Het kaboutermanneke op mijn schoere

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     442 Views     Leave your thoughts  

‘t Is nog zo danig lange niet geleden dat ik weer om een rariteit uit mijn vel schoot. Die zemels, die zemels! Van als er een sch … verdraaid zit, vlieg ik – stantepede op mijn paard met mijn arms en mijn haar in de lucht. ‘t Wil maar niet beteren. Dien dag komt er een kennisse bij mij thuis aankloppen om te vragen of ik hem niet een paar plekskens kan aanwijzen waar hij schone portretten kan trekken om mee te doen aan een prijskamp.

Ik zeg hem : ,,We zouden een keer kunnen gaan kijken tot aan den ‘Hovaeremeulen, maar, spijtig genoeg, de wieken zijn er af.” Hij zegt : ,,Dat is niets ; we kunnen misschien algelijk eens gaan kijken.”

Ik zeg : ..’: Is goed.” Zo gezeid, zo gedaan.

Als we daar aankomen : ,,Kijk,” zeg ik, “dat is nu den Hovaere, en is dat nu niet zondejammer van die wieken? Vroeger, met die dingen er aan, was dat veel schoonder, veel schilderachtiger, heel de wijk was toen wreed pittagoresk.”

,,Wadde?” zegt mijn kennisse, ,,Pittagoresk? Waarhaalt gij dat uit? ‘k Heb ik dat woord van mijn leven nog niet gehoord ; dat moet zeker niet bestaan in ‘t Vlaams.”

“Hee,” zeg ik daarop, ,,je hebt gij dat woord nog niet gehoord ? Komt gij uit zo’n achterlijke streek?”

,,Wil je altemets niet zeggen: rustatiek?”, vraagt mijn kennisse.

,,Neen,” antwoord ik, ik wil zeggen: pittagoresk, gij dommekloefe. Rustatiek, dát bestaat niet in ‘t Vlaams. En ‘k peins nog nooit dat ik van jou veel te leren heb.”

Baf ! ‘t Zit er wéér op. In één-twee-drie zijn mijn zemels weer aan ‘t kittelen.

Op dat moment komt den onderpastor, eigenlijk een halve koereur, lijk een schicht met zijn velo aangesprlnt. Hij let er direct op dat er tussen ons iets scheef zit. Hij freint dat zijn freins ervan piepen.

“Ehwel, vrienden,” zegt, hij, ,,is er entwad dat wringt?”

Ik ben er natuurlijk den eersten bij om de kwestie te explikeren.

“Mijnhere den onderpastor,” begin ik zo beleefd mogelijk, ,,’t is dendeen hier zie, die het in gang gestoken heeft. Ik zeg dat den Hovaere vroeger pittagoresk was, en dien olijkaard gebaart dat niet te verstaan en zegt dat ‘t moet rustatiek zijn in plaats van pittagoresk.”

,,Maar mijn welbeminde vrienden toch,” zegt den onderpastor, ,,waarvoor dat gij ruzie maakt, voor woorden die juist dezelfde betekenisse hebben : pittagoresk en rustatiek, dat zijn toch synanoniemen.”

‘k Krijg gelijk een slag tegen mijn kake, en binst dat den onderpastor weer op zijn velo springt en verder koerst, zet ik mij op de meulewalle om weer een beetje tot mijn zelven te komen.

En alzo is dat wel niet alle dage maar toch stijf dikkers entwad. Mijn zemels kunnen hulder geen moment meer koeste houden.

‘k Ga er nog entwad van krijgen. Er begonnen ten andere al rare dromen van te komen, of beter gezeid; altijd dezelfde droom, nachten en nachten achter malkaar altijd dezelfden. leder kere zat er- een kaboetertje mij te embeteren op een van mijn schoenen. ‘k Liet het eerst in zijn wezen, maar op een ende kon ik het tochniet meer eerden en sloeg ik er achter gelijk achter een zwerm vliegen. Maar ‘t was rap gélijk een duveltje: sloeg ik net weg van mijn linkerschoere, als de weerlicht zat het op mijn rechterschoere, en alzo moeste ik altijd maar weg en were slaan totdat ik in schuim en zweet stond. ‘k Peinsde dat ik er zot ging van worden.

Mijn vrouwmens kon d’er geen oog meer van toedoen en kreeg er op den duur meer dan genoeg van. ,,Dat is een raar geval met jou,” zei ze, .. en ‘k zou je aanraden van zogauwe mogelijk een keer naar ‘n goê docteur te gaan.”

Ik naar; Maene., aan wien dat ik heel de situatie uiteen deed. Maene bekeek mij met zijn grote ogen een keer stijf goed vanachter zijn schrijftafel en dan nog een beetje beter. Achter een tijdeke vroeg hij: “Dat kaboetertje, hadde dat altemets geen rood pinnemutske aan?”

,,Ja’t,” zeg ik.

“En een blauw gestriept vestje ?” vraagt Maene.

,,Ja’t,” zeg ik were.

“Bon,” zegt Maene, die zeker den eersten den besten niet moet zijn om dat allemaal zo fien te weten. Hij bekijkt me nog een beetje beter. ,,Hadde dat kaboetertje geen groen broekske aan, alzo gelijk de kaleur van een biljartlaken?”

“Laat me een keer peinzen,” zeg ik tegen Maene, en dan : ,,’k geloof dan nog van ja.” ‘ ,,En zwarte getjes?”

“Mezienke ja’t, juist gelijk of dat je ‘t zegt ; ‘t had zwarte getjes aan ook. “Maar,” kan ik niet nalaten te vragen, ,,Mijnheer den Docteur, hoe is ‘t mogelijk dat gij zo goed weet wat dat dat kaboetertje allemale draagt?”

Ehwel,” zegt Maene, ,,omdat het wéér op je schoere zit.”

Maene staat rechte achter zijn schrijftafel. ,,En laat nu maar een keer je broek zakken,” zegt hij ; en een half minuutje later: ,,’t Is goed, je mag hem weer optrekken ; ‘t is gelijk of dat ik het gepeinsd heb : ‘t zijn de zemels.”

Hij geeft mij een flesselke medecine en zegt : ,,Een soeplepel, ieder kere als ‘t opkomt.”

Thuisgekomen heel ‘t vertellement aan mijn vrouwmens uiteen gedaan en als ‘s nachts dat kaboetertje daar were was, zei ze tegen mij : ,,Niet slaan, zulle, dat ik het eerst een lepel kan geven.”

Maar dat kaboetertje wilde de medecine niet inpakken en ‘t sloeg ernaar met zijn polleke, zodat heel de boel op ‘t beddelaken sturtte.

,,Kom, kom,” zei ik, ,,we gaan er geen komplementen aan maken.”

‘k Was direct weer ten toppen uit. ‘k Had niets te verletten : “k stekte ‘t ventje vierkante bij zijn kraag en, in mijn pyjama, was ‘k er te vluchte mee naar beneden, den hof in, waar dat ik het, zonder trunten, in den aandeput versmoorde. ‘t Moest het maar weten. En alzo was ‘t eerder gedaan of met die vuile medecine.

‘T Bergmanneke in ‘t Manneke uit de Mane van 1969