Het koninginnegat

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 week ago     67 Views     Leave your thoughts  

In het jaar 1189 vindt er in het klooster van Ter Duinen een eigenaardig gebeuren plaats. Een op de dool zijnde en berooide Leopold is naar verluidt een jonge Oostenrijker die na zware problemen zijn land moest verlaten. Hij meldt zich uitgeput aan bij de monniken van Ter Duinen en hij krijgt de kans om aan het werk te gaan in de abdij. En hij krijgt er onderdak. Abt Elias van Coxyde posteert de jongeling in de keuken waar Leopold in de smaak valt om zijn harde werk en zijn fijne manieren. Hij wordt al snel kamerjongen van Elias. Als de Duitse onderdanen van Leopold zich na een lange zoektocht aanmelden bij de abdij blijkt vrij vlug dat de kamenier niet minder is dan ‘Hertog Leopold V’, een man van hoge adel. Dankbaar neemt hij afscheid van Elias en de monniken. Elias voelt zich enigszins gegeneerd dat hij dergelijke voorname man als onderdaan heeft behandeld.

Het korte verblijf van de jonge Oostenrijker zal later heel belangrijk blijken voor Ter Duinen. Als Leopold een hele tijd daarna op de derde kruistocht vertrekt, komt hij in conflict komt met een dissidente Engelse koning Richard Leeuwenhart die zijn medekruisvaarders tegen zich in het harnas jaagt. Het is notabene diezelfde Leopold V die er in slaagt om Richard Leeuwenhart aan te houden in Wenen. Hij levert hem uit aan de Duitse keizer, waar hij uiteindelijk (Engeland heeft eerst een grote som moeten afdokken) uit zijn kerker vrijgelaten wordt.

Dat is het kleine verhaal. Maar tussen het betalen van het losgeld en de vrijlating van Leeuwenhart zit een hoofdrol vervat voor Elias van Coxyde. We gaan nog even naar 1193. De Engelse koning is recent hertrouwd met de Spaanse Berengaria van Navarra. Ze wordt op de hoogte gesteld dat haar man achter de tralies zit in Wenen en gaat op zoek naar iemand die een goede relatie heeft met Leopold.

Berengaria verneemt dat de Oostenrijker goede banden heeft met het nabijgelegen Ter Duinen en verzoekt Elias van Coxyde te onderhandelen met zijn vroegere ondergeschikte. Elias kan na een heel jaar vol onderhandelingen en mits de betaling van grote sommen losgeld koning Richard Leeuwenhart terughalen naar zijn thuisland. Richard, koning van Engeland, haalt een tijdje later zijn redder, de abt van Ter Duinen, met de grote trommel binnen in Engeland.

Hij wil Elias bedanken om zijn vrijlating. En wat de abt voor zijn abdij verwerft is helemaal niet min! Eerst en vooral wordt hij aangesteld als parlementslid in het Engelse parlement. De abdij krijgt de tienden (= de taksen en belastingen die geheven worden) van het ‘eiland’ Sheppey dat in die tijd ‘Sceapige’ heet. Sceapige is een gebied van 94 km² dat ligt aan de zuidwestelijke inham van de Theems en eigenlijk rechtover Ter Duinen aan de andere kant van de Noordzee. Sceapige is een Saksische naam die verwijst naar de vele schapen die zich in dat gebied bevinden.

De monniken van Ter Duinen geven het de grappige Vlaamse naam ‘Scapoijen’ (schapen en ooien). Abt Elias heeft plannen opgevat om een nieuwe abdij te bouwen en krijgt van Richard Leeuwenhart allerhande kostbare bouwmaterialen, marmer en albast. Bij de kostbaarheden zit een stuk donkergroen marmer van vijf meter op anderhalve meter. Het is zonder twijfel een fantastisch geschenk. Een, als een spiegel glanzend en kunstig afgewerkt stuk, natuursteen dat gebruikt zal worden als nieuwe altaar in Ter Duinen.

Elias kan niet vermoeden dat zijn kostbaar marmeren altaar zowat 400 jaar later tijdens de godsdienstonlusten van 1587-1593 uiteindelijk door het vuur vernield zal worden. De abdij van Ter Duinen zal met zijn overzeese eigendommen en al die geïmporteerde bouwstoffen er in slagen een nieuwe abdij te bouwen. Pas tijdens de regering van Elisabeth I in de 16de eeuw zullen de rechten van Ter Duinen op Scapoijen eenzijdig door de Engelse vorstin aangeslagen worden en opnieuw Engels bezit worden.

De pest velt onze graaf Filips van den Elzas op 1 juli 1190. Mathilde van Portugal, zijn weduwe krijgt een ‘douarie’ om u tegen te zeggen. Zo lang ze leeft krijgt ze het grootste gedeelte van West-Vlaanderen, Rijsel, Douay en Sluis voor zich alleen. Ze wordt onder andere soeverein over Veurne, Sint-Winoksbergen, Cassel, Belle, Brouckburg en Waten. Mevrouw gaat wonen in Veurne. Ze laat de residentie waar Geertruide, de weduwe van Robrecht de Fries, lange tijd verbleef opnieuw decoreren en gaat zich als een echte koningin vestigen in Veurne-Ambacht. In die tijd beletten overvloedige regenval, felle stormen en onweders de rijping van de veldgewassen en kunnen er daardoor geen nieuwe gewassen gezaaid worden.

Gevolg: de prijzen van de levensmiddelen exploderen in 1195. Waar de mensen enkele jaren geleden nog iets konden kopen aan 5 stuivers, moeten ze momenteel 48 tot 50 stuivers neerleggen. Beeld u de situatie in anno 2014 dat we plots 18 € zouden moeten betalen voor een gewoon (gesneden) brood. En tot overmaat van ramp is er weer oorlog met Frankrijk. De liefde tussen Vlaanderen en Engeland is te groot en daar wil de Franse koning een stokje voor steken.

In 1199 valt hij West-Vlaanderen binnen en rukt hij op tot aan de Leie. De Fransen laten een spoor van vernieling achter. De herfst van 1199 is opnieuw zeiknat en tot overmaat van ramp wordt de versterkte stad van Ieper veel te zwaar verdedigd. Het Franse leger druipt af. In het jaar 1200 komt er gelukkig weer vrede tussen Vlaanderen en Frankrijk.

Mathilde, de vorstin van Veurne, heeft het wel erg bruin gebakken tijdens de oorlog. Terwijl ze de voorbije jaren veel taksen heeft geheven op de kap van de bevolking met als alibi de versterking voor de oorlog, vluchtte ze bij het uitbreken van die oorlog met al haar hebben en houden naar Brugge. Ze liet de Veurnenaars aan hun lot over.

Die laffe vlucht van Mathilde beroert de bevolking. Terwijl de mensen van Ieper zich in veilige bescherming voelden, moesten die van Veurne vol angst de Franse plunderingen ondergaan. En nu de oorlog voorbij is, komt madame gewoon terug naar haar hof in Veurne. Alsof er niets gebeurd is. Het belastingsgeld van haar douarie wordt gewoonweg verder besteed aan uitbundige pracht en praal en aan de vele adellijke gatlikkers die rond Mathilde zwerven als vliegen rond de stroop. Veurne is in 1200 een dichtbevolkte stad geworden.

Het paleis van Mathilde bevindt zich op de plaats waar zich veel later het college en het Capucienenklooster zullen bevinden en zal na de dood van de gravin aan de Tempelheren worden geschonken om vervolgens het eigendom te worden van de ridders van Sint-Jan van Jeruzalem. De bevolking van Veurne is dergelijke hoge belastingen niet gewoon en revolteert. De ‘zeune Rijckewaerts’, Rijckewaert Blauvoet, een adellijke streekridder uit een voorname en rijke Veurnse familie organiseert het verzet tegen de zware belastingen van Mathilde.

Ook Herbrecht van Wulverghem de schoonbroer van zeune Rijckewaerts, sluit zich aan bij het verzet dat allengs wordt gedragen door zowat heel Veurne-Ambacht. De verontwaardiging is groot: ‘men wil ons wijs maken dat die nieuwe taksen tot de onderneming van de vierde kruisvaart en tot ondersteuning van de krijg tegen de ongelovigen moeten dienen. Maar dat is een vals voorwendsel want de gravin Mathilde denkt niet méér aan het Heilig Land dan wij, de gewone mensen, het is zij zelf die geld met hele handvollen moet hebben om haar poetsmakers, haar zangers en dansers te betalen!’

Rijckewaert en Herbrecht besluiten om geweld te gebruiken als de belastingsambtenaren, de conincstabels, aandringen op het betalen van de belastingen. De officieren van Mathilde die op 15 november 1201 de parochies doorlopen om de belastingen te innen worden door de bende van Rijckewaert Blauvoet om het leven gebracht.

Ryckewaert, verantwoordelijk voor de dood van een groot aantal officieren van de gravin, wordt uiteindelijk aangehouden. De soldaten van Mathilde voeren Rijckewaert Blauvoet, te midden van een grote volkstoeloop, naar de gevangenis van de Burcht te Veurne waar hij achter de tralies vliegt. De 16de november 1201 is het prijs! De bevolking komt in opstand tegen de gevangenschap van de man die zich behartigt om hun welstand. Herbrecht van Wulveringem zweert zijn schoonbroer te zullen wreken. Hij trekt heimelijk de stad uit en verzamelt een groot aantal aanhangers, die allen verbitterd zijn om de nieuwe belastingen van de gravin en om de aanhouding van Rijckewaert.

Ze besluiten in groep Veurne binnen te vallen. Binnen de stad verzamelt een zekere Siegbrecht Ysengrim, raadsheer, mede-ontwerper van de hatelijke belastingen en lieveling van de oude gravin al het krijgsvolk dat achter de gravin is blijven staan. De beschermers van Mathilde gaan op de marktplaats van de stad in de clinch met de bende van Herbrecht.

Het wordt een hard en bloedig gevecht daar op de markt van Veurne. Hoe het zal aflopen lijkt even minder duidelijk, maar diegenen die Ysengrim hebben gevolgd worden tenslotte overmand. Velen sneuvelen. De rest neemt lafhartig de vlucht en dat terwijl hun leider in groot gevaar verkeert. Ysengrim blijft zich dapper verweren maar de overmacht is te groot en hij valt dodelijk gewond neer op de grond. De overwinning is binnen voor de heer van Wulveringem die zich onmiddellijk naar de gevangenis van de burcht begeeft en er Ryckaert of Rijckewaert Blauvoet en de andere gevangenen vrijlaat. Hij steekt vervolgens het imposante gebouw in de fik. Herbrecht en zijn manschappen trekken zich nu terug in zijn versterkt kasteel in Wulveringem. Ondertussen is een bittere vete ontstaan tussen de mensen die achter Ryckaert staan (de Blauvoetijners) en diegenen die Siegbrecht genegen zijn.

De Ysengrimmers.

Ik word diep getroffen door de intense schoonheid van een gedicht in de jaarboeken van Veurne.

Dat ’t blankachtige strand ’s Blauvoetijners lekt, en de streken,
Waer oud Vlaenderens oord tot moerassigen oorden zich uitbreidt,
En waer, immer te weere gewapend met zwaerden en lansen,
De Ysengrimmers, te midden des oorlogs, de akkers beploegen,,
En waer Veurne de velden bevrucht, niet verre van ’t zeestrand,
En waer de Belg zijn, gansch tot puine vervallene, haerdgoôn
Toont, en gezonkene huizen, getuigen van vroegere rijksmacht.

De locatie waar Ysengrim wordt verslagen ligt op de hoek tussen de Markt en de Zuidstraat, een plek die sindsdien in de archieven bestempeld wordt als de ‘Ysengrim Hoek’. Op 14 maart 1393 zal koning Filips de Stoute per abuis de plaats betitelen als ‘Engel Hoek’. Wanneer de graaf van Vlaanderen, Boudewijn IX verneemt wat er gebeurd is in Veurne-Ambacht, stuurt hij een grafelijke delegatie met krijgslieden naar Veurne om er de rust te herstellen.

Dat lukt ook. Hoewel het niet duidelijk is of er gevechten plaatsvinden. De heer van Wulveringem, het hoofd van de Blauvoetijners, en zijn kopmannen zijn op de vlucht geslagen. Ze worden door de graaf voor eeuwig uit Vlaanderen verbannen en hun goederen worden aangeslagen.

De Blauvoetijners hebben geluk dat de nieuwe kruistocht er aan komt. Ook de graaf vertrekt op missie. Boudewijn IX heeft nog maar net het land verlaten om zich naar Palestina te begeven of een stoutmoedige Herbrecht van Wulveringem keert terug naar Veurne-Ambacht. We bevinden ons opnieuw in Wulveringem.

Het jaar 1204. Herbrecht is er terug in zijn kasteel. De mannen van heel Veurne-Ambacht trekken naar Wulveringem om zich aan te sluiten bij de Blauvoetijners. Die verdomde belastingen moeten weg! Het leger van de Blauvoetijners valt op een vroege morgen Veurne binnen. De verraste Mathilde krijgt amper de tijd om haar biezen (en haar juwelen) te pakken en weg te vluchten naar Sint-Winoksbergen. De Blauvoetijners laten zich bij hun terugkeer binnen Veurne door verschrikkelijke en brutale moedwilligheden kennen.

Ze plunderen en verbranden het paleis van de oude gravin, vernielen zonder mededogen de woningen van de Ysengrimmers, en gaan vervolgens, het hele vlakke land door, wraakzuchtig op zoek naar allen die verknocht zijn aan Mathilde van Portugal. De weduwe van Filips van den Elzas zoekt hulp bij Philips Augustus, de koning van Frankrijk. De machtige monarch stuurt een legerkorps soldaten vanuit Artois en verzoekt enkele Waalse edelen om zich te vervoegen bij de aanhangers van Mathilde. Ze stelt zich aan het hoofd van haar leger dat op weg gaat naar de weerspannigen.

De zesduizend Blauvoetijners worden aangevoerd door hun kopstukken Herbrecht, de heer van Wulveringem, Ryckaert Blauvoet, de heer van Pervijze en Wauter, de heer van Hondschote. De Ysengrimmers ontmoeten ter hoogte van Bulskamp grote weerstand van de Blauvoetijnse boeren, maar slagen er in hen te doen wijken. Het gros van het leger van Herbrecht bezet het dorp Houthem tussen Veurne en Brugge. Mathilde valt de rebellen in volle kracht en van alle kanten aan zodat ze een zware nederlaag lijden. De Blauvoetijnen voelen zich genoodzaakt te vluchten via de Broeken. Langs de Moerkant trekken ze vertwijfeld naar het dichtbij gelegen kasteel van Wulveringem.

Na deze belangrijke overwinning willen de Ysengrimmers nu het kasteel van Wulveringem belegeren. Maar daags voordat de aanval zal worden uitgevoerd, krijgt Herbrecht opnieuw grote bijstand van de bevolking die zich bij hem voegt op het kasteel. Mathilde is op komst met stormrammen en al het nodige zwaar gereedschap om de vesting van Wulveringem open te breken. Maar Herbrecht laat zich niet opsluiten en stelt zijn volk op in het veld rond zijn kasteel.

Er ontstaat een furieus gevecht tussen de Blauvoetijners en de Ysengrimmers en laatstgenoemden moeten noodgedwongen wijken na ongehoord veel verlies van volk. Mathilde moet een tweede keer vluchten en vertrekt andermaal met het overschot van haar leger naar Sint-Winoksbergen dat ze met de hakken over de sloot bereikt.

1205. De tijding van de dood van Boudewijn IX die zich tot keizer van Constantinopel had laten kronen, komt in Veurne-Ambacht juist van pas om de rebellen nog meer rebels te maken. Het voorbije jaar zijn de rellen tussen de Blauvoetijners en de Ysengrimmers schering en inslag. Elk van de partijen rooft, moordt en brandt er op los. De hele Westhoek is met deze burgeroorlog een levensgevaarlijke landstreek geworden.

De Ysengrimmers vallen in 1205 het kasteel van Oeren aan en schieten de eigenaars, Blauvoetijners en broers Omaer en Jan Knibbe dood. Ook de versterkte woning van Jacob Veyse wordt in brand gestoken en zijn hele gezin wordt door de Ysengrimmers geliquideerd. In Steenkerke wordt Geeraert Sporkin verkoold in zijn eigen huis. Het is maar al te duidelijk dat het gros van de adel van Veurne-Ambacht zich in het kamp van de Blauvoetijners bevindt. Ook zij laten niet na om de Ysengrimmers te beroven en te doden.

In heel de casselrie van Veurne is het allemaal moorden en branden die de klok slaan. Ook in de casselrie van Sint-Winoksbergen is het onrustig want ook daar kan de bevolking de lasten die Mathilde hen oplegt amper dragen. In Hondschote ontmoeten de Blauvoetijners een bende brandstichtende Ysengrimmers. Tijdens een zware schermutseling worden vijftig Ysengrimmers gedood.

De Blauvoetijners besluiten de Ysengrimmers finaal het land uit te drijven en om Sint-Winoksbergen te belegeren. Vierduizend man verzamelen zich onder leiding van de onversaagde Herbrecht. Wouter van Hondschoote komt de Blauvoetijners met veel edellieden versterken en gooit drieduizend nieuwe misnoegden van Bergen-Ambacht in de strijd.

Maar het internationale blauwe bloed waakt. Ons kent ons! Christiaen van Praet, de grootbaljuw van Sint-Winoksbergen en de Luxemburgse ridder Gerard du Fay, allebei mannen van uitstekende dapperheid, zweren om de gravin tot ter dood bij te staan en sturen een omvangrijk leger naar Sint-Winoksbergen.

Tijdens de slag om Sint-Winoksbergen gaan de belegerden met alle kracht in de aanval. Het is een uitbraak die de Blauvoetijners zuur opbreekt. Ze krijgen er van langs als nooit tevoren. Méér dan drieduizend Blauvoetijners sneuvelen op het slagveld. De nederlaag is zo bloedig dat de maandag waarop de strijd doorgaat de naam krijgt van ‘Rode Maandag’. Eind 1206 lijkt er een einde gekomen te zijn aan de burgeroorlog in de Westhoek.

Maar nog is de ellende niet voorbij. De Blauvoetijners die het gevecht overleefden, verspreiden zich nu in de dorpen en splitten zich in kleine bendes die met een nog grotere hardnekkigheid de aanhangers van de oude gravin blijven kwellen. Mathilde durft zich nog altijd niet te vertonen in de dorpen van Veurne-Ambacht. Het is en blijft een netelige toestand voor de gravin. Ze besluit om bescherming te vragen aan Arnold II, graaf van Guisnes, die haar voorstelt om voor zekerheid te kiezen en om in zijn kasteel in te trekken.

De Blauvoetijners zien één en ander niet graag gebeuren. Ze zitten op hun tandvlees na die vele veldslagen en nu nog de tegenstand erbij krijgen van het machtige leger van de graaf van Guisnes is er te veel aan. Ze starten onderhandelingspogingen om tot vrede te komen met de gravin. Mathilde is opgelucht dat de goede wil bij haar weerspannige bevolking eindelijk aan het terugkeren is en schenkt maar al te graag vergiffenis en kwijtschelding. Dat is niet het geval voor de aanstokers!

Ryckaert Blauvoet, Herbrecht van Wulverghem, Wauter van Hondschote en enkele andere kopstukken worden uit Vlaanderen verbannen en hun goederen worden verbeurd verklaard. Het grootse kasteel van Wulveringem waar Mathilde haar bloedige nederlaag heeft moeten slikken, wordt volledig vernield. De slotgrachten worden voor de helft opgevuld. Het kasteel van Hondschote wordt afgebrand en van het kasteel van Pervijze blijft alleen puin over. Puin dat sindsdien onder de naam van ‘Blauvoets-Walle’ bekend staat.

Nog een woordje over het verwoeste kasteel van Wulveringem. Het kasteel is het eerste leenhof van de parochie Wulveringem dat daarom trouwens ook die naam draagt. In die tijd is het immers de gewoonte dat de parochies de naam dragen van hun voornaamste leenhof. Na zijn verwoesting door Mathilde, wordt de grond van het kasteel verkaveld in vijftig nieuwe achterlenen elk van tweehonderd gemeten grootte.

Later zullen die achterlenen verder verdeeld worden in andere lenen zoals bijvoorbeeld het ‘Ooievaarsnest’ (anno 2010 in de Sikkelstraat) een leen van vijfenzeventig gemeten en ietwat meer naar het westen toe, niet zo ver van de Moeren het leen ‘Het Zwaantje’, gebouwd op een hoge wal waar nog de restanten van oude gebouwen zullen worden teruggevonden. Het Zwaantje zal lange tijd eigendom zijn van de graven van Vlaanderen tot dat graaf Lodewijk van Male het zal schenken aan zijn vijfde bastaardzoon Jan zonder Grond, die het zal doorgeven aan zijn erfgenamen.

Het kasteel van Rijckewaert Blauvoet staat volgens de overlevering op de plaats die tegenwoordig omschreven wordt als ‘Blauvoetijnenwal’ waar zich nog steeds het Blauwhuis bevindt. Het oorspronkelijke leen wordt door de gravin verdeeld in zesendertig nieuwe achterlenen. Het spel van de Blauvoetijnen is definitief uitgespeeld. Nadat de vrede is teruggekeerd komt Mathilde in 1208 naar Veurne terug. Zij laat haar paleis heropbouwen en blijft er wonen tot in 1213 wanneer de oorlog tussen de Franse koning Philips-Augustus en haar neef, graaf van Vlaanderen Ferdinand van Portugal, de rust en veiligheid in Veurne-Ambacht grotendeels in het gedrang brengt.

Tijdens de oorlog van 1213 zullen de oude vijanden, de Blauvoetijners en de Ysengrimmers, zijde aan zijde vechten voor het vaderland. Geeraert, heer van Krombeke en Thomas, heer van Lampernisse laten er het leven. Mathilde van Portugal sterft op 20 mei 1218 na een ongeval met haar koets na een bezoek aan de abdij van Ter Duinen. Het voertuig kantelt in een diepe put vol modder en Mathilde sterft door verstikking.

De plaats waar de gravin valt, wordt aanvankelijk ‘gravinnegat’ genoemd en later door onwetendheid of vergetelheid omgedoopt tot ‘koninginnegat’. Het lichaam van Mathilde wordt naar Veurne gebracht waar het gebalsemd wordt en in een loden kist neergelegd. De rouwstoet van Veurne naar de abdij Ter Duinen wordt vergezeld door zowat de hele Vlaamse adel en door Johanna van Constantinopel, de gravin van Vlaanderen. De bisschop van Terwaan gaat de begrafenisdienst voor en Mathilde wordt ter aarde besteld in de kerk van Ter Duinen. Later zal ze opnieuw begraven worden naast haar man Filips van den Elzas in het klooster van Clairvaux. Veel kloosters en kerkelijke instellingen zullen profiteren van haar indrukwekkende nalatenschap.
In het jaar 1232 woont een machtig ridder in het kasteel van Roesbrugge. Zijn naam is Willem van Bethune, heer van Meulebeke en van Loker. Hij behoort tot de machtigste adel van het land. Door zijn huwelijk in 1210 met Elisabeth is hij nu ook de kasteelheer van de heerlijkheid van Roesbrugge geworden. Elisabeth is een erfgename van het oude plaatsje aan de Ijzer gelegen. Bekend onder de naam ‘Ponte Rohardi’ of ‘Rohardsbrugge’, dat later zal evolueren tot Roesbrugge. Ze is vermoedelijk de dochter van Willem van Sint-Winoksbergen.

Hun kasteel bevindt zich aan de linkeroever van de Ijzer in Beveren. Elisabeth van Rohardsbrugge is een erg godvruchtige vrouw. Ze komt in contact komt met een zekere priester Nicolaes van Sint-Winoksbergen die haar vraagt om naast hun heerlijkheid een vrouwenklooster te stichten. Rond 1230 schenkt Elisabeth elf gemeten land in het bos langs de Ijzer waar het klooster kan worden opgetrokken. De bisschop van Terwaan zorgt voor de constructie en stuurt de abdis (niet zonder moeite) Mathilde en zes zusters van de orde van de Sint-Augustijnen uit het bisdom Kamerijk naar het nieuwe klooster van Roesbrugge.

In 1236 wordt het in gebruik genomen. Later zullen de zusters zich aansluiten bij de orde van de Victorijnen. Het klooster krijgt al snel de naam van ‘nova pluntatio monialum beatae Virginis’, wat staat voor ‘nieuwe plantagie van nonnen der heylighe Maecht’ of in onze taal: ‘Onze-Nieuwe-Vrouw ter Nieuwe Plant’. Na de dood van Willem van Bethune op 24 augustus 1243, gaat zijn weduwe Elisabeth van Rohardsbrugge definitief wonen in het door haar gebouwde klooster waar ze nog drieëndertig jaar het beste van zich zelf zal geven voor het zeer gerenommeerd klooster.

Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, schenkt in 1235 een uitgebreide duinengordel aan de abdij van Ter Duinen zodat gebouwen en grond van het klooster zich nu al uitstrekken over een lengte van 2.414 lopende meter.

In 1236 ontstaat er grote ophef tussen de proosdij van Sint-Walburga en de stad Nieuwpoort. De proost van Veurne meent zijn rechten te moeten laten gelden op de vistienden, belastingen die geheven worden op de kap van de vissers. Het stadsbestuur van Nieuwpoort is daar helemaal niet voor te vinden en weigert. Daarop gaat de proost van Sint-Walburga over tot dagvaarding van Nieuwpoort. Hij stuurt twee priesters naar de havenstad om er de tienden op te eisen. De komst van de hardnekkig aandringende priesters jaagt de Nieuwpoortenaars de bomen in. Ze gaan helemaal door het lint. Wat begint als een vechtpartij eindigt uiteindelijk met de moord op de priesters van Sint-Walburga.

Het spel zit nu helemaal op de wagen. Alle inwoners van Nieuwpoort worden in de ban van de kerk geslagen. Geëxcommuniceerd dus. Het is een al te zware straf voor de hele bevolking en na een tijdje verzoeken aan aantal prominenten om eens te praten met elkaar om tot een vergelijk te kunnen komen. Gravin Johanna en Adam, de bisschop van Terwaan, organiseren een soort tribunaal, een bemiddelingspoging en nodigen een aantal partijen uit om in alle onafhankelijkheid het geschil bij te leggen.

Vraag is welke tegenprestaties er moeten komen om de ban van de kerk over de hele bevolking ongedaan te maken. De abt van Sint-Bertijns, de proosten van Sint-Omaars en van Brugge en de kanselier van Vlaanderen worden, onder bedreiging van boetesom van 1000 pond, verplicht zich te melden als juryleden. Op 13 september 1236 volgt het verdict van de jury. Eerst en vooral worden de vijfentwintig Nieuwpoortenaars die betrokken waren bij de moord naar zee verbannen waar ze één jaar moeten verblijven. Onder hen bevinden zich zowel schepenen als gewone burgers. Maar voor de zeereis begint, hebben de vijfentwintig gestraften nog heel wat andere katten te geselen!

De verbanning op zee start op de feestdag van Sint-Jan de Doper op 24 juni 1237 en zal dus duren tot 24 juni 1238. Tussen 13 september 1236 en 24 juni 1237 moeten de mannen een aantal plechtige processies afleggen. Zet u schrap: want dit is wat ze moeten doen als straf: ze moeten op plechtige processie naar de hoofdkerk van Terwaan, naar Sint-Omaars, Sint-Bertijns, Sint-Walburga en Sint-Niklaas in Veurne, naar Diksmuide, Ieper, Cassel, Grevelingen, Calais, Wissant en Boulogne. Vervolgens naar de hoofdkerk van Doornik, naar Sint-Donaas en Onze-Lieve-Vrouw in Brugge, Sint-Pieters en Sint-Baafs in Gent, de Sint-Pieterskerk in Rijsel, naar vier kerken in Kamerijk (Cambrai), naar Arras (Atrecht) en naar de kerken van Douai en Bethune.

De processiegangers dienen de processies blootsvoets, in hun ondergoed, en bij het dragen van roeden uit te voeren, hierbij het gebed ‘Miserere mei, Deus’ (wees mij genadig God) opzeggende. Van elke processie dienen honderd notabelen van Nieuwpoort getuige te zijn. De straf dient integraal te worden uitgevoerd op straffe van verbeurdverklaring van al hun eigendommen.

Ook het stadsbestuur krijgt een straf van de rechtbank: vooral jaarlijkse geldboeten en steungelden voor streekkloosters dienen vereffend. Ook het nieuwe klooster van Roesbrugge moet vijftig pond als rente ontvangen van het Nieuwpoortse stadsbestuur. Schadevergoedingen voor de vermoorde priesters, vergoedingen voor kosten.

Ze worden verplicht duizend pond op tafel te leggen om een versterkte woning te bouwen voor de gravin en ze dienen daar bovenop nog te zorgen voor het uitgraven van de grachten en het bouwen van de versterking. En bovendien moet Nieuwpoort een stuk grondgebied afstaan. Er is één lichtpunt voor de Nieuwpoortenaars: als al het volk tussen de zestien en zestig jaar zweert nooit nog ook maar enig leed te doen aan priesters krijgen ze kwijtschelding van het betalen van de vistienden waar het allemaal mee begonnen was.

In 1237 wordt het nieuwe klooster van Ter Duinen in gebruik genomen. In 1197 had Elias de grondvesten gelegd en het is uiteindelijk de nieuwe abt Nicolaas van Belle die het nieuwe gebouw optrekt en afwerkt. De verhuis van de oude naar de nieuwe abdij gebeurt processiegewijs. Ook alle begraven abten en monniken in het vroegere gebouw worden overgebracht naar een nieuwe begraafplaats.

Bij het opgraven van voormalig abt Sint-Idesbald, die ondertussen al tweeënzeventig jaar begraven is, blijkt zijn dode lichaam exact in dezelfde toestand te zijn zoals het in 1165 begraven was. Later zullen we vertellen over de tweede opgraving van Sint-Idesbald in 1627. De magistratuur van Veurne-Ambacht is in het jaar 1240 niet erg hoog geacht en beperkt zich vooral tot burgerlijke zaken tussen de Veurnenaars zelf. Criminele en bestuurszaken binnen de casselrie zoals de organisatie van de pointingen en settingen, het innen van de belastingen, gebeuren bij de belangrijkste leenmannen van het prinselijke leenhof op den Burg te Veurne.

Het zijn enkel zij die de hoofdlenen bezitten die uitgenodigd worden op de Burg. De hoofdleenmannen dragen zoals gebruikelijk in die tijd de namen van de parochies waar hun respectieve leenhoven gelegen zijn: zoals de geslachten van Stavele, Haringe, Proven, Wulveringem, Isenberge, Leisele, Lampernisse, Oeren, Pollinckhove en de andere. Alle strafrechterlijke en bestuurszaken in die gemeentes worden dus enkel en alleen bepaald door die éne hoofdleenman die hen vertegenwoordigt in den Burg te Veurne. In 1240 wordt de macht van de hoofdleenmannen in hun leengebieden bijna helemaal te niet gedaan.

Gravin Johanna van Constantinopel schenkt de magistratuur van Veurne een eigen wetgeving en wetboek (een keure of keurbrief) die vanaf juli van dat jaar in gebruik zal worden genomen in heel Veurne-Ambacht. De burgemeester en de schepenen van de stad worden met onmiddellijke ingang van zaken ook als ‘keurheren’ (administrateurs) betiteld. Ze worden verantwoordelijk voor alle wetten en voor de inning van de pointingen en de settingen in de hele casselrie.

De paus roept nog maar een keer op om op kruisvaart te vertrekken en oorlog te voeren tegen de ongelovige Sarazenen. De druk verhuist al snel naar Frankrijk en Vlaanderen waar gravin Margaretha van Constantinopel in 1248 opdracht geeft aan haar zoon Willem van Dampierre om de voorbereidselen te treffen voor de nieuwe kruistocht die er zit aan te komen. En natuurlijk wordt ook weer het volk opgetrommeld om mee te helpen.

Kardinaal Petrus à Colle komt officieel de kruistocht verkondigen en meldt zich ook aan in de Sint-Walburgakerk van Veurne waar hij een groot sermoen afsteekt en de inwoners van de casselrie oproept om in deugd en godvruchtigheid hun duit in het zakje te doen en mee te helpen aan deze goddelijke opdracht. De inwoners van de casselrie Veurne slagen er in een schip gevuld met gereedschappen, goederen en proviand klaar te krijgen om de lange zeetocht naar het oosten te maken.

Het schip ligt vertrekkensklaar aan de monding van de Ijzer. In ’t Wijde, een diepere vaargeul in Oostduinkerke. Wanneer de tijd gekomen is om te vertrekken, stappen de vrijwilligers van de streek van Veurne naar Oostduinkerke, vergezeld van hun familie en vrienden. De bloemen worden nog een laatste keer met grote sier buitengezet en iedereen wenst de reizigers een goede en behouden trip naar het Heilig Land. Het schip vertrekt met de beste wind uit de haven van Oostduinkerke om zich te voegen bij de hele Vlaamse vloot die aangemeerd ligt in Duinkerke.

Onder het geschal van de trompetten komt het Veurnse schip aan in Duinkerke. Geloof het of niet, maar precies op dit moment slaat het noodlot ongenadig toe. Schipper en stuurlui hebben het de voorbije avond zo bont gemaakt dat ze amper in staat zijn om het schip te besturen. In dronken toestand begaan ze een noodlottige stuurfout, waardoor het schip slagzij maakt en ter plekke zinkt. De meeste opvarenden, onder wie veel edellieden en priesters verdrinken.

De grote stukken gereedschap waar de bevolking van Veurne-Ambacht zo voor gewerkt en gespaard heeft, gaan verloren. Wat een dramatische gebeurtenis vindt daar plaats in de haven van Duinkerke! De mensen lopen er vertwijfeld naar toe. Naar de zee. Op zoek naar hun geliefden die overal aanspoelen aan de kust. De lichamen worden één voor één opgevist uit het water. De vele ongelukkigen worden ten grave gedragen. In heel Veurne en Veurne-Ambacht bestaat er geen enkele familie die de volgende maanden niet in rouwkledij getooid is.

Tot in het jaar 1266 waren de aangestelde schepenen van Veurne benoemd voor hun hele leven. Daar komt onder druk van Vlaanderen verandering in. Graaf Gewijde van Dampierre verordent dat de schepenen elk jaar moeten wisselen op Onze-Lieve-Vrouw-Lichtmis, en dit voor een eerste keer op 2 februari 1266. Niemand mag twee jaar na elkaar schepen zijn. Ook familieverbanden binnen het schepencollege worden strikt verboden.
In oktober 1274 verlengt de graaf van Vlaanderen de Veurnse stadskeure van 1240 mits enkele wijzigingen in de wetgeving. In 1277 verordent Gwijde van Dampierre dat de burgemeester en schepenen van de stad Veurne, op straffe van een boete van tien Parijse ponden, om een treffelijk paard op stal te houden om hun werk op een professionele manier te kunnen uitvoeren. Hun paard dient een minimumwaarde te bezitten van honderd Vlaamse stuivers.

De oude dagboeken gaan verder met een geschil tussen de poorters van Veurne en de buitenmensen van Veurne-Ambacht in 1290 en de oorlog tussen Vlaanderen, Frankrijk en Engeland. Er staan nog veel hachelijke dingen te wachten voor de Westhoekbevolking.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>