Het huwelijk van Maximiliaan

Maria van Bourgondië is negentien wanneer haar vader Karel de Stoute sneuvelt in de buurt van Nancy. Meteen staat ze alleen aan het hoofd van Vlaanderen. Gaandeweg slaat de haatstemming bij het volk tegenover het Bourgondische stamhuis over in een gemeende sympathie voor de jonge hertogin. Haar huwelijk met Maximiliaan zorgt voor hét society-gebeuren van 1477.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Ik ben Maximiliaan van Oostenrijk en zijn echtgenote Maria van Bourgondië een eerste keer tegen het lijf gelopen tijdens mijn verslag over de dagboeken van Jan van Dadizele. Vooral de Westhoek wordt de pineut van de zwakte van de gravin na de dood van haar vader Karel de Stoute. Oorlog, geweld, verkrachtingen en roof betekenen weer al eens de typische ingrediënten van een Frankrijk dat aanspraak maakt op een gebied dat ze ‘hun’ Vlaanderen noemen.

Jan van Dadizele heeft al een en ander losgelaten van de gebeurtenissen rond 1480. Ik wil echter meer details kennen en ga verwoed op zoek naar andere boeken die een nieuw licht werpen op de levensomstandigheden van die periode. Mijn onderzoek leidt me naar een werk met de titel ‘De Oorlogen van Maximiliaan van Oostenrijk in het Westland’. De titel weet ik dus al, maar het boek zelf blijft onvindbaar. Google Books brengt me wel een aardig alternatief: een historische samenvatting die een Utrechtse student heeft geschreven in het jaar 1867.

‘Het Huwelijk van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Burgundië in 1477 en de feesten bij die gelegenheid gevierd’ charmeert me onmiddellijk. De oorlog in de Westhoek kan hopelijk even wachten. Ik overloop de bronvermelding van het boek. Nicolas Despars is mij goed bekend en dan is er nog de ‘Excellente Cronike’ van een zekere F.R. uit Antwerpen. En nog veel meer. De Utrechtse schrijver ondertekent zijn inleiding met de naam A.J. Royaards in mei van 67.

Een van zijn ambities is onder andere enkele bladzijden te wijden aan de wijze van feestvieren in het Vlaanderen van de 15de eeuw. Zijn boek betekent een welgekomen en verfrissend geschenk voor mijn eigenste kronieken. Royaards verhuist in zijn eerste hoofdstuk naar de 5de januari van het jaar 1477. ‘Deze dag staat in de annalen der geschiedenis aangeteekend als een dag van bloedstorting en moord, van jammer en ellende voor sommigen, van blijdschap en opgewondenheid voor anderen.’ Ik spits oren en ogen en nu lees ik het.

Ik bevind me in het hertogdom Lotharingen. Niet ver van Nancy. Aan de linkeroever van de rivier de Meurthe waar twee legers een slag met elkaar zullen uitvechten. Het leger van Karel de Stoute, aangevoerd door de prins zelf samen met zijn opperbaljuw Joost van Lalaing en Giocomo Galeotto, neemt het op tegen troepen uit Zwitserland en Lotharingen die onder het bevel van René van Vaudemont staan. Opzet van de strijd: een Bourgondisch rijk dat zich finaal kan uitstrekken tussen de Noordzee en de Middellandse zee. Een ordinaire oorlog om grondgebied. Niet meer en niet minder.

Het wintert volop. De strijd vangt aan in volle heftigheid. Op witbesneeuwde velden. Het water is bevroren. Karel de Stoute lijkt het pleit te zullen beslechten, maar hij laat zich verrassen door Zwitserse hulpbenden en door de inwoners van Nancy zelf. Onze prins mag kwaad en koleriek zijn zoveel hij wil maar zijn Bourgondisch leger ligt er verspreid en verslagen bij. Van Karel de Stoute is er na de debacle voorlopig geen spoor. ‘Wat is er van hem geworden?’ vragen vriend en vijand zich af. Er wordt een zoektocht georganiseerd om zekerheid te krijgen over het lot van de Bourgondische hertog.

De berichten die binnenkomen zijn onzeker en spreken elkaar tegen. Sommigen beweren dat hij op de vlucht is geslagen naar Luxemburg en zich daar in een of ander kasteel schuil houdt. Anderen vertellen dat Karel zich in een hut bevindt waar hij verpleegd wordt door een dienaar die hem gewond van het slagveld heeft weggedragen. En dan is er nog het gerucht dat hij zich aan de andere kant van de Rijn bevindt, in het bijzijn van een Duitse vorst die hem hier naartoe heeft gebracht. Er is een constante in de geruchtenmolen: de prins leeft nog en zal dat binnenkort op een vreselijke manier bewijzen.

Karel van Bourgondië is er de man niet naar om zich ongestraft te laten bespotten. Zijn onderdanen die al zo veel gebeefd en gesidderd hebben voor hem, kunnen zich nu eenmaal niet voorstellen dat hij werkelijk gestorven is. Ik krijg hier een eerste indicatie van het kwalijke karakter van de relatief jonge, 44-jarige graaf van Vlaanderen.

Toch is hij dood. Campo Basso, een jeugdige page van René van Vaudemont, komt met de bewering dat de hertog gesneuveld is. Uiteindelijk wordt zijn lichaam gedetecteerd. Naakt en vastgevroren in het ijs, half verslonden door wolven en ander roofgedierte. Er kan voortaan niet meer getwijfeld worden aan de dood van Karel de Stoute. De eerloze en sinistere dood van de ooit zo machtige vorst betekent een triest einde van zijn bestaan, maar de toestand van de gewesten die hij achterlaat voor zijn jeugdige dochter is zowaar nog triestiger, schrijven ze in 1867.

Maria van Bourgondië is nog niet eens twintig jaar bij de onverwachte dood van haar vader. Ze is geboren de 14de februari van 1457 als dochter van Isabella van Bourbon, de tweede echtgenote van Karel. Het meisje is totaal niet voorbereid om nu het bewind te voeren over een land dat met oorlog bedreigd wordt terwijl het van binnenuit door opstanden en rebellie bedreigd wordt. Haar leger ligt er na een reeks nederlagen chaotisch verspreid en vernield bij. De schatkist is na de reeks van oorlogen zo goed als uitgeput.

De Franse koning wil natuurlijk garen spinnen bij de onverwachte dood van zijn gehate rivaal. Lodewijk de 11de wacht nu op het geschikte moment om het rijk van een van zijn lastigste vazallen terug onder te brengen onder de Franse kroon. En op de inwoners van de Nederduitse gewesten moet Maria ook nog niet te veel rekenen. Het kwijtspelen van zoveel privileges de voorbije jaren zorgt er voor dat de Vlaming verbolgen is op de Bourgondische kliek, die honderdvijftig jaar geleden nog braafjes als ‘het stamhuis’ wordt omschreven.

Maria weet voorlopig nog niet dat haar vader gesneuveld is. Ze verblijft in Gent, waar ze in spanning wacht op verder nieuws over de Bourgondische legers. Als de heer Hugonet, de rechterhand van haar vader, haar vertelt dat er nogal wat edel volk gesneuveld is tijdens de veldslag, laat hij nog even na om haar te vertellen dat ook haar eigen vader er het loodje heeft bij neergelegd.

Hoe kan hij in hemelsnaam de lugubere details van zijn dood uit de doeken doen bij deze freule? Zeg nu zelf: hoe kan je nu vertellen aan iemand dat zijn of haar vader half opgegeten is door de wolven? Hugonet laat de opdracht over aan mevrouw van Halewijn, de kamervrouw van de hertogin. Uit haar mond verneemt ze dan toch het vreselijke nieuws.

In Vlaanderen staan de reacties op de dood van Karel diametraal tegenover de droefheid van Maria van Bourgondië. Het volk voelt zich verlost en bevrijd dat de rotzak er niet meer is. De vernietiging van zoveel voorrechten, de zware oorlogskosten die zij moesten ophoesten, het zo vaak hovaardig en hautain gedrag van deze vorst heeft een diepe walging veroorzaakt bij de mensen. Een bitterheid die wel altijd netjes verborgen bleef uit angst voor represailles. Maar nu de schurk gesneuveld is, komt die intense haat massaal opborrelen en zich in ‘al zijn uitgebreidheid tonen’, zoals ze schrijven in de 19de eeuw.

De afkeer van die prins zit zo diep dat de mensen zelfs morren over de kosten van de zielsmissen voor diens nagedachtenis. Er heerst nog een ander gevoelen bij de burgers en bij de elite van Vlaanderen. Het land ligt er verward en uitgeput bij. De mensen kennen de plannen van de sluwe Franse koning maar al te goed. Er moet dringend ingegrepen worden om een invasie vanuit het zuiden te beletten. De Staten-Generaal belegt een spoedvergadering in Gent en Maria besluit om zich door een adviesraad te laten begeleiden.

Die raad bestaat uit haar stiefmoeder Margaretha van York, de derde echtgenote van Karel, en de heren van Ravestein, van Imbercourt. En onze meneer Hugonet. Ondertussen zijn in inwoners van Gent er van overtuigd dat ze een prima gelegenheid krijgen om hun kwijtgespeelde privileges terug te winnen. In plaats van de crapuleuze Karel, die ze allemaal erg hebben gevreesd, krijgen ze nu een jeugdige en zwakke vorstin. De idee alleen al zorgt er voor dat de stemming in het Gentse uitgelaten is.

De opwinding is voelbaar op de Vrijdagmarkt waar de leiders van de vele ambachten met elkaar en met de ambachtslieden overleg plegen. Ik hoor de hevigste vervloekingen tegen de overleden hertog en meteen ook een reeks van vreselijke bedreigingen aan het adres van Maria van Bourgondië. De gewapende en onstuimige ambachtslieden en neringdoeners eisen hier en nu het herstel van alle voorrechten die ze sinds de tijd van Filips de Stoute, de overgrootvader van deze gesneuvelde nietsnut, hebben moeten afgeven.

Auteur Royaards besluit om even terug te keren in de tijd om zo een beter begrip te krijgen op de achtergrond van het stamhuis van Bourgondië. In 1032 krijgt Robert het hertogdom Bourgondië in leen van zijn broer die koning is van Frankrijk. Als de mannelijke opvolgingslijn van die Robert in 1361 uitsterft, komt het hertogdom in handen van Jan II van Frankrijk die het op zijn beurt in leen geeft aan zijn zoon, de ons goed bekende Filips de Stoute. Na zijn huwelijk met Margaretha van Male en de dood van haar vader Lodewijk, de laatste prins van de Dampierres, vallen Vlaanderen en Bourgondië nu onder één centraal bestuur.

Van een samenhangend geheel is er geen sprake. De grote haat van de Vlamingen tegen alles wat Frans of Fransgezind is, blijkt daarvoor een te grote struikelblok. Het nationaal gevoel vertaalt zich perfect in de term ‘wat walsch is valsch is’. Vooral in Gent weigeren de mensen zich te binden aan Filips de Stoute, die vreemde Bourgondische prins. Deze haat zorgt voor een oorlog die twee jaar aansleept en door het toedoen van de adel en van een aantal vreemde kooplieden uiteindelijk beëindigd wordt met de vrede van Doornik.

Die vrede zou trouwens nooit mogelijk geweest zijn mocht Margaretha van Male niet tot het uiterste gegaan zijn om haar man letterlijk te smeken om gratie te verlenen aan de mensen van Gent. De vrede in Doornik van 1385 zorgt voor een onderwerping van die van Gent in ruil voor een algemene amnestie en de teruggave van al hun privileges.

Daarna is het opnieuw stilaan naar af gegaan wat betreft die stedelijke rechten. Gent, Brugge, Ieper zien hun rechten op een eigen rechtspraak beetje bij beetje afbrokkelen tijdens de legislaturen van Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede en Karel de Stoute. Nu die laatste goed en wel gecrepeerd is, willen de Gentenaars als eersten een volledige terugkeer naar de overeenkomst van 1385. Hun dreigende houding zorgt er voor dat dochter Maria al plooit op de 11de februari. De Vlaamse Staten-Generaal met tweeëntwintig volwaardige leden krijgt nu volop zeggenschap over Vlaanderen en zonder de goedkeuring van deze raad zal er geen oorlog meer worden gevoerd. Het volk wordt niet langer verplicht om buiten zijn grenzen oorlog te gaan voeren en de rechterlijke postjes staan niet langer te koop aan de hoogstbiedende klootzakken.

Alles wat haar vader vernield heeft, wordt nu door Maria van Bourgondië in ere hersteld. Met de aanstelling van de nieuwe magistraten in Gent wordt de binnenlandse rust voorlopig hersteld. De buitenlandse aangelegenheden van Vlaanderen zijn ondertussen andere koek. De Fransman Lodewijk de 11de geeft het bevel om Bourgondië binnen te vallen en rukt meteen ook het Vlaamse Picardië en Artesië binnen. Aan het hoofd van zijn leger zien we Filip van Komen, de gewezen vertrouweling van Karel de Stoute die een tijd geleden de kant van de Fransen heeft verkozen. ‘Nee nee.’ De koning heeft helemaal niet de intentie van Vlaanderen en Bourgondië te veroveren. Zegt hij. Hij wil de gebieden alleen in goede bewaring nemen zo dat een of andere Duitse vorst die niet kan ontfutselen van zijn lieve nicht Maria.

Lodewijk slaagt er relatief gemakkelijk in om de Bourgondische adel te doen aansluiten bij het Franse parlement en het gebied dus feitelijk te annexeren bij Frankrijk. In Artesië en Picardië verloopt het wat moeilijker, maar een persoonlijke tussenkomst van de Franse koning zorgt er voor dat de ene stad na de andere haar poorten opent. Ook hier zorgt de aversie tegen alles wat Bourgondisch is voor een ommezwaai in de geesten.

Ook in Henegouwen loopt een vijandelijk leger rond waardoor ook dit gewest dreigt weg te vallen voor Maria van Bourgondië. De Staten-Generaal te Gent wil paal en perk stellen aan de invallen van de Fransen en engageert zich om al het nodige in het werk te stellen om het Vlaamse grondgebied ongeschonden te bewaren. Er volgen onderhandelingen in Péronne. De Vlaamse onderhandelaars tonen zich bereid afstand te doen van de Bourgondische gebieden en willen terugkeren naar het systeem van de Dampierres, waarbij Vlaanderen weer dat traditioneel onafhankelijk leengebied wordt van Frankrijk dat uiteindelijk wel zal luisteren naar het parlement van Parijs als hoogste rechtsorgaan. In ruil moeten alle Franse troepen weg uit Vlaanderen.

Lodewijk wil er niet van weten. Hij wil dat Maria in het huwelijk treedt met zijn zoon, de kroonprins. Enkel op die manier kan Vlaanderen opnieuw stevig aan Frankrijk verbonden worden. De Vlaamse afgevaardigden komen dus onverrichterzake terug uit Péronne. Uiteraard ligt het niet aan hen om het huwelijk van hun hertogin te arrangeren. De enigen die druk kunnen uitoefenen in deze materie zijn de vertrouwelingen van Maria. Zonder instemming van haar geheime raad, met Margaretha van York, Imbercourt, Hugonet en Ravestein, zal de hertogin van geen vin verroeren. Het verraad loert al om de hoek. Imbercourt en Hugonet beramen een plan samen met de bisschop van Terwaan, om Maria van Bourgondië in eigen persoon naar Frankrijk te lokken en boven de hoofden van haar Staten-Generaal heen onderhandelingen te laten voeren met de Franse koning.

Hugonet en Imbercourt stappen met hun plannen en met getekende brieven van Maria van Bourgondië naar de Franse koning. Lodewijk reageert schijnbaar onbewogen. Hij beseft dat beiden een huwelijk met zijn zoon niet ongenegen zijn. Waar zouden ze dan niet volop zijn kant kiezen? Waarom zouden ze de stad Atrecht alvast niet vrijwillig overdragen aan Frankrijk? Zo komt het tot een overeenkomst waarbij de Vlaamse onderhandelaars het Fransgezinde deel van Atrecht, op aanraden van de lokale opperbevelhebber, zonder slag of stoot overgeven aan Lodewijk.

De Vlaamsgezinde inwoners van het andere stadsdeel worden meteen de dupe van de situatie en komen zo terecht in een beleg waarbij de Fransen uiteraard ook de rest van Atrecht met geweld willen innemen. Ons duo komt zo met lege handen naar huis terug. In Vlaanderen heerst een vreselijke verwarring. ‘Een hevige opstand was te Brugge uitgebarsten.’ Het volk wil dat de teksten van alle bestaande privileges in het publiek voorgelezen worden en dat alle verloren voorrechten opnieuw geïnstalleerd worden. Ze hebben natuurlijk gekeken naar Gent. En ook de belastingen die Karel de Stoute nog heeft ingevoerd, moeten afgeschaft worden.

De Brugse burgemeester Jan van Nieuwenhove is niet van plan om toe te geven aan de onruststokers. Hij moet echter noodgedwongen vluchten naar Gent. Zijn vervanger Joost van Halewijn bezwijkt wel onder de druk. Net zoals Maria die het volk zijn zin geeft op alle punten en vier edelen naar de stad stuurt om verder de orde in stand te houden. Met haar spontane toegevingen krijgt Maria van Bourgondië de Vlamingen opgewonden aan haar zijde. Daarmee is de kous met Frankrijk natuurlijk niet af. Er komt een nieuw gezantschap om te gaan praten met Lodewijk de 11de. De 4de maart ontvangt de Franse koning hen in het bezette Atrecht. Hij stelt zich heel erg hoffelijk en charmant op in de hoop om de Vlamingen te sussen.

Die komen opnieuw met het zelfde voorstel dat Vlaanderen als natie bereid is zich te schikken naar het Franse parlement, maar voor de rest onafhankelijk wil blijven. ‘Zijn jullie wel zeker van jullie zaak?’ krijgen de Vlamingen te horen. ‘Wat betekenen die brieven van jullie hertogin dan?’ ‘Weten jullie dan werkelijk niets af van de schikkingen van de geheime raad rond Maria van Bourgondië?’ De Vlaamse delegatieleden reageren ontzet bij het zien van die brieven. ‘Eigenhandig geschreven door Maria, ondertekend door Margaretha van York en de heer van Ravestein. En ter plaatse afgegeven door Hugonet en Imbercourt.

De belofte om Vlaanderen te laten leiden door de Staten-Generaal is schandelijk doorbroken. Ik gebruik de liederlijke taal uit de 19de eeuw om het ongenoegen van de Vlamingen te omschrijven: ‘de invloed van de zoo gehate staatsdienaars Imbercourt en Hugonet had hier de jeugdige vorstin een misstap doen begaan, die schier onvergefelijk was.’ De afgevaardigden komen woedend terug naar Gent waar ze zich reppen tot bij de vorstin die het bestaan van de bewuste brieven blijft ontkennen tot dat die pardoes onder haar ogen worden gelegd.

Ontkennen heeft geen zin meer. Als het voor de buitenwereld bekend raakt wat er aan de hand is, regent het negatieve reacties. De haat tegen de oude krokodillen Hugonet en Imbercourt is intens en hevig. Hoe durfden zij het aan om Atrecht aan de Fransen over te leveren en hun hertogin uit te huwelijken aan de Franse kroonprins?

En er komen nog verhalen bij van vervalste rechtspraak en verraad tegen wijlen Karel de Stoute. De algemene verontwaardiging resulteert in een zelden geziene uitbarsting, een volksopstand die er voor zorgt dat de twee gehate staatsdienaars opgepakt worden. Samen met bisschop de Cluny van Terwaan. Het gerecht in die tijd gaat een pak sneller dan wat we op vandaag gewoon zijn. Hugonet en Imbercourt krijgen de doodstraf en de bisschop komt er na een uitspraak van een kerkelijke rechtbank van af met een gevangenisstraf. Op Witte Donderdag, 3 april van het jaar 1477, volgt de terechtstelling van het tweetal.

Naar verluidt, verschijnt Maria plots tussen de toekijkende menigte. Gekleed in het zwart met loshangende haren smeekt ze vruchteloos om genade voor haar gewezen adviseurs. Niet alleen in Gent heerst er verwarring. De verhouding tussen het vierde lid van Vlaanderen, het Vrije, met Sluis en met de stad Brugge, kan best vergeleken worden als een etterbuil, een zweer die bij het minste ontsteekt en zorgt voor twisten, ruzie en geweld.

Het Vrije had onder de Bourgondische hertogen eindelijk een plaats bemachtigd bij de goede drie steden van Vlaanderen, Brugge, Gent en Ieper. De beslissing van Maria om Brugge zijn vroegere voorrechten terug te schenken, betekent voor het Vrije een terugkeer naar zijn vroegere status en Maria heeft daarom, zonder medeweten van de Bruggelingen, nieuwe privileges moeten uitdokteren om het Vrije alsnog weer op het niveau van de drie te plaatsen.

Het bobbelt van onrust en van de ongemakken in Brugge. De komst van Maria van Bourgondië is broodnodig om de kalmte enigszins te herstellen. Haar toegevingen i.v.m. met het herstel van de vroegere privileges zijn nog niet geofficialiseerd en dat dient dringend te gebeuren om de rust te herstellen. Zelf zit ze zo goed als gevangen in Gent en de uitnodiging van enkele Brugse gezanten om naar Brugge af te komen, zal waarschijnlijk een aangename verrassing zijn. Terwijl Maria zich in de morgen van de 6de april klaar maakt om naar de bekrachtigingceremonie in de Sint-Donaaskerk te vertrekken, vernemen de Bruggelingen het nieuws dat de hertogin achter hun rug om het Vrije toegelaten heeft als vierde lid van Vlaanderen.

‘Er barst ogenblikkelijk een nieuwe opstand uit’, lees ik. Zijn dat dan 10 mensen of 1000, vraag ik me af, of is het nog erger? Ik heb er geen idee van. Het zal er wel redelijk hard aan toegaan, want enkele Brugse magistraten hebben boter op het hoofd bij de deal tussen de hertogin en die van het Vrije. Ze worden brutaal opgepikt en terechtgesteld. Wat een tijden beleven de mensen toch hier in deze middeleeuwen. Na een plechtige belofte van Maria van Bourgondië om het 4de lid van Vlaanderen definitief te schrappen, keert de rust terug in Brugge. Enkele dagen later legt ze de eed af en worden de rechten van de diverse ambachten nu de officiële wet in de stad.

Een onverwachte wending in de internationale politiek zorgt voor een flinke meevaller voor Maria van Bourgondië. Er komt ruzie tussen het huis van Oranje en Lodewijk de 11de. De jeugdige prins van Oranje had de zijde van Frankrijk gekozen en zo hadden ze samen in géén tijd deze gebieden veroverd. De Hollandse prins bezit nogal wat invloed in Bourgondië en hoopt die nu verder uit te breiden. Het gouverneurschap is het minste van zijn verwachtingen maar Lodewijk kiest een onvervalste Fransman voor die functie.

En er bestaan nog andere redenen om zich teleurgesteld te voelen, redenen die me te ver weg zullen leiden. Enfin, het komt er op neer dat Oranje zweert zich te zullen wreken op Lodewijk en dus pardoes weer de kant kiest van Maria van Bourgondië. Deze kampwisseling zorgt er voor dat de gebieden van Franche-Comté zo goed als helemaal voor de hertog worden terug gewonnen. Lodewijk ziet zich verplicht om het geweer van schouder te veranderen.

In Atrecht ervaart hij meer tegenstand dan verwacht en het plan om zijn zoon te laten trouwen met onze hertogin zal hij moeten aanpassen. De annexatie van Bourgondië aan Frankrijk kan hij eigenlijk uitvoeren los van enig huwelijk. En zo kan hij de plannen om diezelfde zoon te laten trouwen met de dochter van de koning van Engeland nog even intact houden. Ondertussen wil hij bijzonder discreet blijven om de Engelsen niet voor de borst te stoten. Elk aanzoek om de hand van Maria moet in het grootste geheim gebeuren. Hij stuurt enkele gezanten naar Vlaanderen om er te gaan lobbyen bij het Bourgondische hof. Gemakkelijk zal het ongetwijfeld niet zijn, want alle Fransgezinde edelen zijn uit Vlaanderen verbannen.

Lodewijk blijft er stiekem op rekenen dat Maria de Franse kant zal kiezen als ze goed beseft aan welke gevaren ze anders haar Vlaanderen bloot zal stellen. De geheime gezant duikt inderdaad op in Gent. Zijn naam is Olivier de Duivel, geboren in Tielt als Olivier De Neckere, heeft hij het geschopt tot barbier, ‘koninklijke baardscheerder’ van Lodewijk en tot zijn vriend en vertrouweling. De lobbyman is dus Vlaming. De agenda van koning Lodewijk is trouwens niet helemaal duidelijk. Kroonprins Karel is zeven jaar. Eigenlijk nog een eerste communicantje die zich zou moeten verloven met hertogin Maria. In Frankrijk zijn ze de mening toegedaan dat de koning om een of andere drogreden Maria naar Frankrijk wil lokken om haar daar in verzegelde bewaring te houden. De Dampierres hebben het ooit zelf aan den lijve ondervonden wat dit betekent.

Olivier De Neckere stelt zich voor aan de raadsvergadering terwijl die in volle vergadering zit met Maria van Bourgondië. Hij overhandigt haar zijn geloofsbrieven en verzoekt haar om elkaar onder vier ogen te spreken. Waarom vertelt hij er niet bij. De onbeschaamde eis van de Tieltenaar zorgt voor een algemene verontw aardiging bij de raadsleden. Je moet maar durven.

Ze proberen de man verder te interpelleren, maar die lost niets over de reden van zijn komst. De gebeurtenis raakt later bekend bij het volk van Gent en noodzaakt hem om haastig op de vlucht te slaan richting Doornik. Hoe dapper de Vlaamse inwoners van Atrecht zich ook verweren tegen de verovering van hun stad, toch moeten ze in mei het onderspit delven. En ook het Doornikse arriveert in Franse handen.

Opnieuw valt de naam van onze Olivier de Duivel. De mensen in Vlaanderen lijken nu pas tot het besef te komen dat de oorlog niet meer veraf is. In Brugge en in Gent beginnen de ambachtslieden zich te bewapenen. Dat zal ongetwijfeld ook het geval zijn in de Westhoek en in Ieper. Gelukkig hebben we de memoires van Jan van Dadizele om hier de details te weten te komen. De bewapening gebeurt nu eens niet om opstandige motieven.

De mannen willen zich achter een deskundige legerleider scharen en opstomen naar de grenzen met Frankrijk om de vijand af te stoppen. Van Jan van Dadizele is er geen sprake. De deskundige legerleider waarvan sprake blijkt Adolf, de heer van Gelder te zijn, een lid van de Gentse ambacht van de goudsmeden. Hij zal aan het hoofd staan van de Vlaamse edelen, de burgers en de ambachtslieden. In de loop van de maand mei trekken de Vlaamse troepen naar Menen en van daar naar Doornik die ze willen heroveren op de Fransen. De Vlaamse aanvallen worden keer op keer door de Fransen afgeslagen. In het begin van juni lijkt het er op dat ze deze keer wel succes zullen hebben met hun aanval. Er zijn al een aantal bolwerken in Vlaamse handen gevallen en het lijkt er op dat de Fransen niet meer willen vechten.

Bij de terugkeer van de Vlamingen naar hun legerkampen worden ze in volle hevigheid van achteren aangevallen. Adolf van Gelder probeert de Fransen af te stoppen en verweert zich met man en macht. Ik laat het proza van 1867 even overnemen: ‘Maar helaas! Hoe langer hoe meer wordt hij van zijn leger gescheiden, vruchteloos tracht men hem aan te sporen tot de vlugt. Eerst op een edel strijdros gezeten, daarna, toen dit onder zijn ligchaam was gedood, te voet, strijdt hij schier alleen tegen eene overmagt van vijanden; ten laatste wordt hij doodelijk gewond, biedt nog een’ wanhopigen tegenstand, maar zinkt eindelijk onder het aanheffen van zijn wapenkreet zielloos op het slagveld neder.’

De gevolgen van de dood van hun leider heeft een rampzalige uitwerking op het moreel van de Vlaamse soldaten. De vrees voor de vijand maar vooral de onderlinge tweedracht zorgen voor een implosie van de orde en discipline bij de krijgslieden. Het duurt niet lang vooraleer de Gentenaars in de grootste verwarring terugkeren naar hun thuisstad. De Bruggelingen hebben de grootste averij opgelopen daar aan de muren van Doornik en stappen gehavend terug naar Brugge. De Nederlandse schrijver laat deze zinnen onmiddellijk volgen door het feit dat er snel daarna al een nieuw leger op de been wordt gebracht dat even sterk is als het vorige.

Het zal allemaal wel niet zo eenvoudig verlopen zijn. Hoe dan ook, vertrekt een deel soldaten naar St.-Omer in een poging om de Fransen daar terug te dringen. Zowel in Aire als in Valenciennes kunnen ze de vijand een slag toebrengen. Een ander Vlaams leger richt de focus op Kortrijk en onderneemt verwoede en vergeefse pogingen om Doornik in te nemen. Een hevige ruzie tussen de Gentenaars en de Waalse manschappen van Jan van Luxemburg zorgt voor een nieuwe breuk in het Vlaamse leger.

Hier en daar worden wel lokale zeges geboekt op de Franse vijand maar dit alles kan niet voorkomen dat Lodewijk door list en verraad een aantal locaties kan innemen en dat zijn mannen nu ongegeneerd de meest brutale rooftochten houden doorheen de landstreken van de Westhoek. Tussen deze feiten heen, krijgt de Franse koning lik op stuk voor wat betreft zijn ambitie om Maria te verbinden aan zijn zoon Karel. Er is een andere kaper op de kust gekomen. Al tijdens de maand april was er een Duits gezantschap naar Gent afgezakt om een huwelijk voor te stellen van hun aartshertog Maximiliaan met Maria van Bourgondië.

Blijkbaar moet dat voorstel in goede aarde zijn gevallen bij de nodige mensen, want nu is Maximiliaan onderweg. Weliswaar komt hij nog niet aan het hoofd van een groot leger, maar zijn escorte kan toch wel de voorbode van meerdere divisies betekenen. Niemand die het echt schijnt te weten. Het bondgenootschap tussen Maria en de Duitse keizer wordt verpersoonlijkt door de komst van een jonge krachtige leider. Lodewijk mag zijn ambities om Vlaanderen in te nemen opbergen. De komst van nieuwe Duitse hulptroepen en een opleving van het Vlaamse leger verplichten de Franse koning om een bestand af te sluiten.

De bezette gebieden blijven behouden tot aan het einde van de oorlog, maar de plannen voor een invasie lijken definitief opgeborgen. De komst van Maximiliaan wordt in het woelige Vlaanderen op vreugde onthaald. Wat de mensen nu nodig hebben is een rustig en goed geregeld bestuur zodat groei en welvaart weer op het eerste plan kunnen komen. Op 19 augustus van 1477 staat het huwelijk tussen Maximiliaan en Maria gepland. Onze schrijver verheugt er zich op om de festiviteiten tot in detail te omschrijven. Maximiliaan is niet zomaar uit de lucht komen vallen, leer ik.

Ook vader Karel de Stoute had dit plan gekoesterd, maar zijn besluiteloosheid en wispelturigheid waarbij de hand van Maria werd gebruikt als koopprijs van een gunstig verdrag, hadden deels mee de oorlog veroorzaakt waarbij hij het leven gelaten had. Ook na zijn dood zijn er aan het Bourgondische hof grote meningsverschillen blijven bestaan rond de keuze van de echtgenoot van de hertogin. Een aantal kandidaten is ondertussen de revue gepasseerd, maar de oorlog met Frankrijk doet de Vlaamse bevolking inzien dat een machtig verbond noodzakelijk is om het Franse gevaar af te blokken. De 16de april arriveert een Duitse delegatie in Brugge.

De Duitse keizer Frederik III beseft wat Lodewijk wil bereiken en stuurt Lodewijk van Beieren, samen met de bisschoppen van Metz en Trier en zijn kanselier Jorieu naar Vlaanderen om een tegenvoorstel te doen. Ook Margaretha van York, de stiefmoeder van Maria, is voor het plan gewonnen. Het is vooral dank zij haar aandringen dat het gezelschap door de heren van Gruuthuse en Jan van Dadizele in de stad Brugge verwelkomd worden. Ze worden er te midden van brandende fakkels en met veel vreugde en pracht binnengehaald en naar het hof van Maria van Bourgondië geleid.

De Duitsers worden toegelaten tot de raadsvergadering waar ze met het nodige poeha de vraag stellen of Maria haar hand wil schenken aan de aartshertog van Oostenrijk. Maria deelt hen mee dat het verzoek met de raad besproken zal worden. Van de vroegere tweespalt in de raad rond het onderwerp is weinig overgebleven. Alleen de hertog van Cleef had andere plannen met Maria, maar ook hij durft het niet aan om tegen de geplande verbintenis in te gaan. En zo wordt aan de Duitse gezanten meegedeeld dat het aanbod van de keizer aan Maria zeer welgekomen is. In Vlaanderen is de respons er een van blijdschap. Hier en daar worden vreugdevuren aangestoken en er wordt stevig feest gevierd.

Het officieel antwoord is dus een volmondige ja. Gezant Lodewijk van Beieren moet nu wel een heel speciale opdracht uitvoeren. Hij moet het huwelijk tussen Maximiliaan en Maria alvast bij volmacht afsluiten. Het lijkt me een eigenaardige praktijk, maar blijkbaar doen de Duitsers in die dagen ook al geen half werk. Het volmachthuwelijk staat gepland op 22 april 1477. ‘Na een schitterend feest, dat ook dien dag had plaats gehad, begaf Maria tegen middernacht naar hare slaapvertrekken, begeleid van den hertog van Beijeren, gevolgd door vier boogschutters, van brandende toortsen voorzien.

Maria, in haar bruidstooi gehuld, strekte zich nu uit op een prachtig rustbed en de hertog van Beijeren, aen de eene zijde zijn ligchaams geharnast, leide zich eenige oogenbllikken naast haar neder, terwijl een ontbloot zwaard, dat Beijeren had gedragen, hen van elkander scheidde en de boogschutters steeds wacht hielden aan hunne zijde. Dit was de gebruikelijke wijze, waarop de huwelijken der vorsten bij volmagt werden voltrokken.’ Ik moet wat glimlachen als ik aan dat huwelijkstafereel denk, maar vrij snel zit ik alweer bij de gang van zaken.

Een deel afgevaardigden vertrekt uit Brugge om het echte huwelijkscontract te regelen. Maximiliaan en zijn vader Frederik beseffen dat ze een koopje gedaan hebben en reppen zich zo snel als mogelijk richting Vlaanderen. Eerst staat Frankfurt nog op het programma, maar er staat haast bij, de Franse koning ligt op apegaten. Maximiliaan neemt het zeker voor het onzekere en vertrekt onmiddellijk naar Keulen, waar Franse onderhandelaars nog alles uit de kast halen om het geplande huwelijk tegen te gaan. Lodewijk vangt echter bot in Keulen.

Vooral nu er zich daar nog een ander gezantschap aandient. Een Vlaamse delegatie die in opdracht van Maria op zoek is gegaan naar de aanstaande bruidegom. Ze heten Maximiliaan hartelijk welkom en overhandigen hem grote sommen geld als geschenk van het Bourgondische hof. Blijkbaar moet dat geld onze jongeman uit zijn verlegenheid redden. Wat een aardigheidje van de geschiedenis. Zijn vader, de keizer, is een notoire gierigaard en zo is de aartshertog bijgevolg niet in staat om ‘de hem passende pracht en staatsie ten toon te spreiden’.

De gierigheid heeft veel te maken met de schuldenberg die de Duitse keizer met zich mee torst. Hij heeft blijkbaar zwaar moeten lenen om de hele delegatie op een redelijk treffelijke manier te doen afzakken naar Vlaanderen. Met zijn allen vertrekken ze naar Leuven. Ik krijg beelden binnen van de koninklijke stoet. De delegatie wordt voorafgegaan en gevolgd door een menigte paarden- en voetvolk. Vijf aan vijf.

Maximiliaan steelt de show. ‘In een zilveren harnas, waarover de zwarte bandelier met het kruis van Burgundië in smaakvolle plooijen was geworpen, met een prachtig hoofdsierraad van paarlen en andere edelgesteenten, te midden van de bisschoppen van Mentz en Trier, den hertog van Saxen, den landgraaf van Hessen en zooveel anderen meer, allen in harnassen van edel metaal, met het kruis van St. Andries, toegerust met lansen, van vossestaarten voorzien.’ Op die manier wordt het gezelschap in Leuven onthaald.

Na een nacht gevuld met vreugde en vrolijkheid gaat de triomftocht via Brussel en Dendermonde richting Gent waar ‘renbode’ Geerken van Thienen, de nadering van Maximiliaan halsoverkop komt berichten aan Maria en aan de Gentse bevolking. Alles wordt hier nu in gereedheid gebracht om de intocht op waardige wijze te laten verlopen.

De 18de augustus is het zo ver. De dekens laten onder het geschal van trompetten weten dat wie kan, te paard moet stijgen, om de nieuwe prins te gaan verwelkomen. Ik leer een nieuw woord kennen, dat ik mijn lezers niet mag ontzeggen. De protonotarius blijkt een kardinaal te zijn. Samen met het groot volk, de edelen en de magistratuur schrijdt onze protonotarius naar de poort van St.-Bavo waar Maximiliaan straks zal binnentreden.

De sleutels van de stad worden overhandigd en er volgen toespraken. ‘Op die wijze kwam Maximiliaan des namiddags binnen Gent met eene onuitsprekelijke vreugd en met zooveel eer en pracht, bestaande in verscheidene vertooningen, op de straten en huizen verbeeld, dat hij zelf zeer was verheugd over de wonderlijke eerbewijzen, die hij hier ontmoette.’

‘De huizen, langs welke de stoet trok, waren met festoenen versierd en de straten met tapijten behangen.’ Eindelijk kan hij zijn ijzeren pak afnemen, zijn harnas, en hij trekt nu een ander kleed aan dat blijkbaar stijf staat van het goud. Zo opgekalefaterd kan hij nu eindelijk zijn Mariaatje zien. Hij is achttien en zij twintig als ze elkaar voor de eerste keer in de ogen kijken hier in het Gentse hof Ter Walle.

Het huwelijk volgt kort daarna. Een societygebeuren om van te snoepen. De damesbladen van vandaag zouden geen bladzijden genoeg hebben om de kledij van de bruid, de bruidegom en de aanwezigen te bewieroken. De graaf van Chimay en die van Winchester leiden Maria tot aan de eerste trap van de kapel waar het huwelijk zal voltrokken worden. Maria is gekleed ‘met kostelijk goud wit laken van damast en daarover een langen mantel van dezelfde stof, gevoerd met hermelijn, en zij was omgord met een kostelijken gordel van goud en kostelijke steenen en een gouden beurs was er aan vastgehecht’.

Onze schrijver ziet hier over het hoofd dat hij allengs maar het woord ‘kostelijk’ herhaalt. ‘Zij had om haar hals een kostelijken halsketen, met vele kostelijke steenen versierd, en op haar hoofd eene soort van kroon met kostelijke steenen en paarlen versierd, die als sterren hunne stralen uitschoten.’ Ook nu zouden de kranten de familierelaties tijdens dergelijke ceremonieën tot op het bot uitspitten. In 1867 is het niet anders. De schrijver komt op de proppen met het feit dat mevrouw van Ravenstein de sleep draagt van de mantel van de bruid en dat zij in feite de bastaarddochter is van hertog Filips de Goede. Haar meisjesnaam is Anna van Bourgondië.

Haar echtgenoot, Adolf van Kleef, de heer van Ravenstein, is zelf een kleinzoon van de vermoorde Jan zonder Vrees en is dus in feite een achterneef van Maria van Bourgondië. Met heerlijkheden in Zierikzee, uiteraard Ravenstein, Wijnendale en een pak andere eigendommen waaronder de Molenmeers in Brugge, de Kunstberg in Brussel, behoort dit echtbaar tot de absolute top in Vlaanderen. Ook de paus heeft afgevaardigden gestuurd naar de inzegening van het huwelijk. Er is hoog bezoek uit Portugal.

Daar heeft de afkomst van haar overleden moeder Isabella van Portugal natuurlijk alles mee te maken. Hertog Maximiliaan steekt een alwaar ‘kostelijken’ ring op de voorste vinger van de prinses terwijl hij zijn mannelijke trouw belooft. Blijkbaar is de kous daarmee helemaal niet af. De ring wordt er weer afgeschoven en op een andere vinger geschoven. Ik laat schrijver Royaards even zelf aan het woord: ‘en de ring aan den middelsten vinger stekende, zeide hij: en ik beloof u mijne trouw te onderhouden.

En den ring aan den hartvinger stekende, zeide hij; ik beloof u te onderhouden al hetgeen tusschen mijnen vader en uwen vader en onze landen en provinciën verhandeld en besloten is.’ Maria herhaalt van haar kant wat hij haar beloofd heeft en de tijd is nu aangebroken om de mis te horen binnenin de kapel. Er staan twee rode, met goudlaken bekleedde, zetels opgesteld zowat één meter voor het altaar. Links en rechts ervan zitten jonker Karel van Gelder en jonkvrouw Philippine van Gelder. Beide in het zwart en met een waskaars in de hand.

Ik sla de misviering en de ‘agnus Deï’ over en laat de zegening van het brood en het degusteren van de wijn links liggen. Ik rep me naar buiten en ben precies op tijd om het nieuwe koppel te zien buiten komen in het gezelschap van de bisschoppen van Trier en van Metz. ‘Op dien dag was binnen de stad Gent groote blijdschap en vreugd onder al de prinsen, heeren en edelen van den hertog en de hertogin. De bruiloftsfeesten echter werden uitgesteld en later te Brugge gevierd, gelijk wij hier onder zullen verhalen.’

De Brugse adel, je weet wel; die van de exclusieve tornooien, zijn er als de kippen bij om het nieuwe koppel welkom te heten in hun stad. Op donderdag 28 augustus 1477 is het eindelijk zover. De blijde intocht kan goed vergeleken worden met die in Gent. Dezelfde heren en dezelfde statigheid. Met de hertog in een zilveren harnas op een paard dat tot aan de voeten versierd is met gouden en zilveren bellen. ‘Zeer rijkelijk en triumphelijk om te zien, en het volk had in dit alles groot genoegen.’ De inwoners vergapen zich zonder twijfel aan de decadentie van het gebeuren.

De Kruispoort is behangen met lakens en voorzien van een spandoek met de slagzin ‘Benedictus, qui venit in nomine Domini’. De stoet komt er voorbij op weg naar het Prinsenhof, ‘van de Kruispoort tot aan des heeren hof”. Aan beide zijden van de straat staan de ambachtslieden opgesteld met brandende kaarsen in de handen. De Brugse boogschutters gaan de stoet tegemoet. Een tocht van een kilometer of vijf. Allen te paard, in het rood en zwart gekleed met wit in het midden en gevolgd door een grote menigte van poorters en ambachtslieden die in dezelfde kledij getooid zijn. ‘Zo veel paarden in Brugge!’.

Maximiliaan verwondert zich er over. De baljuw, de schout en de wethouders zorgen voor een minzame verwelkoming. Aan de Oude Molenbrug is een park gecreëerd met de voorstelling van een Romeins tafereel. De Bruggelingen zijn net zo blij met de komst van hun prins als de Romeinen dat in de tijd waren met de intrede van Julius Caesar. In de Hoogstraat hebben de Portugezen, de Florentijnen, de Venetianen en de Oosterlingen gezorgd voor wonderlijk versierde huizen, voorzien van tapijten en toortsen. Ook de Spanjaarden doen hun duit in het zakje met een woning die van de grond tot aan de nok versierd is met brandende kaarsen. Er volgen nog taferelen aan de Blankenberg en aan de oude en de nieuwe Halle die rijkelijk behangen zijn met blauw, wit en rood laken en bezaaid zijn met de wapenschilden van de prins.

De blijde intrede eindigt aan het Prinsenhof met nog een spreuk en een haast keizerlijke verwelkoming. ‘En in dusdaniger maniere en schoonder triumphe passeirde die voorsegde edel prinche, met sijnder edel gheselnede, tot binnen sijnen hove. Nu werd het bruiloftsfeest gehouden, zoo kostelijk als vrolijk, als er nog ooit wel was gezien.’ De volgende dag, vrijdag 29 augustus, trekt Maximiliaan met zijn gevolg stoetsgewijs in een optocht door de stad Brugge. Het valt me op dat hij voortaan de show steelt en dat Maria naar de achtergrond aan het verdwijnen is. De stad is nog altijd rijkelijk versierd en er staat een tribune opgesteld aan het stadhuis.

Karel van Uutkerke, Martyn Lem en veel magistraten zitten er en ze zijn getuigen van de eed die de nieuwe hertog aflegt. Ook zij leggen hun wederzijdse belofte en eed af om hem trouw en onderdanig te blijven. Er kan zelf een presentje af: ‘een zilververgulden drinkbeker’. De ceremonie wordt gevolgd door een prachtig gastmaal in het paleis. De festiviteiten worden verder gezet tijdens het weekend. Met op zaterdag een steekspel en op zondag de inwijding van het klooster van de Collettezusters, in de volksmond Sinaï genoemd.

De plechtigheid wordt geleid door de bisschop van Doornik en het is notabene Maria die de eerste zusters die de eerste zusters in hun klooster begeleidt. Het valt de schrijver op dat ze wel iets van feesten kennen aan het Bourgondische hof. In een volgend hoofdstuk wil hij dieper ingaan op de pracht en de praal en de haast ongekende weelde die de Vlaamse vorsten uitstralen in de tweede helft van de 15de eeuw. De familie van de opeenvolgende hertogen moet wulps rijk zijn.

Royaards gaat op zoek naar details en vindt die negen jaar verder terug in de tijd van het huwelijk van Karel de Stoute met Margaretha van York in het jaar 1468. Alleen de kledij van de bedienden kost al vierduizend francs vertelt hij. Wol en zijde. De versiering van de zalen van het paleis is ongezien. Het prinsenhof is trouwens wat aan de krappe kant om alle uitgenodigden te kunnen ontvangen. Er wordt besloten om de kaatsbaan om te toveren tot een extra zaal.

De plek wordt zo uitbundig versierd met doekwerk en tapijten, met goud en zilver zodat de bezoekers achteraf niet het minste vermoeden koesteren dat alles hier nieuw is. De tafels presenteren een massa aan vaatwerk. Allemaal gemaakt van edel metaal, ingelegd met edelstenen en het geheel wordt sprookjesachtig verlicht door de prachtigste ‘kandelabres’. Vooral de kronen stelen de show.

Het is me niet echt duidelijk waar de schrijver het over heeft dus doe ik maar alsof ik het allemaal begrijp; ‘vooral de kroonen, die men daar zag, waren met buitengewone behendigheid vervaardigd: deze stelden groote kasteelen voor, omgeven door rotsen en bergen, waarop boomen en planten van allerlei soort groeiden, op de paden die naar het kasteel geleidden, waren verscheidene personen en dieren, en boven op de rotsen stonden vuurspuwende draken, die de zaal van licht voorzagen. Het onderste gedeelte dier kroonen, die zoo groot waren, dat een man er zich in kon verbergen, was bedekt door zeven spiegels, waarin de zaal weerkaatste.’

In elk vertrek waar gasten worden ontvangen en waar er maaltijden worden geserveerd zien we een afzonderlijke hofmeester die zijn bevelen uitdeelt aan zijn staf medewerkers. Hoeveel dat er zijn, is niet bekend. Het moeten er veel zijn, want in de keuken alleen al zijn 300 mensen aan het werk om de reeks van bereidingen klaar te maken. In de zalen waar vorstelijke personen aanwezig zijn, wordt de service geleverd door edelknapen. De schotels met de gerechten zijn echte kunstwerken op zich. Voorzien van sierraden, nemen ze de vreemdste vormen aan. Soms zijn het heuse schepen van zilver en goud met zeilen en masten en touwwerk, ingenieus nagemaakte replica van echte schepen. Met vlaggen van zijde, kastelen bezet van edel metaal en zelfs met miniatuur manschappen.

Sommige plateaus zien er uit als tuinen, beplant met vruchtbomen waar figuren de vruchten plukken. Fonteinen besproeien de planten met rozenwater of ander ‘welriekend vocht’. Pauwen en zwanen, deels gemaakt van puur goud demonstreren hun prachtige vederen. De perverse decadentie spat er van af. In de Westhoek en in Vlaanderen getuigen de kroniekschrijvers zo dikwijls van hongersnood, ellende en pest.

Het is haast niet te geloven dat ik getuige ben van deze geperverteerde taferelen in diezelfde middeleeuwse jaren uit de geschiedenis van Vlaanderen. De haast morbide tentoonspreiding van luxe gaat ongestoord verder aan het Bourgondische hof. Nagemaakte luipaarden op ware grootte worden de zalen binnengedragen. Een kunstig gemaakte walvis van bijna twintig meter lang. Met opengesperde bek waar sirenen en zeebewoners in en uit de buik van het monster heen en weer lijken te stappen. Sprekende griffioenen en zingende leeuwen, olifanten beladen met torens, kamelen met Arabieren. Echte verwondering wordt er pas gewekt bij het zien van de toren die tussen de tentvormige schotels oprijst tot aan de zoldering. Een replica van een toren die Karel de Stoute heeft laat bouwen in Gorinchem. Helemaal beschilderd met goud, zilver en glazuur.

Mijn mond valt open als ik verder lees en ik verlies mezelf weer in de vertelkunst van de 19de eeuw. ‘Boven op dezen toren verscheen een wachter, die na krijgsmuzijk te hebben doen hooren, den schijn aannam van de ronde te doen. En na lang om zich heen te hebben gezien, meende hij, bij het bemerken der tenten en vlaggen, een vijandelijk leger te ontdekken; maar bij nader onderzoek bleek het hem, dat geen vijandelijk leger in aantogt was, maar de strijdmagt van zijn vorst aan zijn voeten was gelegerd; toen ontbood hij zijnde trompetters en plotseling openden zich, boven in den toren, vier vensters en vier everzwijnen vertoonden zich en hieven op bazuinen een vrolijk krijgslied aan; maar weldra verdwenen zij weder en, nadat de torenwachter zijne minstreels had ontboden, verschenen in de vier zelfde vensters drie geiten en een bok, die door de toonen van trompetten en schalmeijen de gasten vermaakten.’

Er komt haast geen einde aan de show in de toren. ‘Doch zij werden spoedig door vier wolven vervangen, die hun fluitspel deden hooren; vier ezels, die een toepasselijk gedicht opzeiden, kwamen weldra in hunne plaats en eindelijk zag met op de galerij de rondom den toren liep zes apen en een apin verschijnen en nadat zij verschillende nieuwe en schoone kunsten hadden verrigt, ontdekten zij op den omgang een kramer en ieder hunner nam zich een muzijkinstrument en bespeelde dat met wonderlijke vaardigheid. Al deze dieren waren nagenoeg levensgroot en hunne bewegingen zoo ongedwongen en natuurlijk, dat menigeen heen voor werkelijk levens had kunnen houden.’

De schrijver had de bedoeling om een beeld te scheppen van de overdadige weelde die heerste aan het hof van Karel de Stoute. Hij is er met verve in geslaagd. Het contrast met zijn vreselijk levenseinde waarbij hij zielloos overgelaten werd als prooi voor de wolven, kan niet groter zijn. Bij het huwelijk van Maximiliaan en Maria is er nog sprake van prachtige feesten, maar die zijn toch wel een stuk bescheidener dan in de tijd van haar vader.

Het onheil en de rampen die de laatste tijd over Vlaanderen neergedaald zijn, hebben daar natuurlijk alles mee te maken. Royaards neemt nu een kijkje bij de hofhouding van het Bourgondische hof en gaat eens na wat de rang is van de verschillende edellieden. Het is best een onderwerp dat me interesseert. Er bestaat al honderden jaren de vaste gewoonte bij de edelen die verspreid wonen in sloten en kastelen, om hun kinderen op een leeftijd van een jaar of zeven naar de vorstelijke hoven te sturen. Hier kunnen ze een aangepaste opleiding krijgen als page. Af en toe dienen ze in te springen als hulpje van de vorst, ze vergezellen hem op reis. De kinderen krijgen een opleiding in de verschillende aspecten van het ‘edelman’ zijn. Ze krijgen lichaamsoefeningen en ze worden fysiek klaargestoomd om de vermoeienissen van de oorlog te kunnen doorstaan.

Door hun omgang met de aanzienlijkste personen hun voortdurende contacten met de bevalligste vrouwen, leren ze wat hoffelijkheid is. Al op zeer jeugdige leeftijd kiezen ze een of andere schone jonkvrouw aan wie ze hart en ziel kunnen toewijden. Als ze de leeftijd van veertien bereiken, verandert hun manier van leven ietwat. Ze krijgen nu de waardigheid en de status van een edelknaap. En daar past blijkbaar een ceremonie bij. De jongeren worden door hun ouders naar een of andere kerk begeleid waar de plechtigheid zal doorgaan. Het doet me wat denken aan een vormselviering. Ze krijgen een wassen kaars in hun handen gestopt. De priester omgordt de edelknaap met een prachtig zwaard terwijl die een reeks van zegeningen uitspreekt.

Ik vraag me af of ze in die dagen ook al driftig kwispelen met het wierookvat. Een aantal van die edelknapen krijgt nu het recht om als lijfknechten in dienst te treden van het prinselijk hof. Werken in de stallen. Onderhoudswerken in de zalen van het paleis. Zorgen voor spijs en drank. Ze krijgen een functie als schenker, of snijder. Of als stalmeester. Ondertussen gaat de opleiding ijverig verder. De bedoeling is duidelijk: ze moeten volmaakte ridders worden. Dat kan in geen geval voor hun eenentwintig jaar. Ridder worden is trouwens geen sinecure.

De jongeren moeten bewijzen van dapperheid in de strijd leveren en ze moeten een certificaat van ‘vier kwartieren’ kunnen voorleggen. Vader en moeder moeten van adel zijn, het zelfde geldt voor hun grootouders, overgrootouders en de betovergrootouders. Als er zich een huwelijk tussen een burger en een edele heeft voorgedaan op het niveau van zijn betovergrootouders, kan de jongeman fluiten naar het ridderschap.

Als je aan die eisen voldoet, kan je in vredestijden tot ridder geslagen worden. Er komt bij die gelegenheid vanzelfsprekend een hele ceremonie bij kijken. De aanstaande ridders worden uitgenodigd om zich in eenvoudige kledij aan te bieden. Er staat al een bad klaar, waarin ze zichzelf van alle smet uit hun vorig leven kunnen reinigen. Na de poetsbeurt, worden ze in prachtige kleren gestopt en worden ze door de hertog of de koning naar de kerk geleid. Na de misviering staan er feesten en gastmalen op het programma, maar dat is niet het geval voor de kandidaat-ridders. Die moeten waken en bidden voor het altaar. De hele nacht lang.

Maar daar wordt nogal eens van afgeweken. Soms mogen ze wel slapen tijdens de nacht en komen ze in de vroege ochtend terug zodat ze daar tenminste aan het bidden zijn voor de aanvang van de eigenlijke plechtigheid. Een wilde nacht van feesten en drinken en eten voor de gasten en een sobere nacht voor de toekomstige ridders. Ik kan er me wel wat bij inbeelden. Maar oké, laat me dan toch maar verder gaan met het verslag van het gebeuren: ‘daar legden zij den volgenden dag, na het bijwonen eener groote mis, aan hunnen vorst, met al zijne insigniën versierd, den eed af van getrouwheid aan hem en de bepalingen der orde; hierop ontvingen zij door de hand des konings den plegtigen ridderslag, terwijl de aanzienlijkste edellieden hen met den ridderlijken gordel en de gulden riddersporen versierden; een eerbiedige zegenwensch des bisschops besloot deze plegtigheid, die gevolgd werd door steekspelen, maaltijden enz.’

De hele ceremonie vervalt in tijden van oorlog. Helden kunnen ridders worden. De gewone ridderslag wordt nu vervangen door een slag met het zwaard. De aanstaande ridders brengen hun nacht niet door in de kerk maar op het slagveld of in een of andere belegerde vesting. Tot ridder geslagen worden is trouwens helemaal niet vrijblijvend. De nieuwbakken ridder verbindt er zich toe om loyaal, hoffelijk en mild te gedragen tegenover zijn vorst. Hij zal de vrouwen beschermen net zoals de zwakken, hulpbehoevenden of minvermogende collega’s.

De ridders worden verplicht om verslag uit te brengen van hun tochten. Of die nu roemrijk of vernederend zijn geweest, is niet van belang. Ze doen hun verhaal aan de wapenheraut die het tot in de kleinste details neerschrijft. Vooraleer de ridders ten strijde trekken, is er regelmatig sprake van een voorafgaande plechtigheid. ‘Om de moed van de edellieden te doen ontvlammen’. Dan verschijnt er een edelvrouw met een fazant of een pauw, ‘soms gebraden, maar steeds met al zijne vederen versierd, aan ieder krijgsman aanbood, die op het gedierte de gelofte van getrouwheid en dapperheid aflegde, waarna aan ieder der aanwezigen een gedeelte van het edel gevogelte werd geschonken.’

De aard van de opleiding en het behalen van het ridderschap is niet voor iedereen weggelegd en zorgt er automatisch voor dat de ridders tot een select clubje behoren in de maatschappij. Onder elkaar vormen ze hechte wapenbroederschappen, vooral als de ridders vaak met elkaar te maken krijgen bij oorlogen en campagnes. Ze openen zelfs hun aderen om hun bloed met elkaar te vermengen. Het dragen van de riddertitel zorgt voor veel voorrechten en extraatjes. Er bestaat trouwens ook een hiërarchie binnen het kliekje van de ridders. Die met de meeste macht en invloed zijn de baanderheren. Meestal zijn dat grootgrondbezitters en beschikken ze over eigen leenmannen en pachters die hen militaire assistentie verplicht zijn in oorlogstijden.

Waar ridders mogen beschikken over een driehoekig vendel, onderscheiden de baanderheren zich met een vierkante vaan. Als ze tenminste op zijn minst op vijfenzeventig volgers kunnen rekenen. En dat zou mogelijk zelfs het dubbele kunnen zijn, weet Royaards te vertellen. Het lijkt wel een Facebookverhaal met die volgers. De titel van baanderheer is niet erfelijk zoals dat het geval is met die van hertog, baron of graaf. Erfgenamen kunnen pas weer baanderheer worden als ze zelf tot ridder worden geslagen. In tijden van oorlog kunnen ridders uit hun krijgsgevangenschap ontslagen worden op hun erewoord om later het losgeld te betalen. Als ze zich onderscheiden in de strijd, kunnen ze rekenen op prachtige geschenken.

Een van die geschenken is zeker het recht om zelf belastingen te heffen bij zijn onderdanen, terwijl zij zelf vrijgesteld worden. Vaak krijgen ze nieuwe leengebieden als tegenprestatie van de vorst, landerijen met alle rechten en voordelen die er aan verbonden zijn. Halfweg de 15de eeuw zijn de voordelen en de rechten die het ridderschap met zich meebrengen al flink afgezwakt in vergelijking met de topeeuwen van de feodaliteit. Hoe dan ook is er nog altijd veel van overgebleven. Tegenover de genereuze beloning van ridders die aan hun beloftes trouw blijven, staat een meedogenloze verachting tegenover voor de ridders die zich trouweloos of lafhartig hebben gedragen.

Die types zijn het niet waard om de naam ridder te dragen en de status van ridder wordt tijdens een speciale ceremonie opnieuw van hen afgenomen. Hun ridderstand wordt vervallen verklaard. Het lijkt me een verschrikkelijke ceremonie als ik het zo lees. Wordt eens op die manier uitgespuwd door uw gewezen vrienden.

‘Op een schavot gebragt, ontnam men hem al zijne wapenen, die voor zijne voeten werden vernietigd, terwijl zijn wapenschild verachtelijk door het slijk werd gesleurd; tot drie maken toe vroeg de wapenheraut den naam des ongelukkigen, die dan door een der edellieden werd genoemd; maer telkens ontkende men zijne tegenwoordigheid, daar men in den aanwezigen persoon slechts een lafhartigen verrader zag; schimpwoorden werden intussen door de omstanders uitgesproken, terwijl de geestelijkheid den 108ste psalm aanhief.

Ten einde hem zijne plegtige wijding te ontnemen overgoot men den ridder met warm water, waarna hij door touwen van het schavot nedergelaten, op eene horde geplaatst en zoo, overdekt met een lijkkleed, naer een kerkgebouw gebragt werd. Daer werden zielmissen gelezen en in alles gehandeld, als ware de voormalige ridder gestorven.’ Naast de adel en het ridderschap van de 15de eeuw, is er natuurlijk het rijke Vlaamse volk. Machtige en rijke poorters, de bekende gilden van neringen en ambachten, de bloeiende klasse van de kooplieden. Royaards omschrijft het wat al te kleurrijk. Maar hij corrigeert zich meteen.

Ook zij zijn al een pak voorrechten kwijtgespeeld tijdens de voorbije jaren. Privileges die ze één voor één afkochten en verkregen, en dat telkens na een turbulente strijd. Onder de Bourgondische prinsen hebben ze die voorrechten geleidelijk aan moeten afstaan. Het verlies van die privileges in combinatie met de rancune die de mensen dragen voor het decadente, maar als het nodig is toch wel staalharde stamhuis, heeft bij het Vlaamse volk een diepe walging doen gisten. Een haat die met de regelmaat van een klok oprispt en die aanleiding geeft tot hevige en bloedige opstanden. De Vlamingen verzetten zich met hand en tand tegen de groeiende macht van de Bourgondische vorsten die eenheid in het bestuur willen brengen. Vooral de gilden spelen een cruciale rol in het verzet van het Vlaamse volk tegen de reeks hertogen.

Royaards gaat op zoek naar de oorsprong van de Vlaamse gilden en komt terecht bij de Romeinen, de Germanen en andere volksstammen. Mensen die zich verenigen in genootschappen. In de prille feodale tijden moesten de mensen dansen naar de pijpen van de heren en in hun verzet tegen hun willekeur, moesten ze wel samenwerken. Het heeft veel moeite gekost, maar uiteindelijk kwamen de feodale heren tot het besef dat het beter was om de gilden toe te staan of op zijn minst te dulden. Zo zijn de vrije gemeenten en steden ontstaan.

De mensen hebben zich losgerukt van de grootgrondbezitters en de kasteelheren. Stap voor stap hebben al die steden moeten vechten om hun eigen rechten te krijgen. De inwoners van die nieuwe steden worden poorters genoemd. Met verloop van tijd beginnen de machtigste leenheren te hengelen achter de steun van die poorters. Dit heeft alles te zien met een onderlinge machtstrijd tussen de leenheren zelf. Het volk van de steden heeft zo geduldig gewerkt aan de opbouw van hun reeks voorrechten in ruil voor hun steun aan de meestbiedende schenkers. Wie er in deze historie volledig tussen uit valt, zijn de persoonlijke lijfeigenen van de heren.

Meestal arbeiders, handwerklieden die bekend raken onder de naam van ‘laten’. De laten horen nergens tuis. Ze bezitten niet de onafhankelijkheid van de poorters en hebben niet de minste zeggenschap over hun eigen leven. Het is zeker niet verwonderlijk dat ook de laten stilaan de neiging vertonen om zich onderling te verenigen in drukkingsgroepen. Hun toestand kan er enkel op vooruit gaan als ze zich eendrachtig opstellen.

De verenigingen die tot stand komen, worden gilden en ambachten genoemd en die gaan zich in de loop van de tijden nestelen in de beschermde omgeving van de jonge steden, te midden het territorium van de vrijgevochten poorters. Aanvankelijk worden de ambachtslieden zeer neerbuigend behandeld door de rijke burgerij. Deze minachting zorgt voor een strikte afscheiding tussen de verschillende klassen van de bevolking. De gilden hebben natuurlijk de kracht van de massa en de macht van hun handen en hun stielkennis.

Ze zorgen ervoor dat er gaandeweg een reeks aarzelende voorrechten komen voor de ambachtsgilden. Het is een moeilijk proces geweest. De toegekende privileges komen er mondjesmaat, en zijn vaak net niet wat de mensen eigenlijk willen. Elke beperking in de privileges bezit in zich de kiemen van veel twisten en burgeroorlogen. In de loop van de 14de eeuw zijn de stedelijke gilden hoe dan ook werkelijke machtsbastonen geworden in hun respectieve agglomeraties. Elke gilde bezit zijn eigen wetten en bepalingen. Net zoals de statuten van een vzw. De leden weten hoe ze zich moeten gedragen.

De statuten hebben een andere naam, het zijn de keuren die vertellen hoe de gilde moet bestuurd worden, op welke manier de mensen zich kunnen aansluiten en aan welke regels iedereen zich moet houden. De voorzitter is de ‘deken’. Hij wordt verkozen door de leden en moet bij zijn aanstelling zweren dat hij de keuren zal eerbiedigen en de gilde naar eigen godsvrucht en vermogen zal besturen. ‘Voorts gaf hij gewoonlijk een prachtig geschenk’. Nu zouden ze zeggen: ‘de voorzitter trakteert.’ En een etentje komt er ook bij te pas. De deken krijgt bij deze gelegenheid zijn speciale ambtskleding aangeboden. Het is de deken die de knoop dient door te hakken als er disputen rijzen onder de leden, de nieuwe leden moeten trouwens hun eed aan hem afleggen.

Hij verdeelt het werk, keurt de resultaten goed, leidt de vergaderingen en voert de ambachten aan als ze ten strijde moeten trekken. Hij die wenst lid te worden van een ambacht, moet zich aan een langdurige proeftijd onderwerpen als hij nieuw is in het beroep. Achtereenvolgens moet hij de betrekkingen van leerling, dienstknecht en metgezel doorlopen, pas daarna kan hij zich vestigen als vrije meester. Anno 2014 zouden ze beter een voorbeeld nemen aan deze gewoonte. Nu kan de eerste de beste zich feitelijk vestigen als ‘vrije meester’, de markt verstoren om dan achteraf toch op de fles te gaan.

De leerling moet afdokken als hij wil beginnen aan zijn opleiding. Zonen van een vrije meester betalen een lager bedrag dan de anderen. De jongens moeten minstens vijftien jaar zijn om te starten met hun opleiding. Ze krijgen logies bij een vrije meester die nu een soort vader wordt. Niet alleen hun arbeid zal worden beoordeeld. Ook hun gedrag wordt gecontroleerd. ‘Zware straffen troffen hem, die zijn leerling tot ongebondenheid of kwaden wandel aanzette.’ De duur van de opleiding verschilt volgens de gekozen ambacht, maar duurt zelden langer dan drie jaar.

Tijdens die periode is het voor de leerling streng verboden om een taak op zich te nemen buiten het medeweten en zonder de goedkeuring van zijn meester. Laat staan dat hij voor eigen rekening zou werken. De leerling begint nu aan een ervaringsperiode waarbij hij gaat werken bij zijn meester. Hij is niet langer gehuisvest in zijn woning. Na verloop van de jaren, moet de leerling zijn meesterstuk afleveren dat door de deken en zijn assistenten zal worden beoordeeld.

Als het werk goedgekeurd wordt, dan kan de jonge man opgenomen worden in de gilde. Als hij tenminste een bepaalde geldsom betaalt en de gebruikelijke eed wil afleggen. De keuren verplichten de leden om de begrafenissen van collega’s bij te wonen. De gildemaaltijden, een eeuwenoude traditie, zijn obligatoir voor iedereen. Ze moeten de geest van broederschap en de onderlinge band tussen elkaar versterken. Wie verstek geeft aan de feestmaaltijden, krijgt een boete. Ook de feesten ter ere van de patroon moeten bijgewoond worden. Ieder gilde beschikt immers over één of zelfs meerdere patroonheiligen.

Op hun naamdag wordt er missen opgedragen in de kapel van de gilde. De vergaderingen gaan door in het ambachtshuis en zijn ook al verplicht om bij te wonen. De vergaderingen hebben hun eigen agenda die onder het voorzitterschap van de deken wordt afgehaspeld. In het gildehuis bevindt zich trouwens het heiligdom van de gilde: een grote koffer voorzien van verscheidene sloten. Hier worden al de privileges bewaard. Naast de reeks verplichtingen, genieten de ambachtsleden zeker van een reeks voorrechten. Ze kunnen in momenten van nood en ellende op elkaars hulp rekenen. Bij financiële problemen kunnen ze rekenen op een bijdrage uit de kas van de gilde. Bejaarden, mindervaliden en weduwen van meesters krijgen steungeld en het wordt geregeld dat zieken kunnen verpleegd worden in gasthuizen.

De rigoureuze aanpak van de gilden zorgt er voor dat er een sterke broederband bestaat tussen de leden onderling en die zorgt ervoor dat de organisatie macht uitstraalt. Die kracht borrelt naar boven als er mistevredenheid ontstaat bij de ambachtslieden. Onrecht en mistoestanden zorgen ervoor dat de ambachtslieden naar hun gildehuizen gaan om dan achteraf gewapend en in groep naar de lokale markt te marcheren. In de geschiedenis van Vlaanderen krioelt het van dergelijke ‘wapeningen’.

De dreigende houding van de gilden zet niet zelden de machtspositie van de vorsten onder druk. In tijden van oorlog kan het dan wel net omgekeerd zijn. Dan staan de gilden aan de zijde van hun heren, en stappen hun leden zelfs mee op oorlogspad naar het buitenland. De onderlinge machtsverhoudingen leren we beter kennen in een Brugse bepaling van het jaar 1296. Poorters die geen driehonderd Vlaamse ponden in hun bezit hebben, kunnen niet meestappen als poorter maar wel als slaaf van de gilde waartoe hij behoort.

De ambachtslieden vormen het voetvolk terwijl de poorters deel uitmaken van het paardenvolk. De machtsverhoudingen tussen de onderlinge gilden en de rijke poorters van de stad worden meestal ook vooraf vastgelegd. Ik krijg een mooi voorbeeld voorgeschoteld van de machtsverhoudingen in Kortrijk, kort na de Guldensporenslag. Kortrijk wordt onderverdeeld in zes wijken, ‘zestendelen’, die elk de naam van een heilige toegewezen krijgen. Aan het hoofd van iedere wijk staat een beschermheer die aangesteld worden door commissarissen. In opdracht van de graaf. Het zijn de beschermheren die de sleutels van de stad in goede bewaring houden. Hij zijn zij die het volk aansporen tot rust, kalmte en orde.

Bij de jaarlijkse afsluiting van de stadsrekeningen tekenen ze present, samen met de vierenzeventig dekens van de ambachten. Uit de rijkste ambachtslieden worden nu negen zwaarddekens gekozen die de naam van hun ambacht mogen dragen. In tijden van oorlog voeren de zwaarddekens het leger van de ambachtslieden aan. Elke zwaarddeken krijgt één sleutel van de koffer waarin de stadsprivileges worden bewaard in bewaring mee, voor de tiende sleutel wordt gezorgd door de burgemeester. In die koffer ligt trouwens de grote verbondszegel die moet gebruikt worden als de stad zich dient over te geven.

Onder de zwaarddekens functioneren twaalf deelmannen, telkens twee man die verkozen worden uit de zestedelen van de stad. Ze moeten de twisten bijleggen die ontstaan tussen de burgers. Ruzies over huizen, openbare gebouwen, gemeenzame muren. De dekens ressorteren onder de twaalf deelmannen. Bijgestaan door de oudsten besturen ze elk afzonderlijk hun ambacht en met de ‘vinders’, een soort controleambtenaren, keuren ze de uitgevoerde arbeid van de gildeleden.

Die interne audit van de producten vormt ongetwijfeld een groot deel van het succes van de Vlaamse handel. Kijk maar naar de Vlaamse lakens die algemeen beroemd en bekend worden en naar alle uithoeken van de wereld verhuizen. Ieper munt uit. Maar vooral Brugge kan pronken met een bloeiende en welvarende handel. De gilde van de kooplieden is er een van de voornaamste. Hier bevinden zich de stapelhuizen van de Hanzesteden. Tweeëndertig steenrijke traders hebben er hun vertegenwoordiging en zestien genootschappen houden hier elk hun respectieve consulaten open. Tussen 1380 en 1450 vestigen een reeks succesvolle handelaars.

Oosterlingen, Spanjaarden, Castilianen, Neurenbergers, Ieren, Schotten, Portugezen, Cataloniërs, Engelsen, Duitsers, afgevaardigden van de Hanzesteden en van Luca, Arragonezen, Venetianen, Florentijnen, Genuezen en nog veel andere rijke kooplieden zich in het rijke Brugge. Het is een boeiend stuk Vlaamse historie. Al die nationaliteiten bezitten hun eigen woningen in Brugge. Prachtige bouwwerken waar ze gezamenlijk de gemeenschappelijke belangen bespreken. Er zijn de kelders en de bergplaatsen waar de koopgoederen worden bewaard. En er is ook een plek waar alle kooplieden samenkomen.

Aanvankelijk was dit in open lucht totdat een rijke burger zijn eigen woning ter beschikking stelde als het eens slecht weer was. Na diens dood tovert Lodewijk van Male dit huis om tot een publiek gebouw en noemt het, naar de vroegere eigenaar, Jan van der Beurse, de ‘Beurs’ een naam die later algemeen wordt als naam van alle vergaderplaatsen van de kooplieden. De Vlaamse kronieken hebben het maar al te vaak over de onrust en de verwarring die gaandeweg de kop opsteekt in de Vlaamse steden. Dan maken de kooplieden dat ze weg zijn, maar even dikwijls komen ze persoonlijk tussen om de orde te doen herstellen. Ze doen dat ongetwijfeld om financiële redenen, want elke revolutie zorgt voor een inzinking van de stedelijke economieën en voor een terugval van hun inkomsten.

Hun tussenkomsten tonen aan hoe invloedrijk en belangrijk die vreemde kooplieden wel zijn voor de rijke Vlaamse poorters die er hun rijkdom aan te danken hebben. De gilde van de kooplieden is gewoonweg de grootste van allemaal. En dat beseffen ze ook wel. Ze weten maar al te goed dat ze de toon aangeven en dat maakt dat de gilde zich ook bewust distantieert van alle andere gilden. De gilde van de kooplieden is een elitaire club die prat gaat op zijn eigen onafhankelijkheid en die ietwat verachtend en neerbuigend neerkijkt op de gemene handwerklieden met wie ze in contact komen om hun producten aan te kopen.

In Vlaanderen hebben we niet veel nodig om feest te vieren en in de 15de eeuw is het niet anders. Schrijver Royaards gaat in zijn boek na hoe dat dan effectief in zijn werk gaat daar in de jaren 1400. Drie soorten feesten schieten er uit. De tornooien van de edelen, de spelen van de rederijkers en het vermaak van het mindere volk. Hoe hoogdravend is volgend fragment toch! ‘Het vloeide voort uit den aard en de inrigting van het ridderwezen, dat niet alleen in den krijg wonderen van dapperheid verrigt, maar ook in vredestijd oefeningen gehouden werden, waarbij adel en ridderschap hunne ervarenheid in den wapenhandel bewees en den na-ijver en het eergevoel der jongeren en nog ongeoefenden opwekte.

Geene feestelijkheid had er dan ook plaats, waaraan deze aanzienlijken deelnamen, of tournooijen luisterden haar op.’ Tornooien dus. De jeugdige edellieden kunnen er bewijzen wat ze allemaal kunnen met hun wapens. Hier kunnen ze opscheppen dat ze waardige afstammelingen zijn van oude en beroemde geslachten. In de memoires van Olivier de la Marche vinden we haast geen enkele pagina die niet aan de ridderspelen is gewijd. Het is een gewoonte die ongetwijfeld al bestaat sinds de jaren 1000, vermoedt de schrijver. De te houden steekspelen worden lang vooraf aangekondigd. Soms een jaar voor het evenement, doen de herauten hun rondgang langs de verscheidene hoven en kastelen om iedereen uit te nodigen om aan het feest deel te nemen.

Terwijl de ridders zich oefenen in het behandelen van hun wapens, trainen zouden we het vandaag noemen, wordt alles in gereedheid gebracht om het tornooi op de gebruikelijke manier te organiseren. Nadarafsluitingen zullen er nog niet bestaan, de organisatoren moeten andere oplossingen bedenken om het volk op afstand te houden. De gasten moeten op gepaste wijze opgevangen en te slapen gelegd worden. Niet ideale locaties ruimen plaats voor binnenhoven van nabijgelegen kastelen waar soms maanden aan een stuk open hof wordt gehouden.

De plek waar het tornooi zal plaatsvinden wordt nu afgesloten en omringd door tenten en tribunes voor de toeschouwers. De wapenschilden van de deelnemers zijn zowat de koerstruien van de middeleeuwen. De Omega Pharma publiciteit van die ridderdagen zijn de blazoenen van de 15de eeuw. Een aantal tenten is exclusief voorbestemd voor de edelvrouwen en de grijsaards. De Viplounge is zeker geen plaats voor het klootjesvolk. Andere paviljoenen zijn voor de rechters, zeg maar de wedstrijdjury, die verkozen worden door de vrouwen en door de meest prominente ridders.

Het zijn die rechters die toezicht zullen houden op de strijd en uitspraak zullen doen rond mogelijke geschillen tijdens de kampen. Op de dag van het tornooi stromen vreemdelingen en toeschouwers uit alle mogelijke oorden toe. Het lijkt wel een finale van de supercup. ‘De toeschouwers zitten er om de ervarenheid der strijdende partijen gade te slaan. De tribunes en alle plaatsen, vanwaar men het strijdperk kon zien, waren weldra met de verschillendste personen overdekt. De regters zetteden zich neder op de voor hen bestemde plaatsen, terwijl herauten, wapenkoningen, krijgslieden en minstreels het strijdperk betraden, om daar de orde te bewaren, de strijdenden ter hulp te snellen waar dit noodig was, of door vrolijke liederen hunnen moed op te wekken en hunne heldendaden te bezingen.’ En dan begint het tornooi eindelijk.

Ik heb het al regelmatig gehad over het vermaarde Brugse tornooi van de Witte Beer en ik ben maar al te gelukkig dat ik deze keer wel een toegangskaartje heb kunnen bemachtigen. De wapenheraut kondigt de komst van één van de strijders aan. De man staat te popelen aan de poort van de arena, maar mag er voorlopig nog niet binnen. Zijn naam wordt eerst nog luidkeels uitgesproken door de heraut en zijn blazoen wordt aan de rechters voorgelegd. Als niemand zich verzet tegen een deelname, wordt de poort geopend en kan de edelman binnentreden. Hij wordt hierbij omringd door zijn gevolg van pages en edelknapen te paard.

Het gebeurt soms dat zijn gezelschap alleen maar bestaat uit jonkvrouwen van stand, een teken dat hij zijn trouw en gehoorzaamheid aan het vrouwelijk geslacht wil demonstreren. ‘Zoodra de edelman nader trad boog hij zich eerst voor de verzamelde vrouwenschaar, daarna voor de rechters neder, deelde hun zijn wensch mede zich in den strijd te wagen en verzocht hun als eene gunst aan dit zijn voornemen uitvoering te mogen geven.’

Als hij groen licht krijgt bij de dames en de jury, kan hij zich gaan omkleden. Hij verlaat de arena en trekt zijn wapenkleding aan. Ondertussen wordt zijn tegenstander op dezelfde manier geïntroduceerd en onderworpen aan de goodwill van de tribune. Ook de wapens worden gecontroleerd en dan is het eindelijk tijd voor de confrontatie. ‘Weldra zag men nu op een gegeven teeken, onder het aanheffen van krijgsliederen en geschal der trompetten de beide strijders op elkaar aanvallen.’ Tijdens het vechten moeten de mannen zich houden aan de regels van de strijd. De rechters kijken nauwkeurig toe als dit gebeurt.

Bij de minste overtreding schieten de krijgsknechten in actie en scheiden ze de strijdende edelmannen van elkaar. In bepaalde gevallen kan een van hen geschorst worden, een rode kaart, maar meestal komen de mannen terug naar hun beginpositie en wordt de confrontatie hervat. Als de voorgestelde duur van de strijd of van het aantal aanvallen verstreken is, komt de rechter met een witte stok tussenbeide. De jury kijkt of er al een winnaar kan worden aangeduid. Als dit niet het geval is, worden er verlengingen gespeeld. Meestal komt er een winnaar op punten uit de bus en mag de overwinnaar als eerste de arena verlaten. Als de kamp voorgoed beëindigd is, moeten de twee partijen elkaar op ridderlijke manier groeten.

Als de strijd niet beslecht is, volgen meestal extra gevechten, soms te voet, soms te paard en worden er andere wapens gehanteerd. ‘Eerst nadat de geheele strijd was afgeloopen, werden de prijzen volgens het oordeel des regters, dat met de meeste onpartijdigheid werd geveld, door eene der aanwezige vrouwen aan den gelukkigen ridder uitgereikt, wiens naam door de wapenherauten luidkeels werd genoemd, terwijl de toonen der muzijk zich deden hooren en de minstreel liederen aanhieven ter eere van den overwinnaar.’

De taal van de 19de eeuw bevalt me prima. Zijn liederlijke omschrijving past gewoon perfect bij het plaatje. ‘Verschillend waren de prijzen, die werden uitgedeeld; somtijds vielen zij ten deel aan hem, die de meeste lansen had gebroken, een andermaal aan dengenen die den schoonsten slag had toegebragt, het langst in den zadel was gebleven of den aangevallen pas had verdedigd. Hetgeen inzonderheid de moed der strijders verhoogde en veel toebragt tot de geestdrift der ridders, was de aanwezigheid der edelvrouwen; deze gaven aan hunne uitverkorenen kleine geschenken, waaraan zij hen te midden van den strijd gemakkelijk konden herkennen.’

Een sluier, een lint of een strik wordt aan het harnas of aan de lans van de ridders vastgeknoopt. Als die door de tegenstander worden buitgemaakt, zorgen de dames voor een vervangexemplaar ‘opdat zij hun ridder geen oogenblik uit het oog zouden verliezen en zijn moed voortdurend zou worden opgewekt. Bij iederen voortreffelijken slag, bij iedere nieuwe vaardigheid werden kostbare voorwerpen toegeworpen, ja zoolang werd dit somtijds voortgezet, dat de edelvrouwen plotseling onthutst en verlegen hunne oogen nedersloegen bij het aanschouwen hunner verwarde en van alle sieraden beroofde kleeding, daar zij, geheel medegesleept door den strijd, niet hadden bemerkt, hoeveel kostbare kenteekenen zij aan hunnen ridder hadden geschonken.’

Jullie begrijpen meteen waarom ik onvoorwaardelijk fan ben van die heerlijk ouderwetse taal. Na elk ridderspel volgt er een gastmaal. De overwinnaar krijgt een ereplaats toegewezen. Opscheppen over zijn prestaties doet hij beter niet want dat is tegen de regels die de ridders hanteren. De winnaar mag zijn stem niet verheffen en zeker niet minachtend neerkijken op de mindere goden die ook aanschuiven aan tafel.

De schrijver gaat zich nu focussen op de spelen van de Rederijkers. De toneelspelers en theatermakers van de middeleeuwen. Op een houten stelling worden voor een of andere voorbijtrekkende vorst of voor andere prominente personen esbattementen georganiseerd. Aan de basis van die evenementen liggen de lokale stadsbesturen die in samenwerking met een lokale Rederijkerkamer wedstrijden uitschrijven met de kundigheid van de taal en de poëzie als uitdaging voor de Rederijkerskamers van eigen stad maar evengoed vanuit de omliggende locaties. Op de rondgestuurde uitnodigingen wordt de gewenste poëzie omschreven.

Het onderwerp van de spelen, de prijzen, het getal van de regels en de verzen, de taal en uiteraard ook de dag en de plaats waar de wedstrijd zal doorgaan. Een ‘kamerbroeder’ in speciaal kostuum en vergezeld door een trompetter, leest de uitnodiging voor op de voornaamste plekken van de stad en er worden bodes uitgezonden naar de andere steden om er de bestaande Rederijkerskamers uit te nodigen om mee te spelen en om mee te dingen naar de uitgeloofde prijzen. Alle groepen worden op de dag van de spelen op een plechtige manier ontvangen door de Rederijkerskamer die de wedstrijd heeft uitgeschreven.

Ze worden op een dichterlijke manier onthaald en in een feestelijke optocht naar de vergaderplaats begeleid. De volgorde van de optredens wordt via lottrekking geregeld en dat zorgt nu en dan al eens voor problemen met groepen die menen voorrang te verdienen vanwege hun oude afkomst en hun groot aanzien. De stukken die opgevoerd worden, zijn vooraf toegestuurd naar de organisatoren en het zijn de lokale Rederijkers die de keuze maken van de deelnemers. Na de reeks voorstellingen worden de winnaars aangeduid. ‘Deze prijzen waren gewoonlijk van zilver en bestonden in schalen, kroezen, kannen, bekers, enz, somtijds in dieren.’

‘Zoo werden te Oudenaarden bij de geboorte van den lateren Lodewijk XI door de stedelijke regering drie vette schapen aangekocht als prijzen voor hem, die het best aan de gestelde eischen had voldaan.’ Poëzie en het tellen van de verzen en de regels. Het verwondert me niet dat de eerste Rederijkersvoordrachten eigenlijk maar een saaie bedoening zijn. De stukken bestaan uit één enkel bedrijf, het toneel is statisch en bijzonder langdradig. Maar gaandeweg worden de stukken dynamischer en veelzijdiger.

Van de stukken uit de 15de eeuw, heeft Royaards enkel weet van een stuk met de naam ‘Die eerste bliscap van Maria’, dat opgevoerd wordt in Brussel ter gelegenheid van het eerste huwelijk van Karel de Stoute. Een stuk over de periode van de val van de mensheid tot aan de geboorte ‘des Heeren’. Het theater staat opgesteld voor het schepenhuis en is opgedeeld in drie verdiepingen. De bovenste etage stelt de hemel voor en ik zie er rijen van engelen paraderen. De middelste verdieping stelt de aarde voor met een decor van bomen en huizen. Met daaronder, de kelderetage, de hel ‘in de welke eene menigte duivelen en booze geesten voorstelde’.

De heiligste personen spelen allemaal hun eigen rol. God zelf, Maria, Christus, engelen en heiligen van alle slag en soort treden er om beurt op en hengelen er naar de gunst van het publiek. Ze worden hier trouwens vanuit geestelijke hoek rijkelijk beloond. Een ‘menigte’ aflaten. De stadsbesturen doen ook een duit in het zakje. Geldelijke toelagen, de Rederijkers dienen geen belastingen te betalen op wijn en bier, ze mogen gratis wonen en mogen vrij jagen en vissen. Ze krijgen van de vorst uitzonderlijk de toelating om hun kleuren en emblemen te vertonen op hun kledij en krijgen nu en dan een vrijstelling van een lottrekking.

De Rederijkers beperken zich trouwens niet enkel tot het opvoeren van toneelstukken, ‘ook op andere wijzen zochten zij de feestvreugde te vermeerderen’. Ze houden optochten. De banierdrager voorop. En dan het hoofd van de kamer en de rest van de leden. Allen twee aan twee. ‘Op de voornaamste plaatsen der stad zag men dan de verschillendste groepen, die de vreemdste zaken voorstelden. Vertooningen met stomme personen.

Ieder beeld had een strook papier in de hand, waarop de naam en de rol geschreven waren.’ Adam en Eva in het paradijs, de triomf van David na zijn overwinning op Goliath, de geschiedenis van David en Abigaël, de moord van Amaza, de kroning van Salomo. ‘Het waren spelen op wagens of sleden, die den binnenkomenden vorst een eind weegs te gemoet gingen.’ Tijdens de 15de en 16de eeuw ontpoppen de Rederijkers zich tot onmisbare gangmakers bij kerkelijke en burgerlijke feesten. Ze houden meestal toezicht op de versiering van de steden en ze regelen de optochten. Ze zorgen voor erepoorten, vuurwerk, ‘illuminatiën en mommerijen, trompet-, trom-, pauk- en pijpmuzijk, groepeerden, schilderden, boetseerden en drapeerden.’

Als er weer eens hoog bezoek wordt aangekondigd, wedijveren de Rederijkers, de verschillende ambachten en de vreemdste kooplieden met elkaar voor wat betreft het aanbrengen van versieringen aan hun gildehuizen en woningen. Hun stad moet op en top feestelijk aangekleed zijn. Er worden beloningen uitgeschreven voor zij die de prachtigste decoraties realiseren. Temidden van de met lakens en tapijten versierde huizen, worden alweer van die voorstellingen gehouden, theater met de gewijde geschiedenis als bron. Mythologische of historische verhalen. Bij het invallen van de duisternis worden de feesten gewoon verder gezet.

Dan ontsteken de mensen vreugdevuren op de grote markten. De voornaamste straten en huizen worden prachtig verlicht door een overvloed van toortsen. Er duiken goochelaars en muzikanten op die het volk boeien. Of er zijn de behendige toeren van de dierentemmers en de ‘geestige en soms zeer oorspronkelijke kluchten der narren die de omstanders vermaakten.’ De Vlaamse feesten vinden ongetwijfeld hun oorsprong in de eeuwen van de Bourgondische hertogen. Bier en drank vloeien trouwens rijkelijk.

Auteur Royaards beschrijft het op een pittige manier: ‘tijdens vorstelijke bezoeken mogt er in de bierknijpen en taveernen meer drank worden verschonken dan in gewone tijden en was het den bezoekers dier huizen ook geoorloofd, door spel den tijd te korten; maar bovendien werden niet alleen present-wijnen verschonken aan ieder, die aan den een of anderen gestelden eisch had voldaan, maar verscheidene voorbeelden bestaan er, dat op de markten of groote pleinen springende fonteinen waren opgerigt, die den dorstigen ruimschoots van drank voorzagen. Iets dergelijks vinden we bij het huwelijk van Karel de Stoute in 1468 en bij meer andere gelegenheden vermeld.’

In het boek van 1867 stoot ik nu op het levensverloop van enkele hoofdrolspelers van de 15de eeuw. Het zijn zij die kleur hebben gegeven aan de periode van Karel de Stoute. Ik sla de omschrijvingen over, maar houd halt als ik bij Maria van Bourgondië aankom. Haar kan ik niet negeren. En trouwens, veel is er mij nog niet bekend over deze jongedame. Voor ik het in de gaten heb, sta ik in het Brussel van de 15de februari van het jaar 1457. Zwerven in de tijd is een plezierig tijdverdrijf. Ik kom terecht bij de grote vreugde die er heerst vanwege de geboorte van de erfgename van hertog Karel. De jonggeborene krijgt enkele dagen later de naam van Maria.

‘Haar vader stond er zeer op, dat de dauphin van Frankrijk (de latere Lodewijk XI) peet zou zijn. Deze ofschoon bij de plegtigheid niet tegenwoordig, nam de opdragt aan.’ Na de dood van haar vader heeft Maria van Bourgondië dus af te rekenen gehad met de bezitsdrang van haar eigen godverdomse peter die dan nog de wens had dat zijn petekind zou trouwen met zijn eigen zoon. Ik bekijk de geschiedenis weer vanuit een andere hoek.

Als ze 19 is, verliest Maria haar moeder Isabella van Bourbon, maar dat verlies wordt ruimschoots gecompenseerd door de goede zorgen van haar stiefmoeder Margaretha van York. Het aantal mannen dat dingt naar de hand van de jonge prinses is haast niet te tellen. Allemaal blauw bloed met Maximiliaan, de zoon van keizer Frederik III als uitschieter en als grote favoriet van vader Karel de Stoute.

Bij een samenkomst in Trier belooft hij aan de keizer dat Margaretha zal kiezen voor Maximiliaan. Een keizerlijk gezelschap is er als de kippen bij om zich na de dood van de hertog te verzekeren van de gemaakte belofte. De dreigende houding van de Franse koning doet de rest. Maria en Maximiliaan kennen elkaar van haar noch van pluimen. ‘Naar luid eener kronijk zou kort daarop de jonge aartshertog zijn portret aan Maria gezonden hebben, die zeer gevoelig voor die beleefdheid op haart beurt aan den zender hare beeltenis deed geworden.’

Het ziet er naar uit dat ze een gelukkig huwelijksleven kennen. De oorlog met Frankrijk zal hen voor enkele maanden scheiden. Telkens als er nieuws komt van gevaarlijke toestanden, maakt Maria zich behoorlijk ongerust over haar man. In 1481 worden Maria en Maximiliaan gehuldigd in ’s Hertogenbosch. Voor die gelegenheid is er een tribune opgericht op de markt. Een ‘verhevenheid’ schrijft Royaards. Prachtig versierd en behangen. Maar wel met een constructiefout. Tegen het einde van de plechtigheid beginnen de hoogst gelegen zitplaatsen te wankelen en stort het podium in elkaar. Er worden niet echt gewonden gerapporteerd, maar de mensen beschouwen het voorval als de voorbode van naderend ongeluk.

Eindelijk, maar dan ook eindelijk kom ik iets te weten over het karakter van onze Maria. Haar karaktertrekken verschillen grondig van die van haar overleden vader, maar ze heeft wel zijn onbesuisdheid en onbedachtzaamheid van hem geërfd. ‘Toen zij in den strengen winter van 1482 te Gent zag, dat zoovelen zich op het ijs vermaakten, gaf zij haar verlangen te kennen ook eens een rit op de gladde baan te beproeven. Niettegenstaande het haar door velen afgeraden was, verscheen zij met Maximiliaan op het ijs en tot groote vreugde der Gentenaren behaalde zij den uitgeloofden prijs.

Ook hier weder toonde zij haar vermaak in ligchaamsoefeningen; ofschoon zij menigen harden val deed tot schrik der omstanders, was zij spoedig weder op de been.’ Het voorgevoel van naderend onheil is juist geweest. Op een schone dag in maart van 1482 staat er een jacht op het programma. Maximiliaan is pas terug van St.-Omer. Ze galopperen de stad Brugge uit richting Wijnendale. Maria met de valk in de hand. Engelbert van Nassau, Lodewijk van Gruuthuse en de graaf van Chimay maken deel uit van het jachtgezelschap.

Er is al wat wild geschoten als de prinses plots een reiger opmerkt aan de overzijde van een sloot. Ze stuurt haar paard in die richting en spoort het dier aan om met een flinke sprong aan de overkant te raken. Geen probleem normaal voor een ervaren ruiter, maar een afgehouwen boom gooit roet in eten. Haar paard struikelt en Maria valt met een harde smak op de afgehakte boomstam. Ik laat de 19de eeuw weer aan het woord. ‘Toen Maximiliaan en het overige gevolg op haar toegeschoten waren, verzamelde zij al hare geestkracht, klaagde niet, maar zeide, schijnbaar ongedeerd, dat zulk een val op haren leeftijd weinig beduidde. Zij liet zich weder in den zadel ligten en reed naar Brugge terug. Hier kreeg de natuur al spoedig de overhand.

Hevig was het lijden der prinses tengevolge de bekomenen kneuzingen. Haar toestand nam weldra alle hoop op herstel weg. Te Brugge werd eene groote processie en biddagen gehouden.’ Maria voelt haar einde naderen en neemt afscheid van Maximiliaan en haar twee kinderen en van haar stiefmoeder Margaretha van York. Ook een hoop edelen zijn getuige van haar dood. De begrafenisplechtigheid is indrukwekkend en ‘schitterend’ schrijft de auteur. Maria wordt begraven in de kapel van de Brugse O.L.V.-kerk, aan de zijde van haar vader. ‘De beeltenissen van beider graftomben bestaan uit koperen beelden van natuurlijke grootte, rustende op marmeren sarkophagen.’

Het irriteert me uitermate dat Royaards het bestaan van de kinderen totaal genegeerd heeft in zijn boek. Hoe is dat nu kunnen gebeuren? Ik wil niet diezelfde blunder begaan en ga op zoek naar feiten uit de geschiedenis van Vlaanderen. De oudste is een zoontje, Filips de Schone, die geboren wordt op 22 juni van 1478. 10 maanden na de blitse inzegening van hun huwelijk. Anderhalf jaar later bevalt Maria van een dochtertje die de naam van Margaretha van Oostenrijk krijgt om verder door het leven te gaan.

En blijkbaar was de overleden hertogin nog in verwachting van een derde kind als ze met een harde smak op die boomstam terecht komt. De vierjarige Filips de Schone volgt zijn moeder op als graaf van Vlaanderen. Tot aan zijn volwassen leeftijd zal dit gebeuren onder het regentschap van zijn vader Maximiliaan van Oostenrijk. Vlaanderen staat klaar om een nieuw stuk aan zijn geschiedenis te breien. In welk vaarwater zullen we nu weer terecht komen?