Het ontstaan van de pagus Flandrensis

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 months ago     170 Views     Leave your thoughts  

In de 9de eeuw is Vlaanderen bedekt met heide, bossen en moerassen. Ik baseer me onder andere op het briljante werk van de Gentse historicus Jan Dhondt (1915-1972). In het noorden ziet het landschap er totaal anders uit dan wat we op vandaag kennen, schrijft hij kort na de tweede wereldoorlog. Rond het jaar 400 is de zee diep in het land gedrongen en heeft ze zo een brede zone van het vasteland onbewoonbaar gemaakt. Het gebied staat wel niet continu onder water maar elk springtij of hoogtij is voldoende om het land opnieuw te doen overstromen.

Het zeewater laat een sliblaag van klei aanwassen zodat de bodem zich stilaan gaat verheffen. Het is een traag en geleidelijk proces dat zeker nog niet is afgelopen in de 9de eeuw. Noordelijk van de nieuwe kustlijn gaan zich de volgende eeuwen talrijke eilanden vormen. De zee is het diepst doorgedrongen in het oosten. De Vier Ambachten, de streek van Eeklo-Maldegem, en het noorden van het Land van Waas komen rond het jaar 400 serieus onder water te staan.

Het noorden van het land van Waas tot aan de duinengordel Melsele-Stekene (geen zeeduinen maar stuifzand) ligt aan de zee en vormt de grens van het Frankische kolonisatiegebied. Hier bevinden zich de uitgestrekte jachtgebieden van de koning van Frankrijk. Met domeinen als Saleghem, Melsele en Baldegem. Meer in het noordwesten verschijnen enkele eeuwen later een aantal eilanden: Wulpen, Zuidzand, Koezand, Zaamslag en Testerep.

De hele streek van de Vier-Ambachten zal trouwens nog lang een geheel van eilanden en eilandjes blijven. Aanvankelijk zijn die eilanden alleen maar zandbanken. Met uitzondering van Testerep, waar Oostende zich veel later gaat vormen, dat al wordt vermeld op het einde van de jaren 900, verschijnen de andere eilanden vrij laat. Wulpen en Cadzand hebben zich al gevormd in 1096. Axel verschijnt in 991 en Assenede pas in 1108. In het Brugse Vrije reikt de overstroomde zee tot vlak bij de plek waar later Brugge zal ontstaan.

De plaatsnamen die eindigen met -gem of -zele verraden de aanwezigheid van de zee. Kijk maar naar Dudzele, Kathem, Aarsele, Avingezele. Michem en Eitegem ter hoogte van Oostkerke. Gaarlem en Gijzeele bij Lissewege en Vlissegem. Pas later, in de 11de eeuw, zullen andere plaatsen ten noorden van Brugge vermeld worden. De plaats Oostburg is gelegen op het oostelijke uiteinde van het vasteland.

De IJzermonding is in die tijd een brede zeeader die het land binnen dringt tot Vleteren met het nabijgelegen Loo als een eiland. Nog voor 1100 wordt in de Translatio, Sancti Wandregisili gewag gemaakt van deze brede monding. Verder westwaarts liggen de moeren, een laagland dat nog lang zal overstroomd blijven. Sint-Winoksbergen ligt oorspronkelijk aan een zeeader en dat zal zo blijven tot in de 12de eeuw.

De monding van de Aa is niet meer zo aanzienlijk in de 11de eeuw maar verderop, ter hoogte van Sangatte en Oye, ligt een brede zeeader die Neuna wordt genoemd. De hele westkust is bezaaid met eilandjes. De inpoldering zal voor het jaar 1000 al bij al vrij beperkt blijven. De reeks burchten opgericht door Boudewijn de Tweede om het land te beschermen tegen de Noormannen, verraadt de toenmalige kustlijn. Oostburg, Aardenburg, Brugge, Oudenburg, Gistel, Veurne, Sint-Winoksbergen en Broekburg liggen allemaal op één lijn.

Het is de lijn die grotendeels overeenstemt met de kustlijn van 1100 jaar geleden. Overal langs de toenmalige kustlijn zijn er Frankische nederzettingen terug te vinden. In het noordoostelijke schiereiland van Waas zien we Melsele, Salegem en Baldegem. Iets meer naar het zuiden liggen Belsele en Bazel aan de Schelde. Zele ligt meer geïsoleerd in de domeinen van de pagus Wasiae. Aan de westzijde van de ‘fluvius maris’ die in de 10de eeuw reikt tot in Adegem, vinden we een reeks van Frankische boerderijen terug: de koninklijke ficus Maldegem, Adegem, Noorthem en Wielinghem, de Frankische nederzetting van de pagus Ronanensis.

In het Brugse, meer bepaald in de driehoek Brugge-Oudenburg-Torhout, de pagus Flandrensis, bestaan er talrijke Frankische domeinen: Sijzeele, Beernem, Zedelgem, Loppem, Snellegem, Straathem, Meshem, Bekegem, Roksem, Zerkegem, Eernegem, Ichtegem en andere. In de golf van Loo (de brede monding van de Ijzer) liggen Wulveringem, Alveringem, Vinkem, Houtem en Leyzele. Het is duidelijk dat de Franken de hele kuststreek van die tijd hebben gekoloniseerd.

Sinds de Franken van Karel Martel, (door hem de Karolingische periode genoemd) is heel Frankenland en dus ook Vlaanderen ingedeeld in gouwen, pagi, die elk door een graaf worden bestuurd. Aan de kust tussen de Schelde, de zee en de waterlinie van Gent bevindt zich de pagus van Waas. Naar het westen toe de pagus van Oudenburg en de pagus Flandrensis die zich uitstrekt tot aan de brede monding van de Ijzer. Zuidelijker, tussen de Aa en de Canche zien we de pagus van Boulogne.

Naar het binnenland toe strekt de pagus Mempiscus zich uit van Waas tot voorbij Roeselare. De oostelijke grens van de pagus Mempiscus valt samen met de scheidingslijn tussen de bisdommen van Terwaan en Doornik. Ten westen van die lijn, tot aan de Ijzer en de Vleterbeek en misschien nog aan de andere kant van de Ijzer ligt de pagus Iseretius. Het bestaan van de officiële naam van de pagus Iseretius staat neergeschreven in een oorkonde van het jaar 811 waarin Vleteren omschreven staat als ‘Fletrinio, in pagus Iseretio’.

Tussen 811 en 846 zal de pagus Mempiscus geleidelijk aan de pagus Iseretius opslorpen. Zuidelijk bevindt zich de gouw Terwaan. Het oostelijk deel van de pagus Terwanensis en de gouwen Iseretius en Mempiscus wordt beschreven als de streek van Mempiscus. Laten we eens terugkeren naar het oostelijk deel van Vlaanderen. Ten noorden van de Schelde, stroomafwaarts van Gent en de Leie ligt de pagus van Gent. Tussen de Schelde en de Leie bevinden zich de pagus Cortracensis en zuidelijker de pagus Tornacensis.

De bekendste plaatsen in de Kortrijkergouw zijn in die tijd Boenlare bij Petegem-Deinze, Koolegem bij Deurle, Zingem, Ouwegem bij Kruishoutem, Kruishoutem zelf, Beveren aan Leie, Beveren bij Oudenaarde, Andelgem, Tiegem, Desselgem, Potegem op Waaregem, Steenbeek te Desselgem, Waregem en Kaster.

Avelgem in het oosten en Lauwe in het westen lijken voor een deel in het Doornikse en voor een deel in het Kortrijkse gelegen te zijn. Ze vormen in elk geval de grens tussen de twee gouwen. Lodewijk de Vrome, de opvolger van Karel de Grote, zal rond het jaar 800 de pagi Cortracensis en Tornacensis fusioneren. In het jaar 811 strekt de pagus Tornacensis zich uit tot aan Gent want de Sint-Pietersabdij van Gent wordt in dat gebied expliciet gelegen ‘in pago Turnacense’.

In 853 zullen de beide gouwen weer van elkaar gescheiden worden. De gouw van Artesië ligt oostelijk van de pagus Ternois. De zuidoostelijke hoek van het latere graafschap Vlaanderen omvat een reeks pagi van uiteenlopend belang: Oosterbant, Caribant, Melantois, Pevele, Escrebieu en de pagus Leticus. Dit is zowat de bestuurlijke inrichting van het Vlaamse land. De gebieden in Vlaanderen die al ontgonnen zijn, worden meestal ingedeeld in uitbatingseenheden, villae of domeinen die aan een kleine schare van grondbezitters toebehoren.

Al bij al zijn er weinig kleine vrije boeren. Naast de grootgrondbezitters zijn veel villae eigendom van de kerk, via abdijen of kapittels. Maar ook de koning bezit een respectabel aantal kroondomeinen. Zo ontwaren we de fisci van Weinebrugge, Snellegem en Maldegem. Maar verder in het binnenland bevinden zich nog meer kroondomeinen: Roeselare met de afhankelijkheden Hardooie, Koekelare en Hooglede. Rijkegem behoort bij de fiscus van Tielt.

Andere fisci zijn Koolskamp, Wingene, Beernem en Boonaarde bij Kortrijk. Boonaarde zal later door Lodewijk de Vrome aan Sint-Amand op de Schelde worden geschonken. In de pagus Gandensis bevinden zich de fiscus Marke bij Ekkergem met talrijke afhankelijkheden zoals Evergem en Goedege. Ook Aaigem bij Sint-Pieters-Aaigem staat beschreven als een kroondomein.

Heel het domein van Sint-Pieters blijkt een koninklijke schenking te zijn. Temse aan de Schelde en Petegem aan de Leie zijn fisci. In het zuiden is de aanwezigheid van fisci nog belangrijker: Doornik, Cysoing, Vitry, Valencijn, enz. Naast de talrijke fisci is de koning ook eigenaar van alle woeste, braakliggende of nieuwe gronden. Zo zijn de wouden zijn eigendom. Het Scheldehout (Scheldeholt) tussen Schelde en Vijve, de Forestum Methela tussen Vijve en Leie en het Forestum Wasdae zijn koninklijk bezit. Het lijkt overduidelijk dat de Karolingen een buitengewoon groot aantal domeinen bezitten in Vlaanderen. Geleidelijk aan, al gedurende de 9de eeuw, zal dit bezit door akten van afstand afnemen.

Hoe Vlaanderen er uitziet bij zijn ontstaan weten we al. En we weten wie er eigenaar is. Maar wie is verantwoordelijk voor het beheer van de streek? Het beroemde capitularium van Servais, door Karel de Kale afgekondigd in 853, verstrekt ons interessante informatie! Koning Karel stelt in zijn Capitulare Silvacense de afgevaardigden aan die over zijn Karolingische rijk moeten heersen. Het Karolingische rijk wordt ingedeeld in 12 missatica (gebieden). In elk missaticum worden enkele heren (geestelijken + leken) belast met het handhaven van de orde. Het zijn trouwens de vooraanstaanden van de missaticum zelf die kiezen wie verantwoordelijk wordt voor het beheer.

De gouwen van Vlaanderen worden in het capitularium van Servais ondergebracht in de missatica III en IV. Missaticum III met de bisschop van Doornik als missus: de pagus Flandrensis, Aardenburg, Waas, Gent, Kortrijk, Doornik, Artesië, Ostrevant, Pevele, Melantois, Caribant, Vermandois en Noyonnais. Missaticum IV met de bisschop van Terwaan als missus: Deze missaticum bevat Mempiscus-Iseretius, Boulogne, Ternois, Escrebieu en Leticus.

Drie van de graven die gouwen bezitten in missaticum III worden met name genoemd: Odelricus, Waltcaud en Ingelram. Uit de tekst van de verordening van Servais blijkt dat de pagi van het missus-gebied in drie groepen dienen te worden ingedeeld. Deze van Ingelram staat omschreven als comitabitus Ingelramni. Een tweede groep, die van Waltcaud staat bekend als comitatibus Waltcaudi. Ingelram blijkt echter veel belangrijker dan Waltcaud.

Als abt van het Henegouwse Maroilles is hij eigenaar van een aantal leengebieden. En ook in het Franse Laon bezit hij aanzienlijke eigendommen. Ingelram is voorlopig nog niet op het toppunt van zijn macht maar hoe dan ook is hij veel belangrijker dan de onbekende Waltcaud die de kleine en arme gouwen van Waas en Aardenburg, naast die van het graafschap Gent bestuurt. Welke zijn de gouwgraven van onze streek, die van missaticum IV? De rijksverordening van Servais geeft aan dat Berengarius, Gerardus, Engischalk en Renier als gouwgraven worden aangesteld.

Eerder in 846 heeft graaf Berengarius van koning Karel de Grote goederen gekregen die gelegen zijn in de pago Mempisco, meer bepaald in de vroegere pago Iseretius. Het valt dus aan te nemen dat Berengarius de graaf is van de pago Mempiscus-Iseretius. Graaf Gerard bezit de ‘villa’ Eperlecques in de streek van Terwaan. Hij is vermoedelijk de opvolger van graaf Unrocus van Ternois die het ambt waarnam tussen 839 en 853.

Graaf Engischalk heeft de bevoegdheid over Boulogne. Het is geweten dat Renier, graaf van Escrebieu en Leticus bij de troonsbeklimming van Karel de Kale de cella van Torhout verkrijgt. Ingelram is een man van hoog niveau. Hij schopt het tot kamerheer en gunsteling van de Franse koning Karel de Kale tot dat hij uiteindelijk in het jaar 871 in ongenade zal vallen.

Ook Odelricus behoort tot de getrouwen van de Frankische keizer Lotharius. Het is dan ook niet verrassend dat Odelricus in het capitularium van Servais geciteerd staat als graaf van Noyonnais, Vermandois, Artois, Kortrijkergouw of Vlaandergouw. Na het in ongenade vallen van Ingelram zal hij trouwens nog in het bezit komen van enkele van zijn gouwen.

En dan zijn er nog de graven die de gouwen van het bisdom Terwaan besturen, die van van missaticum IV. Renier die we aanzien als graaf van Leticus, Scarbeius en misschien de Vlaandergouw daagt op in geschriften van 839. Op het zelfde document, de ‘vassus dominicus’, staan eveneens de namen van Odelric, de graaf van Artois en Liederik, de graaf van Letricus vermeld. De geciteerde Liederik kan mogelijkerwijze de zoon zijn van Liederik senior die in 836 in Harelbeke begraven werd.

De afkomst van graaf Renier situeert zich bij de machtige adellijke Lotharische dynastie van Renier Lankhals die vooral het goede weer uitmaakt in de Maasgouw. Ook de abdij van Echternach is nauw gelinkt aan graaf Renier van Leticus. Na de dood van Lodewijk de Vrome schenkt de nieuwe Franse koning Karel de Kale de kleine abdij van Torhout aan Renier. Maar ook hij zal nog voor 860 in ongenade vallen bij zijn vorst.

Naast Renier is er ook graaf Gerardus die eigenaar is van Eperlecques in Ternois, die hij in 863 afstaat aan de abdij van Wormhout. Hij blijft vermoedelijk graaf tot in 877. Ook de naam van Adalgarius komt vrij vaak voor in de oude bronnen. En ook die van graaf Berengarius die als missus verschijnt in de bisdommen Noyon, Terwaan, Amiens en Kamerijk. In een oorkonde van 846 vernemen we dat Karel de Grote ‘honores in pago Mempisco’ heeft geschonken.

De ligging van Vlaanderen aan de monding van brede en diepe stromen, pal tegenover Engeland, lijkt voorbestemd om handel en verkeer te doen bloeien. En het gebeurt ook zo. Parallel met de befaamde economische ontwikkeling van de Maasvallei ontluikt langs de oevers van de Schelde een actieve handelsbedrijvigheid die een reeks van portussen doet ontstaan: de Karolingische portus van Gent, Doornik, Valencijn, Kamerijk en Lambres bij Dowaai aan de Scarpe.

Maar ook zeehavens vinden er hun ontstaan. Quentovic is één van de belangrijkste Karolingische havens. Boulogne, een krijgsvlootbasis die ook wel zal aangewend worden als koopvaardijhaven. En natuurlijk de Isere Portus, een haven aan de Ijzermonding. Vlaanderen is vanuit economisch standpunt bekeken een rijke en bloeiende streek. Maar de Vlaamse welstand heeft zo zijn nadelen. De rijkdom van het land, zijn geschikte aanlegplaatsen trekken niet alleen vreedzame handelslieden aan maar eveneens malafide zeerovers die strooptochten beginnen te organiseren in dit rijke Frankische gewest. Ze dringen door tot in het hart van Frankrijk.

Vanaf 800 zullen de Scandinaviërs, onder druk van hun steeds toenemende bevolking, het Frankenland als geliefkoosde doel van hun rooftochten gaan beschouwen. In 800 vernemen we voor het eerst dat de Noordzee door piratis onveilig wordt gemaakt. Voortaan komen verhalen en verslagen van plundertochten en invallen van de Noormannen als een droevig refrein voor in de kronieken en jaarboeken van Frankrijk en Lotharingen!

Karel de Grote reageert krachtig op de Scandinavische bedreiging. Al in hetzelfde jaar 800 vaart hij over de Noordzee vanaf de Rijnmonding tot in Ponthieu en installeert hij garnizoenen en afdelingen van zijn vloot langs de kust. Er ontstaat een permanente verdedigingsorganisatie. Een verordening van 802, het capitularium, bepaalt dat iedere vrij man, letus of servus uit de ‘maritima loca’, op straffe van een zware boete, aangemaand wordt om mee te helpen met de verdediging van de ‘littoralia maris’. De kusten van de pagi Mempiscus-Iseretius en die van Boulogne worden dus verdedigd via een samenwerking van de (half-vrije en onvrije) ingezetenen in de betrokken pagi.

Ze vormen bestendige garnizoenen en smaldelen die aangevoerd worden door bijzondere comites (graven). Aan de monding van de Schelde, Ijzer, Aa en Canche worden continue verdedigingsposten geïnstalleerd. Te Quentovic, aan de monding van de Canche, wordt het bevel gevoerd door een zekere markgraaf ‘dux’ Grippo. De Frankische vloot ligt aangemeerd en klaar om uit te rukken in de haven van Boonen (Boulogne).

Karel de Grote beveelt in 810 om er de nodige schepen en een vuurtoren te bouwen. Hij komt er persoonlijk zijn vloot controleren in het jaar 811. Wanneer de Noormannen in het jaar 820 proberen te landen in ‘littore Flandrensi’ worden ze door een garnizoen dat gelegerd is in de pagus Flandrensis teruggedreven. Toch zorgen de verdedigingsmaatregelen niet voor echte oplossingen.

In Friesland breken de zeerovers door de verdedigingsgordel en dringen ze diep door in het Frankische hinterland. In 838 volgen krachtige maatregelen en worden de ‘custodia’ heringericht. Maar het valt echter niet te loochenen dat de verdedigingsgordel allesbehalve doeltreffend werkt. De Noormannen vallen zonder ophouden het West-Frankische rijk binnen om er hun plundertochten te ondernemen.

Hoe ziet het leven er uit in Vlaanderen ten tijde van Karel de Grote? Grote delen van Vlaanderen zijn woest en armzalig. Een afwisseling van bossen, moerassen. Uitgestrekte en eindeloze stukken heide bedekt door kreupelhout. In de kuststreken is dat helemaal anders. Daar leeft de inheemse Germaanse bevolking op grote landbouwexploitaties (villae).

De taal is Frankisch. Het christendom wordt er gepredikt. Als het niet lukt met overreding wordt de christelijke leer er met geweld opgedrongen bij de al met al brute, gewelddadige en barbaarse mensen van toen. De meeste Franken zijn onvrije mensen. De eigenaars van de gronden zijn nauw verbonden met de koning. Ze zwaaien de scepter over hun grondgebieden en over de mensen die er wonen. Daar leven de mensen op het land. Ze ploegen, zaaien, oogsten. Slechts een klein deel van de oogst mogen ze houden. De rest is voor de landeigenaar.

Zo leven ze. De zoon na de vader. Altijd op hetzelfde domein, op dezelfde grond. Soms is hun landeigenaar geen leek, maar een abdij. Zoals dat bijvoorbeeld het geval is in de villa Pupurningahem. Maar eigenlijk verandert dat niet zo veel aan hun lot. Er is niet echt sprake van mishandeling van de lijfeigenen. Maar de mensen leiden een vreugdeloos en hopeloos leven met niet het minste perspectief op een betere toekomst. De geestelijken van die tijd zijn trouwens allesbehalve meester van hun abdijen.

De koning wikt en beschikt over hun lot en schenkt kloosters en abdijen als een vorm van beloning aan zijn getrouwen. Waar er gewerkt wordt op zandgronden, is er geen sprake van milde oogsten. Naast de landbouw wordt handel gedreven. Op de zandgronden vinden runderen niet echt hun plaats. Schapen vinden er wel hun gading.

Er is sinds de Morinische en Menapische tijd al sprake van overvloedige hoeveelheden wol in Vlaanderen. De Friese lakens die in de 9de eeuw door de hoogsten in rang worden gedragen, worden al in Vlaanderen vervaardigd en door ondernemende handelaars via onze rivieren vervoerd. De trage en goed bevaarbare rivieren, diep ingesneden doorheen het Vlaamse land, in combinatie met de vele handelsnederzettingen bij de havens zorgen voor een bloeiende handel.

In 862 is er voor de eerste keer sprake van een zekere Boudewijn als graaf van Vlaanderen. Boudewijn de Ijzeren. Wie is hij? Waar komt hij vandaan? Wij krijgen de hulp van Hincmar van Reims in onze zoektocht naar de afkomst van Boudewijn I. Hincmar, geboren in 806, is de Frankische aartsbisschop van Reims. Een belangrijke raadsman van Karel de Kale die koning is van Francia. Hincmar is op dat moment de meest invloedrijke kerkvorst van heel Gallië. De geschiedenisboeken vertellen dat de Vlaamse graaf verliefd wordt op Judith, de dochter van Karel de Kale en dat hij op een bepaald ogenblik besluit om haar te schaken. Haar te ontvoeren, weg uit de klauwen van de Franse koning.

In de jaarboeken van aartsbisschop Hincar staat geschreven dat Boudewijn geen nobele onbekende is op het moment van de schaking. Hij is op dat moment wel degelijk de ‘comes’ van de Vlaamse gouw. We keren terug naar onze eerste vragen. Wie is Boudewijn en waar komt hij vandaan? Kunnen we zijn afkomst afleiden uit zijn naam?

Al in de 7de eeuw worden de koosnaampjes Bodo en Bado aangetroffen in het geslacht van de heilige Sadalberga, abdis van Laon. De broer van Sadalberga heet Bodo. Haar zoon wordt Boudewijn genoemd. Ook de naam van Autgarius, nauw verwant met Audacer komt voor in het geslacht van Sadalberga. Is het toeval dat de namen Audacer en Boudewijn herhaaldelijk voorkomen bij de allereerste Vlaamse graven? Een tweede geslacht van ‘Boudewijns’ wordt aangetroffen in het cartularium in de buurt van Metz en Trier waar ze abt en prior zijn van het klooster van Gorze.

In het onderzoek naar de afkomst van de graven van de Bourgogne stuiten we in die vroege geschiedenis herhaaldelijk op de naam van Audacer Boudewijn en Autgarius. De eerste Vlaamse graven hebben overduidelijk een nauwe link met de streek van Laon. Een dochter van Boudewijn I zal er non worden. Arnulf I schenkt er bezittingen weg die hij ooit erfde. De ‘Vita S. Sadalbergae, abbatissae Laudunensis’ liegt niet.

De relatie Laon-Vlaanderen is geen toeval. Walcher, de zoon van graaf Adalelm van Laon is de abt van de Sint-Pietersabdij van Gent. De opeenvolgende abten daar dragen de naam van Boudewijn en Robrecht. Die laatste is waarschijnlijk Robertus Faretratus, nauw verwant met het geslacht van Laon, die tijdens het beleg van de Noormannen op Parijs in het jaar 886 sneuvelde. Het is ongetwijfeld geen toeval dat tussen de periode van Walcher en Robrecht Faretratus de abt Boudewijn in wezen Boudewijn I van Vlaanderen is. Alle drie met nauwe familiebanden met de Laon-dynastie.

Boudewijn brengt in 861 of in 862 een bezoek aan Senlis en dat bezoek zal beslissen over het lot van Vlaanderen. Hij ontmoet er de 18-jarige Judith, de dochter van Karel de Kale, die koning is van West-Francië. Het meisje mag dan amper achttien zijn maar ze heeft al meer beproevingen achter de rug dan anderen in hun hele leven. Op twaalfjarige leeftijd was ze al uitgehuwelijkt aan de Engelse koning Ethelwolf die op dat moment als de vijftig voorbij was.

Na nog geen twee jaar huwelijk werd ze weduwe en trouwde ze met Ethelbald een zoon van Ethelwolf uit zijn eerste huwelijk. Maar ook Ethelbald is geen lang leven beschoren. In 860 keert de dubbele weduwe Judith naar haar vader terug. Haar hardvochtige vader vindt er niets beter op dan haar gevangen te zetten in Senlis in afwachting van een nieuw en interessant huwelijk. Enfin: in verzekerde bewaring wordt dat toen genoemd. Zo staan de zaken ervoor als Boudewijn aankomt in Senlis. Kent hij Judith al van vroeger? Komt hij speciaal voor haar naar Senlis?

Hoe is hij er in godsnaam in geslaagd om de bisschop die haar moet bewaken te verschalken en in contact te komen met de koningsdochter? Mogelijk is Boudewijn bevriend met haar jongere broer Lodewijk. De kronieken blijven het antwoord schuldig. Het is wel geweten dat Lodewijk positief staat tegenover het huwelijk van zijn zuster met de Vlaamse edelman. Boudewijn wordt in elk geval verliefd op Judith. En die gevoelens blijken wederzijds. Hij besluit haar te bevrijden uit haar gevangenschap en haar te schaken.

Lodewijk zal wel een handje hebben meegeholpen. In elk geval kan Judith vermomd ontkomen uit Senlis en op de vlucht slaan. Het komt er voor beiden nu op neer om zo snel mogelijk het rijk van Karel de Kale te ontvluchten, want deze verblijft in Soissons, niet eens zo ver van Senlis. Het koppel rept zich naar haar neef Lotharius II die koning is van de gebieden tussen Schelde en Rijn.

Wanneer Karel de Kale het nieuws van de schaking verneemt, laat hij alle bezittingen van Boudewijn verbeurd verklaren en slaat hij het paar in de ban van de kerk. Hij is woedend! Lotharius ontvangt zijn nicht vriendelijk maar niet zonder enig leedvermaak. Karel de Kale heeft zich de voorbije jaren met zijn persoonlijke zaken bemoeid en nu kan hij hem een koekje van eigen deeg laten proeven. Hij laat het koppel zelfs door zijn eigen geestelijken trouwen. Maar toch ziet de situatie er voor Boudewijn en Judith niet echt rooskleurig uit. Karel en Lotharius hadden zich immers in 860 geëngageerd om wederzijdse uitwisseling van misdadigers uit te voeren.

Boudewijn geeft zich niet gewonnen. Aanvankelijk wendt hij zich tot de Noormannen die stilaan de macht aan het overnemen zijn in het noorden van Europa. Maar uiteindelijk kiest hij voor een ander alternatief: paus Nikolaas I. Het koppel reist naar Rome om er hun zaak te bepleiten. Boudewijn wijst er de paus op dat Judith vrijwillig met hem is meegegaan en dat een toenadering tot de heidense en goddeloze Noormannen het enige wanhopige alternatief is dat hen rest.

De paus kiest hun kant. De positie van Karel de Kale is te zwak om zich te verzetten tegen de wil van de paus. Na maanden van getouwtrek geeft hij zich in oktober 862 gewonnen en wordt de banvloek die over hen werd uitgesproken ingetrokken. Nog in datzelfde jaar treden Judith en haar Boudewijn te Auxerre in het huwelijk. Karel de Kale schenkt nieuwe goederen in leen aan zijn schoonzoon. Voor 866 zal hij de gouwen Gent, Waas en Ternois (de streek rond Sint-Omaars) verwerven. Die gouwen vormen ongetwijfeld maar een onderdeel van zijn totale bezit. De informatie hieromtrent is schaars.

Het is wel geweten dat Boudewijn ook meester is van de Vlaandergouw waar de vesting Brugge al is ontstaan. Het is echter niet zo dat Boudewijn over heel Vlaanderen regeert zoals zijn afstammelingen dat later zullen doen. Zijn zelfstandigheid als vorst is beperkt: hij is per slot slechts een Karolingische graaf die functioneert als ambtenaar van de koning die nu wel toevallig zijn schoonvader is. Waarschijnlijk wordt Boudewijn aangesteld als markgraaf van de Vlaamse kust en is hij de aanvoerder van de bestendige kustverdediging die er ingericht is tegen de Noormannen.

Mogelijk oefent hij in die hoedanigheid het opperbevel uit over alle graven van de kustgouwen en die van het nabije binnenland. Boudewijn en zijn Judith schenken uit dankbaarheid voor de goede afloop van hun liefdesavontuur in oktober 864 het domein Temse aan de Sint-Pieters abdij te Gent. Uit hun huwelijk worden twee kinderen geboren: Boudewijn en Rudolf. In 864 proberen de Noormannen nog een keer om het land binnen te vallen maar ze worden verslagen door de Vlamingen.

Karel de Kale slaagt er tijdens het jaar 866 in om met de aanvallers een verdrag af te sluiten waarbij ze in ruil voor een grote som geld onze streken willen verlaten. Er komt eindelijk rust en vrede. Boudewijn en Judith leiden een rustig leven, onderbroken door gewichtige politieke opdrachten die de koning aan zijn schoonzoon toevertrouwt.

Zijn huwelijk met Judith legt Boudewijn geen windeieren. Hij wordt door zijn huwelijk al snel één van de belangrijkste vertrouwenspersonen van de Franse koning. In 871 gelast Karel de Kale zijn schoonzoon de onderwerping te bewerkstelligen van de opstandige prins Karloman en wanneer Karel optrekt naar Italië, behoort Boudewijn met Adalelm tot de vier heren die belast worden om de kroonprins Lodewijk bij te staan.

Begin januari 879 sterft Boudewijn. Het is niet bekend of de veertigjarige Judith op dat moment nog leeft. Het overlijden van Boudewijn betekent meteen het begin van een gewelddadige oorlogsperiode in Vlaanderen. Waren de Noormannen zo beducht van de Vlaamse graaf en hebben ze gewacht tot na zijn dood? De grote inval van de Noormannen duurt vier jaar. Vroeger waren het slechts benden zeerovers die even aan land kwamen, enkele weken onze streken teisterden en dan weer verdwenen.

Nu, in 879, verschijnt een machtig en goed georganiseerd leger dat het land bezet en systematisch plundert. Het Scandinavische heir gaat in juli 879 ergens tussen Boulogne en Calais aan wal. De Noormannen trekken naar de bisschoppelijke stad Terwaan en naar Sint-Omaars waar de Sint-Bertinusabdij in brand gestoken wordt. De barbaren rukken dan op naar het noorden. De streek ten westen van de Leie tot aan Gent wordt leeggeplunderd en verwoest.

Dit is een fragment uit deel 1 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>