Het ontstaan van de Hemme

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       11 months ago     349 Views     Leave your thoughts  

Het ontstaan van de Hemme, het groot uithof van de Duinenabdij te Ramskapelle (Nieuwpoort). De periode, gedurende dewelke de Cisterciënzerabdij van ter Duinen ontstond, t. w. het begin der twaalfde eeuw is nog de tijd van het zogenaamd gesloten economisch stelsel. Het grondbezit is nog steeds de voornaamste vorm van rijkdom. De vruchten van de akkers, het vee, de vissen moeten in het onderhoud van de bevolking voorzien en ook de middelen geven, om hetgeen niet ter plaats kan voortgebracht worden, aan te schaffen. leder mensengroepering, hetzij dorp of klooster, is een afgebakend economisch centrum.

Ter plaatse moet zoveel mogelijk alles opgedaan worden. Men legt er zich dan ook op toe om meer en meer land te bebouwen, bossen te ontginnen en moerassen droog te leggen, om die in opbrengend land om te scheppen. Dit gold van de Benediktijnerkloosters, dit drong zich nog meer op aan de nieuwe orde der Cisterciënzers, omwille van de geest van die nieuwe inrichting.

De hervormers van Citeaux wilden immers dat het punt van de regel dat handarbeid voorschreef, letterlijk zou opgevat worden, en dat dus een groot deel van de dag zou besteed worden aan het werk op het veld en in de werkplaatsen. Opdat de monniken een afgezonderd leven zouden leiden en de misbruiken zouden vermeden worden die in menige Benediktijnerabdij geslopen waren, doordat ze midden of dicht bij een stad gelegen was, hielden de Cisterciënsers eraan – in de beginne althans – hun kloosters op te richten in afgelegen plaatsen. Niet zelden was het in een bos, omstandigheid die aanstonds harde handarbeid vereiste.

De abdij van ter Duinen werd, waarschijnlijk in 1128, in de duinen zelf, een afgelegen en weinig vruchtbare streek opgericht. De abdij dankt ten andere aan die omstandigheid haar naam. Eenmaal gevestigd, hebben de monniken direct pogingen ondernomen om grond aan te werven, zo dicht mogelijk bij hun klooster. Het duinenland waar ze zich gevestigd hadden, dankten ze aan de vrijgevigheid van de toenmalige graaf van Vlaanderen Dirk van den Elzas. Gedurende gans zijn regeering, toonde graaf Dirk zich een milde weldoener van de abdij.

De verering die hij de heilige abt van Clairvaux Bernardus toedroeg, was er zonder twijfel niet vreemd aan. Zeker ware het belangrijk eens na te gaan naar de betrekkingen die er bestonden tussen Bernardus en Dirk van den Elzas. Terloops weze er ook op gewezen dat een familielid van Dirk, Albero, naderhand abt werd van Duinen. In 1129 reeds ontvingen ze nogmaals van de graaf land in de duinen – terra dunarum – zoveel als ze zelf oordeelden nodig te hebben voor eigen gebruik en voor hun vee.

In de oorkonde, waardoor Dirk hun dit land schenkt, wordt ook melding gedaan van een gift van land, die zonder twijfel in het gebied lag van het later tot stand gekomen uithof ter Hemme, te Ramskapelle. Vooraleer de groei te schetsen van dit groot hof, zal het niet overbodig zijn een woord te reppen over het natuurkundig uitzicht van die streek; dit te meer, daar ter Duinen ook zal medehelpen tot de omvorming ervan.

Rond het jaar 1000 is gans de kust reeds onttrokken aan het zeewater. Door de golven en geulen kon bij hoogwater de zee nog het binnenland overstromen. Een van die golven was de Ijzermonding, de Isere portus, zooals die golf in 840 reeds genoemd werd. In 944 strekt die golf zich nog uit tot over Lo. Dijken werden dan ook aangelegd om het droog geworden land te beschutten. De eerste dijken worden in de bronnen der 10de eeuw vermeld.

Natuurlijke dijken waren de duinen, die zonder twijfel reeds omstreeks 1000 bestonden en nagenoeg op de plaats waar ze nu nog staan.Van aan Oostduinkerke ging de duinenlijn het oosten op. Nu nog vormt die hoogte de zuidergrens van den Polder Lens en loopt onder Nieuwpoort tot aan Sint Joris. Daar is het dat op het einde van de 11de eeuw het land Sandeshoved, het latere Nieuwpoort verschijnt.

Ramskapelle, gelegen ten Zuiden van Nieuwpoort en Sint Joris, grenst ten oosten aan de Ijzer. Voor het eerst verschijnt die plaatnaam in een stuk van 1135. Kort te voren ontving de abdij van Sint-Niklaas te Veurne de altaria van Wulpen, Oostduinkerke en Ramskapelle.

Enkele jaren voordien had ter Duinen reeds land aangeworven in Ramskapelle, op den nagenoeg droge linkeroever van de Ijzer. Een ligger, de ‘Nieuwe Beterdinghe’, in 1709 opgemaakt, geeft de oppervlakte en de juist bepaalde ligging van het Hemmeland. Het geheel (met erbij een kleine hofstede ‘Het Rattenest’, ten noorden tegen de Ijzer, de dijk langs de Ijzer en het ‘uytlant’ bij de Hemme) was 729 gemeten en 209 roeden groot.

De grenzen aangegeven op de kaart van de ‘Beterdinghe’ zijn de volgende:

1. Ten noorden: het noorderdeel van het zogenaamde Hemmeleed. Die waterloop, die van Schoorbakke noordwaarts vloeit, om dan bij den Ijzer naar het zuidwesten te zwenken, en tenslotte in de Grote Beverdijk te lopen, draagt in de Beterdinghe de naam Eyeleedt of Eyeleeden of nog Eyeleet.
2. Ten oosten: de Ijzer
3. ten zuiden: de kleine Beverdijkvaart. In de Beterdinghe, de Venepe alias Proostvaerdekin. De oude naam van deze rivier van den Ijzer, Venepe, is nu nog bewaard voor een ander deel van deze ‘vaart’, de Venepevaart.
4. ten westen: de grote Beverdijk, Beveryck of Beveryckvaart

Enkele partijen land binnen de grenzen, aan den westkant gelegen, behoorden niet tot het goed van Duinen. Gans dit domein van de Hemme – ongeveer 800 gemeten groot – is tot stand gekomen in de tijdspanne van ’n dertigtal jaren (tussen 1130 en 1160). Een eerste gift aldaar is te danken aan een inwoner der streek, die monnik werd in Duinen. Enkele kleine giften volgen. In 1138 wordt dit klein domein ontzaglijk vergroot door de schenking van Bertulf’ s land. Van dit ogenblik af, wordt links en rechts nog wat grond bijgewonnen, ofwel door verwisselingen tegen andere grond, ofwel door kleine giften, ofwel – en dit in hoge mate – door het droogleggen van de moerassige oevers van Venepe en de Ijzer. In korte jaren is de Hemme veranderd een uitgestrekt vast aaneengesloten eigendom van ter Duinen. Nadien blijft dit goed ter Hemme nagenoeg onveranderd. In 1295 treffen we nog een kleine gift aan van 25 roeden bestemd voor de armendienst – de porta – van de Hemme.

Een oorkonde van graaf Dirk van den Elzas in 1129 vermeldt een gift van 43 gemeten land, vanwege Hugo, zoon van Reinger Tanrekin. Dit in ruil voor een stuk land, dat 28 gemeten groot was en geschonken werd aan ter Duinen door Reinger, die aldaar monnik geworden was, samen met zijn zoon Geerard.

Dit land, dat, zoals blijkt uit een oorkonde van 1163, in het latere Hemmegoed ligt, is de eerste schenking van grond op enige afstand van de abdij en is ook het eerste land van Duinen in Ramskapelle. Hetzelfde stuk van 1163 vermeldt nog andere verwisselingen, die plaats grepen ten tijde van Dirk van den Elzas.

1. Het Adelizenland wordt geruild voor het land van Erembald Crumming. Het Adelizenland, 40 gemeten groot was in Ramskapelle gelegen, ‘citra Loth’, d. i. waarschijnlijk het leed, achteraf Hemmeleed genoemd, en werd aan Duinen geschonken in 1137. Kort nadien werd dit land verwisseld voor dit van Erembald Crumming, dat lag ‘ultra et citra fossatum ‘.
2. Het land van Berewald lnfirmus wordt geruild voor het land van Hia, Hildiardis en Slaccart. De ligging en uitgestrektheid ervan worden niet aangeduid. Enkel wordt er vermeld dat Herret Preco dit land en een deel van den grond der filii Maisneit in cijnsland bezit.
3. Ten slotte ontvangt ter Duinen in plaats van het land Merlebech, 12 gemeten van het land genoemd Coudescure. Zoals blijkt uit de Bulle van Alexander III, op 7 februari 1165 geschonken, ontving ter Duinen gans dit land, dat 48 gemeten groot was. De ligging van dit land is niet aangeduid. Het land Merlebech werd aan Jordaan van Veurne overgemaakt. Deze voegde bij die grond nog 2 gemeten. Ter Duinen moest hem jaarlijks 2 mark betalen. In 1214 werd die cijns afgeschaft, door dat gravin Mathildis een land van ter Duinen, Arveshoec genoemd en vier gemeten groot, aan den toenmalige rechthebber Tristan Schouk.

Vóór 1138, had ter Duinen dus ondermeer het land van Reinger Tanrekin en het Adelizenland aangeworven, op het grondgebied van Ramskapelle. Gedurende dit jaar zou de grote schenking plaatsgrijpen. In de loop van ditzelfde jaar waarschijnlijk, werden de landerijen, die ter Duinen bezat in Ruholt, en minstens 350 gemeten groot waren, overgemaakt aan de pas gestichte abdij van Clairmarais. Dit groot verlies moest vergoed worden.

Sibilla, de gravin van Vlaanderen, in- afwezigheid van graaf Dirk, weerhouden in het heilig Land, schenkt aan ter Duinen het land, dat vroeger toebehoorde aan Bertulf, de beruchte proost van Sint-Donaas te Brugge (betrokken bij de moord op graaf Karel De Goede in 1127) en te Ramskapelle gelegen was. Die gift wordt gedaan met toelating van den Kastelein van Sint-Winoxbergen, Gijselbrecht, die aan ter Duinen, afstaat alles wat hem daar toebehoorde, en ook toelaat dat zijn onderhorigen hun grond aan de abdij schenken, in geval de monniken het aanvragen. Ook het land dat rondom op het water gewonnen wordt, zal ter Duinen toebehoren.

Het fossatum, lopende van de Ijzer naar Veurne toe is wel de Venepe, zoals duidelijk blijkt uit een oorkonde van 1163, waar dezelfde , grenzen aangegeven worden en het woord ‘Venepam in de, plaats van ‘fossatum, quod ….’ staat. De zuidergrens is dus de Venepe, of de nu genaamde Kleine Beverdijkvaart.

Ten oosten grenst dit land aan de Ijzer. Ten westen, tegenover de Ijzer, ligt het fossatum, qui dicitur comitis. Die gracht en dijk, die we onder die naam of onder de benaming ‘dicus comitis’ of ‘le dic le conte’ in enkele teksten vanaf 1138 tot 1272 terugvinden, binnen het gebied van Ramskapelle, is waarschijnlijk het fossatum Beveryck van de Beterdinghe van 1709, de huidige Beverdijk.

Een oorkonde van 1229 stelt vast dat vroeger de schepenen en maiores van Veurne-Ambacht, de toelating van ter Duinen verkregen om in het Hemmeland van de abdij, een gracht te graven van af het Bevericslues. Het Hemmeland grensde dus aan die sluis en aan den Beveric of Beverdijk zelf in 1229.

Van af 1138 tot 1229 wordt in de oorkonden van ter Duinen geen melding gemaakt van land verworven aan het fossatum comitis. Beverdijk en ’s Gravendijk duiden dus dezelfde dijk aan. Deze identificatie wordt nog bekrachtigd door de volgende beschouwing. De naam fossatum comitis is misschien te wijten aan het feit dat het aangrenzend land, het land van Bertulfus, gedurende een tiental jaren eigen goed was van de graaf van Vlaanderen, dus ’s Gravengoed.

Ten slotte grenst Bertulf’ s land ten noorden aan het terra Broburgensis ecclesie. Reeds in 1112 ontving de O.L.V. abdij van Burburg land bij den Ijzer, op het grondgebied van Nieuwpoort, namelijk de nova terra nomine Sandeshove, que per iactum maris iam crvit.

In 1272 grensde Burburg’s land aan Duinen’s land. Doch bepaalde grens wordt ook daar niet opgegeven. Dit uitgestrekt land, het eerste groot domein van ter Duinen, behoorde vroeger toe aan de proost Bertulf van Brugge en aan Gyselbrecht, de kastelein van Sint-Winoxbergen. Dit goed werd evenals de andere bezittingen van de familie van de Erembalden verbeurd verklaard in 1127, toen graaf Karel de Goede als slachtoffer viel van leden van die familie. De Erembalden die oorspronkelijk van Veurne waren, waren dus eigenaars van een groot domein op Ramskapelle. Of dit nu overgëerfd goed was, of vreemd goed, dat die familie van zogenaamde ministeriales onlangs aangeworven of ontvreemd had, laten we hier in het midden.

In 1139 wordt die zo belangrijke aanwinst door graaf Dirk, uit Palestina teruggekeerd, bekrachtigd. Die gift van graaf Dirk schijnt niet volkomen geweest te zijn. De abdij moest wellicht een cijns betalen. In 1187 immers wordt door graaf Filips van den ,Etzas, in overeenkomst met zijn gemalin Mathildis en zijn broeder Geerard, alsdan proost van Sint-Donaas te Brugge, de cijns opgeheven die 324 gemeten in Veurne-Ambacht belastte. Die grond van ter Duinen lag in de streek van den Ijzer, versus Isaram. De cijns bestond in 54 mark en 53 schapen, en werd afgekocht, blijkens een nota op de rug van de oorkonde – voor 800 pond. Zou hier het land van Bertulf niet bedoeld zijn, zoveel te meer dat ook de proost en het kapittel van Sint-Donaas te Brugge allerlei rechten hadden op dit land, rechten die overigens ook in dit zelfde jaar opgeheven werden.

Dat de monniken van ter Duinen aanstonds de hand aan ’t werk sloegen, het land goed bewerkten, ja land veroverden op het water, bewijst een oorkonde van den bisschop van Terenburg, enkele jaren nadien uitgevaardigd. Een stuk land, waarschijnlijk langs de Venepe, wordt er Sudtpolra of zuidpolder genoemd. Ook hebben de monniken reeds land veroverd langs de Ijzer, ‘quasi de corde maris, magnis impensis et laboribus’, een stuk land, ongeveer 3 gemeten groot, aan weerszijden van de Venepe

In 1158 wordt een land, bij den Ijzer gelegen, en gebruikt door ter Duinen mits een jaarlijkse cijns van 5 pond aan Simon van Haverskerke te betalen, eigendom van de abdij. Ter Duinen betaalde 30 marken aan Simon’s leenheer Willem van Yper. Op de rugzijde van deze oorkonde wordt vermeld dat dit land tot het Hemmegoed behoorde.

Philips van den Elzas bekrachtigt in 1163 benevens een reeks giften gedaan onder de regering van zijn vader, enkele andere, die we bondig áanduiden:.

1. Land eerst in leen gehouden door Folcramnus Waldach en zijn zonen.
2. Een stuk land, ongeveer 3 gemeten groot, aan weerszijden van de Venepe, “citra et ultra sclusam “, deel uitmakend van het leen van Lambrecht Luscus en gezellen.
3. 52 gemeten, behorend tot het leengoed van Folcramnus, zoon van Bovet. Voor dit land moet Duinen een cijns van 2 marken ( voor 12 gemeten) en 10 pond (voor de overige 40 gemeten) betalen.
4. Tenslotte 30 gemeten, die de zonen van Livild ontvangen hadden van de proost Robert van Péronne.

Kortom nog ten minste 85 gemeten worden gevoegd bij de Hemmegoederen. Een pauselijke bulle van Alexander III van 7 februari 1165, geeft een overzicht van de bezittingen van de abdij. Dit overzicht is niet zeer nauwkeurig, zoals het meer gebeurt in dergelijke akten. Toch vinden we er de meeste schenkingen, soms met ligging en grootte, vermeld.

Een geschil met het kapittel van Sint Walburgis te Veurne nopens een stuk land, wordt in 1168 opgelost: ter Duinen behoudt het land, maar schenkt eenmaal 3 mark en jaarlijks een cijns van 3 lodi.

Belangrijk is de oorkonde van Philips van den Elzas, gedateerd 22 Maart 1184. Na de volledige tolvrijdom van ter Duinens bezittingen in de kastelnij van Veurne bekrachtigd te hebben, somt de graaf de bezittingen op en vermeldt er de uitgestrektheid van. Het goed ter ‘Hem’, (voor de eerste maal genoemd in een oorkonde) overtreft in uitgestrektheid de andere uithoven van de streek. Het beslaat immers 758 mensurae. In algemene bekrachtigingsakten van ter Duinen van wege graaf Boudewijn IX, in 1197, en vanwege Paus Innocentius III, op 21 Mei 1199, wordt de grangia de Hem – voor ’t eerst als grangia vermeld – benevens de andere goederen genoemd. In een vergelijkbare akte, in 1246, van gravin Margareta van Vlaanderen wordt de uitgestrektheid aangegeven: ongeveer 780 mensurae.

Onder abt Niklaas van Belle (1232-1253), werd de grangia, de groote schuur en bijgebouwen, der Hemme, schoner en rijker dan te voren heropgericht.

Na dit overzicht is het niet van belang ontbloot na te gaan welke verplichtingen ter Duinen had tegenover de tiendheffer van Ramskapelle. Tiendenheffer van Ramskapelle, sinds 1114, was het kapittel van Sint-Walburga te Veurne, begiftigd door graaf Boudewijn VII van Vlaanderen. Ter Duinen echter, zooals de andere Cisterciënzerabdijen, was bevoorrecht. Paus Paschalis II had in 1100 aan de orde het privilegium geschonken van volledige tiendenvrijheid, zowel op de novales, nieuw ontgonnen als op reeds bewerkte grond. Dit voorrecht, eigen aan de orde, spijts herhaaldelijk aandringen en hedreigen van de Pausen, werd onophoudelijk miskend, zou tenslotte met het IVde Concilie van Lateranen, in 1215 afgeschaft worden.

Kort na de aansluiting van ter Duinen bij de hervorming van Citeaux (1138), in 1142 wordt reeds getornd aan de tiendenvrijheid van de Hemmebezittingen. Bepaalde delen zijn volstrekt niet tiendenvrij. Ofwel blijft aan ter Duinen enkel de ‘tercia garba’ van de tiende, ofwel duae garbae, ofwel de helft, dit naargelang de grond vroeger of onlangs bewerkt werd. Enkel moet ter Duinen geen tienden betalen voor het vee, tenzij het gekweekt wordt op grond die vroeger tienden op het vee schuldig was.

Die schikkingen getroffen met goedkeuring van den bisschop van Terenburg, Milo, werden door de ter Duinenmonniken waarschijnlijk een tijd lang geduld. Want eerst in 1160 tekent Paus Alexander III protest aan tegen het feit dat ter Duinen verplicht wordt tienden te betalen. Kort nadien richt Alexander III zich rechtstreeks tot de kanunniken van Sint Walburgis, omdat ze de tienden heffen op het veevoeder en daarbij ter Duinens monniken lastig vallen.

Dat het kapittel van Veurne moeilijk ter Duinens voorrecht kon aanvaarden, bewijzen de hernieuwde tussenkomsten van Alexander III, in 1165, van Clemens III, in 1188, van Innocentius III, in 1199 en 1200. Gedurig, zooals blijkt uit de bulle van 1200, werden den monniken om dit voorrecht moeilijkheden aangedaan. In 1205 komt men tot een nieuwe overeenkomst. Dit om de vrede tussen beide partijen te bewaren en de hangende moeilijkheden te slechten.

Dit verdrag is nadeliger voor ter Duinen dan dit van 1142. Is er een klein deel langs den Ijzer tiendenvrij, voor het overige is ter Duinen ofwel de volle tiende (9 garbae op 100), ofwel 6 garbae op 100, ofwel de helft van de tiende schuldig. Over het vee wordt niet gerept. Tien jaar later, in 1215, werd, zoals hierboven aangetoond, het voorrecht van de Cisterciënzerabdijen afgeschaft.

In het kort samengevat mogen we besluiten dat ter Duinen van vroeg af aan en voor de reeds te voren bebouwde landen en voor de zogenaamde novales van de Hemme nooit gans tiendenvrij geweest is.

J. De Cuyper in ‘Annales de la Société d’Emulation de Bruges’ van 1929

.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>