moeten dansen van koning Bavo. Carinus dus. Hij gaat op zoek naar goed en vruchtbaar land. Na een relatief korte tocht treffen ze een verwilderde en onbewoonde streek met twee aanzienlijke rivieren, veel broeklanden en moerassen aan. Er wordt een nederzetting opgebouwd hier midden in het moeras. Met paalwoningen, een stad op ‘pylotten’ die Carinea of Clarinea genoemd wordt. Gelegen bij de zee van Ruthenen. Later zal hier de beroemde stad Gent ontstaan.

Koning Bavo overlijdt rond het jaar -1111. Naar heidense gewoonte wordt zijn lichaam openbaar verbrand op het plein voor de tempel van Bacchus. ‘Verscheyde princen en heeren gingen mede in het vuer en lieten zig levendig verbranden’. In de tijd dat Ascanius, de zoon van Eneas vanuit de stad Alba Longo over Italië regeert, wordt het rijk van Belgis bestuurd door Bavo Belgius of Belgineüs, de zoon van de in brand gestoken Bavo. Hij is de koning en de opperpriester van zijn land. Een vruchtbaar manneke is hij en in een periode waar er nog helemaal geen sprake is van monogamie laat staan van anticonceptiva, resulteert dat in 85 zonen en 100 dochters. Tijdens zijn leven worden de tempels van Bel, Mars en Mercurius gebouwd en wordt het water van de 6 km verderop gelegen rivier binnen de stad Belgis afgeleid.

Ongelooflijk hoe precies Marcus van Vaernewyck omgaat met zijn data. Terwijl Bavo Belgius al zijn infrastructuurwerken aan het uitvoeren is in zijn thuisstad, woedt er een oorlog doorheen Italië en Griekenland. De Trojanen onder leiding van Brito (ook Bruto genoemd) verlaten hun Italiaanse schuilplaatsen en komen hun thuisland bedreigen waar ze grote malheuren aanrichten. Het komt tot een vredesverdrag. Brito krijgt een van de dochters van de koning van Griekenland en een scheepsvloot op voorwaarde dat ‘hy daer mede elders fortuyn zoude gaen zoeken, en de grieksche landen in rust laeten’.

Het is een interessant stuk geschiedenis vanuit een al even verrassende ooghoek. Na veel omzwervingen arriveren de Trojanen op het eiland Albion, genoemd naar de naam van de Assyrische koningin Albiona. Bruto, valt Albion met geweld binnen en verslaat de ‘reuzen’ die er woonachtig zijn. Die reuzen, de geschiedenis zal hun naam veranderen in ‘Russen’, worden bestempeld als tirannen die hun volk met geweld onderdrukken. Het grote eiland wordt door de inwijkelingen genoemd naar hun leider Brito. ‘Britania is overvloedig in levensmiddelen, brengt frissche mannen en schone vrouwen voort en voedt een grote menigte schaepen, van de welke goede wolle komt.’ Pas veel later zal het Groot-Brittannië genoemd worden.

In Belgis heeft Bavo Belgis ondertussen zijn jaren geleefd en wordt hij opgevolgd door Bavo Leoninus. Leo, de nieuwe opperpriester, verwerft het land van Aquitanië aan de oceaan en zorgt in zijn thuisbasis voor de afwerking van de tempel ter ere van Bacchus. Na zijn dood wordt hij verbrand. 60 mannen en 22 vrouwen laten zich samen met zijn lijk vrijwillig tot as verbranden. In welke tijden leven we toch? Dan komt zijn zoon Bavo Lucinus, een man die blijkbaar een en ander weet over zwarte magie, wiskunde en sterrenkunde.

Zo gaat hij het weerspannige Tongeren belegeren en maakt hij gebruik van een groot onweer boven de stad om de ingezetenen te onderwerpen. Hij overlijdt in het jaar -1007. Zijn broer Bavo Brunius volgt hem op. Hij werkt de stad verder af en raakt vooral bekend om zijn nieuwe wetten. Zo is er een verordening dat elke man 10 vrouwen moet bezitten. Of zijn het er slechts 4 zoals sommigen beweren? Soit. De koning en de priesters mogen er 2 hebben. Het lijkt er sterk op dat het bezit van vrouwen enkel en alleen bedoeld is om te zorgen voor nakomelingen en sterker gezegd voor voldoende werkkrachten. Zo ontslaat Brunius ‘vier-en-twintig van zyne huysvrouwen, en behield er niet meer dan twee.’ Er is sprake van een conflict met die van Britania. Waarom anders zou hij met de koningen van Ruthenen en Terouanen of Morinum ter zee trekken tegen die van Britanien?

Blijkbaar komen ze ginder niet aan het vechten toe en keren ze onverrichterzake terug. Het moment is aangebroken om de goden te bedanken voor de afwerking van de stad Belgis. ‘Hier naer offerde hy aen de goden, tot dankbaerheyd zyne twee zonen, die hy dede verbranden, benevens een groot aantal gedierten’. De ceremonie ontaardt in een verschrikkelijk tafereel. De gezagsdragers en de inwoners van Belgis zijn er allemaal getuige van. Brunius offert zichzelf aan het vuur en verplicht twee opperpriesters, drie hertogen, vijf graven, zeven kapiteins en nog meer personen hem te volgen in de vlammen.

Na hun dood laten de regeerders van Belgis een gebod afkondigen dat niemand, op ‘verbeurte van zyn lijf’ de instellingen van Bavo Brunius en zeker al niet de goden zal onteren. Het komt blijkbaar niet aan op een kind, want de kronieken vertellen het: ‘van dien tyd af begonsten de vorsten hunne afgoden te paeyen met het bloed hunner kinderen.’

In die tijd valt Ebrancus, de vijfde koning van Britania Terwaan of Morinum binnen. Het is niet de eerste keer, de stad krijgt er nu en dan van langs. Is Morinum in ongenade gevallen van Mars? De zevende koning van Belgis is Brunehuldis, lees ik, de zoon van de in de fik gestoken Bavo Brunius en hij is blijkbaar al even geschift als zijn voorganger. Met uitzondering van de 11 goden die vereerd worden in Belgis, mogen er geen offerfeesten georganiseerd worden aan anderen. En wie dat toch doet, riskeert om levend de huid afgestroopt te worden.

De koning van de Belgen krijgt het opnieuw aan de stok met Ebrancus die een, nederzetting wil bouwen bij Terwaan van waaruit hij Belgis kan ambeteren. ‘Maer Brunehuldis, al was hy nog jong van jaeren, sloeg hem uyt het land, in welken stryd eene groote menigte Britanieren dood bleven’. De koning beslist om Terwaan te versterken en er zijn broer Aganippus aan de macht te brengen. En waarom er ook geen tempel bouwen, niet om iemand te offeren maar wel te verstaan om de goden te eren voor de behaalde overwinning. Lang vieren of eren zal er niet bij geweest zijn, want de zoon van de verslagen Ebrancus is op komst om zich te revancheren. Een ontzaglijke krijgsmacht van Albianen, de voorlopers van de Schotten.

De Albianen komen aan land waar de Schelde in zee stroomt. Het water staat in die dagen flink wat hoger dan nu en dat maakt het onmogelijk om de juiste locatie te bepalen. Het zal in elk geval nog niet aan de Westerschelde zijn. De vijanden dringen de hagen en bossen binnen tot aan de broeklanden van Hapne in de buurt van Belgis. Het komt tot een confrontatie met zware verliezen bij de twee partijen. Dank zij de hulp van die van Tongeren en Trier, samen met de Ruthenen en de Morinen, slagen ze er in om de Britanieren neer te slaan. Maar die overwinning zal wel niet zo succesvol zijn als we vernemen dat de Albianen zich in de bossen en op versterkingen verschuilen van waaruit ze als volleerde guerrillastrijders grote schade blijven toebrengen aan het land.

‘Brunehuldis had by zyne eerste huysvrouwe 22 zonen in zeven kinderbedden, in het eerste gelag zy van vier zonen, en in de andere telkens van drie.’ En daarmee is de kous niet af. Zijn andere gemalin baart voor hem 12 zonen en evenveel dochters. Een kleine rekensom brengt me bij een kroost van 46 kinderen.

En dat is ongetwijfeld nodig want het is al oorlog en strijd die de klok slaan. Er zijn nu conflicten bij Trier dat geen beschermende muren bezit en lastig gevallen wordt door de ‘Mosellanen’ of de ‘Metensen’. Germanen uit Metz dus. Die oorlog in Trier bezorgt Belgis flink wat voordelen. Nogal wat inwoners van Trier vluchten er weg en trekken met hun kostbaarheden en rijkdommen naar Belgis. Uiteindelijk springt Brunehuldis van Belgis in de bres voor die van Trier en vernedert hij die van Metz dat nu Belgisch grondgebied wordt. De stad Trier wordt heropgebouwd. Ook de Ubios of de Agrippenensen krijgen er van langs.

Dat zijn de Keulenaars, weet Marcus te vertellen, en zo krijgen we alweer wat extra kennis over ons verleden toegestopt. ‘Hy bemagtigde insgelyks hunne stad, die hy van mueren en vestingen ontblootte’. Binnen een tijdspanne van 8 maanden verwerft Brunehuldis de heerschappij over alle steden aan de Rijn. In het westen proberen andere volkeren zich meester te maken van Belgis. Wat een zootje toch. De Allobrogen, Kelten en Secanisten hebben samen een leger gevormd en proberen, gekleed als pelgrims, de stad bij verrassing in te nemen.

Maar de list wordt ontdekt en de inwoners komen tijdig in het verzet tegen de invallers. Aan weerskanten veel volk dood. Dat wel. Vooral de Secanisten zijn kop van jut. Ze proberen aan de moordende zwaarden te ontsnappen en vluchten weg. Maar ze worden verder opgejaagd tot aan de oever van een rivier waar de meesten van hen de verdrinkingsdood sterven. Sinds dit voorval wordt deze rivier de ‘Secant’ genoemd, vertelt Marcus van Vaernewyck.

Bij zijn terugkeer in Belgis besluit Brunehuldis zich te wreken tegen de vreemde naties die het aandurfden om Belgis aan te vallen. Een wraakoefening die 10 jaar duurt waarbij op geen kosten en inspanningen gekeken wordt. We laten de kronieken zelf aan het woord: ‘Brunehuldis terug gekeerd zynde, en verstaende wat deze vremde natien tegen zyne stad ondernomen hadden, besloot zulks te vreken; het welk hy dede naer groote onkosten en moeyelykheden, tot het overtrekken van verscheyde rivieren: hy bragt die alle ten onder, hunne landen ten vuere en ten zweêrde verwoestende; zoo dat hy onder zyn gebied bragt alle de volkeren tot aen de rivier Rhodanus (de Rhône) en de Appeninsche bergen.

Hy maekte zig ook meester van Aquitanien, welk land hy verbrande en verdierf tot aen de spaensche zee, alle de inwoonders aen hem onderwerpende. Deze krygsverrigtingen hielden hem tien jaeren bezig, naer welken tyd hy in zegepraal binnen Belgis keerde, gevolgd van verscheyde vremde vorsten die hy als gevangene mede bragt.’

Het is nu tijd om ‘merci’ te zeggen aan de goden. Zo veel voorspoed. Er moet iets teruggedaan worden. En zo wordt zijn oudste zoon geslachtofferd ter ere van de afgod Mars. De gevangen genomen vorsten worden vrijgelaten nadat ze hem publiekelijk erkend hebben als hun opperleenheer. In -989 komen er opnieuw problemen. Het verenigd leger van de Saxen, de Sweven en de Alanen en nog andere volkeren steekt de magische Rijn over om Trier te gaan belegeren en om al het land tussen Tongeren tot aan de stad Metz te bederven. Brunehuldis verzamelt op zijn beurt een krijgsmacht en trekt over de Maas, gevolgd door veel koningen, hertogen en prinsen.

De strijdkrachten worden opgedeeld in drie divisies die elk onder het bevel staan van hun 4 koningen, 10 hertogen en evenveel graven. ‘Met het volk dat zy onder hun hadden’ vertelt de geschiedschrijver. Zijn grondgebied, de voorloper van België, moet dus ingedeeld zijn in minstens 60 leengebieden met elk hun graaf of hertog aan het roer. De tenten worden opgeslagen op zowat 4 kilometer van de vijanden en het duurt niet lang voor de strijd in alle hevigheid losbarst. De eerste krijgsbende van de Belgen wordt door de Saxen neergeslagen. Het is nu de beurt aan de tweede groep. Het beeld van de slachting wordt opgeroepen:

‘Maer de tweede volgde van naby, en overviel, nog versch wezende, de vermoeyde vijanden, vegten op de doode lichaemen die daer gesneuveld lagen, dog zy zouden het nog te kwaed gekregen hebben zoo Brunehuldis hun op zyde en langs van agter niet seffens ondersteund had.’ Het dodental is ontzaglijk. Zowel bij de Belgen als bij de Saxen die op de vlucht slaan richting de brug die ze in de buurt van Metz hebben gebouwd, ‘daer verdronken er eene grote menigte of vielen door het zweêrd, zoo dat het water met hun bloed vermengeld wierd.’

Nu de veldslag afgelopen is, laat Brunehuldis zijn gewonden naar Trier vervoeren om daar te kunnen worden verpleegd. Er worden nog eens 10 hertogen en 10 graven met hun krijgsvolk opgetrommeld om zijn legers te komen versterken hier aan de Rijn. Hoe lang dat allemaal duurt, weten we niet. Wel dat ze bij aankomst de Rijn oversteken om de Saxen en de Sweven mores te leren. De weerstand bij de Saxen is gebroken en nu wordt het Saxenland onder de voet gelopen. Er komt een kritische noot van Marcus. Het loopt allemaal niet zo van een leien dakje. ‘Hy ontmoette aldaer zoo veel tegenweêr, dat ‘er acht jaeren verliepen eer hy t’eenemael onder zyne heerschappye konde brengen’.

Hoe dan ook; heel Germanien wordt veroverd en Denemarken, Pruisen en Noorwegen worden eveneens ingenomen. Dat zullen vermoedelijk de thuisgebieden van de Sweven zijn. ‘De inwoonders van alle deze landstreken moesten den nek buygen onder het jok der Belgen’. Met zijn veroveringen heeft Brunehuldis er voor gezorgd dat zijn heerschappij zich uitstrekt van de ene zee naar de andere en verder tot aan de Apennijnen, de Pyreneeën en de Sarmatische bergen. Tot aan de Zwarte Zee dus. Hij heeft een illustere pagina geschreven in de geschiedenis van België. Het boek van de geschiedenis openbaart vergeten pagina’s uit ons verleden. Maar laten we verder gaan.

Nu er overal vrede is, komen er nieuwe wetten en verordeningen. Reglementen rond het gebruik van munten, maten en gewichten. Het verbod om geen offers te brengen aan andere goden dan die van Belgis, wordt herhaald. De wegen die vertrekken vanuit de 7 poorten van Belgis, worden verder geplaveid. Het werk van zijn voorganger koning Bavo uit Frygië wordt verder gezet. De naam Frygië is gevallen. De nieuwe Belgen, eerst omschreven als Trojanen, zijn dus in realiteit Frygiërs, Indo-Europeanen, afkomstig uit de Anatolische hoogvlakte waar zich vandaag Turkije bevindt.

Wat Marcus van Vaernewyck omschrijft is natuurlijk de verovering van de Indo-Europeanen van heel het Europese vasteland zowat 1000 jaar voor het begin van onze tijdsrekening. Met Bel als exponent. Hier ligt dus de reden waarom er zoveel gelijkenissen bestaan bij zoveel plaatsnamen in Europa. Een van zijn bronnen is Lucius Cassius Dio, een geschiedschrijver uit de Romeinse tijd. Die weet te vertellen dat één van de geplaveide wegen vertrekt aan de poort van Mercurius feitelijk de dichtst gelegen weg is bij de zee omdat die eindigt in de haven van Gouda.

In de veronderstelling dat Bel inderdaad gelegen is op de plek waar zich nu Velzeke bevindt, dan zou de weg tussen Belgis en Gouda exact 200km lang zijn en voorbij lopen over Gent, Antwerpen, Breda en Rotterdam. Er worden nieuwe wapens geproduceerd met gegraveerde afbeeldingen die te maken hebben met bossen. Typisch voor de wapens van de Belgen. Beren, leeuwen, enzoverder. De Hunnen en de Saxen houden het bij vogels: arenden, griffioenen, raven, merels en meeuwen.

Stilaan is Brunehuldis op een ouderdom geraakt die hem machteloos maakt. Hij benoemt Bruno, zijn tweede zoon tot zijn opvolger. De derde zoon uit het eerste kinderbed wordt Belgion genoemd en die wordt aangesteld als hertog van Trier, de vierde is Agipannus en die wordt koning van Allobrogen en Neustrië, een gebied dat later een groot deel van Frankrijk zal worden. Agipannus zorgt voor de bouw van een nieuwe stad die hij doopt als Waelsch Belgis.

Pas later zal die naam uitgroeien tot Bellovacum en nog veel later als Beauvais. Zo bezit het grondgebied van de Belgen nu drie steden die Belgis genoemd worden. De rest van zijn pak kinderen worden allemaal hertogen en prinsen van gebieden die hij tijdens zijn leven heeft weten te veroveren en allemaal moeten ze zich onderwerpen aan hun broer Bruno die koning en hogepriester is van groot Belgis.

Na het overlijden van de oude Brunehuldis wordt hij conform de rituelen en gebruiken van de Oude Belgen verbrand rechtover het beeld van de afgod Bel. Het beeld heeft hij trouwens zelf laten oprichten. Meer dan 100 edelen beslissen om hun koning te vergezellen naar het eeuwig leven en worden mee verbrand. Een afgrijselijk schouwspel. Het zijn de tijden waarin koning Salomon regeert over Israël weet Marcus Vaernewyck te vertellen. We controleren even zijn tijdsgebruik. Hij is met zijn kronieken aanbeland ergens rond het jaar -950.

Ik kan er in komen. Het mogelijk waarheidsgehalte stijgt daardoor met stip. Het jaar van de wereld 4225 dus en onze nieuwe koning Bruno trekt ten strijde tegen Britania. ‘Met groote magt tegen het eyland van Britanien, nam het zelve in naer eenen zwaeren en langduerigen oorlog, en bragt deszelfs inwoonders onder schatting, naer alvooren hunnen koning Leyer verjaegd te hebben.’ Er worden in Britanien twee steden geplunderd: Trovantum en Ebrancum. De buit die de vroegere koning Ebrancus heeft gepikt bij de Morinen en de Ruthenen wordt nu dubbel en drie terug genomen. Er wordt zelfs een god buitgemaakt. Neptunus, de god van Trovantum wordt weggevoerd samen met zijn altaar en alle juwelen. Ook de Albanen wordt gekortwiekt en ook Ibernien (Ierland) wordt ingenomen door de Belgen van Bruno.

De afgoderij zit ongelooflijk diep ingeworteld bij de mensen. ‘In het wederkeeren beroerde Neptunus om dat deszelfs beeld uyt zijne plaets vervoerd was, zodaenig de zee, dat het schip daer den koning van Belgis op was verging, zoo dat hy benevens veel edellieden verdronk.’ Het schip van de koning vergaat dus in de golven van de Noordzee en de rest van de armada met hun dode koning aan boord kan ternauwernood de Belgische kust bereiken.

De omgekomen koning Bruno wordt opgevolgd door zijn zoon Aganippus. De tweede met die naam. Maar daarmee is de kous niet af. Bruno heeft zich zwaar bezondigd aan het gebod om enkel de goden van Belgis te vereren. De poging tot overbrenging van die vreemde Neptunus wordt bezien als overspel. En op dit soort van overspel staat er maar één straf: de huid van de koning moet afgestroopt worden. De toestand in de stad Belgis gaat er stelselmatig op achteruit. Het voedsel is duur en schaars geworden. Veel heeft te maken met de constante toestroom van pelgrims die op bedevaart komen naar de goden van de stad. De toestand moet kritiek zijn.

De hongersnood verplicht Aganippus II om in te grijpen en om de concentratie van alle goden in die ene stad ongedaan te maken. Zo komt het dat het beeld van Mercurius verplaatst wordt naar Carinea (nu dus Gent) die meteen omgedoopt wordt tot Phanum Mercurius. Hoewel die door sommigen ook als Phanum Martis genoemd wordt naar de tempel van Mars. De Britanieren en de Albanen die ten tijde van Brunehuldis gevlucht waren in de eindeloze wouden, ‘in de bosschen en spelonken, om hun lyf en goed te behouden’, hebben zich met verloop van tijd vermenigvuldigd tot een leger van 80.000 strijdbare mannen.

Het komt tot een confrontatie met Aganippus die te velde trekt tegen de Albanisten en hen zware schade toebrengt. Hun aanvoerder Lupus of Leyer stelt voor om een einde te maken aan de oorlog en verbindt zich ertoe dat zijn volk jaarlijks een contributie zal betalen aan de Belgen en dat ze graag in de bossen en het land tussen de Schelde en de Dender zouden willen blijven wonen. De koning gaat akkoord met het voorstel maar zorgt er netjes voor dat alle zeehavens in zijn eigen bezit blijven.

Sommigen beweren dat die Lupus de stichter is van de steden Leuven en Lier. De schrijver haalt het huwelijk aan van Aganippus met de dochter van Leyer Corderlam. Hij heeft het eveneens over de heuvel waarbij de Schelde de stad Gent binnenstroomt. Die wordt de Leyer-berg genoemd. Er komt trouwens nog een ander vinnig verhaal te voorschijn. Jan Veldener schrijft in de jaren 1400 in zijn Fasciculus temporum dat koning Leyer geen zonen heeft kunnen voortbrengen en het moet rooien met enkel zijn drie dochters die noodgedwongen dus zijn erfgenamen moeten worden van zijn rijk van Britanien.

Wie papa het liefst ziet, krijgt het schoonste erfdeel. Zo komt het er op neer. De eerste twee zweren dat ze hem meer beminnen dan hun eigen lijf en ziel. De derde zegt dat ze hem lief heeft zoals een dochter haar natuurlijke vader. En blijkbaar schiet dat in het verkeerd keelgat, ‘den vorst wierd gram, denkende dat de liefde van zyne derde dogter te kleyn was’. Zo wordt ze onterfd en wordt het eiland verdeeld onder de eerste twee dochters. De onterfde dochter blijkt volgens deze kronieken een echte beauty te zijn die gaat trouwen met de koning van Frankrijk. Agipannus dus, de vierde zoon van Brunehuldis.

Haar twee zussen blijken in realiteit waardeloze sletten die hun eigen vader verachten en op droog zaad zetten. Uiteindelijk zal de derde dochter haar vader in ere herstellen, zoals een dochter dat inderdaad doet met haar natuurlijke vader. Tot zover het oude verhaal van Jan Veldener. Na het afsterven van koning Aganippus II, komt Audengenus aan de macht. Of hij zijn zoon is, wordt niet vemeld, wel dat hij bekend staat als een grote sterrenkundige en een liefhebber van zwarte magie. Audengenus is een miskleun op zich.

Binnen de kortste tijd wordt hij door zijn onderdanen weggejaagd waarop hij met een kliek herders en gemene lieden gaat samenspannen en laat opleiden in de zwarte magie waardoor ze een deel territorium met onder andere Metz en Trier heroveren. Vooral Tongeren en de Ubios en de Saxen die er leven zijn de dupe van zijn duistere praktijken. Tot de tempels van de lokale afgoden toe worden verwoest.

Uiteindelijk stellen de inwoners van Belgis zijn broer Herisbrandus aan als nieuwe koning en opperpriester. Die laat Audengenus oppakken in de buurt van Trier. Wat nu gebeurt, wil ik graag opnieuw vertellen in de 500-jaar oude taal van de kronieken: ‘de Belgen kwartierden hem levendig, en zonden een deel van zyn lichaem aen de Saxen, een ander aen de Agrippinenser of Ubios, een derde aen die van Metz en het vierde nae Trier. Den tronk met het hoofd bragten zy levendig te Belgis, zy bestreken het met honing, en stelden het aldus in het midden der stad, voor het beeld van den afgod Bel, alwaer het van de vliegen en muggen aengetast wierd.

Dit was voorwaer een vreede straffe, uytgevoerd over eenen vorst.’ Herisbrandus laat de schade in zijn rijk herstellen en eist eendrachtigheid van zijn onderdanen en blijvende dienstbaarheid aan de goden. In Frankrijk ontstaan er grote problemen met de Senonensers, de voorlopers van de Karolingers, omdat die weigert met hen mee te werken om de Belgen en hun offergaven buiten te bonjouren. Ze krijgen steun van de Kelten, de Aquitanen, de Secanisten en de Neustraenen. Heel Frankrijk in het verzet tegen de Belgen dus. Herisbrandus slaagt er in om de Franse opstand neer te slaan en krijgt daarbij de hulp van die van Trier, de Agrippinensers en de Albanen. Het moet ergens rond de jaren -820 zijn. Heel het gebied tot aan de Rhône met inbegrip van Aquitanië is weer tot vrede gebracht.

Herisbrandus moet een gevaarlijk spel spelen als hij het beeld van Minerva, de oppergod van de Senonsers in Belgis binnenbrengt en op een berg buiten de stad wordt nog een ander afgodsbeeld opgesteld. Dat van Janus dat al vrij snel het bezoek krijgt van allerhande pelgrims uit alle gewest van Gallië. Blijkbaar moet dit niet naar de zin zijn van de Albanen. Is dit hun territorium? In elk geval besluiten ze op een bepaalde dag om de berg af te sluiten.

De priesters die de diensten verzorgen op de berg van Janus, besluiten daarop om tijdens de nachten de vuren aan te steken als teken van problemen. Herisbrandus met zijn kinderen en wat volk, gaan er op af om na te gaan wat er aan de hand is, maar ze hebben zich niet bewapend waarop ze de Albanen over zich heen krijgen en neergeslagen worden.

Wanneer de Albanen de volgende dag vernemen dat de Belgen met heel hun krijgsmacht op komst zijn, slaan ze op de vlucht en steken ze de rivier over. ‘Zy wierden naergejaegd en dood geslaegen, ja zy zyn wel 15 jaeren lang vervolgd geweest, zoo dat ‘er tusschen den Dender en de Schelde tot aen de zee toe, niemand van 15 jaeren oud in het leven bleef. Daer wierd vervolgens een gebod afgekondigd, dat de Albaenen die het zweêrd der Belgen ontvlugt waeren, ten eeuwigen dagen voor vyanden zouden gehouden worden, benevens hunne vrouwen en kinderen, en dat men die als wilde beeste zoude dooden al daer men hun konde vinden.’

Koning Herisbrandus heeft de aanslag op de Janusberg dus niet overleefd en dat is een probleem. De enige erfgenaam is nog een jong ventje. De Belgen beslissen om een stadhouder als regent aan te stellen in afwachting dat de jongen meerderjarig wordt. Hun keuze valt op Ursus en het is wat grappig dat de kronieken fijntjes opmerken dat onze man kaal is en een afstammeling van Leo, de derde koning van Belgis. Maar hij heeft niet de stand van een hertog of een graaf en dat is niet naar de zin van de verschillende prinsen die het land rijk is.

Er komt trammelant van. ‘Verscheyde landen staken het hoofd op, op weynige steden bleeven aen die van Belgis onderworpen’. Grote onenigheid dus bij de Belgen en Ursus doet wat hij kan om de rust het herstellen en zijn volk te paaien. Hij moet en zal de opstand neerslaan en roept daarbij de hulp van de goden in. Een algemene mobilisatie levert 480.000 man op die met hem willen strijden. Allemaal tussen de 20 en 50 jaar oud. Hij slaagt in zijn opzet en wordt aangesteld als de koning van de vier heroverde steden.

We krijgen een glimp te zien hoe het er zo lang geleden aan toe gaat op andere plekken in de wereld. Niet zo ver vandaan trouwens. In Griekenland. Ik laat het Marcus van Vaernewyck zelf vertellen: ‘onder de Lacedemoners in Griekenland waeren op dien tyd verscheyde vremde gewoonten. Onder andere waeren ‘er eenige oude, onvermogende of zieke mannen, die nog vrugtbaere vrouwen hadden, deze gingen tot jonge gezellen, die nog frisch en jeugdig waeren, begeêrende dat zy met hun gemeenschap zouden hebben, op dat ‘er aldus vrugten mogten verwerkt worden.

De kinderen die ‘er van kwamen, behoorden den ouden of zieken man toe, en die zulks niet wilde gedoogen, wierden gestraft; want men zeyde: gy laet uwe vrugtbaere vrouw ongeoeffend van andere, maer hebt gy eene zeug, gy laet ‘er wel twee of dry mannekens by komen.’ Dieverij wordt met de roede bestraft terwijl de verkrachting van andermans vrouwen als behendigheid en kunst aanzien wordt. Die beestachtige toestanden zijn er trouwens de oorzaak van dat er een lokale oorlog door ontstaat.

We keren terug naar Ursus. ‘In het jaer der weireld 4428 of daer omtrent.’ Ons kalenderjaar -747. Marcus vertelt dat dit in het 50e regeringsjaar is van koning van koning Uzzia van het koninkrijk Juda is. Een check-up op Wikipedia bevestigt dat de gebruikte kalenderjaren overeenstemmen. De kronieken kunnen niet zomaar afgedaan worden als verzinsels. Er moet wat scheef gelopen zijn met dat zoontje van de vermoorde koning Herisbrandus.

Het is finaal Ursus die verkozen wordt als koning van Belgis. De eerste koning in driehonderd jaar die niet de titel van opperpriester draagt. ‘Hy had 36 zoonen, en uyt hem sprooten 74 neven, allegaeder wel geoeffend tot den oorlog.’ Het grondgebied van de Belgen is ondertussen met een vierde ingekrompen want ‘Saxen, Hacien, Zweden, Daeien en geheel Duydschland over den Rhyn, de geboden van Ursus veragtende, verkoozen eenen koning op hun eygen.’ Belgis Comata (Trier) sticht een nieuw land tussen de Rijn en de Maas met inbegrip van de steden Agripina, Tongeren en Metz.

Tussen de bergen, de Rhône en de Spaanse zee zien we de stichting van een nieuw rijk waar de Senonensers, de Kelten, Secanisten, Allobrogen en die van Aquitanië allemaal onderdeel van uitmaken. En het houdt daarbij niet op: ook de Westhoek behoort bij de weglopers. Niet dat de Westhoek dan al bij naam genoemd wordt hoor. De kronieken hebben het over Belgis Gallica, meer bepaald Bellovacum en Lutetia (waar 1000 jaar later Parijs zal ontstaan), klein Britania of Neustrië, groot Britania of Engeland, Carinea of Gent, Terwaan, Ruthenen en Schotland spannen samen tegen de nieuwe koning Ursus.

De onafhankelijkheidsverklaring resulteert in een beleg van de stad Terwaan. Ursus en een strijdmacht van 100.000 man belegeren hun Terra Vana. ‘Geduerende dit beleg verspreydden zyne soldaeten zig wel 30 mylen verre, al het land bedervende tot aen Neustrien en de zee, zonder dat hun iemand durfde wederstaen, dan alleen de Albaenen, naermaels Alostenaers, genoemd, die in bosschagien gevloden waeren, deze deden hun groot kwaed.’ Ursus zint op wraak maar zijn adviseurs raden hem dat af. Geweld zal hoe dan ook met geweld beantwoord worden en het is beter om te onderhandelen.

We stappen weer in de taal van de oude handschriften: ‘De koning ontfing deze volkeren in genaede, zy mogten hun land behouden op zekere voorwaerden van dienstbaerheyd, waer van eene was dat zy de slaeven der Belgen zouden wezen, in alle veldslagen den eersten aenval doen, en nimmermeer binnen de stad Belgis komen.

Eer Terouanen bestormd wierd, belaste Ursus aen zyne krygslieden, op straffe van levendig gevild te worden, dat zy de minderjaerige kinderen, zwangere vrouwen, en mannen van 60 jaeren, die genaede vraegden, niet zouden dood slaen, dat er geene huyzen zouden verbrand worden, ten waer hy daer zelve eerst het vuer in stak, dat niemand maegden zoude schenden, dat zy alle ombrengen zouden die tegenstand booden, het zy mannen of vrouwen, die den ouderdom van 20 tot 50 jaeren bereykt hadden.’ Terouanen wordt ingenomen.

De oudste zoon van Ursus wordt aangesteld als hertog en hij krijgt een afdoende bezettingsmacht om de inwoners in bedwang houden. Dan gaat het naar Beauvais, Bellovacum in die dagen. Hier ondervinden ze grote tegenstand van de vijand die de rivier bezet houdt. De strijd aan het water komt over als een echt bloedbad voor beide partijen, waar Ursus aan het langst eind lijkt te trekken maar zich dan nog eens finaal geconfronteerd ziet met een stad die zich niet wil overgeven. Ursus zweert dure eden dat hij nooit of te nimmer van plan is om zijn wurggreep op Bellovacum te lossen tot dat de overgave een feit is.

Welke tijden liggen er toch achter ons? Terwijl de hemel staalblauw aankleurt in deze heldere morgen, laat niets vermoeden dat onder diezelfde hemel ooit zo veel mensenbloed is verspild. Maar we gaan verder met deze verschrikkelijke gebeurtenissen. De natuur blijft sowieso totaal onbewogen bij al die menselijke dwaasheid. De troepenbewegingen van de Belgen zorgen er voor dat hun hoofdstad Belgis er relatief onbeschermd bij ligt. ‘Zwak van volk’ beseffen die van Trier en daar moeten ze van profiteren. Ze steken de Maas over en zijn op weg om de hoofdstad binnen te vallen.

Koning Ursus wordt op de hoogte gebracht van de naderende vijand en beslist om de zaken hier bij Bellovacum te forceren in de hoop om dan zo snel mogelijk te kunnen terugkeren naar Belgis. Hij laat bewust na om de komst van de Agrippinensers te vermelden aan zijn legerleiding. Hij waagt zich hiermee aan een gevaarlijk pokerspel. De Albanen worden de volgende morgen als eersten in de aanval gestuurd. Ze vullen de stadswallen met aarde en steen en strijden zowat de hele dag, ‘zoo dat ‘er van beyde de kanten veel volk dood bleef.

Er volgt een tweede bestorming de volgende middag en uiteindelijk geven de inwoners van Bellovacum teken dat ze zich willen overgeven en komt het tot een verdrag. Ursus trekt met 10.000 van zijn soldaten de stad binnen waar de inwoners hun eed van trouw aan hem zweren. Bij zijn terugkeer in zijn legerkamp vertelt hij zijn staf over de bedreiging die Belgis boven het hoofd hangt. Ze hebben allemaal niet zo veel tijd nodig om hun kamp op te breken en om met al hun oorlogstuig de tocht te beginnen naar de hoofdstad.

Na vijf dagen staan ze op 10 mijl van Belgis geven de kronieken aan. Als Velzeke op de plaats ligt van het mythische Belgis, dan bedraagt de afstand met Beauvais zowat 85km. De tocht kan best gegaan zijn via Wervik, Kortrijk en Oudenaarde. 70 km op 5 dagen tijd. Het is mogelijk dat ze halt houden in Oudenaarde, op 15km van Belgis. Maar ze komen te laat. De vijand is hen voor geweest. 25.000 Belgische mannen hebben het met hun leven bekocht en bij de vijand worden er ook al 15.000 gesneuvelden geteld. Er is nog meer macaber nieuws. De troonopvolger, de jonge prins der priesters, de erfgenaam van de kroon van Belgis, is gevangen genomen en meegevoerd door de vijand. We zijn dus toch te weten gekomen wat er met de jongen aan de hand is geweest.

Zijn troepen zetten de achtervolging in en ze slagen er in om de vijand op een of andere heuvelrug te verrassen en neer te slaan. ‘Alwaer hy hun onvoorziens overviel en wel 30.000 Duydsche versloeg.’ De overgebleven Duitsers, 260.000 soldaten stellen zich de volgende dag in slagorde op om de echte confrontatie met de Belgen aan te gaan. Ursus onderneemt eerst nog een diplomatieke poging of de Duitsers zich niet beter zouden onderwerpen, maar hij krijgt een nul op zijn rekest.

De Duitsers antwoorden ‘dat zy den waeren opper-priester en heer, die zy gevangen hadden, wilden onderdaenig zyn en anders geenen’. De vijandelijke gezanten krijgen niet eens de tijd om zich bij hun leger te vervoegen. Weer zijn het de Albanen die het pad effenen voor Ursus. Wie er wint of verliest staat niet vermeld, wel dat er 80.000 doden te betreuren vallen bij de Duitsers en dat Ursus 20.000 vrome mannen verliest. Eén van de doden is de jonge erfgenaam, de laatste telg uit het edel geslacht van de prinsen van de priesters. Ursus krijgt de schuld. Met zijn pokerspel daar in Bellovacum heeft hij het einde van het koninklijk geslacht van Belgis bewerkstelligd!

De inwoners van Belgis voelen zich wanhopig als ze horen dat hun wettige koning vermoord werd. Ze gaan op zoek naar Ursus. Wraak is de boodschap, maar Ursus trekt nog maar eens aan het langste eind. Dit keer aan de Samber of ergens daar in de buurt waar 70.000 Belgen het onderspit delven. Het einde van de stad Belgis is nabij. De overgebleven bevolking sluit al de stadspoorten maar ze houdt er geen rekening mee dat er zich nog sympathisanten van Ursus in de stad bevinden die er voor zorgen dat ‘terwijl Ursus de zelve bestormde, daer aen alle zyden het vuer in staken.

Aldus vermeesterde hy die, waer naer hy als beesten dede kelen alle die van het bloed der priesters waren.’ Ursus neemt het zekere voor het onzekere, hij weet dat hij de stad niet volledig heeft kunnen zuiveren en kiest ervoor om zich te vestigen in Trier. ‘Hy liet de bestiering van Belgis en de omliggende steden aen zyne kinderen’.

‘Omtrent dien tyd begonsten de Grieken en Latynen te rekenen bij olympiaden, van de welke iedere vier volle jaeren inhield. Dit tydstip, volgens dat zommige opgeteekend hebben, is begonst in het jaer der weireld 4428′. Dat zou dus ons jaar -747 betekenen. We zitten dus met een gat van 29 jaar, want in werkelijkheid zijn de vierjaarse olympische spelen van start gegaan in -776. In elk geval koppelt Marcus van Vaernewyck zijn wagentje voorlopig aan de olympiades. Aan het begin van de 5de editie, in -755 vat Ursus het plan op om Belgis en de andere steden van de Belgen onder de heerschappij van Trier te brengen.

Dat is blijkbaar niet naar de zin van de Belgische vrouwen. Zijn er trouwens nog veel mannen overgebleven na al die jaren van bloedvergieten? ‘De weduwen, vrouwen en alle die van hun geslagt waren, zulks vernomende hebbende, vergaederden binnen de stad Belgis: zy verscheurden de gene die het bevel van Ursus afkondigden, en droegen hun zeer mannelyk, als raezende menschen in het leger van dien tyran loopende, het welk nog noyt van vrouwen gezien was.’ Ze krijgen daarbij de hulp van de zoon van de koning van Britania De dames stellen de dochter van de vroegere koning Herisbrandus aan als hun koningin.

Tijdens de stormloop op Trier worden er 30.000 gedood en ook de kersverse koningin raakt gewond. Ze krijgen in elk geval Ursus te pakken: ‘Zy vonden hem bevangen met de koorts te bed liggen, en versmoorden hem moorddadiglyk in zyn bloed.’ De confrontatie is nog ver van afgelopen: ‘des anderendags, in den zwaersten stryd, wierden er van de Belgische en de Britanieren omtrent 40.000 gesneuveld en van de vrouwen 50.000, maer aengaende de gene die het met Ursus hielden, als de Triersche de Mosellaenen en de Albaenen, deze lieten daer meest het leven.’

De Engelse baronnen zijn zwaar onder de indruk om de ‘amazonistische’ strijdbaarheid van de vrouwen hier. Ze krijgen toestemming van de koningin om 2000 maagden te verschepen naar hun thuisland, ‘om die tot eere te brengen en kinderen uyt hun te winnen.’ Marcus Van Vaernewyck heeft zo zijn twijfels over het grote aantal gesneuvelden tijdens al die bloedstortingen. Maar zeker is hij niet in zijn scepsis, ’t en waer dat het alsdan de manier geweest had met zoo talryke legers te oorlogen en dusdaenige moordslagen te doen. Ook moesten de landen dan uytnemende bevolkt zyn, of de heyren van zeer wyd vergaederd worden.’

In het jaar -753 trouwt de Belgische koningin Ursa met Borguncius, de zoon van Rivallo, de koning van Britania. Borguncius heeft Ursa geholpen met haar afrekening met Ursus. Zeven zonen krijgen ze samen, waaronder een zekere Sisillus. Op 21 april van datzelfde jaar -753 stichten Romulus en Remus en een groepje herders een nieuwe nederzetting. Rome. 31 jaar later vermoordt Romulus zijn broer Remus en trekken de aanhangers van die laatste weg uit Italië. Ze krijgen de toestemming van de koningin van Belgis om een sterkte te bouwen met de naam Rheyms.

De Senonensers willen de stichting van de nieuwe sterkte verhinderen maar Ursa zorgt er voor dat ze verdreven worden. Sisillus verblijft in London, dat toen nog Triovantum wordt genoemd, waar hij tot koning van Britania wordt gekroond. Zijn moeder Ursa laat trouwens ook de troon van Belgis over aan haar zoon Sisillus die beslist om enkele jaren in Reims te verblijven waar hij ‘vele treffelyke gebouwen liet stigten.’

Zijn broer Fristenbaldus wordt opgetrommeld om de wapens op te nemen tegen de Senonensers en de Secanisten. Hij slaagt met glans in zijn opdracht die in mineur eindigt wanneer zijn moeder Ursa verdrinkt in de rivier die later zal omgedoopt worden als ‘Materna’. Na het overlijden van Sisillus komt Fristenbaldus aan het hoofd van Belgis en na hem zijn zoon en zijn kleinzoon die allebei dezelfde naam dragen. Er volgt in de kronieken een bladzijdenlange omschrijving van de onstuimige groei van het jonge Rome.

We zijn aangekomen in het jaar -672. De tweede Fristenbaldus voert nog maar eens zijn oorlogen. Hij ‘stigtte of verbeterde de stad genoemd de ‘Haeve van Belgis’, een plek gelegen langs de Mercuriusweg, die blijkbaar een nieuwe naam krijgt: Portus Belgis, het latere Gent. Omtrent -603 bestuurt Leopardinus het rijk van Belgis. De kronieken laten niet veel los. Over de Belgen niet veel nieuws. ‘In deze tyden was het ryk van Belgis in eenen volstrekten vrede.’ Vijf koningen passeren de revue. ‘Waringerius, de zoon van Fristenbaldus; Leonius, zoon van Waringerius; Leopardus, zoon van Leonius; en Leopardinius, zoon van Leopardus. Leopardinius regeert in dezelfde tijd dat Servius zijn parcours als zesde koning van Rome doorloopt.

Tussen Belgis en Rome botert het niet. De inwoners van Reims zijn nog niet vergeten dat hun stamvader door die van Rome om het leven werd gebracht. Een oorlog kan op het nippertje vermeden worden als een bestand van 3 jaar wordt afgesproken. Tullius Hostilius is op dat moment de derde koning. Onze Marcus springt van de hak op de tak en zit nu weer drie generaties terug in de tijd. We proberen te volgen. Tijdens dat bewuste bestand trekt Tullius Hostilius weg uit Rome in een poging om tot een vergelijk te komen met die van Trier.

Hij slaat zijn tenten op in een vallei bij de Maas en vat de bouw aan van een stad die hij Tullum noemt. Zijn pogingen met Trier lopen niet zoals gewenst waarop hij verder opschuift richting Belgis, waar hij een plaats toegewezen krijgt aan de Schelde. Een en ander leidt opnieuw tot de bouw van een nieuwe stad die door zijn volk Tullus Hostilius gewordt genoemd. Later zal dat Doornik worden. We krijgen meer details op ons bord. Tarquinius Priscus, de machtige en erg bekwame vijfde koning van Rome, versterkt Doornik, zijn ‘klein Rome’, rond -596 met torens en muren. ‘Deze stad ging alle andere steden van daer omtrent te boven in poorten, mueren, torens en paleyzen, in treffelykheyd van inwoonders en lustigheyd van plaetsen.’

Marcus van Vaernewyck schrijft verrassende dingen. Zijn we niet allemaal opgegroeid met de wetenschap dat Julius Caesar onze gewesten is binnengevallen minus 57 voor Christus? En is dit niet het begin geweest van een Romeinse era die zal duren tot de jaren 400? Volgend fragment uit zijn historie van Belgis is ook nieuw voor mij: ‘naer de dood van Tarquinius Priscus, -578 dus, kwam het rooms ryk aen Servius.

Dezen vorst was den eersten die de vremde volkeren, aen de romeynen onderworpen, schattingen opleyde; en op dat iedere stad in het bezonder de moeyte niet zoude behoeven te nemen van haeren tribuyt nae Roomen om de schattingen van 125 steden te vergaederen, en die vervolgens alle te zaemen derrewaerds te zenden. Zy deden dit eenigen tyd getrouwelyk; maer mids de weelde hun begon te steken, wierden zy wederspannig en wilden geenen tribuyt meer opzenden, waerom den koning Servius hunne stad kwam belegeren, die hy innam en verwoeste.’

‘Omtrent dezen tyd wierd de stad Marseillen eerst gebouwd van eenen hoop jonge-lieden, genoemd Forenses, die uyt Asia gekomen waeren, ter plaets daer aen de rivier de Rhône haer eynde neemd in den hoek van de zee.’ Die Forenses blijken nogal innovatief te zijn met de bewerking van het land en ze inspireren de Galliërs om ook aan akkerbouw te doen, wijngaarden te planten en olijfbomen te enten. De steden worden met muren omringd en in de centra worden wapens verboden.

We zijn ondertussen aanbeland in -568. Of daaromtrent zoals Marcus schrijft. Het is menens voor koning Servius. Onze kroniekschrijver vermeldt nog eens enkele van zijn bronnen. Lucius van Tongeren en Hugo van Tullum. Van die laatste vind ik wat terug. Hugues de Toul moet geleefd hebben in de 13de eeuw en baseert zich op oude handschriften en mondelinge overlevering en ook op vroegere kronieken zoals de ‘Charlœ Austrasiensium, verba Lothariensium’. En eveneens ook op 13de eeuwse rijmkronieken van de Doornikse bisschop Philippe Mouskes, een collectie van blijkbaar onuitgegeven Belgische handschriften.

Waarheid of fictie? Geschiedenis of verzinselen? Dit terzijde. We luisteren naar wat Lucius en Hugo te vertellen hebben. ‘Den roomschen koning Servius vergaederde vele mannen van wapenen, in Hongarien, maar ook Sicambren, en Germaenen. Met deze magt nam hy Zweven, Sassen en Dacien of Denemarken in, en kwam alzoo tot op den Rhyn, om het ryk van Belgis aen te randen. Leopardus, deszelfs koning, verweêrde zig ten besten dat hy konde; en te Ubion of Agrippinen komende, verstond hy dat ‘er wel 200.000 mannen door deze stad getrokken waeren, hy wierd aldaer verslaegen, en weynige van zyn volk ontkwamen de handen der vyanden.’

Trier wordt ingenomen en bezet gehouden door mannen die allen die een leeftijd tussen de 20 en de 50 jaar bereikt hebben. Al het land en de steden tussen de Rijn en de Maas komen in bezet gebied. Servius wordt bijgestaan door de Hunnen onder leiding van Camber en door Vermedion, de hertog van Pannonien. Het ziet er naar uit dat het tot een treffen zal komen aan de Maas. Op een plaats die Trajectum wordt genoemd, vermoedelijk het latere Maastricht. De Belgen houden zich strategisch opgesteld tussen Legiam en Trajectum maar tot hun verwondering kiezen de Hunnen een ander traject en zien ze zich nu verplicht om zich als de bliksem naar Tongeren te reppen. De gevechten daar slepen 6 dagen aan een stuk aan. Resultaat: een nederlaag voor die van Belgis. Heel het gebied rond Tongeren valt in vijandelijke handen.

Alle Belgische mannen tussen 20 en 40 jaar worden meegevoerd en worden nu verplicht te strijden aan de kant van de overwinnaars die nu richting oceaan trekken en onderweg steden als Nijmegen en Utrecht stichten. Servius voert een afwijkende troepenbeweging uit. Hij wil de belangrijkste steden innemen; ‘door bosschagien en wildernissen trekkende, vond hy in het midden der zelve een landeken vol fonteynen, boomen en vrugten, hy dede de boomen afhouwen ter uytgetrektheyd van wel 4.000 schreden in het ronde, en stigtte op deze plaets eene schoone en groote stad, die hy Servia of Sartum Servii Quercetum noemde.’

Bergen in Henegouwen dus. ‘Hy voorzag die van poorten, vestingen en bruggen, en dede er diepe wallen rond delven, om daer in tyd van nood een beschud te hebben.’ Hij maakt zich in diezelfde periode meester van Phanum Mercurii, Portum Belgis en Hostilis: ‘welke laetste hy bezonderlyk verdelgde, om dat zy onder het rechtsgebied van Belgis gelegen was. Terwijl die van Rome een doorbaak forceren in het binnenland, profiteren de Belgen ervan om de Hunnen aan te vallen ter hoogte van Hugina (Edingen) en daar een stevige tik uit de delen. Het resulteert in de vlucht van de Hunnen richting koning Servius die zich in Bergen bevindt.

‘In Henegouw, in zeker bosch by Bergen, bouwde Camber een kasteel, aen het welk hy den naem van Cambri (Cambrai) gaf, die het tegenwoordig nog voerd. De hele oorlog tussen de Belgen en de Hunnen escaleert en blijft maar aanslepen. Maar ‘naer menigvuldige aenvallen, overvloedige en schrikkelyke bloedstortingen van beyde kanten, namen de Hunnen, naer een belegering van 15 maenden den Tempel der Zonne, Phanum Mercurii en Belgis stormenderhand in. Hier naer maekten zy Camber koning van Belgis, welken vorst daer vrouwen trouwde uyt het geslagt der koningen van dit ryk, zig voegende na de gewoonten van hunnen godsdienst.

De doorbraak van de Hunnen is gebeurd zonder medeweten van die van Rome en het is niet naar de zin van Servius dat Camber het regime in Belgis heeft overgenomen. Hij stuurt aan op een confrontatie. Camber is beducht om die aan te gaan en anticipeert door zijn gewezen kompaan 60.000 Belgische mannen aan te bieden die de Romeinse koning voortaan zullen gehoorzamen en vergezellen op zijn veroveringstochten. De nieuwe machthebber gaat trouwens nog een flink stuk verder. Alle mannen van Belgis, Phanum Solis en Phanum Mercurii mogen het aftrappen.

Wie tussen de 25 en de 60 jaar oud is, mag op zoek gaan naar een andere woonplaats. De situatie is nu compleet gekeerd. De mogelijke oppositie is verjaagd. Servius is vertrokken met een pak Belgen. Camber heeft het spel voor zich alleen. Hij maakt tijd om een verdrag af te sluiten met hertog Vermedion die met zijn leger aan de andere kant van de Somme ligt en er een nederzetting aan het bouwen is die traditiegetrouw naar hem genoemd wordt: Vermedia. De hele streek zal met de tijd de naam Vermandois aangemeten krijgen.

Marcus van Vaernewyck geeft nog wat aardrijkskundeles vanuit zijn zetel daar in de 16de eeuw: ‘de landstreek besloten tusschen de Maes, den Oceaan en den Rhyn, wierd eertyds in het algemeyn Hunia genoemd, en in het bezonder Pannonia of Perpantia, volgens den afgod Pan; het is naermael van verscheyde volkeren bewoond en hernoemd geworden; maer het land van Henegouw heeft zynen ouden naam van Hunonia behouden.’

De stad van Doornik (Hostilis dus) wordt in de periode van -524 terug opgebouwd en in zijn originele toestand hersteld. Wie denkt dat er nu vrede komt, heeft het verkeerd voor. Er lijkt geen einde te komen aan de stammentwisten in Europa. De koning van de Senonensers wil het beeld van zijn godin Minerva terug die Herisbrandus de voormalige koning van Belgis heeft meegenomen na een of ander conflict. Hij wil bovendien een schadevergoeding voor alle schade die de Belgen hem destijds hebben aangedaan. Hij richt zich hiervoor tot koning Melrandus (de zoon van Camber) die zich natuurlijk in het geheel niet aangesproken voelt. ‘Oude koeien uit een vorig leven.’

Het vervolg laat zich raden. ‘Alsdan begaf zig dezen vorst, ondersteund door de Allobrogen en Britanieren, om het ryk van Belgis te krenken.’ Melbrandus zoekt hulp bij zijn Hunnen en bij de Condronensers. Erg veel vertrouwen in het volk van Belgis is er niet meer. Maar dat verrast ons geenszins. De Senonensers blijken allesbehalve een partij te zijn voor de Hunnen. Op een plek met de naam Condeyt worden ze verslagen en sneuvelt hun koning. Er rest hen niets anders dan halsoverkop op de vlucht te slaan en zich in veiligheid te brengen aan de Rhône. Bellevacum (Beauvais) wordt nu de nieuwe hoofdstad van Melbrandus en van de Belgen. Zijn koninklijke zetel verhuist van Belgis naar Bellevacum. Zijn zoon Blandinius wordt aangesteld als stadhouder van Belgis.

Wikipedia heeft het over de geboorte van de republiek van Rome wanneer Lucius Tarquinus, de laatste koning, wordt weggejaagd en vervangen wordt door twee consuls. Een en ander gebeurt in het jaar -509. In zijn historie van Belgis heeft Marcus van Vaernewyck het ook over die gebeurtenis: ‘Tarquinius den Hooveêrdigen, zevensten koning der Romeynen wierd met zyn zoon Sextus om hun geweldenaeryen, van zyne eygene onderdaenen uyt het ryk verjaegd.’

De Belgen worden binnen de kortste tijd weer betrokken partij. Sextus (de geschiedschrijvers geven hem de naam van zijn vader Tarquinus) stelt zich aan het hoofd van een bende Galliërs en trekt de bergen over in de hoop dat ‘hy van de Belgen zoude ontfangen worden, maer hy was in zyne verwagting bedrogen.’ Tarquinus junior en zijn volk moeten natuurlijk ergens naartoe. ‘Hy trok dan nae Torquem (nu Torcoignen), welke plaets na hem aldus genoemd is, alwaer hy eene stad en een kasteel bouwde, en verbond maekte met die van Hostilis (nu Doornyk), de welke hem tot hunnen aenleyder verkoozen.’

Er volgt weer een merkwaardig stukje geschiedenis waarbij schrijver Marcus interessante randinformatie op ons los laat. ‘Naer dat Tarquinus de stad Hostilis in weynige jaeren merkelyk verbeterd had, verzogt hy hulp van den hertog der Ruthenen (nu Vlaemingen), om die van Belgis te beoorlogen, maer zyn verzoek wierd afgeslaegen. Hier naer vergaederde hy alle ballingen en kwaeddoenders, zoo Belgen, Albaenen als Britanieren, de welke alle byeen kwamen in de stad Hostilis, die tot de monstering van dit volk bestemd was.’

Het gerucht verspreidt zich als een lopend vuur dat er een aanval gepland wordt op Servien of Bergen omdat koning Servius van daar uit Hostilis heeft aangevallen. Servius blijkt inderdaad het doelwit te zijn: ‘voorders hadden zy zig voorgenomen alle de andere steden aen te randen die van den gemelden vorst gebouwd waeren; ten welken eynde zy aen de nabuerige volkeren schreeven dat zy van hunnen kant gerust mogten wezen, dewyl hun oogmerk alleen sterkte om de Romeynen te krenken die zig daer in het land bevonden.’ De Hunnen en de Pannonianen die de buurt van Servien wonen, betrouwen de toestand niet erg en kiezen het hazenpad.

Met man en macht vluchten ze weg, met hun goederen en levensmiddelen en met hun afgod Pan trekken ze Servien binnen in de hoop om hier veilig te zijn. Echt verstandig zal dit niet zijn, want er volgt een belegering van 13 maand, een beleg dat veel leed brengt voor de stedelingen. Het kasteel dat Camber had laten bouwen in de buurt wordt ingenomen en bezet gehouden. Uiteindelijk ziet de Romeinse banneling Tarquinius geen andere oplossing dan te vertrekken uit Servien om zijn eigen stad Torquem te gaan bevrijden.

Ik weet niet echt wat ik moet denken van de slotzin van het hoofdstuk. Ondanks zijn vlucht uit Bergen, staat er geschreven dat ‘hy niet te min geheel het land van aen den berg van Pan tot aen dien van Minerva onder zyne heerschappye gebragt heeft, benevens al het land omtrent Morinorum en hetgeen der Ruthenen, van aen de stad Hostilis tot aen de Leye. Hy noemde deze landstreek Tarquinia; maer het gewest omtrent Bergen of Servien had hy, volgens zynen anderen naem, Burbantia genoemd, gelyk het langen tyd daer naer genoemd is geweest.’

Hertog Blandinius, de sterke man van Belgis, wordt door zijn onderdanen aanvankelijk met een scheef oog bekeken. ‘Wie denkt die vreemdeling eigenlijk wel dat hij is?’. Zoiets zal het wel zijn. Blijkbaar beschikt de man over heel wat troeven en slaagt hij er verrassend genoeg in om de harten te winnen van zijn mensen. Zijn ‘wyze bestiering’ brengt heel wat te weeg waardoor die van Belgis zich achter hun baas gaan scharen en samen oprukken naar Hostilis dat ze na een beleg van 4 maanden innemen.

‘Hy versloeg Tarquinius, en verwoeste deze plaets zoodaenig, dat den eenen steen nauwelyks op den anderen bleef liggen.’ Wie er niet in slaagt om weg te vluchten in de omliggende bossen, bekoopt het met zijn of haar leven. Zesduizend stappen verwijderd van Hostilis ligt Torquem, het kasteel dat Tarquinius daar heeft gebouwd. Het duurt niet lang voor Blandinius, de heer van Belgis, dit heeft veroverd en ‘geslegd’.

Na zijn overwinning keert Blandinius terug naar Belgis. Hij moet nogal tevreden zijn met zijn overwinning en vooral dankbaar aan de goden. Hij begint met zes van zijn eigen kinderen op te offeren. Twee kinderen mogen hun leven in Belgis verder zetten terwijl hijzelf nu naar de tempel van Minerva trekt, waar hij een stad bouwt die hij Blandinium noemt en die hij laat omringen door vestingen. ‘In de zelve aenveêrde hy alle vlugtelingen en ballingen, zoo Hostiliers, Hunnen als Belgen’. Een nieuwe en gemengde bevolking komt zich hier vestigen.

De taal van Vaernewyck is verwarrend, maar dank zij zijn conclusie komen we te weten dat er geen sprake is van de bouw van twee steden, maar wel van dat ene Blandinium, omtrent de zee. We komen zelfs te weten waarom hij hier een nieuwe stad uit de grond stampt: ‘hy dede zulks om een beschut te hebben tegen die van Belgis; want niet tegenstaende dat er vele hem genegen waere, droegen verscheyde hem nog een geveynsd hert toe.’

De lokale kronieken verraden het eveneens ‘Men meynd dat Blandinius Gend stigtte op den berg van Minerva, ter plaets daer nu de abdye van S. Pieters staet; want men vind in zommige oude schriften dat daer eertyds eene stad gestaen heeft die Blandinium genoemd was.’ De kroniekschrijver Lucius weet nog meer te vertellen: ‘Gorgobundus, de koning van Britanien, ten tyde van dezen Blandinius, kwam over zee en nam het land van Ruthenen (nu Vlaenderen) in, alwaer hy verscheyde steden verdierf. Vervolgens trok hy nae de plaets daer Gend nu staet, en belegerde de stad Blandinium.

Blandinius dit vernemende, vergaederde de Hunnen, Romeynen en Belgen, die rondom hem woonden; benevens die van Servien of Bergen, Phanum Martis en Phanum Solis, en kwam aldus met een ontzaglyk leger tegen zynen vyand te velde.’ Er volgen drie opeenvolgende veldslagen waarbij Blandinius aan het langste eind trekt en Gorgobundus met het overschot van zijn soldaten op de vlucht slaat. Die bedreiging vanuit Britania en vooral de toestroom van mensen van alle stand, rang en ras zorgen voor een uitbreiding en een versterking van de stad Blandinius.

‘Vervolgens bouwde hy omtrent de meerschen der rivier Hugna (op dien tyd aldus genoemd) een sterk kasteel, niet verre van eene plaets die Cristoïnus genoemd was.’ Vanuit de Westhoek komt niet erg bijster goed nieuws aangewaaid in Blandinium: ‘Middelertyd trok Gorgobundus nae een ander gewest en bestormde Morinum, het omliggende land bedervende en de Ruthenen veel kwaed doende.’

Blandinius komt die van Morinum of Terouanen te hulp. Op hun verzoek trouwens. ‘Hy besprong de vyanden van agter, en de stedelingen, onder het beleyd van hunnen koning Ansuwardus, tasten hun van vooren aen. De Britanieren kreegen de nederlaeg; maer Ansuwardus bleef dood. Hier naer koozen die van Terouanen Suardus, zoon van Blandinius, tot hunnen koning. Die van Gent en de Westhoek hebben elkaar gevonden in een nieuwe alliantie. Ik ben benieuwd hoe lang die zal standhouden in deze barbaarse era.

Marcus van Vaernewyck blijft stil over het jaartal. Het moet ergens rond de jaren -450 zijn als Blandinius definitief naar het verleden verwezen wordt en opgevolgd wordt door zijn zoon Suardus, de koning van Morinië die ondertussen getrouwd is met de dochter van Gorgobundus, de koning van Britania. In de historie van de Britanieren vernemen we dat Gorgobundus naast zijn dochter nog twee zonen heeft: Ferrex en Porrex.

Bij zijn dood komt het tussen die twee tot een bitse strijd om de macht waarbij Porrex als overwinnaar uit de bus komt en Ferrex gaat uithuilen bij zijn schoonbroer Suardus in Morinië en achteraf terugkeert om een oorlog uit te vechten met Porrex. Ferrex sneuvelt en de moeder van de twee twistende broers, Indon, is zo verbitterd om de dood van één van de twee, dat ze Porrex tijdens zijn slaap laat vermoorden. Tot daar het verhaal in Britania zelf.

In Morinië koestert Suardus plannen om eendracht te brengen onder de Belgen. We mogen niet vergeten dat de inwoners van Belgis nog altijd op gespannen voet leven met die van Terwaan, de Westhoek en Blandinium. Zijn plannen draaien uit op een flop, waar hij zelf het leven bij inschiet. ‘Hy had de priesters en den adel met zig en dede zyne intrede te Belgis. Aenstonds liep het grauw dezer stad overhoop: Suardus vlugtte in den tempel van Bacchus, alwaer hy, niet tegenstaende de hulp van zyn volk, en de edele, benevens het gezag der priesters, dood geslaegen wierd.

Zijn overleden vader Blandinius bleek dus inderdaad gelijk gehad te hebben met zijn inschatting van de bevolking van Belgis: ze droegen hem inderdaad een ‘geveynsd hert’ toe. Cherilphonus, de zoon van Suardus, komt nu aan zet bij de Morinen. En ook in Belgis krijgen we nieuwe hoofdfiguren aan de macht. Hertog Leo is opnieuw een leek die het schopt tot koning en na hem Walacrius die naar verluidt ‘kloek en sterk van lichaem was’, maar blijkbaar een geweldenaar die er alles aan doet om de resterende bloedverwanten van de vroegere koningen te verdrijven.

Een trits edelen trekt noodgedwongen naar Blandinium waar ze actief meewerken aan de verdedigingswerken van de nieuwe stad. ‘By middel van den uyttogt dezer edellieden, wierd de stad Blandinium die men nu Gend noemd en d’andere, naermaels Nervia en nu Doornyk genoemd (gelijk Hugo schryft), merkelijk bevolkt, uytgebreyd en versterkt.’

Walacrius heeft het ondertussen verkorven in Belgis en wordt verjaagd. Hij slaat met zijn volk op vlucht naar de zee. ‘Hy begaf zig te scheep, en kwam aen een eyland alwaer hy zyne wooning nam. Hy dede er dyken opwerpen om beschut te wezen tegen het geweld der baeren, en zyn volk noemde dit eyland, na hem, Walacria. Het ligt in Zeeland, en is heden bekend onder den naem van Walkeren.’ Er wordt een tijdlink gelegd met de filosoof Abderitus en dat betekent dat de teller van de tijd nu ergens op minus 440 staat. Geloof me of niet, maar het oerverhaal van Vlaanderen, trekt me als een fascinerende kolk mee in het bad van de geschiedenis.

Marcus van Vaernewyck vervolgt opnieuw zijn uitgebreid relaas over de gebeurtenissen in Rome en in Griekenland. Tot rond de jaren -400 blijft het rijk van Belgis in een bloeiende toestand. De drie grootste steden worden alle drie Belgis genoemd en elk hebben ze hun eigen grondgebied en grenspalen met inbegrip van steden en de sterkten die er op gebouwd staan. Belgis Armata is de hoofdstad en zwaait onder andere de scepter over Silva Carbonaria (Bergen), de stad ooit genoemd naar de Romein Servius en eveneens over Camber (Cambrai), de stad gebouwd door de Hunnen.

‘Men meynd dit het land te wezen dat nu Henegouw genoemd word.’ Ik stap uit de tijd en ga eens naar Google Maps. De kans dat de oerstad van België in het (nu Franse) Bavay gelegen is, blijkt met stip gestegen. De as Cambrai-Bergen is zowat 75km lang, waarbij Bavay zich zowat centraal bevindt.

Valenciennes staart me aan. Met Bavay 25 km ten oosten van het oude Valencijn waar nog onlangs sporen uit het Neoliticum zijn ontdekt. Valenciennes ligt aan de Schelde, althans aan een zijtak die de Oude Schelde genoemd wordt. Bij Bavay is er geen water te bespeuren. In de bossen rond Valenciennes duikt de naam van Bellaing op en rond Bavay die van Bellignies, de stad met zijn ‘grand cru dolmen’ als herinnering aan wat gebeurd is. Bel. De oude stadsruïnes van Bavay getuigen van een ver verleden. Maar kunnen die al deze oude gebouwen en stadswallen van het historische Belgis verbergen?

Die waarover we lezen in de oude kronieken. Die Oude Schelde in Valenciennes doet bij me een belletje rinkelen. Is dit de rivier die door koning Bavo in -1150 werd gegraven om het water van de 6km ver gelegen Schelde binnen de stad te brengen? Valenciennes heeft zijn naam, zijn grootte en zijn ligging voor op Bavay. Het zou me niet verwonderen dat de oude resten van Belgis Armata hier nog liggen te wachten om ontdekt te worden. Misschien weet Marcus van Vaernewyck nog meer te vertellen.

Ik ga terug in de tijd. De grootste stad die verantwoording dient af te leggen aan Belgis Armata is zondermeer Carinea, Mercurius-stad, waar nu de abdij van Sint-Baafs gevestigd is. Bergen, het oude Silva Carbonaria (er zitten inderdaad kolen onder de grond hier) wordt in die dagen bewoond door de Albanen die ‘aldaer hunne voornaemste woonplaetsen hadden omtrent de Schelde en den Dender, alwaer zy verscheyde steden en kasteelen gebouwd hebben.’

Cambria valt dus ook onder het gebied van Belgis Armata en het heeft zelf nogal wat steden met hun respectieve kastelen die door hen zelf bestuurd worden: Phanum Solis, Phanum Martis, Nervia (Doornik), Morinum (Terouanen) met heel het land van de Ruthenen dat genoemd werd naar de hertog Ruthenus. Het Vlaanderen van de 16de eeuw. Er is verder nog sprake van Haerelbeke, Blandinium en Vermandia. Rheyms en het land van Durbeyen.

‘Onder het gebied van Belgis Gallica behoren volgende landen’ lezen we: ‘Opper Neustrien, zig uytstrekkende van Beauvais tot Ligerum, de Armoricos en den oceaan; welk land in zig besloot de steden van Rouanen, Canotem, Alençon en Stampis. Neder-Neustrien, nu kleyn Britanien, gelegen tusschen de Sommen en de Secana. Normandien en Picardien, welke laetste landschap vervatte de steden van Ambrun, Lutetia of Parys.’

Het derde land is Belgis Comata met ‘onder haere heerschappye de landstreken van Rethia (nu Braband), waer van de voornaemste stad Tongeren was; Hunia Coudronica, welkers hoofdstad was Hoykin; Hunia Rethiana, gelegen op de andere zyde van de Maes; Hercinia of Ardennen; Caprimontem Leodium; Mosellana, nu Lotharingen, alwaer de stad Mosella of Metz gelegen is; Alsatien, en Ubios nu Keulen, enz.’

Algemene mobilisatie. 392 jaar voor het begin van onze nieuwe tijdrekening. De Belgen spannen samen met de naburige volkeren om zich te wreken op de Romeinen, de Saxen en de Hunnen (de Pannonieren) die hen in vroegere tijden zo veel leed hebben aangedaan. Alle redenen zijn blijkbaar goed. Of het slim is om oorlog te stichten, is een andere vraag. Een heel nest stammen verenigen zich in het kamp van de Saxen en de Germanen en ‘verdierven’ heel ons land zonder dat ze pogingen ondernemen om de steden zelf in te nemen.

Ook in Britanien laaien de ruzies weer op met Brennius, de zoon van de koning in de hoofdrol. Hertog Missenus van Belgis komt tussenbeide in het conflict. Samen met 160.000 Belgen slaagt hij er in om de vrede tussen de broers te bewerkstelligen. Missenus krijgt berichten vanuit Belgis dat hij verplicht wordt om zijn ambt neer te leggen. De tijd van de hertogen is voorbij en de Belgen willen wel wat meer respect voor hun wetten.

We kunnen alleen maar gissen naar wat er aan de hand is. Zijn terugkeer dient stante pede te gebeuren, zoniet zullen hij en zijn soldaten als bannelingen worden beschouwd. ‘Het welk aldus gebeurde.’ De Engelse koningsbroers willen Missenus helpen en er orde op zaken gaan stellen, maar de verbannen hertog houdt hen tegen. ‘Tot belooning van zynen arbeyd begeêrde hy niet anders dan eenige schepen om zig daer mede in zee te begeven, en eenig land te zoeken alwaer hy met zyn land zoude mogen woonen.’ Ik voel hier aan mijn pc enige reserves. Enige schepen om 160.000 man te versassen?

We gaan verder. De schepen zeilen via de ‘oost-duytsche’ zee en komen na enkele hachelijke toestanden aan de oevers van ‘Sassenland’. Het thuisland van de Saxen dat vroeger aan de Belgen onderworpen was. Ze stichten een nederzetting, Lubeck en brengen heel het gebied aan de zeekant onder hun bestuur. Koning Ausenorus wordt verjaagd. Ook verderop in Pruisen wordt een nieuwe stad gebouwd die de naam Missenen met zich meekrijgt. Een paar jaar later zorgen de niet aflatende volksverhuizingen voor een bloedige oorlog.

‘Omtrent dien tyd vereenigden zig de Senonensers, Gallen, Allobrogen en Britanieren, onder de vaendels van de gebroeders Brennius en Brennus, twee zeer strydbaere vorsten.’ Het is een poging om veel stammen onder hun gezag te brengen maar dat lukt niet. Ook Belgis wordt aangepakt omdat hun vriend Missenus en zijn volk er buiten gesmeten was.

De Belgen bieden hevige weerstand. Brennius bouwt een nederzetting op de oever van de rivier Ausona (de Oise) waar zijn leger bivakkeert. Een stad met de naam Suessio (Soissons) en ook nog een met de naam Brenna. ‘Daer bleeven menigvuldige Belgen dood, want zy wierden van vooren en van agter besprongen; de stad Vermandia wierd verbrand, en Brennus kwam met de Senonensers tot aen de Somme.’ De Belgen beseffen dat de tegenstand te sterk is en trekken zich strategisch terug in hun steden die ze met hand en tand willen verdedigen.

Ik kijk ietwat verbaasd bij het lezen van volgende zin: ‘Als de Senonensers dit hoorden, naederden zy hun: zy bouwden omtrent de Schelde eene stad die zy Valencyn noemden, en verscheyde andere.’ Heb ik het verkeerd voor gehad met mijn veronderstelling dat Valenciennes ooit Belgis is geweest? Of bestaat de nieuwe agglomeratie allebei: Valencyn en Belgis op een stad met een reikwijdte van een kilometer of vijf? Het blijft aannemelijk, maar hoe dan ook giswerk. De druk op Belgis wordt trouwens te groot en ze sturen aan op een vredesakkoord met de broers B&B.

Brennus & Brennius leggen hun eisen op tafel. Leo, de zoon van hertog Missenus, moet de nieuwe koning van België worden. Niet alleen van Belgis, maar van heel het rijk. Zijn titel van koning moet erfelijk worden. Gedaan met die jaarlijkse verkiezing van een hertog. Er volgt nog een bijzonder voorwaarde: ‘er wierd vereyscht dat 100 van de voornaemste inwoonders der stad Belgis, die oorzaek van het ballingschap van Missenus en van de verbondsbreuk tusschen de Belgen en Senonensers geweest hadden, zouden onthoofd worden.’ In Belgis gaan ze met lange tanden akkoord net zoals de meeste volkeren trouwens. De Rethen, Ruthenen, Menapiers en de Hunnen willen niet weten van een nieuwe koning en beslissen om zich niet te engageren in de nieuwe deal.

Vier jaar later, in de tijd van de 98ste olympiade, -384 dus. Het vergt telkens wat rekenwerk vooraleer verder te trekken door de mist van onze geschiedenis. Leo wordt officieel gekroond tot koning en B&B trekken moeizaam door de ‘meerschen van Hunia Rethiana, gelegen op de andere zyde van de Maes’ om er slag te leveren met de Ruthenen en de Hunnen. De veldslag is een dodelijke clash. ‘Het is niet ligt te beschryven wat bloedstortinge de Rheten en Ruthenen onder hunne vyanden deden: zy verwden de aerde met het bloed der Senonensers, bedekten het veld en vulden de gragten met hunne doode lichaemen.’

Toch zijn het de Rethen en de Ruthenen die finaal het onderspit delven. De overwinning is voor de troepen van B&B die nu verder trekken door het land van de Rheten waar ze een sterkte bouwen om in hen in geval van nood te beschutten. Hier en nu ontstaat de stad Brussel. ‘Vervolgens veroverden zy Loven, Antwerpen en andere steden, die zy sterk maekten, en in de welke zy hun leger lieten overwinteren.’ De lente van -383 in het land zorgt voor een nieuw bestuur in de steden van Rhetien. De koningen Brennus en Brennius geven het gebied de naam ‘Brabant’ Terwijl ze zelf verder trekken naar de Rijn en de bergen, laten ze het bestuur in Brabant over aan de Britanieren.

Het is het begin van een militaire triomftocht door Italië en Griekenland. Onderweg sluiten de Gallen uit Gallatas zich aan bij hun troepen. Er volgt een ellenlange beschrijving van de oorlogen en we houden het er bij om te schrijven dat Brennius, gedegouteerd van 12 jaar oorlog, de biezen pakt en terugkeert naar Belgis en zijn Britanien terwijl zijn broer Brennus met de Gallen alle macht naar zich toe trekken in centraal Europa en zelfs verder naar het oosten.

Terug bij ons dus. ‘Eenige schryven dat Brennius in Belgis heeft doen maeken verscheyde schoone, lange en regte kalseyde-wegen, onder andere die van Keulen tot Parys, en den genen van Doornyk op Cassel, die van de Waelen nog genoemd word la chaussée de Brenault. Hy dede zulks om zyne heyren gevoegelyk te konnen op- en afvoeren, tot alle plaetsen daer het hem beliefde. Om deze reden worden die schoone breede wegen heyr-baenen genoemd. Het schynd ook dat het land van Brenaerde, zynen naem van dien vorst ontleend heeft, indien men op de overeenkomst der naemen mag steunen.’

We springen 50 jaar vooruit in de tijd en komen aan in het jaar -334. De beroemde Romeinse kroniekschrijver Titus Livius schrijft rond het jaar nul dat Leo de tweede over Belgis regeert in -334 dus. Brennus moet de Gallen er goed wakker gemaakt hebben want na de dood van Alexander de Grote in -323 wordt zijn grote rijk, het resultaat van de oorlogen van Brennus en Brennius en hun Belgen, opnieuw in stukken verdeeld en staan de Gallen met een probleem. En ze zijn niet alleen met dat probleem. ‘Een menigte krygslieden wisten niet wat aen te vangen.’

Ze begeven zich op goed geluk op zee onder de leiding van hun nieuwe aanvoerder Picus. Ze meren aan in Neustrien dat ze Gallien noemen ‘alwaer zy aen land gingen en een stedeken bouwden, het welke Piconium noemden, volgens den naem van hunnen hoofdman.’ Zo vroeg in de morgen moet ik onmiddellijk denken aan de ‘picon’ (met witte wijn, ijs en een rietje natuurlijk) die dus inderdaad zijn naam te danken heeft aan de Gallische aanvoerder Picus. ‘Zy namen vervolgens een groot deel van Gallien in, stigtten de stad Amiens, en gaven Neder-Gallien den naem van Picardien.’

Het mengelmoes aan volk van verschillende rassen, stammen en achtergrond blijft voor bloedvergieten zorgen. De nazaten van Alexander de Grote hebben zich amper gesetteld als er enkele honderden km verderop in het land alweer grote troebelen aandienen. De generatie Britanieren die het territorium van Belgis hebben bestuurd, is aan vervanging toe. De dood van de bezetters is voldoende reden voor de Saxen om het vuur aan de lont te steken.

Oproer dus en ‘ze sloegen den overschot der Belgen dood die onder hun nog woonden.’ De lokale koning wordt letterlijk een kopje kleiner gemaakt en zijn hoofd wordt ostentatief opgestuurd naar die van Belgis en Tongeren. ‘Mids hy van het geslagt der Belgen was, zullen zy aldus eenen eeuwigen twist tegen hun zoeken.’

De Belgen aarzelen om wraak te nemen. Al dat volk in Picardië vormt een bedreiging en de Romeinen zouden wel eens durven profiteren van hun onderlinge oorlogen want die zijn tijdens en na het leven van Alexander de Grote uitgegroeid tot een niet te onderschatten machtsbastion daar verderop in Europa. Ze kiezen wijselijk voor een bestand met de Saxen. Na 10 jaar barst de bom dan toch tussen de Belgen en de Saxen, ‘waer naer zy met een grouwelyk heyr over den Rhyn trokken tegen de Saxen, die hun te gemoed kwamen, in het midden van Sweven-Land.’

Na een strijd van 5 dagen moet de Saxen terugplooien maar de Belgen hebben grote verliezen geleden en ze zijn niet bij machte om de achtervolging in te zetten. De dreiging van de Romeinen blijkt inderdaad geen fantoom geweest te zijn, want die zijn al op komst naar Tongeren om te profiteren van de uithuizigheid van het grote leger, maar de Belgen ‘van dien optogt gewaerschuwd zynde, trokken haestelyk nae Tongeren en voorkwamen deze onderneming.

Zy voorzagen deze stad van al dat haer nodig was, wederstonden de Romeynen en verdreeven die uyt hunne landpaelen.’ De schrijver begint plots over Menapius, de zoon van Magius, de 19de prins van Tongeren. ‘Hy regeerde 14 jaeren en hy gaf zyne onderdaenen de naem van Menapieren; welke nu zyn de Luykenaeren, Gulikers, Brabanders en de bewoonders van eenen hoek van Gelderland.’ Rond het jaar nul. Bondgenoten van de Morinen en in het bijzonder van de Belgen. Marcus Vaernewyck heeft het over bronnen die aangeven dat de naam Menapieren al van vroeger bekend is.

Hij verwijst naar de spanningen tussen die van Tongeren en de Belgen na hun uitval tegen de Saxen rond de jaren -120. De Romeinse consul Lucius Cassius heeft enkele legioenen naar Tongeren gestuurd met de bedoeling de regio onder zijn controle te brengen. Zijn aandacht focust zich eveneens op de ‘Menapieren die omtrent den oceaan woonden’.

Bij de eerste aanval vluchten die van Tongeren aanvankelijk naar zee, maar ze keren terug op hun stappen en brengen de legers van Cassius een zware nederlaag toe. De Romeinen die kunnen ontkomen, zoeken hun heil bij Lucius Piso die op komst is met versterking, ‘maer de inwoonders ondersteund door die van Belgis, versloegen hem met twee legioenen van zyn volk; en indien de duysterheyd van den nagt hun niet overvallen had, de Romeynen zouden nog meer schaede geleden hebben.’

De overlevenden worden opgepikt door een zekere Caïus Publius die de bevelen vanuit Rome negeert en integendeel een deal sluit met de Cimbren en de Belgen van Tongeren: ze hebben recht op hun deel van het oorlogstuig, de kostbaarheden en de juwelen die ze bij zich hebben. Een deel van de kostbaarheden wordt niet verdeeld en is bestemd als offergave voor de tempel van Mars te Leuven die ‘daardoor merkelyk verrykte.’

Hij belooft de nodige stappen te ondernemen bij de Romeinse raad om Tongeren voortaan als vrienden te laten behandelen en niet langer aan te vallen. Hij vertrekt naar zijn thuisbasis en laat 100 edele Romeinen als gijzelnemers achter als garantie dat hij zijn belofte hard zal maken. In Rome kunnen ze allerminst lachen om de demarche van Caïus Publius. Celius, de rechter van het volk, laat hem dagvaarden, maar Publius voelt nattigheid en slaat op de vlucht. Menapius is allerminst opgezet met het verraad van de Romein en vergadert met zijn 4 zonen Leo, Govardus, Teutonius en Cloadik in de tempel van Mars te Leuven.

‘Hy dede hen met zyne princen, baronnen en leenheeren voor het beeld plegtiglyk zweêren, dat zy de Romeynen met alle hunne magt en in alle gelegentheden zouden krenken en vernielen, of daer voor zelve sterven, gelyk de dappere vorsten Brennius en Brennus te vooren gedaen hadden.’

Leo, de zoon van Menapius, de 20ste prins van Tongeren, regeert als 3 jaar. Ik concentreer me op de timing van de schrijver. In de buurt van minus 105 moet het zijn, de tijd van Eneüs Aurelius Scaurus die volgens Wikipedia leeft tot in -105. Met de eed van zijn vader in het achterhoofd, zorgt Leo voor een alliantie met de naburige volkeren die hij verzamelt onder de gezamenlijke naam van de Cimbren. Het is in wezen een mix van Duitse volkeren die hun naam gekregen hebben van Cimber, de zoon van Thuringus, de 7de prins van Tongeren die tijdens zijn leven (rond -300) een stadspoort liet bouwen met de naam Porta Cimbrea.

Leo, zijn broers en de legers van de Cimbren (200.000 man) dus, trekken te velde tegen de Romeinse consuls Silanus, Manlius en Cepio, ‘die alle verslagen of op de vlugt gedreven wierden’ en ze ‘zegepraelden by Arausio over het leger van Eneüs Aurelius Scaurus die in de strijd gevangen wordt genomen door doodgestoken wordt door de Cimbrische koning Boiorix.

80.000 Romeinen sneuvelen bij de slag van Arausio en er worden 40.000 man gevangen genomen. Slechts een handvol overlevenden sukkelen tot in Rome om daar de tijding van de nederlaag bekend te maken. ‘Den buyt die de overwinnaers behaelden was zoo groot, dat zy daer van een merkelyk deel moesten agterlaeten, naer dat zy al het land daer omtrent bedorven en verwoest hadden tot aen de rivier de Rhône.

Zy droegen eenen zoo vinnigen haet en nyd tegen de Romeynen, dat zy zonder genaede wel 5 of 6000 krygs-gevangene aen boomen hingen. Zy wierpen al het goud en zilver in het water, braken de wapens en oorlogs-gereedschappen, verstroeyden het peêrde-getuyg, verdronken de peêrden en hingen de gevangene aen boomen, gelyk voorzeyd is; aldus behielden de overwinnaers niets van den roof, en daer geschiede aen de overwonne geen bermhertigheyd.’

Ik krijg het relaas te lezen van een reeks veldslagen waar honderdduizenden soldaten uit beide kampen het tegen elkaar opnemen. De Provence, Aken en andere plaatsen. De slachtpartijen eindigen als volgt: ‘In dezen stryd bleeven dood Teutonius, zoon van Menapius, en oppersten veldheer der Cimbren, Belus, koning van Belgis, benevens twee koningen van de Gallen, Lugius en Boiorix, de welke malkanderen, naer het verlies van dien grooten slag, doorstaken, waer onder zig menigvuldige Belgen bevonden, zoo Orosius schryft. Cloadik, broeder van Teutonius, wierd gevangen genomen, met twee andere koningen, Claudius en Cesorix genoemd, en nog 40.000 mannen van hun volk.

Deze nederlaeg gebeurde 94 jaeren voor Christus geboorte, andere schryven in het jaer der weireld 5108, in de honderd zeventigste olympiade. De afrekening die de Romeinen in huis hebben voor de Cimbrische vrouwen die zich durven te verzetten, krijgt terecht aandacht van onze schrijver Marcus die zich op zijn beurt baseert op de getuigenissen van een zekere Bocatius.

‘Zoo menigmael als dezer vrouwen vegtenderhand in het geweld der Romeynen liepen, wierden zy van de zelve vreedelyk en oneerlyk omhals gebragt, met vele pynen en tormenten, in het gezigt van hunne gezellinnen, om hun daer door schrik aen te jaegen en te doen ophouden van zig te verweêren. Zy sneeden hun het bekkeneel van het hoofd af, zoo dat men hunne herssenen zag spelen; van welke nieuwe dood de andere vrouwen eenen schroom kreegen.’

De vrouwen proberen de Romeinen te overhalen van hun goede bedoelingen die ze zelfs tot in Rome willen komen verduidelijken, maar ze worden op hoongelach ontvangen. ‘Al scheen dien voorstel zeer eerlyk, het wierd evenwel niet toegestaen. Hier door wierden zy ontsteken met een nieuwe gramschap, zy bleeven hardnekkig by hun opzet, en bestonden eene vreede daed; want zy vrongen hunne kinderen den hals om, wierpen die dood ter aerde voor de voeten hunner vyanden, op dat zy aldus vry zouden wezen van slavernye.

Zommige slingerden hunne vermoorde kinderen in de aenzigten der Romeynen, zoo dat deze met het bloede der zelve besprengd wierden. Eyndelyk keerde de eene haere wapenen tegen de andere, en bragten malkanderen aldus grouwelyk omhals. Zommige deden stroppen aen den hals, maekten die vast aen de steêrten of beenen der peêrden, die zy, naer nedergeknield en hun gebed gedaen te hebben met sweepen voordjaegden; zo dat zy, aldus gesleept wordende, ellendig stierven. Andere verhingen zig aen de boomen, eenige aen hunne wagens, andere geene koorden hebbende, gebruykten hun eygen hair tot stroppen om zig te verhangen. Ook wierd ‘er een vrouw gevonden aen eenen boom hangende die aen iederen van haere voeten een kind verworgd had.’

De verpletterende nederlaag van de Cimbren zorgt voor grote beroering in Belgis en het hele Belgische grondgebied. Zo een grote menigte volk kwijt! Wanhoop en droefenis regeren. Een hele generatie jonge mannen is verloren gegaan. Leo, de koning van Belgis en Govardus voelen zich mistroostig om de dood van hun broer Teutonius en om Cloadik die in Rome in de gevangenis opgesloten zit. Een ongeluk komt nooit alleen, en ook nu is dit het geval, ‘zoo ontstond er nog eens eenen zwaeren oorlog tusschen de Belgen en de Saxen, die Belgis wilden verwoesten en te niet brengen.’

Haat is de drijfveer. Die haat leeft bij Ausanorix, de koning van de Saxen die niet kan leven met de wetenschap dat zijn vader en grootvader in hun tijd verslagen werden door de Belgen. ‘Hy bezwoer Belgis te verdelgen.’ ‘Hy trok dus met zyn heyr, dat hy uyt verscheyde landen byeen vergaederd had, over den Rhyn. Leo, zoon van Leo, alsdan koning van Belgis, kwam hem te gemoet, met die van Nervien en Servien, de Mercuriaenen, Hunnen, Rheten en Tongersche.’ De oude veten en vijandschappen laaien dus in alle hevigheid op.

Er wordt twee dagen aan een stuk gevochten. Veel Saxen schieten er het leven bij in, maar ook koning Leo wordt doodgeschoten. ‘Maer op den derden dag kwamen te voorschyn de Wandalen, Hongersche en Swaven die vernomen hadden dat Ausanorix uyt was om het ryk van Belgis ten onder te brengen. Zy vervoegden zig met hem om een deel te hebben in den roof, en vielen de Belgen van agter op de hals, terwyl zy bezig waeren met de Saxen te bevegten, zoo dat zy die eyndelyk met hun geschut ten onder bragten. Leo, prins of koning van Tongeren, wierd gesneuveld, maer zynen broeder Govardus behield zyn leven door de vlugt.’

De deur naar de landen van Belgis staat nu wijd open. Ausanorix heeft het spel voor zich. Een deel kastelen wordt ingenomen. Het gaat richting Belgis. ‘Geduerende het beleg bouwde hy tot zynen onderstand een stedeken genoemd Sassignies, benevens een sterk kasteel.’ Ik controleer even: Bavay-Sassignies: 16km. Een streep van noord naar zuid door de dichte bossen. Ook Phanum Martis wordt aangevallen, maar daar vangen ze aanvankelijk bot waardoor dat ‘er een groote menigre van zyne krygslieden door het zweêrd vielen en verdronken.’

Uiteindelijk geraken de Saxen toch over de slotgrachten en tot aan de muren van het kasteel ‘het welk hy 7 dagen land zoo geweldig bestormde, dat de Senonensers niet langer meer konden tegenhouden.’ Phanum Mercurii en Nervia vallen eveneens in Saxische handen. Alle steden zullen bezet blijven tot ‘den tyd van Julius Cesar’ schrijft Marcus van Vaernewyck. Net zoals het vlakke land trouwens: Phanum Solis, Cameryk, Atrecht, Morinum, Bellevacum, Amiens, Rheyms, Verdun, Tullum, Metz en Trier.

De situatie doet me denken aan 1940: heel dat door Duitsers bezette territorium. Met Ausanorix als Hitler. ‘Naer dat hy bynaer geheel het neder land verwoest, en bezonderlyk Gallia Belgica verootmoedigd had, keerde hy met grooten buyt nae zyn land; maer voor den Rhyn komende, gebood hy, op verbeurte van het leven, dat niemand daer over zoude trekken als de Saxen met hunne krygsgevangene.’

Rond -70 verkiezen die van Belgis een nieuwe koning: Geomerus. Die stuurt 25.000 weerbare mannen naar de Rijn om er de doorgangen te bewaken zodat de Saxen buiten het grondgebied kunnen gehouden worden. We krijgen iets meer te weten over de afgodenverering in het land. ‘In dien tyd weeken die van Trier, Tongeren, Menapien en Rhetien de wetten en gewoonten van Belgis af, en begonnen die der Hercinen te volgen.’ Geomerus beslist dat er betaald dient te worden aan Belgis om dat afwijkend gedrag.

Een nieuwe godsbelasting als het ware die dan nog op een weigering botst waardoor er een spanningsveld ontstaat tussen de geestelijke en de wereldlijke machten. De priesters tegen de prinsen en de hertogen met de koning aan de kant van de priesters. ‘Dit speet de heeren, daerom, als zy op den avond van Diana met het gemeynte onder den blauwen hemel in tenten lagen, sloegen zy dien vorst en zyne kinderen dood, en verkoozen ’s anderendags Tynardus in deszelfs plaets.’

De opperpriesters van Belgis voelen de bui al hangen. Ze waken over de tempel van Bel als kattinnen over hun jongen. De poorten van het paleis worden gesloten en ze bezetten de Wolf- en de Castellanepoort. Bij de bestorming van het paleis door Tynardus en zijn troepen, blijken ze echter geen partij te zijn en worden alle priesters doodgeslagen, met uitzondering van de opperpriester. Want die hebben ze onbedingd nodig om in contact te blijven met de goden.

Precies een telefoonverbinding met de hemel met de opperpriester als smartphone. ‘Alsdan deden zy hem aen de goden vraegen wat hun naekende was.’ Bel antwoordt dat de goden er voor zorgen dat Belgis zal vergaan en Bacchus doet er nog een schepje bovenop door dat stellen dat de wijsheid in België in duisternis zal veranderen en de blijdschap in druk. Saturnus ziet het nog drastischer: ‘Belgis zoude worden als een veld dat men akkerd, dat de torens dezer stad zouden worden omgeworpen en de grond-werken uytgebroken worden.’ Iedere god geeft zo zijn eigen adviezen aan de godslasteraars van Tynardus.

Er volgt weer een staaltje van barbarij dat pas echt tot zijn recht komt in de taal van Vaernewyck: ‘Wanneer den oppersten priester deze verklaeringen der goden aen den koning boodschapte, riep het volk: slaet dien valschen propheet dood. Tien hertogen, die van den raed van den overledenen koning geweest hadden, zouden hem geêren van de dood bevryd hebben; maer zy konden niet. Hy wierd in acht stukken gedeeld, en men zond tot iederen tempel een stuk, ten spyt van de goden, die de stad aldus afgegaen waeren.’

De gebeurtenissen bij de tempel van Bel zorgen voor een verdere escalatie van de toestand. Revolutie, oproer, inlandse oorlogen. Aanslagen op de koning en grote problemen tussen twee partijen die lijnrecht tegenover elkaar staan met hun meningen. Een conflict waarbij 30.000 mannen er het leven bij inschieten. Een derde van de stad brandt af. Koning Tynardus kan alleen maar vaststellen dat alle steden van het land zich gedistantieerd hebben van de goden van Belgis. Hij stuurt enkele priesters om raad te vragen aan Mars. Maar die krijgen geen antwoord.

‘Daer over vergramd zynde, zogt hy middelen om de schatten van den gemelden tempel te rooven en den zelven daer naer met de priesters te rooven, en den zelven daer naer met de priesters te verbranden; maer deze, van zyn oogmerk verwittigd zynde, vlugten met hunnen god en alle hunne kostelykheden tot die van Nervia, en stigtten onder hunne bescherming eenen tempel, die nog den tempel van Mars genoemd wordt, in een plek, zoo men meynd, tussen Doornyk en Ryssel.’

Het zijn woelige tijden. In de lucht zijn er wonderbare tekenen te zien. Staartsterren en de vreemdste kometen. In Italië regent het één week aan een stuk hagelstenen. In het land van de Sumaniten scheurt de aarde open en komt er vuur uit de bodem. Het aantal volkeren dat zich doorheen Europa bevrijdt van het juk van hun heersers, is niet bij te houden. De Romeinse kroniekschrijvers hebben hun handen vol met het beschrijven van de tientallen oorlogen waarbij Rome stilaan een dominante factor wordt. Belgis lijkt niet meer interessant voor de sensatiepers en de tabloidschrijvers van die dagen.

Marcus Vaernewyck heeft het ook in de gaten. ‘Wy hebben van alle historien willen schryven als het geen betrekkelyk scheen tot onze Belgische geschiedenis, van de welke wy geen zeker bescheyd meer vinden tot den tyd van Julius Cesar, die deze oude en magtige stad Belgis verwoest en haer van de kroon des ryks beroofd heeft; want men zegt, dat den haet der Romeynen tegen de Belgen zoo groot geweest is, dat zy op zwaere straffe verboden den naem van Belgis te noemen. Zulks is de oorzaek dat de historie van dit ryk moeyelyk kan beschreven worden.’ En hij besluit: ‘Het volgende boek behelst hoe Julius Cesar gekomen is om Germanien, Gallien en Groot-Britanien te veroveren; welke krygsverrigting hy ondernam omtrent den tyd van Tynardus, koning van Belgis.

We wandelen binnen in de eerste pagina van onze vaderlandse geschiedenisboeken. De komst van Julius Caesar en zijn Romeinen in 57 voor Christus. Marcus Vaernewyck heeft ons prima door de voorbije 1300 jaar geloodst. Knap dat iemand dat kon in het begin van de jaren 1500. We blijven zijn ‘compagnon de route’ om vanuit zijn mond te horen hoe het ons verder vergaat bij de komst van de Romeinen. Het is zijn verhaal en zijn geschiedenis.

We gaan verder. ‘In het jaer der weireld 5139, nam de burgerregering te Roomen een eynde, en Caïus Julius Cesar, te vooren burgemeester, den grooten Pompeïus, zoon van Cneïus Pompeïus, overwonnen en menigvuldige andere treffelyke overwinningen behaeld hebbende, wierd alleen heer en keyzer der Romeynen.’ Zijn voorganger heeft een Roomse heerschappij uit de grond gestampt die nu de controle heeft over 876 steden en kastelen in Spanië naast die over 5138 steden in het oosten en in het noorden. Julius krijgt de opdracht om Gallië en Duitsland daar aan toe te voegen en krijgt daar onmiddellijk af te rekenen met de Zwitsers die meer dan zo maar begerig lonken naar Gallië. Een afrekening die het leven kost aan honderdduizenden Zwitsers en die de baan ruimt voor Caesar om finaal te beginnen aan de uitbouw van het Romeinse rijk richting Atlantische oceaan.

De Saxen staan als volgende op het programma van Caesar. En hij krijgt deze keer hulp van binnenuit. ‘Eenige Gallen en andere volkeren, die van Ariovistus, koning van Saxen, grooten overlast leeden’ zoeken hun toevlucht bij Julius. Kan hij hen verlossen uit die slavernij? Tijdens voorafgaande onderhandelingen beweert hij dat zijn soldaten al 14 jaar niet meer onder een dak hebben geslapen. Het mag gezegd worden: de Romeinse hoofdmannen voelen zich niet zo goed in hun vel als ze denken aan de fanatieke strijdbaarheid van de Saxen.

Caesar bemerkt de angst. Hij besluit een solo slim te spelen. Hij richt een tiende legioen op, dat enkel bestaat uit vrijwilligers. Mannen die het uitdrukkelijk aangeven dat zij van niemand bang zijn en er best trots op zijn dat ze lid worden van het eliteleger. De Saxen ondervinden net zoals de Zwitsers dat de Romeinen veel te sterk zijn. Ariovistus en zijn troepen krijgen er van langs. De winter valt en Caesar slaat zijn bivak op aan de oever van de Seine.

In afwachting van beter weer. Bij ons zien ze de bui al hangen. De handen moeten in elkaar worden geslagen om die Romeinse pletwals buiten het territorium te houden. De angst is onderhuids voelbaar in de tekst van de kronieken: ‘De landen en steden des ryks van Belgis maekten te zaemen een verbond tegen Julius Cesar en de Romeynen. Onder dit koningryk waeren alsdan begrepen de volgende landschappen: Vermandois, Picardien, Artois, Vlaenderen, Henegouw, Lorreynen, Luxembourg, Ludik, Braband, Gelderland, Gulik, Cleve, Holland, Zeeland en Vriesland.’ Kort gezegd: ‘Alle de landen gelegen tusschen den occeaen, den Rhyn en de Seine; van alle welke landschappen (die in dien tyd andere naemen voerden) de vermaerde stad Belgis het hoofd was.’

De stad Reims bezit al het nodige gezag in het rijk van de Belgen. Hun koningen worden hier al gekroond, net zoals de Franse koningen hier gezalfd en gekroond zullen worden in latere tijden. De stad vreest als eerste te maken te krijgen met de Romeinen. Ze moeten zich krachtdadig opstellen. Titus Labienus, de rechterhand van Caesar, speelt de info over de algemene mobilisatie van de Belgen door aan Julius. Die laatste besluit om twee nieuwe legioenen op poten te zetten en het bevel ervan over te laten aan Quintus Pedius.

Delegaties van beide machten ontmoeten elkaar voor de eerste keer in de velden ter hoogte van Reims. Zo ver zijn de Romeinen dus al doorgedrongen. Iccius en Antebrosius zijn de Reimse afgevaardigden en ze beginnen met de nodige achting te tonen voor die vreemde Caesar. ‘Edelen vorst, alle de inwoonders der stad Rheyms begeêren zig te begeven onder u en de gehoorzaemheyd der Romeynen, met hunne stad, lichaemen en goederen, want al staen zy onder het gebied van Belgis, zy hebben nogtans geen deel genomen in de zaemenzweêring der Belgen om tegen u te oorlogen….’ En zo gaan ze nog een stuk verder met hun litanie.

Een smerig verraad ten opzichte van Belgis. De dissidenten geven Caesar cruciale informatie rond de getalsterkte van het Belgisch leger. 336.000 strijdbare soldaten. Er volgt een lijst van het aantal per regio. Ook de Westhoekcijfers zijn vermeld; 10.000 Morinen, 15000 Menapiers die wonen in het noorden van West-Vlaanderen, 10.000 man uit Cassel en Vermandois. 15.000 uit Atrecht en nog eens 10.000 uit Amiens. Marcus van Vaernewyck is zo vriendelijk de instructies van Caesar na zijn onderhoud met die van Reims te vertalen: ‘

Wy zullen deze stad Rheyms laeten vaeren: trekt in het gebied van Belgis, met al het volk dat gy uyt Gallien en Bourgondien gebragt hebt; plonderd en verwoest dit land, verbrand en verderfd al dat gy daer vind.’ De eerste confrontatie biedt zich aan bij de oevers van de Oise waar de Romeinen een brug hebben gebouwd. Drie bataljons soldaten onder leiding van Quintus Titurius en Sabinus slaan er een omvangrijk bolwerk op. De Belgische troepen zijn op komst naar Reims en nemen stormenderhand het kasteel van Bibrax in waar de Remi huizenieren op zowat een kilometer of 12 van Reims. Wat ze niet weten is dat de versterking bezet wordt gehouden door een bekwame kapitein uit Reims. Iccius is zijn naam en die heeft de Romeinen al lang verwittigd van de komst van de Belgae die als puntje bij paaltje komt gelukkig zijn als ze zich tijdig uit de voeten kunnen maken.

Grote verwoestingen in het land van Reims door de woedende Belgische soldaten. Een typisch fenomeen van elke oorlog. Een rechtstreekse confrontatie met de tegenstrever biedt zich nu snel aan. Met het Belgische kamp in de onmiddellijke omgeving van dat van de Romeinen. ‘8000 stappen in het ronde, het welk eene uytgestrektheyd van omtrent 8 italiaensche mylen maekt.’ Caesar ontpopt zich als een sluwe vos.

Het is niet te verwonderen dat hij zo hoog zal eindigen in de polls van de geschiedenis. De Romeinen zullen het in hun kampen langer volhouden dan de Belgae. Ze hebben alle tijd. Hij stuurt nu en dan bespieders om de vijand in de gaten te houden. Ondertussen laat hij links en rechts van het Belgische kamp een gracht uitgraven met een lengte van 400 voeten met op het einde ‘twee sterke blokhuyzen de zelve bezettende met ruyters die ervaeren waeren in het handelen van boog en slinger.’ Hoe lang sleept deze ‘stand still’ toestand eigenlijk aan?

Geen van de partijen durft de andere als eerste aan te vallen. Tot plots Caesar bevel geeft om zich terug te trekken van de oevers van de Oise en zich te barricaderen in het pas gebouwd bastion wat verderop. De Belgen laten zich verleiden om van de terugtrekking van de Romeinen te profiteren. Ze trekken over de Oise en nemen de blokhuizen in. Niet bijzonder slim dus. Plots staan duizenden soldaten oog in oog met een vijand met het water in hun rug waardoor terugtrekken geen optie meer is. ‘Maer alle die over de rivier kwamen, wierden vernield van de romeynsche ruyterye, en die aen de andere zyde waeren van de schutters gekwetst of dood geschoten.’ ‘Wat doen we hier eigenlijk?’

De Belgische legerleiding vraagt het zich af. Dagen aan een stuk wachten om te vechten met een vijand die niet van leger tot leger wil vechten. Hun proviand is uitgeput. Geen eten meer en niets om te drinken. Alle pogingen om aan nieuw voedsel te geraken zullen de mannen bekopen met de dood. O wat is Caesar slim, denk ik. Hij heeft ze zonder veel strijd groggy gemaakt. ‘Het is beter dat wy nae huys trekken om onze stad en landen te bewaeren’, en zo druipt het gigantische Belgische leger gedesillusioneerd af.

Caesar denkt eerst dat het een truc is van de vijand, maar als hij beseft dat het grote leger zich opsplitst en elke groep zich afzonderlijk naar zijn heimat begeeft, ruikt hij zijn kansen. ‘als hy verzekerd was dat het grootste deel der vyanden het veld ontruymd waeren, zond hy agter hun al zyn peêrdevolk, daer Quintus Predius, Lucius Aronouleïus Cotta en Titus Labienus kapiteynen van waeren. Deze vervolgden de Belgen, die by hoopen nae hun land reysden, en sloegen die van agter in den steêrt. Alsdan keerden de agterste zig om en verweêrden hun zo kloekelyk, dat den stryd duerde van den opgang der zonne tot haeren ondergang, alswanneer de Romeynen ziende dat den nagt aenkwam, en zeer vermoeyd zynde, agterwaerds trokken.’

Gevolg? Veel verlies van volk bij de Belgen en de Romeinen die nu in het bezit zijn gekomen van Soissons, nog ’12 andere stedekens’ en geen echte tegenstand ondervinden in Beauvais, Amiens en St.Quintin. De vijand is nu pas echt in het land en nadert zorgwekkend snel de Westhoek. De volgende stop is het land van Nervia. Doornik met zijn straffe Nerviërs. De legerleiding waarschuwt Caesar. ‘Haere inwoonders zyn sterk, vreed en zonder genaede en zy zyn niet gezind om gezanten tot u toe te stieren, of eenige voorwaerden van vrede te aenveêrden.’

Dat hemelse Vlaams toch van onze Marcus Vaernewyck: ‘De onderhoorige steden van Belgis hadden gezworen van malkanderen in allen nood by te staen. Om zulks gemakkelyker te konnen doen, wierd er eenen onderaerdschen weg gedolven, van uyt de stad Belgis tot die van Phanum Martis, nu Gend; door welken gang de inwoonders van beyde die steden heymelyk te zaemen konden handelen en malkanderen volk toezenden.’ Een mens leert nog eens iets. Maar onze geschiedschrijver gaat plots zelf twijfelen.

‘Hier uyt gissen zommige, dat de groote stad Belgis in Henegouw niet gestaen heeft, ter plaets daer nu Bavay staet, maer te Velsike in het land van Aelst; welke plaets (zoo zy zeggen) Belgike plagt genoemd te worden. Dit zo zynde voegen zy daer by, zoude dien onderaerdschen weg niet veel meer dan dry ueren lang geweest hebben; maer indien Belgis gestaen had daer Bavay nu staet, het zoude zeer veel arbeyd gekost, ja zelfs niet wel mogelyk geweest hebben zoo verre te delven. Een ieder kan daer van oordeelen volgens zyn goeddunken. Men meynd dat deze voute uytkwam op St. Pieters by Gend alwaer in dien tyd een groot sterk kasteel stond, in het welk zig een menigte Nerviers ophielden.’ De zeldzame voetnoot bevestigt 300 jaar later dat er bij St.-Pieters nog altijd een stenen voute te zien is. Bij de Peterseliepoort (de latere Kortrijkse poort) aan de vestingen van de stad.

Julius Caesar neemt zijn tijd. Enkele jaren. Zijn troepen worden gelegerd in de Vermandois waar ze orde op zaken stellen in de veroverde steden en alles in gereedheid brengen om de volgende fase van hun campagne verder te zetten. De Belgen lijken op het eerste zicht gerust in een goede afloop van zaken. Ursarius wordt de nieuwe koning, een ‘heldhaftigen vorst, grootelyks bemind van den adel’. Bij de gewone mensen roept hij een beeld op van een wrede en koude man.

Hij roept zijn kapiteins en zijn ridders bij zich om de militaire strategie te bespreken. Iedereen moet zich terugtrekken binnen de stadsmuren en wanneer de Romeinen hun tenten opslaan, zullen ze de ene uitval na de andere doen en de rechtstreekse confrontatie aangaan met de tegenstander. De heren geven groen licht aan de plannen, maar het gemeen is niet mals met zijn kritiek. In de stad blijven is geen optie. Ursarius plooit uiteindelijk en verandert zijn plannen.

Ze trekken er op uit om de confrontatie aan te gaan. ‘Als dulle honden trokken zy uyt de stad en gingen het romeynsch leger zonder eenig order te gemoet.’ Een kilometer of tien ver buiten de stad arriveren ze op een plaats die nu de ‘campus dolentis’ genoemd wordt. Het ‘veld der droeve’ tussen Valencijn en Cameryk. Het leger van de Belgae wordt in vol ornaat en in een heel speciale slagorde opgesteld. Laat die Romeinen maar komen. Julius Caesar hoort de nodige details van zijn bespieders. Dat is nu eens een oorlog die hij graag ziet komen.

‘Daer lag eenen berg by de rivier de Samber, den welken van wegens den bloedigen slag die daer voorviel, den naem behouden heeft van mons, mortis, dat is, den berg der dood. Op en rondom den gemelden berg ging den roomschen veldheer liggen met al zyn volk, en stelde het zelfve daer in een goed order.’ Meer details krijgen we niet over de juiste locatie. Een heuvel langs de Samber die toch op behoorlijke afstand moet liggen van de ‘campus dolentis’ is het toneel van de strijd. Ook het verloop van de gevechten staat chaotisch beschreven.

De aarde lijkt te trillen en te kreunen onder het geweld. ‘Ursarius, koning van Belgis, met zyne krygsbenden, trok nae de plaets alwaer Julius lag: den stryd was hardnekkig, en daer wierd van beyde de kanten zoo veel volk verslaegen, dat het bloed van den berg nederstroomde tot in de rivier de Samber, gelyk het water ten tyde van eenen overvloedigen regen.’ Ursarius sneuvelt trouwens die dag. De drie resterende bataljons strijden verder, ‘den donkeren avond kwam en niemand verliet nog het veld.’

De strijd duurt drie dagen. Er is zo veel bloed vergoten dat de paarden er hier en daar met hun knieën moeten doorwaden. De Belgen of wat er van overschiet, houden het voor bekeken en ze keren met vertroebelde geesten terug naar Belgis. 90.000 Belgische krijgers sneuvelen. ‘Als het tiende legioen der Romeynen zulks gewaer wierd, stelde het zig in staet om hun te vervolgen, rande die van agter aen en versloeg er vele. Als de voorste en alle die de dood konden ontgaen binnen de stad kwamen, slooten zy de poorten en maekten zig sterk, om hunne vyanden te wederstaen.’

Het bewenen van de slachtoffers op het ‘veld der droeve’ sleept naar Romeinse traditie drie dagen aan. Daarna is het tijd om Belgis aan te vallen. ‘Dat zal geen probleem zijn’ denkt Caesar. De Belgen hebben grote verliezen geleden. Echt veel volk kan er zich niet meer binnen de muren van de stad bevinden. Hij reorganiseert zijn troepen in drie divisies. Aan de oostelijke zijde van Belgis zullen zijn kapiteins Cicero en Pressurus het bevel voeren over de aanval.

In het westen zal Titus Labienus de leiding op zich nemen, bijgestaan door zijn adjudanten Cotthones en Antonius. ‘Julius dede een groot getal tenten opslaen, willende de belegerde daer door te kennen geven dat hem nog volk genoeg overgebleven was om hunne stad geweldig te bestormen. Hy wist nogtans wel dat hy vele van zyne beste ruyters verloren had, ja dat ‘er hem dry geheele legioenen afgeslaegen waeren.’ De Belgen kiezen twee kapiteins uit eigen rangen en dat gebeurt met toestemming van alle ingezetenen van Belgis dat trouwens bewoond wordt door vier verschillende volkeren. Een eerste bevolkingsgroep zijn de Romeinen die in vroegere dagen een verbond hadden gemaakt met de Belgen.

Bij het begin van de campagne van Caesar. 18.000 strijdbare mannen onder leiding van Quintus Curius die een bloedhaat koestert ten opzichte van Rome en Caesar. ‘De tweede soort van inwoonders bestond in overloopers, die derrewaerds gevloden waeren uyt andere steden des ryks van Belgis, denkende dat deze stad sterk genoeg was om de Romeynen te wederstaen, en verhopende dat het land nog eendragtig zoude worden.’ Ongeveer 24.000 gewapende mannen die hun bevelen krijgen van Galba, de kleinzoon van de koning van Soissons.

‘De derde natie was al het volk uyt de omliggende dorpen en kasteelen. Die van Tongeren, een deel Triersche, Saxen, Henegouwers en Waelsch-Brabanders’. Ze beseffen dat hun eer en welvaart afhangt van het welslagen van hun missie hier in Belgis. Een leger van 35.000 krijgers onder het bevel van Odomarcus, de broer van Publionatus, de hertog van Waals-Brabant. ‘De vierde soort van volk bestond in alle de krygslieden, 25.000 stuks, die in de voorzeyde bloedige veldslagen tegen de Romeynen hun leven niet verloren hadden en tot hunnen hoofdman gekozen hadden den hertog Ursarius, zoon des konings, welken vorst binnen Belgis op zyn vaders kasteel bleef, terwyl dezen koning het volk uytgetrokken was tegen de Romeynen.’

Hoeveel vrouwen er zich in Belgis bevinden, is niet bekend. Schrijver Marcus herinnert er ons lezers aan dat koning Ursarius nogal wat volk weggestuurd heeft. ‘Alle de mannen die door ouderdom of krankheyd, onbekwaem waeren om de wapenen te handelen, benevens de vrouwen, naemendlyk de gene die zwanger waeren of zuygende kinderen hadden. Hy had hun belast zig te begeven nae bosschagien of leege landen, en nae wildernissen, alwaer hy hopte dat geene Romeynen komen zouden om hun te vernielen; op dat ‘er van deze vrouwen nog zaed mogt overblyven, in geval hy met zyn volk ten onder gebragt wierd. Hun getal was van omtrent 10.000 volgens dat Hugo en Nicolaüs schryven’.

We gaan verder met het relaas van de gebeurtenissen. De bende volk in Belgis zit natuurlijk nog zonder koning want Ursarius de Oude is dood. De finefleur van de stad komt samen om in deze ‘netelagtige tydsomstandigheyd’ een nieuwe koning te kiezen. Ursarius junior krijgt de vraag toegeworpen maar die laat het koningschap aan zich voorbijgaan. Hij voelt zich te jong en te onervaren en bovendien zijn de goden vertoornd op hem en op zijn geslacht. Hij adviseert de raad om Andromadas als koning te kiezen. ‘Hy is van het bloed der oude hooge priesteren, en gaet alle andere in wysheyd en kloekheyd te boven.’

En zo wordt Andromadas de nieuwe koning van Belgis. ‘Naer het eyndigen der plegtigheden, ging den nieuwen monarch in eenen tempel alwaer hy de hulp der goden aenriep, en zynen oudsten zoon slagtofferde ter eere van den afgod Mars, op dat hy hem de vyanden van zyn ryk zoude laeten overwinnen. Vervolgens dede hy onderzoek wegens de levens-middelen die in de stad waeren; hy vond nog koorn in overvloed, en het koninglyk paleys van alles wel voorzien. Voorders dede hy ’s nagts uyt de stad gaen alle de kranke lieden, alle de jongelingen zonder baerd, en een groot aental vrouwen en kinderen, die voor het meeste deel daer in gebleeven waeren tegen het gebod van den koning Ursarius.’

Onze voorouders in deze illustere tijden. Ik lees het toch zo in de oude kronieken van Marcus van Vaernewyck: ‘deze trokken al weenende over de Schelde, reysden tot omtrent Morinorum of Terouanen, alwaer Vlaenderen nu is, en gingen woonen in wildernissen en andere woeste plaetsen, alwaer zy gebleven en met ‘er tyd aengegroeyd zyn tot een groot en magtig volk.

De slag om Belgis kondigt zich aan. De kapiteins zijn gekozen en het volk staat paraat om de Romeinen een warme ontvangst te geven. Caesar heeft houten tuigen laten bouwen. Stormrammen op wielen die enkele meter boven de stadsmuren uitsteken. De vijand bevindt zich met al het militair gereedschap op zowat 200 meter van de stad. De aanval is nakend, maar ’s nachts draaien die van Belgis de rollen om en breken ze met 8000 man uit. Quintus Curius op kop. ‘Zy hadden poppen gemaekt van kalk en solfer, te zaemen gemengeld met olie’. Brandbommen avant la lettre.

‘Daer staken zy het vuer, en verbrandeden aldus de tenten, houte torens en ander oorlogsgetuyg hunner vyanden.’ De nacht is blijkbaar nog jong want de Belgae verrassen hun Romeinse vrienden met nog meer uitvallen. Een bende ruiters gaat de nachtelijke en vooral bloedige confrontatie aan onder leiding van alweer die Quintus Curius. ‘Naer een langduerigen en bloedigen stryd trok hy weder nae de stad, op zyne spies hebbende het hoofd van Lucius, zoon van Antonius een voornaemen kapiteyn van het vyandlyk leger. Die van Belgis nagelden dit hoofd voor ene der poorten van hunne stad.’ De volgende morgen is koning Andromadas in zijn nopjes.

Alles is prima verlopen. Hij moedigt zijn mannen aan en verdeelt de 40.000 overgebleven vrouwen over zijn 4 legers zodat ook zij hun steentje aan de strijd kunnen bijdragen. Er staan twee nieuwe uitbraken op het programma van de volgende nacht. De eerste zal uitgevoerd worden door Odomarcus en zijn mannen terwijl er aan een andere stadsuitgang synchroon een aanval zal uitgevoerd worden op de krijgsbenden van Labienus. Hier zullen de ruiters en de vrouwen aan meewerken onder leiding van opperkapitein Galba. Caesar laat bijna zelf het leven bij de actie van de Belgae. Nog voor ze het goed en wel beseffen zijn er al 2000 Romeinen gesneuveld.

Het zo aardedonker en ze kunnen niet eens het onderscheid maken tussen vriend en vijand. De vrouwen zorgen voor licht in deze duisternis: ‘zy verbrandeden de wagen, houte torens, tenten en al het ander oorlogsgetuyg dat zy vonden; zoo dat het vuer geheel het heyr verlichte en van zeer verre konde gezien worden.’ Ondertussen barst de aanval van Galba los op de mannen van Labienus.

‘In dien nagt deden de Belgen eene afgrysselyke slagting onder hunne vyanden. Hier naer verzaemelden Odomarcus en Galba hun volk, en keerden zegepraelende binnen de stad Belgis, gelaeden met eenen ryken buyt.’ ‘Geen derde keer op rij’, denkt Caesar de volgende morgen, en hij beslist dat zijn leger, of wat er van over is, zich moet terugtrekken. Het gaat richting de berg van Pan, op de plek waar Bergen zich bevindt in Henegouwen. Hier zullen ze hun tijd nemen en wachten op versterking vanuit Rome.

En er moet nieuw oorlogstuig gebouwd worden. Werk zat. De Belgen trekken er op uit op zoek naar nieuwe levensmiddelen. Van over de Maas en de Rijn komt er bovendien extra steun aangewaaid. ‘15.000 Zwitsers, Saxen en Swaven wierden binnen de stad Belgis met groote vreugde ontfangen.’ Ariopatras, een nazaat uit het geslacht van de Saxische koning Ariovistus, wordt aangesteld als bevelhebber van het nieuw aangekomen bataljon. Koning Andromadas laat zich duidelijk gelden. Hij stuurt afgezanten via de onderaardse gang naar Gent, Phanum Martis, om er overleg te plegen over de stand van zaken en de te volgen strategie.

Ze richten hun vizier op Reims dat door zijn verraad de oorzaak is geweest van al die Romeinse ellende. Ursarius junior wordt benoemd tot bevelhebber van een militie die zal afrekenen met het volk van Reims. Een tocht door de bossen en de wildernis. De benadering gebeurt overnacht en tijdens de dag wordt er gerust en geslapen.

‘Zy kwamen op eenen vroegen morgenstond voor de stad Rheyms: als de inwoonders dit volk van verre zagen aenkomen, meynden zy dat het ridders uyt Bourgondien waeren, die Julius Cesar ter hulp trokken; derhalven lieten zy hun vryelyk in de stad komen. Zo haest zy daer binnen waeren, liepen zy nae het paleys, en staken het in brand, benevens de poorten van Bacchus en Mars, als ook de geheele stad. Zy begeêrden niets te nemen nog te rooven, maer deden alle de ingezetene door het zweêrd vallen, zonder aenzien van geslagt of ouderdom.’

Wat kan een mens nu zinnig schrijven over dergelijke massamoord? Droogjes verdergaan met het relaas van de feiten lijkt me de enige optie. Nu is er toch niets meer aan te doen. Optekenen dat Caesar niet geamuseerd is en dat hij met nog grotere vastberadenheid wacht en werkt aan versterking voor zijn leger. De vrienden van de Belgen zijn in de wolken met deze afrekening. Nervia, Phanum Martis en de rest van de steden vernieuwen hun verbond met de stad Belgis en concentreren zich op de verdelging van de Romeinse snoordaards die azen op hun landen. Die Romeinse versterking zwelt aan tot ongeziene proporties. De voorziene legerplaats kan de toestroom onmogelijk strikken. Drie verse legioenen uit Italië, veel volk dat afkomstig is van de landstreken ten zuiden van de Seine. Met daarbij nog soldaten van Belgische steden die zich al eerder afgekeerd hebben van Belgis. Het duurt nu niet lang meer vooraleer datzelfde Belgis weer in de tang zal worden genomen.

Ariopatras, de Saxische hertog die aangesteld is als bevelhebber van de Germanen, heeft met zijn leger post gevat in de stad Phanum Martis. Hij en de lokale kapitein Gandanus stellen op een bepaald moment vast dat grote bendes Romeinen hun tenten gaan opslaan op de Heymansberg, nu vermoedelijk gekend als Sint-Amandsberg. De succesvolle tactiek van de nachtelijke uitbraken, begint van vooraf aan. De eerste nacht duren de gevechten uren aan een stuk zonder dat er een doorbraak komt. De volgende nacht boeken ze wel succes en slagen ze er in om de Romeinen te verdrijven.

‘Hier naer gaf Julius last aen Labienus, Antonius, Marcus en Cotthones, om te zaemen, met eene groote menigte volk, nae de stad Phanum Martis te trekken, en die te bestormen; want hy hopte dat zy de zelve aldus zouden innemen.’ Gent zal het bepaald warm krijgen. ‘De Romeynen bemagtigden voor het eerst het kasteel van Sonnenberge, benevens verscheyde andere kasteelen, die zy sterk maekten en met volk bezetten.’ Wat nu volgt, is een prachtige scene die wel uitgeknipt lijkt uit een tweedeklasse avonturenfilm. We laten in het midden of we hier bezig zijn met fictie of waargebeurde geschiedenis. ‘Wanneer Andromadas, koning van Belgis, dit hoorde, zonde hy eene groote menigte volk nae Phanum Martis, door de heymelyke voute onder de aerde. Deze troupen aldus binnen de stad gekomen zynde, deden met de andere eenen geweldigen uytval op de Romeynen en sloegen ‘er een groot getal van dood.’

De volgende dag voeren Ariopatras en hertog Haywides een gelijkaardige verrassingsaanval uit. De vijand snapt er niets van. ‘Zy waeren verwonderd en konden niet bedenken van waer zy daer mogten komen’. Er wordt van beide kanten beenhard gevochten tot dat de Romeinen plaats maken en vluchten richting dat kasteel van Sonnenberge waar ze zich in veiligheid brengen. De pogingen van Haywides en Ariopatras om de versterking in te nemen, lopen echter af op een sisser. Sonnenberge, in een aantal boeken ook beschreven als Sevenbergen, blijft in Romeinse handen.

De kastelen van Sonnenberge en dat van Phanum Martis (waar later het klooster van de heilige Bavo en nog later het kasteel van de Spanjaarden gebouwd zal worden) worden nu door de twee partijen in snel tempo versterkt. De rest van de stad Phanum Martis loopt leeg en wordt overgelaten als een vogel voor de kat.

‘De Romeynen bestormden Phanum Martis en naer vele vreede stryden en groote bloedstortingen, namen de zy deze stad in; maer als zy daer binnen kwamen en geen volk vonden, want zy waeren alle in het kasteel gevlugt. Wanneer zy vervolgens het kasteel meynden in te nemen, ontmoetten zy daer zoo dapperen tegenstand, dat ‘er vele van de belegeraers dood bleeven. Alsdan hielden de roomsche kapiteynen raed, en kwamen overeen dat men de geheele stad zoude verbranden, het welk uytgevoerd wierd. Aldus werd de stad Gend, die de Indo-Europeanen eerst gestigt en Clarinea genoemd hadden, verwoest door de Romeynen.

Men wild dat zy in dien tyd haeren vierde naem voerde, van welke naemen Clarinea of Carinea den eersten was, Phanum Mercurii den tweeden, Blandinum den derden, en Phanum Martis den vierden.’ Het kasteel van Phanum Martis zit barstensvol. De Romeinen zijn van mening dat de bevolking van de verwoeste stad eerder weggevlucht is over de Leie en de Schelde en lijken niet te beseffen dat alles zich in die burcht bevinden die dan nog via een onderaardse gang gevoed wordt door nieuwe krijgers.

Terwijl Caesar nieuwe pogingen onderneemt om Belgis aan te vallen, wordt er besloten om de bezetters van het kasteel niet verder te bestoken maar uit te hongeren. Vanuit Belgis worden er nu systematisch aanvallen uitgevoerd op de legers die zich op de vlakte van Phanum Martis bevinden. ‘Beyde partyen weêrden zig zoo kloekelyk, dat men des avonds, alswanneer de duysternis hun van malkanderen scheyde, niet wist wie de overwinning behaeld had.’

Julius Caesar zit zelf op het droge. Op zijn berg van Pan. Zijn bevelhebbers begrijpen niets van de vreemde oorlog die daar in het Gentse aan de gang is. Ze vragen raad aan Caesar. De soldaten moeten weg van de vlakte en moeten de 6 kastelen die al in Romeins bezit zijn, gaan bezetten. En voor de rest de spreekwoordelijke kat uit de boom kijken en wachten tot de hongersnood de belegerden zal dwingen om zich over te geven. Henegouwen is ondertussen stevig bezet door de Romeinen die onmiddellijk begonnen zijn met hier en daar versterkingen te bouwen en dijken op te werpen. Bij de bouw van het kasteel van Maubeuge loopt het mis.

‘Er kwam eene groote menigte volk uyt de steden Phanum Mercurii (nu Brugge weet Marc Vaernewyck te vertellen) en Nervia (Doornik). Deze sloegen de werklieden vreedelyk dood; maer Julius trok hun haestelyk ter hulp, en verjaegde de vyanden naer eenen hevigen stryd, in den welken aen beyde de kanten veel volk dood bleef.’ Phanum Mercurii betaalt de onverhoedse aanval op de mannen van Caesar cash terug. Na een reeks bestormingen en veel verlies van volk wordt het vroegere Brugge ingenomen en tot aan de grond in brand gestoken. En ook Doornik ondergaat een gelijkaardig lot.

Marcus heeft het plots opnieuw over de ‘haeve van Belgis’. Het kan Sluis zijn maar ook een plaats in de buurt van Gent. Hij twijfelt. Hij weet wel dat de haven in Romeinse handen valt: ‘Caesar veroverde de haeve van Belgis en verscheyde andere steden en sterkten by de zee gelegen. Hy verdelgde alle deze plaetsen en verjaegde de inwoonders’. Er lijkt geen einde te komen aan de toestroom van de Romeinen en het volk van Belgis lijkt in te krimpen met de dag. Dat laatste valt niet te verwonderen als we lezen over de geleden verliezen aan Belgische zijde: sinds het begin van de oorlog zijn er al 82.000 mannen gedood rond Belgis en de oorlog rond Phanum Martus heeft de drempel van de 100.000 doden al overschreden. De geschiedschrijver Orosius schat dat twee derden van de beschikbare soldaten er al het leven hebben bij in geschoten.

Er mag dan wel een onderaardse gang bestaan tussen Belgis en Phanum Martis, maar als de toevoer aan levensmiddelen in Belgis zienderogen slinkt, komt het kasteel te Gent natuurlijk ook in de problemen. Er zit niets anders op dan aan te sturen op een bestand met de Romeinen. Er wordt koortsachtig over en weer gelopen door de ‘voute’ om overleg te plegen met koning Andromadas. Die stemt er uiteindelijk in toe dat ze zich overgeven op voorwaarde dat ze geen informatie geven over de bewuste onderaardse gang, die hopelijk nog veel het leven kan doen redden.

We lezen het nogal dubieuze antwoord die Haywides overmaakt aan de gezanten van Julius Caesar: ‘zy waeren bereyd om hun het gevraegde kasteel over te geven, op beding dat niemand van de Romeynen binnen het geen van Phanum Martis zoude gaen, zoo lang als zy met die van Belgis in oorlog waeren. Daer-en-tegen zouden zy zig op hunnen hals verbinden, om niet eenen man te laeten uytgaen ten eynde van de Romeynen in het minste te beschaedigen of te hinderen.’ Caesar stuurt de aanvullende eis dat alle wapens moeten worden uitgeleverd. De strijd om Phanum Martis is beslecht.

Na de overgave van Gent, komt de stad Belgis nu nog meer onder druk te staan. De milities die de hele tijd rond Phanum Martis gelegen hebben, dienen zich nu aan op zowat 3 km van Belgis. ‘Caesar dede daer maeken houte toren, katten, rammen en meer andere gereedschappen, als slingers, bylen en boogen.’ Als dit allemaal ‘veêrdig’ is, krijgen ze het bevel om post te vatten aan de waterkant ten noorden van de stad, op zowat 2 km afstand, de ‘Kasteelberg’. Mogelijk de plaats waar later de Sint-Martens-Brug zal aangelegd worden. Dat weet van Vaernewyck in elk geval te vertellen.

‘Niet lang daer naer wierd den hongersnood binnen de stad Belgis zoo groot, dat de moeders gedwongen waeren hunne kinderen te eten.’ Slik. ‘Als die van Phanum Martis dit hoorden, zonden zy door den onderaerdschen gang, aen de uytgehongerde al den lyftogt die zy konden bekomen; maer dit konde weynig baeten, naedemael het land onbezaeyd, beroofd en uytgeteêrd was, en zoo wel de Romeynen met hunne bondgenooten, die daer langen tyd in groote menigten gelegen hadden, moesten voeden, als de ingezetenen des ryks Belgis.’

Andromadas en zijn raad beslissen noodgedwongen dat een groot aantal vrouwen uit de stad moet vertrekken. Het is dat of sterven. Ook de jongens van beneden de 20 worden buiten gebonjourd. Met zijn 16.000 zijn ze. De zonen van Andromadas zitten er ook bij en zij krijgen de leiding over de bende volk. De oudste zoon van de koning heet Flandebertus. Van hem zal de streek van ‘Morinen, Menapien, Gordunen, Pleumosinen en ten deel Nervien’ zijn nieuwe naam krijgen: Vlaenderen.’ Wenend, zuchtend en kermend verlaten de vrouwen en de jongens de stad Belgis. Ze trekken door de laaggelegen broeklanden en door de bossen naar zee en arriveren in de landstreek die onder de heerschappij staat van het land van Terwaan.

Ze gaan wonen in twee nieuwe nederzettingen. Rodenburg (nu Aardenburg) en Oudenbosch. Ondertussen is de hongersnood in Belgis afgrijselijk. De toestand is hopeloos. De omknelling van de Romeinen heeft alle hoop en perspectieven de grond in geboord. Andromadas roept de goden aan. Misschien kunnen zij helpen? Op Caesar zullen ze niet moeten rekenen als ze zich overgeven. Er zal geen genade zijn. Het slechtste trouwens is dat hij geen dienaar is van hun Goden. Er volgt een wanhoopspoging waar de koning het hoofd neemt van 30.000 verzwakte mannen die zullen vechten tot ze dood zijn.

De rest mag doen wat ze willen: in de stad blijven of proberen te ontkomen via de voute. Zo gebeurt het ook. De Romeinen, in casu Caesar, zijn bijzonder verrast door de drieste uitval van de Belgen. De verrassing is van korte duur: ‘naer eenen vreeden en langduerigen stryd bleef Andromadas daer dood, en voor den ondergang der zonne wierden verslaegen alle die met hem uyt Belgis gekomen waeren. Van den kant der Romeynen bleeven er dood 37.000 mannen.’

De dode koning wordt beweend en in brand gestoken. Met de nodige hertogen als toemaatje in het vuur. De meningen zijn sterk verdeeld over hoe het nu verder moet in Belgis. Toch komt er een vergelijk. ‘Quintus Curius zoude met zyn volk het paleys bewaeren, en Galba de mueren en alle de kasteelen der stad; Odomarcus wierd belast met de bescherming der poorten, en Ursarius met het opzigt over de vier baenen of wegen die uyt Belgis leydeden.

Den eersten dezer wegen leyde naer Parys, eenen anderen nae Terouanen en Doornik, den derden nae Gend, den laetsten nae Tongeren, en zo voord nae Maestricht.’ De vier bevelhebbers houden zich precies één dag aan hun afspraken. Ach, zijn ze niet allemaal ratten geworden op een zinkend schip? Voor de Romeinen is het trouwens welletjes geweest. Met vier legers vallen ze de muren van de stad aan. Die eerste aanval kan kon afgeslagen worden. Ursarius en Galba sneuvelen en de volgende morgen is de nieuwe aanval nog vreselijker dan de eerste.

En de derde dag wordt het nog erger. ‘Alsdan begonnen zy de stad weder zoo geweldig te bestormen, dat zy eyndelyk de mueren doorbraken. Binnen Belgis komende, sloegen zy zonder bermhertigheyd dood al dat zy daer ontmoeteden.’ We maken het definitief einde van de illustere stad Belgis van dichtbij mee: ‘naer dat de overwinnaers al het volk aldus omgebragt en de stad geplonderd hadden, staken zy het vuer daer in, en aldus wierd geheel de stad verbrand, met alle haere poorten, torens, tempels en gemeyne paleyzen; en het gonne dat van de vlammen niet verteêrd wierd, deden zy nederwerpen en tot den grond toe afbreken.’

De Romeinen ontdekken de geheime gang die hen zo lang parten heeft gespeeld. Die wordt nu dicht gemetseld. De mannen die zich nog gebarricadeerd hebben in Phanum Martis, komen nu schoorvoetend naar Caesar toe. Ze overhandigen hem de sleutels van de stad en smeken om genade die ze ook krijgen. Met uitzondering van hun kapitein, de hertog Haywides. ‘Caesar deed dien heer onthoofden op het danshuys te Belgis, alwaer hy begraeven wierd. Sedert is deze plaets Haywides-berg genoemd, welken naem zy tot heden behouden heeft. Julius gaf al het volk uyt het kasteel van Phanum Martis vry geleyde. Zy trokken voor het meeste weg en gingen, met zyne toestemming, eene burgt stigten niet verre van het kasteel der Dale. Dit was omtrent de plaets daer tegenwoordig de stad Valencyn staet. De anderen bouwden vele huyzen in het klimmen van den berg, en gaven deze plaets den naem van Marsenvelde.’

Rond het verwoeste Belgis laat Caesar enkele kastelen bouwen. Hij geeft opdracht aan kapitein Crispus en zijn tiende legioen om het hele gebied onder controle te houden vanuit een nieuw kasteel dat Charus Locus genoemd wordt en gelegen is in het broekland van de rivier de Hayne. We horen trouwens nog eens nieuws vanuit de Westhoek: ‘daer naer begaven zig, behoudens hun lyf en goed, onder de gehoorzaemheyd der Romeynen, Atrecht en Terouanen, benevens heel Vlaenderen en Picardien.’ Caesar keert na zijn veroveringen terug naar Rome.

‘Hy leyde in Braband en Nervien een legioen ruyters, daer Cicero kapiteyn van was. Hy leyde een ander legioen in Vlaenderen, onder het opzigt van Caïus Fabius, die Phanum Martis herbouwde en merkelyk verbeterde.’ Veel rust zal de nieuwe kapiteins niet gegund zijn. Dat kunnen we al direct lezen: ‘geduerende zyn afwezen wierden alle de landen daer hy onlangs heer over geworden was, wederspannig, uytgenomen alleen de stad Rheyms in Gallien.’

De winter is voorbij. Caesar heeft orde op zaken gesteld in Italië en moet nu zo snel mogelijk terug naar Gallië waar hij de nodige moeite ondervindt om de rebellie en de weerspannigheid van het volk te fnuiken. Eigenlijk ligt de schuld bij zich zelf. De Vlamingen aan de zeekant heeft hij wat over het hoofd gezien en heeft hij beschouwd als ongevaarlijk en niet relevant. Niet alleen de Vlamingen trouwens, maar ook de Zeelanders en de Hollanders hebben het vorige jaar vertikt om Caesar als hun heer te erkennen en zich te onderwerpen aan de dictatuur van de Romeinen.

Integendeel zelfs: waar ze konden helpen met de Belgen in hun verzet tegen de bezetters, hebben ze het zeker gedaan. Dat is trouwens ook het geval voor de bosmensen die in de buurt van de Schelde en de Maas wonen en die zich net zoals de Vlamingen ‘in bosschen en wateragtige landen onthielden’, van waaruit ze een guerrillaoorlog voeren waar de Romeinen geen vat op lijken te krijgen.

De volgende passage doet me denken aan de Duitse concentratiekampen en de verplichte arbeid voor de bezetters uit de 20e eeuw. ‘Caesar moest tegen de zelve een andere manier van oorlogen verzinnen als de gene die hy te vooren in de landen van Belgis gebruykt had. Ten dien eynde ontbood hy eene groote menigte volk, tot versterking van het leger dat hy by hem had; vervolgens dede hy wegen maeken door de bosschagien, en de boomen afhouwen in alle plaetsen daer hy wilde door trekken. Deze onderneming koste hem in het begin veel volk; maer hy bragt de wederspannige eyndelyk ten onder.

Naer alle hunne huyzen, sterkten en kasteelen verbrand te hebben bragt hy zyn leger nae Aulericos en Lexobios, dat is omtrent Rouanen langs de zee.’ Caesar heeft de volgende winter nog meer katten te geselen. Aan de Rijn drummen honderdduizenden Germanen, op de vlucht voor de Zwitsers, om de rivier over te steken en zich te vestigen tussen de Maas en de Rijn. Marcus van Vaernewyck geraakt er zelf van zijn melk door: ‘voorwaer het deêrd my de ellendigheyd van het menschelyk leven te beschyven: deze volkeren verjaegd zynde, verjaegden andere, en wierden weder verjaegd, en in groote menigte verslaegen en verdronken.’ De geschiedenis van Europa in een notendop.

De Romeinen beseffen dat het niet voldoende is om de Germanen aan te pakken op het moment dat ze over de Rijn willen komen. Ze moeten de strijd aangaan met de volkeren die aan de andere kant van de stroom wonen. Zich daar naar toe begeven met een schip is tijdrovend en bovendien militair niet de beste optie. Ondanks het scepticisme bij zijn adviseurs, beslist Caesar een brug te bouwen over de machtige Rijn. Het werk is af op 10 dagen tijd. De brug legt alleen maar windeieren voor zijn troepen: ‘hy dede met de Germaenen of Duydsche te beoorlogen meer verlies dan voordeel’. Na 18 dagen houdt hij de veldtocht voor bekeken en komen de Romeinen via hun brug terug naar Brabant om ‘van daer door Vlaenderen naer Engeland te trekken.’

In Nieuwpoort, Calais en Boulogne zullen ze nu de oren spitsen. ‘Naer dat hy de brugge had doen afbreken, begaf hy zig met zyn leger nae de haeve van Morinen, nu Vlaenderen (welke haeve plagt genoemd te worden Gessoriacum navale, nu Gend of daer omtrent).’ De schrijver haalt zijn mosterd bij de Romeinse geschiedschrijver Pomponus Mela. Het verhaal van Portus Itius of Icius komt hier een eerste keer aan de oppervlakte van de geschiedenis. ‘Gessoriacum navale was wonder bekwaem om schepen op de reede te leggen, en van daer gemakkelyk in de zee te brengen door de leege meêrschen, die alle vloed-getyden vol water stond tot voorby Gend; te meer om dat er alsdan in deze landen nog geene dyken waeren.’

We krijgen het hele verhaal van de Romeinse invasie van Engeland op ons bord. De geschiedenis is ondertussen doorgeschoven tot minus 54. De voorbereidingen duren jaren en worden bemoeilijkt door de weerspannigheid van ‘de Morinen en de Menapieren’ Caesar lonkt naar Engeland, maar is bevreesd om de rebellie van de Westhoekbevolking. Er komt wel wat verbetering in de toestand lezen we. ‘In dien tyd kwamen vele van de Morinen en Menapieren, die tot alsdan wederspannig geweest hadden, hun aen Cesar onderwerpen; het welk hem te pas kwam voor zyne reyze, dewyl het hem niet goed dogt eenige vyanden agter zynen rug te laeten. Hy begaf zig dan in aentogt, laetende aen dezen kant van het water Quintus Titurius, Sabinus en Lelius Arunculeus Cotta, de welke hy zond nae de dorpen of kwartieren van Morinen en Menapien die hunne gezanten tot hem nog niet wilden stieren.’

Engeland is geen gemakkelijk eitje om te pellen. Op het einde van het eerste oorlogsjaar en de komst van een nieuwe winter komt Caesar gefrustreerd terug naar Vlaanderen. ‘Hy dede daer tot zyn beschut eenen sterken toren bouwen ter plaets daer tegenwoordig de stad Buenen of Boenen staet (Boulogne), die wonder sterk is. In de Westhoek blijven de lokale stammen zich weerbarstig opstellen tegen de bezetters.

De tabloids van die dagen vertellen het: ‘terwyl Cesar onderwege was om weder te keeren nae Vlaenderen, gebeurde het dat ‘er twee schepen die van de vloot afgeraekt waeren, alleen aen land kwamen: wanneer de manschap, bestaende in omtrent 400 hoofden, zig by het overig deel van het leger meynde te begeven, wierden zy aengetast van de Morinen of Vlaemingen, die eenen grooten buyt by hun hoopten te vinden; maer als dit aen Julius gebodschapt wierd, zond hy hun al zyn peêrde-volk ter hulp.

Deze hebben reeds vier ueren gestreden tegen 6.000 Vlaemingen eer deze onderstand aenkwam; maer zo haest de vyanden deze ruyters in het gezigt kreêgen, vlugteden zy met den buyt die zy de romeynen ontnomen hadden in de bosschagien. Cesar zond des anderendags Titus Labienus met de legioenen die hy uyt Engeland gebragt had, tegen de Vlaemingen die geduerende zyn afwezen oproerig geworden waeren; de welke, naedemael de meêrschen en broeklanden weerewaerds zy gewoon waeren te vlieden nog droog lagen, wisten zy niet waer hun bergen, en moesten zig diesvolgens aen den gemelden kapiteyn overgeven.’

Het zijn de laatste stuiptrekkingen geweest van de Morinen. Caesar komt terug naar zijn heimat. Het nieuws van de volledige onderwerping van ‘Gallia Belgica’ zorgt in Rome voor de nodige euforie. De raadsheren vaardigen een gebod uit om 20 dagen op rij offergangen te houden ter ere van de goden om hen te bedanken voor deze schone overwinning. Engeland blijft op zijn maag liggen. Hij keert terug naar Gallië en stelt vast dat zijn mannen 600 schepen in gereedheid hebben gebracht. Een vloot om ‘u’ tegen te zeggen. ‘Hy beval alsdan dat men de vaertuygen van alom zoude brengen tot eene zekere haven, in dien tyd Iccius Portus genoemd, welke plaets naermaels van de zee overstroomd is, gelyk de oude schippers getuygen, zeggende dat zy liggen zoude omtrent Sluys en Duynkerke.’

Gedetailleerde informatie vanuit de 16de eeuw krijgen we, want de ligging van Portus Iccius heeft al voor veel controverse gezorgd tussen de betweters van zo veel havens die claimen dat zij ooit de bakermat geweest zijn van de illustere Romeinse ontscheping naar Engeland. De D-day van Caesar. Ik lees gebiologeerd verder. ‘Zy wordt van de gene die de plaets kennen de Ide genoemd; welk woord eenige overeenkomst schynt te hebben met haeren ouden naem. Deze haeve (haven) is tegenwoordig zeewaerds in vier mylen van den oever gelegen.

Eenige meynen dat het Calis is, andere Bolonien of Boenen, zommige Mardyk; maer de oude boeken bewyzen het anders. De gemelde haeve was omtrent dertig italiaensche mylen van de uyterste paelen van Engeland gelegen.’ 45 km dus scheiden Engeland van een haven in de Westhoek die Ide genoemd wordt. Ik denk spontaan aan Nieuwpoort en het verdwenen Nieuwerijde. Wat dan ook; Caesar dwingt me bij de les te blijven. Vanuit het mythische Portus Iccius ontschepen drie legioenen soldaten, 600 schepen, 2000 paarden onder leiding van Titus Labienus.

Met Engeland als doelwit en bestemming. Caesar zelf moet voor hij zelf kan ontschepen nog eerst tussenkomen in Trier. En op het moment dat hij uiteindelijk toch in de haven van Ide arriveert, staat er een zodanig sterke westenwind dat hij 25 dagen moet wachten om aan de oversteek te beginnen. We slaan de overzeese campagne van de Romeinen over en komen terug in de geschiedenis: ‘Julius over de Engelsche gezegepraeld hebbende kwam weder in Vlaenderen, en daegde de voornaemste van Gallia Belgica om tot Cameryk te keren, alwaer hy eene groote ryksvergaedering hield.’ De voorbije zomer is het erg heet geweest en dat heeft voor een mislukte oogst gezorgd. Dat noodzaakt Caesar om zijn legioenen op verschillende plaatsen te laten overwinteren. Zo goed als alle steden krijgen een regiment te huisvesten. Julius zelf blijft in Camerijk (nu Cambrai).

‘Induciomarus, heer van Trier, ziende dat Cesar zyne legioenen aldus verspreyd had, maekte eene zaemenzweêring met Amboïorix en Catinulcus, heeren der Eburonen, gelegen tusschen de Maes en den Rhyn. (Luik, Limburg). Zy wilden de romeynsche krygsbenden overvallen, daer Sabinus en Cotta kapiteynen van waeren. Zy ondernaemen zulks, en sloegen die allegaeder dood op de plaets daer nu de stad Ludik staet.’ De onrust over de Maas nestelt zich binnen de kortste tijd ook bij ons.

‘Hier naer verzogten Induciomarus, Amboïorix en Catinulcus, die van Trier en nog veel ander volk om met hun tegen de Romeynen aen te spannen. Amboïorix reysde haestelyk nae Nervien, alwaer hy, met die van Ludik, Braband en Vlaenderen, de welke alle met hem vielen en het leger van den romeynschen kapiteyn Cicero omringelden.’ Ambiorix jut zijn manschappen op als geen ander. Het moet gedaan zijn met die slavernij van de Romeinen. De dwingelandij van Caesar moet gewroken worden. Sabinus en Cotta zijn er al aan voor de moeite en nu komt Cicero aan de beurt.

De hulp stroomt toe. Manschappen uit Harelbeke, Rupelmonde met volk uit de landen van Waas en Aalst. De machtspositie van Ambiorix zorgt er voor dat Cicero en zijn troepen zich moeten ingraven om zich te verdedigen tegen de Belgische stammen. ‘De Romeynen delfden rond hunne legerplaets, ter uytgestrektheyd van eene myle in den omtrek, eenen wal van 15 voeten wyd, en worpen eenen dyk op van 10 voeten hoog. Op dezen dyk en wal bouwden zy in korten tyd 120 hooge torens om uyt te vegten, zo dat deze legerplaets eene stad scheen te wezen.’

De Belgische overmacht is groot. Zeven dagen op rij beuken ze in op de Romeinen. Er wordt in ploegen gevochten, terwijl de enen rusten, vechten de anderen. ‘Cicero zoude daer met al zyn volk verslaegen geworden zyn, indien Julius niet haestelyk Marcus Crassus met zyne legioenen ter hulp gezonden had.’ Caesar komt trouwens ook in allerijl te hulp en van zodra de Belgen op de hoogte gebracht worden van zijn komst, maken ze een einde aan het beleg. Er moet iets verkeerd geweest zijn aan de strategie van Ambiorix en de zijnen want voor ze het goed en wel in de gaten hebben zitten ze als ratten in de val: ‘Caesar overviel hun haestelyk van den eenen kant, en de belegerde van den anderen: aldus omringelden zy deze Gallen en Belgen, en versloegen er meer dan 60.000.’

Ambiorix is kunnen ontkomen aan de slachting. De veldslag kan beschouwd worden als een mislukte schermutseling. De echte oorlog moet nog komen. ‘Die van Trier maekten een verbond met Amboïorix, den welke met hem had alle de verdrevene Vlamingen, Brabanders, Luyckenaers, Gulikers, Geldersche en Hollanders, benevens alle de landen op dezen kant van den Rhyn gelegen.’ Caesar moet het onderste uit de kan halen om dergelijke concentratie van volk te verijdelen. Ook de Menapiërs en zijn van plan om zich aan te sluiten bij de legers van Ambiorix. Caesar stuurt een aantal legioenen ruiters naar Menapië om orde op zaken te stellen.

‘De inwoonders, zyne aenkomste vernemende, begaven zig, met hunne vrouwen, kinderen en goederen, nae de bosschagien, eylanden en moerassen, in welke plaetsen zy hun betrouwden. Cesar dit ziende, deelde zyn leger in dry benden, van de welke hy eene by hem hield, en de andere twee, onder de bevelen van Caïus Fabius en Marcus Crassus, tegen de Menapiers zond.

Deze kapiteynen lieten eenige ponten en bruggen maeken, want zy konden anders by deze volkeren niet geraeken: aldus liepen zy geheel het land af, verbrandende, roovende en vangende alles wat hun te vooren kwam.’ De Menapiërs capituleren. ‘Hier door hebben die van Menapien hun aen de Romeynen moeten onderwerpen, pandmannen aen Julius leveren, en beloven dat zy Amboïorix geene hulp meer zouden geven, nog hem in hun land ontfangen, op straffe dat hy hun voor zyne vyanden zoude houden.’

Zo gaat er weer een vol jaar van wederzijds geweld voorbij. Germanen, Belgen en Romeinen kijken elkaar meermaals in de ogen daar rond de Rijn en ‘wanneer het koorn lang begon te worden en het gras wel groeyde, maekte Julius hem gereed om Amboïorix te gaen bestryden.’ Maar die lijkt ongrijpbaar. Het land van de Eburonen ondergaat een verschrikkelijke verwoesting die dan nog eens vergezeld wordt van sterke slagregens die de grond bederven en beschadigen en de voedselvoorziening om zeep helpen. ‘Maer wat de Romeynen ook deden, zy konden Amboïorix niet krygen.’ Onze Ambiorix slaat met een viertal ruiters op de vlucht en lost in het niets op ergens aan de overkant van de Rijn.

De kronieken van Marcus van Vaernewyck beschrijven uitgebreid hoe Caesar de volgende jaren steeds meer grip krijgt op Gallië. De ene oorlog volgt de andere. Veldslag na veldslag. Vooral op Frans grondgebied. Confrontaties met stamhoofden zoals Vercingetorix, Viridomarcus, Exoredorigus en Vergasillanus die samenspannen met alle Gallische vorsten, waardoor 30.000 mannen uit de Westhoek deel gaan uitmaken van een reusachtig leger van 240.000 strijdbare mannen ‘voetgangers’. De schrijver heeft het over de slag van Alesia in -52.

‘Daer wierd voor deze stad eenen grooten slag geslaegen, in den welken beyde de partyen veel volk verloozen; maer de Romeynen kreegen eyndelyk de overhand en namen de plaets in.’ De vrede daalt neer over Gallië. We zijn op een plek gekomen waar onze geschiedenisboeken zich stilaan beginnen te openen voor ons verleden. Precies die plaats betekent voor de Gentse geschiedschrijver Marcus van Vaernewyck een eindpunt in zijn ‘Historie van Belgis’. Hij gaat nog dieper in op de verwezenlijkingen van Caesar. De gebeurtenissen in Rome en de samenzwering die hem uiteindelijk het leven kosten en over de verbranding van zijn lijk op ‘het veld van Mars’. De heidense gebruiken zullen nog wel enkele eeuwen aanhouden, maar goed; we kunnen eindelijk beginnen aan onze ‘vaderlandse geschiedenis’.