Het oude Celtica

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     365 Views     Leave your thoughts  

De oudste bewoners van ons land, gelijk van het overige Celtica, zijn bekend onder den naam van Kelten, naderhand Gallen, welke beide woorden ‘wit’ betekenen. De naam voegde zeer wel aan volkeren, die bij de zuidelijke Europeanen door witheid van vel moesten afsteken.

Dat zij uit het Oosten naar hier gekomen zijn, gaat vast, doch hoe of wanneer, weet men niet: maar dat hun verhuizing naar het Westen van Europa tot een hoge oudheid opklimt, blijkt daaruit dat reeds verscheide honderden jaren vóór de geboorte des Zaligmakers van hen in de geschiedenis gewaagd wordt.

Ook moeten zij al vroeg een machtig en oorlogszuchtig volk geweest zijn, want men leest van de Kelten of Galliërs (gelijk wij ze in ‘t vervolg zullen noemen) dat zij, omstreeks het jaar 165 van Rome, of nagenoeg zes eeuwen vóór onze tijdrekening, in grote menigte de Alpen overtrokken, en zich meester maakten van noordelijk Italië, alwaar zij Milaan en andere steden zouden gesticht hebben.

Toen was het Romeinse rijk nog zeer zwak, en onbekwaam om zich tegen den inval dier vreemdelingen te verzetten; doch een paar eeuwen later, ofschoon dan al vrij wat vermogender geworden, konden de Romeinen het nog tegen die barbaren, gelijk zij ze noemden, niet volhouden.

De Galliërs rukten nogmaals op, als een alles verwoestende stroom, versloegen het leger dat uitgezonden was om hen terug te drijven, en drongen door tot Rome toe, dat zij, na alles uitgemoord en geplunderd te hebben, in as legden.

Welhaast keerde de kans. De Romeinen spanden nu al hun krachten in, en hadden het geluk de Galliërs op hun beurt in een grote veldslag te verpletteren. Sedert werden deze nog meer dan eens overwonnen, en moesten ‘t op den duur laten steken. Roomen had de overhand; en alhoewel er nog later meermaals gevochten werd, gingen de Galliërs toch immer achteruit, tot dat zij eindelijk Italië moesten opgeven.

Daar bleef het nog niet bij; de Romeinen eens meester zijnde tot aan de Alpen, trokken die welhaast over, en voerden hun wapens aan deze zijde van ‘t gebergte, dat is in Gallië zelf, alwaar zij, 125 jaren vóór de christelijke tijdrekening, hun gebied vestigden , de inwoners van het land voor en na onder ‘t juk brachten, en ‘t land tot een Romeinse provincie maakten.

Die provincie was groot, want zij strekte zich uit, in de lengte, van de Pyreneeën tot aan de Alpen, en in de breedte, tussen de Middellandse zee, de Cevennen, de Rhône voor dat zij zich met de Saône verenigt, en het meer van Genève.

Dat aanzienlijk deel van Gallië, niet in eens maar door onderscheidene veroveringen ingenomen, kon de heerszucht der Romeinen niet verzadigen. Deze waren er op uit om zich geheel Gallië, zo groot als het was, te onderwerpen, en zouden er waarschijnlijk al haast mee voortgegaan zijn, indien geen inwendige onlusten en hevige verdeeldheden die te Rome uitbarstten hen daar, voor het ogenblik, hadden doen van afzien.

Het overige van Gallië bleef dan vrij tot in de laatste eeuw vóór de geboorte des Heilands; maar toen was de tijd gekomen, door de goddelijke Voorzienigheid bepaald, om ook dat westelijk gedeelte van Europa aan die wereldveroveraars prijs te geven; als wilde God meest alle naties onder dezelfde scepter verenigen, ten einde de stichting en verbreiding van zijn aanstaande kerk, die haar middenpunt hebben moest in het hart van het Romeinse rijk, aldus te bevorderen.

Gallië, gelijk het toen gekend was, werd verdeeld in drie delen, behalve het reeds veroverde dat den naam voerde van Romeinse provincie, en als vierde deel mag aangemerkt worden. De drie overige delen zijn Aquitaans, Keltisch en Belgisch Gallië.

Het eerste, Aquitaans Gallië, beantwoordt aan het zuiden van hedendaags Frankrijk, naar Spanje op, van aan het Pyreneesch gebergte tot aan de rivier de Garonne. Dan volgde Keltisch Gallië, of het midden van Frankrijk, zuidwaarts bepaald door gemelde rivier, en aan de noordzijde door de Seine en de Marne.

De andere oever van deze twee laatste stromen diende tot grens van het derde deel, of van Belgisch Gallië, dat zich oostelijk uitbreidde tot aan den Rijn, westelijk tot aan den oceaan, en ten noorden tot aan de Waal, dat is tot aan die arm van de Rijnstroom, die langs Nijmegen en Gorkum zeewaarts loopt.

Wanneer men dit laatste deel van Gallië, dat wij voortaan kortheidshalve België noemen zullen, op de landkaart nagaat, ziet men gereedelijk dat het veel groter was dan wat wij nu eigenlijk België heten. Inderdaad het strekte zich uit van de ene kant tot tegen Parijs toe, en van den andere kant besloot het Kleef en Gulikerland, geheel Loreinen, de Elzas, en al wat op den linkse boord van de Rijn ligt tot nabij Zwitserland toe.

Van dit alles in ‘t bijzonder spreken kunnen wij hier niet; zulks zou ons te ver brengen en gedeeltelijk overbodig wezen. Wij moeten ons voornamelijk beperken, tot dat deel van het oude België, dat wij heden nog bewonen, en alleen in ‘t voorbijgaan van de aangrenzende landen gewagen.

Ook moet men nog die vijftien Belgische volken in twee klassen onderscheiden : grotere volksgemeenten, en zo waren er zes ; en kleinere, welke voorkomen ten getal van negen. Deze waren min of meer afhankelijk van de eerste. De zes grotere of voorname volkeren zijn de Eburonen, de Trevieren, de Serviërs, de Atuatikers, de Menapiërs en de Ambivariten. Het zou moeilijk en zelfs onmogelijk wezen om juist te bepalen in welk deel van ons land ieder van die naties lijk zich met min of meer gegronde gissingen behelpen moet.

Uit ‘Vaderlandsche Historie’ van J. David uit 1866

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>