Het hongerjaar 1566

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     531 Views     Leave your thoughts  

Algemeen belang ging toen ook al voor eigenbelang, namelijk het algemeen belang der ondernemers voor het eigenbelang der uitgemergelde vrouwen. Hoe zwakker het slachtoffer, des te heviger wordt het uitgebuit – daarvan levert het te werk stellen van kleine kinderen een bewijs. Historicus Guicciardini leerde ons reeds, dat zelfs vier- en vijfjarigen ‘op eerzame wijze’ met spinnen en spoelen hun brood moesten verdienen. In de sajetindustrie van Valenciennes en Hondschoote ziet men kinderen van zeven jaar aan het werk, een goedgesitueerde drapenier laat zijn eigen kleinkind van acht jaar de zware balen laken naar de verver sjouwen, ‘om er bijtijds aan te wennen’.

Als de fabrikant zo al met zijn eigen vlees en bloed omsprong, hoe zullen vreemd vlees en bloed er dan wel niet aan toe zijn geweest. Ook in de tapijtweverij van Oudenaerde bloeide de kinderarbeid; een ambtelijk rapport van 1539 kenschetst de 12 a 14.000 arbeidskrachten uitdrukkelijk als ‘mannen, vrouwen en kinderen’. Het “beloofde land op aarde’ ontpopt zich als de hel der kleine kinderen.

Bijna elke sociale misstand van de moderne tijd treffen wij reeds in geprononceerde vorm in de 16e eeuw aan. De snelle groei van de industrie- en handelscentra leidde daar allerwegen tot woningnood en dientengevolge tot huurwoeker.

Hondschoote telde in 1557: 1430 huizen-op een bevolking van 18 à 20.000 zielen. Jonggezellen trokken bij gezinnen in, wij treffen zelfs veertien commensaals bij een vrouw aan. De spinsters woonden in hutten van vastgestampte klei met een strodak daarboven – Afrikaanse negerhutten in ons noordelijke klimaat! Ja, het komt voor, dat de weversknechts op het pas gereed gekomen sajet slapen.

In het nabijgelegen Neuf-Eglise (Nieuwkerke) arresteert de procureur-général op 16 April 1562 drie ketterse vrouwen, die samen in een bed slapen. Onder de textielarbeidsters zal dat niet zeldzaam zijn geweest. Duidelijke bewijzen van huurwoeker levert een bezwaarschrift, door Amsterdamse burgers in 1564 bij de magistraat ingediend. Daarin wordt het stadsbestuur er van beschuldigd, dat het zich reusachtig heeft verrijkt aan de stijgende grondprijzen ten gevolge van de snelle groei van de stad. De heren hadden namelijk huizen, die in de jaren veertig 80, 96, 35 gulden huur hadden opgebracht, langs de weg der onteigening aan hun eigenaars ontnomen om ze in 1564 voor 220, 200, 60 gulden, dus voor het dubbele en driedubbele te verhuren.

Voor Hondschoote berekent men een jaarlijks geboortecijfer van 60 per 1000 (het tegenwoordig Vlaams gemiddelde is anno 2015 maar 10 per 1000!!). Hoe groot de zuigelingensterfte was, kunnen wij slechts gissen; dat er zeer veel kinderen te vondeling werden gelegd, blijkt uit de omstandigheid, dat de magistraat van Hondschoote zich genoodzaakt zag, een geldelijke beloning uit te loven voor wie de ouders der vondelingen kon aanwijzen.

Het dicht op elkaar wonen van mannelijke en vrouwelijke textielarbeiders was een der voornaamste oorzaken voor dc reeds vermelde promiscuïteit. Dat dicht opeen wonen maakte in de steden behalve de grond ook de levensmiddelen duurder, waar vooral het slechte en dure transport van die tijd het zijne toe bijdroeg. Dc industriecentra kenmerkten zich allerwegen door hogere levensmiddelenprijzen.

In 1563 beklagen de troepen, die in verband met de eerste ketterse opstandigheid uit hun kleine grensvestingen naar Valenciennes zijn gecommandeerd, er zich over, dat zij op de dure stadskeien niet uit kunnen komen met hun soldij, die overigens hoger was dan het loon van de textielarbeiders. De laatsten plachten dan ook, voor zover zij van buiten te Valencienncs kwamen werken, de zondag te benutten om in hun dorp proviand voor de rest van dc week te halen.

Naast het gewone leed van het proletariaat schaarde zich de periodiek terugkerende nood: oorlog, hongersnood en pest. Onder de naam ‘pest’ vatte men toen verschillende epidemieën samen, ze waren het bijna regelmatige gevolg van dc hongersnood, zodra de lichamelijke weerstandskracht van de bevolking door ondervoeding was verzwakt. En nog een plaag was de herhaaldelijk voorkomende werkloosheid ten gevolge van belemmeringen bij de grond stoffentoevoer, stagnatie van de afzet of langdurige winterkoude.

Geen wonder, dat een gedeelte van het prolelariaat tot lompen-proletariaat degradeerde. Rondom Hondschoote sloten de slechtst betaalde arbeiders zich aaneen tot formele roversbenden, die wij misschien reeds mogen beschouwen als de kiem van de plunderende troepen beeldenstormers van 1566 en van de een bloedige terreur uitoefenende bosgeuzen van 1567-1568.

Wie dat een stuitende hypothese vindt, moge bedenken, dat roverij en beeldenstorm elkaar tot op heden goed hebben verdragen. Ten slotte kan men van de arbeiders van Hondschoote niet verwachten, dat zij met het zedelijke voorbeeld van een Michiel Godscalc voor ogen, engelen waren; en als men de geschiedschrijvers mogen geloven, waren het bij de beeldenstorm de kleine aan lager wal geraakte drapeniers, die mei de arbeiders op plundering uittrokken.

Zonder kennis van de begeleidende sociale omstandigheden kan men de grote opstand nu eenmaal niet goed begrijpen, doch zal men steeds in de fout vervallen, dat men of met de katholieke schrijvers de ruwe horden uit het diepste van zijn ziel vervloekt, of met de protestantse schrijvers de excessen wegretoucheert. Wij echter beschuldigen noch verdedigen -wij verklaren.

Niettegenstaande alle mogelijke afschrikwekkende straffen, geselen, afsnijden van oren, afhakken van vingers, namen de bedelarij en het zwerven gestadig toe. Een rapport van 1577 bewijst, hoe weinig uitwerking de plakkaten van de regering hadden. Geen wonder, want de oorzaak van bedelarij en en massapauperisme, de industrialisering van het land, stond nog in volle fleur.

Datzelfde pauperisme werd verergerd door de verwoestende oorlogen, die steden en dorpen in de as legden en de bewoners als bedelaars de straat opdreven. Na elke vrede echter werd het leger der vagebonden door dat der afgedankte soldaten vergroot.

De lichamelijk nog niet al te sterk gedegenereerde proletariër had in tijd van oorlog de mogelijkheid, zich in plaats van zich door de industrie te laten uitbuiten, als kanonnenvlees te verhuren; echter werd daarbij aan bewoners van landelijke streken de voorkeur gegeven.

Was de oorlog voorbij, dan werden de legers – zonder dat men zich verder om de soldaten bekommerde – afgedankt. ‘De soldaat, die eens de wapens heeft gedragen, keert zelden naar de ploeg terug’ leer ik van een zekere schijver Payen. Deze afgedankte soldaten trokken ‘gaardend’ door het land. bedelend en rovend. Zo werd tevens de massa doortrokken met elementen, die geoefend waren in de wapenhandel, hetgeen bij opstanden van belang mocht heten, gelijk reeds tegen het eind van 1566 zou blijken.

En wat bleef er voor een massa, die noch over politieke rechten noch over economische strijdmiddelen beschikte, anders over dan overal waar zij daartoe een mogelijkheid zag, tot oproer over te gaan, zulks in de vage hoop, dat ook haar door een algemene omwenteling der dingen een beter lot ten deel zou vallen?

….

Geschiedenis zoals ze veel te weinig neergeschreven staat…..

Uit ‘Het hongerjaar 1566’ van Erich Kuttner, geschreven in 1949 en vertaald door Johan Winkler…