Het mirakel van de Leemput

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       8 months ago     324 Views     Leave your thoughts  

15.000 Ieperlingen zullen hun stad verdedigen
Ze hebben allemaal de opdracht om te waken over de gemoedsgesteltenis bij de bevolking en ervoor te zorgen dat er geen onlusten uitbreken. De mankracht waarover Ieper kan beschikken, kan onmogelijk luxueus genoemd worden, maar zou op zich wel voldoende moeten zijn. Er is geen enkel authentiek document beschikbaar dat ons kan vertellen hoeveel volk er aanwezig is om die gedenkwaardige belegering te weerstaan. Het blijft gissen. De bevolking bestaat op dat tijdstip uit meer dan 80.000 inwoners.

Als we er van uitgaan dat 1/5de van hen in staat is om de wapens op te nemen, dan bekomen we een getal van 15.000 strijders. Die worden toegewezen volgens een goed afgelijnd plan. De stad is onderverdeeld in 16 secties of kwartieren. Elk kwartier staat onder het gezag van een kapitein. Hij heeft de taak om iedereen die tot zijn militie behoort of die in zijn sectie woont in geval van nood op te roepen en te commanderen.

Dank zij de geschiedschrijver Adriaan van Schrieck (1560-1621) weten we nog de namen van de respectieve kapiteins. Het zijn Marcel Florisoone, Florentin Cornette, Baudouin Camerlinck, Michel van Wynckel, Eloi la Rivière, Pierre Schoonaert, Jean Vandenbossche, Lambert Moerman, Jacob Volbaut, André Paeldinck, Jean Van Beselaere, Olivier Lap en Allard Beaugrand. Verder zien we ook Victor Dubois, Joseph Vancostenoble en een zekere Wauthier van wie de familienaam onbekend blijft.

Het luguber geklingel op maandag 9 juni 1383
Bij deze strijdkrachten dienen natuurlijk ook de gilden te worden toegevoegd. De handboogschutters van Sint-Sebastiaan, de zwaardvechters van Sint-Joris, de buksschutters van de Heilige Barbara, de kruisboogschutters van Sint-Michiel zijn op dat moment in de tijd door de overheden en door de magistraten officieel erkende organisaties. De gilden zijn niet militair van aard maar toch wordt van hen verwacht dat ze bij elke omstandigheid in staat zijn om de stad te verdedigen. Elke gilde wordt geleid door een hoofdman, of indien deze afwezig is door één of andere hoogwaardigheidsbekleder van het broederschap.

Naast de 15.000 burgers beschikt de stad trouwens nog over verdere verdedigers. Het zijn niet alleen de bewoners van de buitengemeenten die binnen de vestingmuren van de stad hun schuiloord gevonden hebben maar de Ieperlingen beschikken ook nog over een bezoldigd ruiterijregiment onder de leiding van de heer van Falkenbourg (of Faucquemont). Later zal blijken dat dit regiment een vrij onbeduidende rol zal spelen tijdens het beleg. We zien hen nergens uitblinken. Er is geen sprake van opzienbarende wapenfeiten. We vinden ze enkel terug onder de rubriek ‘uitgaven’ aan dappere strijders, in de stadsrekeningen van die tijd. En zo is de toestand binnen de stad Ieper in juni 1383 op het moment dat de Engelsen volop aan de gang zijn met het plunderen van het nabijgelegen Poperinge.

Maandag 9 juni 1383. Bij het krieken van de dag heeft de werkklok aan het belfort, zoals gewoonlijk, geluid en zijn de Ieperlingen aan het werk getogen. Maar ze hebben amper de hand aan het werk geslagen als de grote en de kleine klok aan het belfort in de prille dageraad weerklinken. Het is al bij al een luguber geklingel dat de poorters waarschuwt voor nakend gevaar.

Braem De Meule krijgt geen tijd
André Paeldinck, burger van Ieper en eveneens kapitein van de Boterpoort, heeft de voorhoede van de Engelse en Gentse legers opgemerkt. Ze zijn op komst langs de weg die leidt van Poperinge tot Ieper. Hij slaat vliegensvlug alarm. De nadering van de vijand gebeurt zo plots dat enkele bewoners van de Ieperse buitenwijken er door verrast worden. Een zekere Braem De Meule krijgt niet eens de tijd om zich terug te trekken in de stad.

De buitenlieden die zich met hun kudden op weg bevinden en hopen om nog over voldoende tijd te beschikken om zich achter de stadsmuren in bescherming te brengen, zijn er aan voor de moeite. Ze vinden de stadspoorten onvermurwbaar gesloten. Samen met hun goederen en beesten vallen ze in de handen van de Engelsen. Ondertussen missen de alarmklokken hun effect niet binnen in de stad. De bewoners lopen uit hun werkplaatsen en hun huizen. Een bonte en nerveuze wemeling door de straten.

Ze verzamelen zich voor de hallen waar de standaarden ontvouwd worden en waar ze zich presenteren voor hun respectieve kapiteins. Daarna begeven ze zich naar hun aangewezen plaatsen. In een oogwenk worden de poorten en vestingen nu voorzien van de nodige verdedigers. De kanonnen worden opgesteld. De Engelsen walsen zonder slag of stoot door de buitenwijken. De schaarse burgers die ze ontmoeten, worden gedood.

beleg

Enkel de kerken van Brielen en Sint-Jan worden gespaard
De uitgestrektheid van die eerste omheining werkt verwarrend. Het grote aantal straten en de rijke kerken laten vermoeden dat ze zich hier al in de stad zelf bevinden. Ze vermelden aan hun thuisbasis in Calais dat de plaats Ieper al ingenomen is. De inname van de resterende vesting is gewoon nog kwestie van een drietal dagen belegering. Dat is in elk geval wat de Gentenaars voorhouden. De eerste Engelsman die de binnengordel van de stad benadert is Guillaume Feltier (anderen beweren dat het Tharinson is).

Hij berijdt een witte merrie en wordt gevolgd door zowat duizend krijgslieden. Ze willen zich via de Boterpoort toegang verschaffen tot de binnenstad. Een eerste poging om zich meester te maken van Ieper. Maar ze worden teruggeslagen door het kanonvuur dat losbreekt vanuit de hoogte van de vestingen waar de Ieperlingen een prima uitkijk hebben op de belegeraars. De avond valt na de eerste dag vol belegering. De Engelsen trekken zich terug tot op respectabele afstand van de stad. Morgen is een nieuwe dag. Tijdens de nacht organiseren de Ieperlingen een verrassende uitbraak richting buitengebieden die ze zonder medelijden in brand steken.

Ze moeten absoluut verhinderen dat de vijand er zich zou kunnen verschansen. De kloosters worden met pijn in het hart in de as gelegd. Enkel de kerken van Sint-Jan en Onze-Lieve-Vrouw ten Brielen worden gespaard. Bij dageraad zijn de Ieperse ‘suburbs’ veranderd in een desolate smeulende puinhoop. Deze stoutmoedige uitval brengt de Engelsen toch wat aan het twijfelen. De beschuldigingen tegenover de Gentenaars vliegen in het rond. De Engelsen voelen zich bedrogen. De Ieperse poorters zouden toch op de vlucht slaan bij hun nadering zoals die van Gent voorspeld hadden? Het tegendeel blijkt waar.

De stedelingen leggen een onverzettelijke moed aan de dag. Zie ze daar staan midden in die eerste nacht. Met de wapens in de handen, dicht bij het belfort, klaar om bij het eerste signaal naar de vestingen te snellen. De woekerende brand in hun voorsteden werpt een sinistere gloed in de hemel. De lucht gloeit als hete steenkolen. Hun thuis staat in brand en toch komt er geen klacht over hun lippen. Ze blijven trouw aan hun eed en verkiezen de vernietiging van hun eigendommen en de plundering van hun bezittingen boven de onderwerping aan de Engelsen. Onder de belegeraars bevinden zich Gentenaars en Ieperse wevers die destijds uit Ieper verbannen waren wegens hun sympathie met de vijand.

Het mirakel van de Leemput
Ze hebben allemaal wel een broer, een buur of een vriend binnen de stadsmuren. Zouden die hun niet goedgezind zijn? Hier en daar wordt er geroepen op die van de stad. ‘Doodt uw heren, denk aan de tijd die voorbij is. We zullen u helpen en we zullen samen goede vrienden zijn!’ Maar de poorters wankelen niet bij die verraderlijke smeekbeden. Ze hebben getrouwheid en onderworpenheid gezworen aan de voeten de Franse koning Karel VI en zullen die trouw blijven respecteren. Of durven ze niet anders?

De voorhoede van het leger van de Gentenaars en de Engelsen staat nu opgesteld voor het deel van de versterkingen die we de ‘Leemput’ noemen. Later zal die plek de ‘Boterplas’ worden genoemd. Binnen 600 jaar zal de Leemput plaats maken voor de parking aan het station. Hoe dan ook; in 1383 situeert de Leemput zich tussen de Boterpoort en de Elverdingse poort. We laten de kroniekschrijvers aan het woord die in hun vertelsels wel een heel naïeve lichtgelovigheid aan de dag leggen en schrijven over het grote mirakel dat zich aan de Leemput voltrekt. Binnen onze ‘Kronieken van de Westhoek’, maken we graag plaats voor sagevorming als onderdeel van de geschiedenis.

Een jong meisje van nauwelijks 14 jaar, wordt net voor ze de stad wil binnenglippen, opgemerkt door de Engelse soldaten en opgepikt. In die tijd is er bij soldaten geen enkel besef van moraliteit of ethiek. Huurlingen in dienst van hun bevelhebbers zijn precies varkens. Vrouwelijk schoon riskeert de meest brutale verkrachting. Nonnen, boerinnen, allen die een rok dragen, hebben bij de diverse militaire strooptochten van het verleden vaak dat wrede lot ondergaan. De jonge Ieperlinge riskeert op haar beurt verkracht te worden door de soldaten. Ze wil nog liever sterven dan die oneer te moeten ondergaan en werpt zich in het water van de gracht aan de Leemput.

Het meisje blijft drijven op het wateroppervlak
Het meisje dweept al een tijd met de Onze-Lieve-Vrouw van Nieuwkerke voor wie ze een bijzondere godsvrucht koestert. Terwijl ze de naam van haar maagd Maria prevelt en het teken van het kruis maakt, drijft ze biddend af naar de inham waar het water op zijn diepst en breedst is. Maar in plaats van onder het wateroppervlak te verdwijnen, blijft ze drijven op het water. Legende. André Paeldinck die zich op de dijk bevindt, bekijkt het bizarre tafereel en geeft opdracht aan zijn ondergeschikten om een boot te nemen en het zwalpend meisje ter hulp te snellen.

Ze wordt veilig en wel aan wal gebracht midden een haag van omstanders die de maagd Maria uitvoerig bedanken voor haar heilige bescherming. De legende van de redding van het jonge meisje levert de nodige stof op voor een historische roman met de titel ‘Thuyndag’ en voor het schilderij van Jos Van Sevendonck welk men nu nog kan bewonderen in de zaal van het stadhuis.

Het wordt nu menens voor de Engelsen
Voor de Engelsen wordt het stilaan menens. Ze willen zich meester maken van de stad en vallen nu aan vanuit verschillende kanten. De Ieperlingen hebben tijdens de nacht niet stilgezeten en hebben ononderbroken gewerkt aan een verdere versteviging van hun hekken (barrieren) en vestingen. Ze beantwoorden de aanvalslust van de vijand nu met een regen van pijlen. De belegeraars zien zich uiteindelijk, na een hele reeks van vruchteloze aanvallen, genoodzaakt om zich terug te trekken. De volgende dag ondernemen de Engelsen een nieuwe aanvalspoging op de plekken waar de stad het toegankelijkst lijkt. Maar het scenario van de vorige dag herhaalt zich. Maar dan wel in een sneller tempo.

Heel wat krijgers bezwijken onder de regen van pijlen. De derde dag van de belegering, 12 juni 1383, wordt het vijandige leger vervolledigd. De voorste gelederen worden aangevuld met mannen van de bisschop van Norwich en van de graaf van Beaumont. Naar verluidt staan er nu 15.000 mannen voetvolk en 2.000 ruiters te drummen om Ieper binnen te vallen. Hoe kwalitatief die 17.000 uitgerust zijn, is een open vraag. Een groot aantal onder hen is nauwelijks gewapend. Soldaten?

Ze kennen het woord ‘tucht’ niet eens. Het nieuws van de vele successen van hun bisschop lijkt voor de leeglopers en schooiers interessant om een graantje mee te pikken. Het zijn ordinaire fanatieke avonturiers die hopen om te kunnen plunderen en alles mee te grissen wat maar kan in dat beloofde land Vlaanderen. Sommigen dragen een kruis op hun kledij. Precies alsof ze tegen heidenen moeten optrekken. Anderen zijn gekleed als pelgrim en dragen een stok mee als enig wapen.

Dit is een fragment uit boek 4 van De Kronieken van de Westhoek 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>