Het leven in de abdij van Zonnebeke

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     717 Views     Leave your thoughts  

De reguliere kanunniken van de abdij van Zonnebeke: wie waren zij en hoe leefden ze?

Voor allen die zich aan de geschiedenis van Zonnebeke interesseren, is het belangrijk te weten, op grond van de bestaande documentatie welke de oorsprong is van deze Orde, wie de reguliere kanunniken van de heilige Augustinus waren die zich in Zonnebeke kwamen vestigen, en hoe ze leefden.

In den beginne waren het leden van een Orde die gemeenschappelijk leven en koorgebed met zielzorg verenigden. Zij waren geen monniken maar diosecane geestelijken die samen leefden.

Deze Orde was bijna zo oud als de kerk zelf. Eusebius (+371) legde de eerste levensregel vast voor de Kapittelgeestelijkheid van de kathedraal van Vercelli, en deze Regel werd door Martinus van Tours (+397) bevestigd.

Het groot succes van deze Orde was echter te danken aan Augustinus (+430) die een tiental kathedralen in Noord-Afrika onder deze, maar bijgewerkte Regel, bracht.

Het Augustijnse ideaal begon naar Frankrijk over te waaien en het Concilie van Latheranen erkende in 1059 officieel het reguliere leven van de samenlevende geestelijkheid door Augustinus uitgewerkt. Deze Orde was in de middeleeuwen tot voorbeeld van een ideale gemeenschap gesteld.

Het aantal kloosters of abdijen ging vlug de 800 te boven, zodat het cdentraal gzag grotendeels verslapte en in bepaalde gevallen genegeerd werd. Zelfs de pausen die hieraan verandering wilden brengen, konden er niets aan doen.

Spoedig kwam het verval, want door het onafhankelijk worden en de drang naar zelfstandigheid van iedere abdij, was het verlangen naar volmaaktheid, in de geest van gebed en onthechting, zoek geraakt.

Valeer Pil heeft in zijn boek deze toestanden verdoezeld door het alleen maar over abten te hebben die in de meeste gevallen werden benoemd uit politieke, financiële en familiale redenen die ver afweken van religieuze roeping en het leven ter glorie Gods.

Vanaf 1300 slonk het ledenaantal zeer sterk. De oudste abdij in het Vlaamse land was deze van Eeckhoute bij Brugge uit 1050. Dan kwam Zonnebeke in 1071. Volgeden: Lo, Voormezele, Ieper, Grimbergen, Eversham, Waasten, Soetendaal en Leuven.

De Orde waartoe Zonnebeke behoorde, heeft talrijke heiligen en Godsgeleerden voortgebracht met o.a. Ivo (1117), Geraldus (1126), Warinus (1158), Ubaldus (1160), Theotonius (1166), Laurentius (1180), Willem Tempier (1197), Hugo (1141), Richard (1173) en Jan van Ruusbroeck (1381).

Weinig is over de activiteiten van de kloosterlingen der abdij van Zonnebeke gekend, maar op grond van de oude documenten kan opgemaakt worden ‘dat heel het kloosterleven bleef gegrondvest op de liefde tot de evennaaste’. Zij leerden aan de lebeurders de onbegrijpbare religie, de manier om zo dicht mogelijk de onbereikbare God te benaderen opdat hij hun zorgen zou wegnemen, hun ziekten zou genezen, hun armoede lenigen en de nasleep van epidemieën zou vernietigen.

Niemand zal kunnen zeggen of Zonnebeke zonder deze abdij het ‘heerlijk verleden’ had kunnen zijn, want het is geschiedkundig bewezen dat, waar geen abdij was, er geen voedsel, geen werk, geen onderwij, geen beschaafd en geordend leven was, waaruit voorspoed en heimattrouw zich normaal ontwikkelden.

Toen het Protestantisme opkwam, telden de reguliere kanunniken van de heilige Augustinus over heel Europa ongeveer 1600 kloosters of abdijen. Hun aantal daalde tot 750 door de invoering van de Reformatie.

De abdij van Zonnebeke onderging ook die invloed net als de andere abdijen in Vlaanderen. In de jaren 1600 en 1700 kwam een lichte heropleving tijdens de contrareformatie. Maar spoedig viel alles terug door de inwerkende geest van het Jansenisme, gepropageerd door bisschop Jansenius uit Ieper en van het liberalisme van de Renaissance.

En om de serie tegenslagen te bestendigen, maakte de Franse Revolutie dat alle hoop op een betere toekomst te niet ging. Napoleon heeft de abdij van Zonnebeke zijn bestaansrecht ontnomen omdat alle kloosterlingen eensgezind geweigerd hadden de eer van trouw aan de Republiek af te leggen. De laatste overlevende pater stierf eenzaam te Bekegem in 1849.

Hoe leefden de kloosterlingen van de abdij?
Zij deden abdij- en parochiewerk, enerzijds om in hun eigen onderhoud te voorzien. Bijvoorbeeld het heffen van tienden, verpachting van gronden, ontginning van bossen en anderzijds werd er gewerkt om de armen te kunnen helpen, want werken was voor hen ook een vorm van gebed.

Algemeen wordt aangenomen dat zij 6 uur per dag aan koorgebed wijdden, 10 uur aan studie en werk en 8 uur voor eten en rusten. Het het er in de praktijk aan toe ging, is moeilijk te achterhalen vermits er toen geen vaste maat was voor het meten van de tijd. De kloostertijd werd toen aangegeven door de zandloper, de duur van het branden van een kaars of volgens de stand van de zon.

De Orde van de reguliere kanunniken was geen strenge Orde en een contemplatieve, maar een caritatieve. Wat het eten betrof, kenden ze goed de gekruide preparaten van vlees, vis en wild, eieren, kaas en groenten, fruit en olie. Wijn deden ze aanbrengen, en bier was er te Zonnebeke wellicht nog niet bekend.

Maar deze, volgens de ‘Cronicken’ fameuze smulpartijen vonden hun gerechtvaardigde oorsprong in de in de winter niet verwarmde lokalen en in de verre verplaatsingen te voet, waarvoor calorieën dienden gereserveerd te worden.

Iedere dag werd op een bepaald tijdstip brood aan de armen van de parochie uitgedeeld en de zieken verzorgd. Deze armen waren gelovige ouderlingen, zieken, gehandicapten of verlaten kinderen die meer gedreven door de angst van de duivel dan uit liefde tot God, de Roomse kerk aanklampten, zoals dat in de middeleeuwen was.

De kloosterlingen waren gekleed als de gewone priesters in zwarte toga. Bij hun overlijden werden ze in de kloosterkerk begraven of rond de gebouwen van de abdij.

Omstandigheden van plaats oefenden in de abdij een invloed uit (de uitgestrektheid van het woeste gebied van Ieper tot Roeselare) die de regel enigszins wijzigden. Met zekerheid mag aangenomen worden dat de abdij van Zonnebeke een zegen is geweest voor de plaats waar ze gelegen was en voor de omliggende gebieden.

Ook andere streken werden in Vlaanderen onder de invloed van deze abdijen begunstigd, invloeden met wereldwijde bekendheid, faam en religieuze inslag: o,a, Jan van Ruusbroeck in 1381, Jan van der Leeuwen in 1379, Godfried van Wevel in 1396, Jan van Schoonhoven in 1432, Florens Radewyns in 1400, Gerard Zerbold in 1398, Gerlach Peter in 1471 en Jan Mombaer in 1501.

Als men al deze historische gegevens voor ogen houdt en terugdenkt aan het heerlijk verleden van de Zonnebeekse abdij, zou het geenszins te verwonderen zijn dat eerstdaags in- en onder de blootgelegde grondvesten, waardevolle restanten zoals o,a, begraafplaatsen, utilitaire voorwerpen en eventueel goed verborgen geschriften, gevonden worden, dit dank zij de logistieke steun van de nationale dienst voor opgravingen…

Het ingedommelde Zonnebeke, dat eerst met curiosum het mollenwerk heeft zien aanvangen, begint zich in de belangstelling te interesseren.

Jos. Pil in Zonneheem van 1986