Het regent vuuffrangstikken

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     499 Views     Leave your thoughts  

Kortrijkse weerstoestanden omtrent weer en wind

De gezondheid en het weer zijn nog steeds de twee best geschikte en meest gebruikte onderwerpen ter inleiding van een gesprek. De twee worden wel eens met elkaar in verband gebracht: “(h)oe es ’t nog met zukke minschen?” – “beter of met ’t were”. Je kunt het weer ook meebrengen : “ê je’t schoo(n) were mee de?”.

Elk seizoen heeft zijn eigen weer: “winterwere, zommerwere, maartewere, meiwere, oeswere, siptemberwere, oktoberwere, nieuwjaarswere, ke(r)stdagwere”.

Adjectieven die het soort van weer moeten aangeven, hebben gewoonlijk het achtervoegsel achtig: “twijfelachtig, donkerachtig, regenachtig, vlaagachtig, donderdachtig, sneeuwachtig, vriesachtig, sleerachtig, smokkelachtig, windachtig, koudachtig”. Duidelijker zijn “smoorwere, regewere, sniêwere”.

Maar er zijn nog veel meer soorten weer: “schoo(n) were, partikulier schoo(n) were, schoo(n) zuiver were, liêlik were, eeuwig machtig leelijk were, wree(d) warm, stikkend (h)iêt, straf koud, ijskoud, stijf straf koud, droog were, nat were, verdossen were, open were, klaar were, donker were, stil were, smoorende were, proper were, vuil were, smerig were, rot were, vort were, zeur were, zoet were, zoch(t) were, (h)ard were, mager were”.

Voor mooi weer gelden de volgende gevoelswoorden: “straf goe(d) were, bezonder were, uitgelezen were, uitnemende were, geestig were, angenaam were, gewins(t) were, (h)emels were, ee(r)ste klasse were, legaar(d)swere, wandelwere, juste gepas(t) were nie te warm en nie te koud”. Voor slecht weer is de woordenschat niet minder rijk:” wree(d) slich(t) were, were van ‘k ga u gaan ên, droevig were, triestig were, schuuj were, stron(t)were, (h)ondewere, berewere, beestewere, (h)oerewere”.

Het weer kan “vaste” zijn, “gebroken, g(eh)iêl gebroken” of zelfs “verbrod”. Betrokken weer noemen we “overtrokken”. Bij volkomen onmogelijk weer hoor je wel es zeggen: “Vor siptember rn’ên wel onnoozel were” of ” ’t were es zot, ’t en wit nie wat dat ’t wil”. Lijkt het weer nergens op, dan zeggen we “dat en e(s) giên were”. Het weer wordt vaak verpersoonlijkt: “wad ê(t) da(t) were in?; ’t were ga(at) were iets gaan doen; ’t were es bezig met ruze te zoeken; ’t were en wil nie mee; ’t were ê ’t er (h)em mee gemoei(d); da were gaat (h)em toen nog (h)ouden; ’t were doe(t) ne kê zijn beste; ‘k winsche dat da(t) were na(ar) den duivel vlooge”.

En dan zijn er nog de volgende bedenkingen: “da(t) were wêr(d) schoone; dad e(s) mij ’t wêrke da mên; ’t e(s) flauw were vandage, ge zoudt erbij krijschen”. Maar zeggen we “de reste van ’t schoo(n) were es da(ar)”, dan hebben we het over bezoek waar we niet zo erg prijs op stellen.

Belangstelling voor weersvoorspellingen is er altijd geweest: “wa gaat da(t) were doen? ge zij(t) gij nog ’n bitje ne kender van ’t were”. Daarop kon je wel es het antwoord krijgen: “ja, ‘ken kan ’t u nie(t) zeggen, ‘ken ê nog nooi zot gewês”, want dit is een Westvlaamse waarheid: “om ’t were te voorspellen, moe je drie kiêren zot gewêst ên”. Voor een feest is mooi weer natuurlijk van groot belang: “ze gaan ’t lukken vo de kerremesse, … vo de foore, … vo d’ iê(r) ste komminie, … vo de persessie”.

Regen kan zowel gewenst als ongewenst zijn: ” ’t en kan ’t nie regenen; ’t was zo noodig dat ’t ’n bitje regende, want ’t droogde veel te mager; ’t zou meugen veel meer regenen” ofwel “dat ’t kostege overbluven; ’t regent alle minschen te vele; ’t en kan nie miêr uitscheen van regenen”.

Allerlei verschijnselen kondigen regenweer aan: ” de luch(t) en zit nie zuiver; ’t zie(t) liêlik, ’t sta(at) vo te regenen; de mane zit me(t) nen (h)of, ’t ga regenen; ’t verdreeg van te regenen; ’t ga regenen, ’t zit veel te donker; de luch(t) zit dikke; ’t es al vuilighei(d) die in de luch(t) zit; ’t ga kattejongen gaan regenen ; de krabjes kruipen uit, ’t ga regenen”.

Seizoensgebonden vlagen zijn de “marsche bijze” en een “zomers vlaagske”. Een klein zacht vlaagje, net voldoende om de sla te besproeien, heet “een salavlaagske”. Komt bij regenachtig weer de zon even door de wolken piepen, dan heet het “nem blek vo ne lek”. Weet je niet goed of je een regenjas aan moet trekken, dan vraag je “regen ‘t”; je kunt dan als antwoord krijgen: “nin ‘t, ’t en e(s) ma zeeveren; vor ’n bitje dat ’t zeevert, ‘ten ga nooi tot an u vel geraken”. ” ’t Regen mollejongen ” is te vergelijken met het Engelse” It’s raining cats and dogs”. En ” ’t regen koord’jes” is precies hetzelfde als Duits “es regnet Bindfäden”.

Voor de boeren is regen vaak welkom als geld: ” ’t regen were (h)alve franskes vo de boeren”. Een zomerse vlaag begint vaak met grote druppels die in grote kringen op de grond openspatten ; het beeld dat daarvoor gebruikt wordt, herinnert natuurlijk aan de tijd toen een vijffrankstuk nog een groot muntstuk was: ” ’t vielen leken, ’t waren lik vuuffrangstikken”.

Aan de aard of het ogenblik van de regen kunnen voorspellingen worden verbonden: ” ’t regen me(t) blaazjes, ’t e(s) vo g(eh)iêl den dag”. Talloze weerspreuken zijn op het ogenblik van de regen gebaseerd: “regen in april, bring(t) den boer zijn schuren vul”. In onze streek is de regenheilige Sint-Medardus: “a(ls) ’t regent ip sen Medaar, ’t regen vo zes weken an ’n stik”.

Regen inspireert tot kinderrijmpjes: ” ’t regen dat ’t zegen, dat ’t maantje schink”. Daar wordt soms aan toegevoegd : “en al de pasters drinken wijn” of beter rijmend ” en ’t es kerremesse in pasters lochtink”. Als het regende bij zonneschijn, zongen we als kinderen eveneens : ” ’t regen dat ’t zegen dat ’t zunje schink”. Maar algemeen geldt dan ” ’t es kerremesse in d'(h)elle, de duivels eten stron(t)”.

De regen wordt figuurlijk gebruikt in : ” ’t regent erip lik ip n aande (of ’n goele); ’t es al stron(t) en regewater; me gaan wachten totda(t) de vlage over es ; ge keunt da(t) doen tusschen vlage en bot”.

Ook de wind speelt een hoofdrol in het weer. Het werkwoord waaien schuilt in “waaiboom, plakwaaier, wegwaaien, verwaaien”. Zegswijzen met wind zijn legio: ” ’n schoon zoel windje; de win(d) stink, ’t ga stron(t) regenen; ’t es nen arte win(d) vandage; ’t waaid art ; ’t waaid (h)ier lik ’n biêste; m’ên de win(d) ip kop, van achter, in ons gat; ’t es westerwin( d), ’t ga re genen ; de blaten van de boom en vallen zo zeere of de win(d) ; ne keerende win(d) es (stil)staande were; ’t er e(s) nogal veel schof in de luch(t); ip ne verwaaide kee(r) ; ’t es stille wa dat ’t nooi en waai(t) ; ’t (h)ekken na de win(d) (h)angen; alle hagen beschudden win(d); zijn horloge ga met de win(d) ; ’t es nen draaier, je draai naar alle winden; je draai(t) lik Mercurius; je drink(t) tegen sterre en win(d) ; Bourgogne laten waaien; ’t ga(at) tegen uje gevel waaien”.

Met donder vormen we de samenstellingen: “donderwolke of dondertorre, dondervlage, donderslag, donder botte, donderspille”. ” Je kwam(t) daar afgedonderd met ’n gewel(d) van al d’ hjelsche duivels; van ’n vliegeschete nen donderslag maken ; gij liêliken bliksem; ne liêliken donder; j’es te liêlik om t'(h)elpen donderen”.

De woordenschat i.v.m. het weer wordt overstraald door de zon. Talrijk waren vroeger de huisnamen “De Zon(ne)”, net zoals in Duitsland “Zur Sonne”. “De Zunne” was lange tijd de naam van een huis op de Kortrijkse Graanmarkt of Korenmarkt. “De mooie zundag” is de naam van een verdwenen herberg op de Kleine Kring. Samenstellingen met zon zijn: “zundag, zunneslag, zunneklips, zunnewijzer, zun(h)oedje, zunneblomme, zunnestoor, zunnebril”.

Deugddoend is de zonnewarmte: “de zunne doet deug(d)”. Maar een brandende zon is niet zo welkom: ” ’n mechante zunne; Lora e(s) mechan(t) vandage; ge zou braden in de zunne; ’t es zo (h)iêt da’n de kraaien gapen”. Maar soms geeft de zon geen warmte, dan is het maar een “waterzunne”. En een stevig gebouwde vrouw, met blozende wangen, noemen we wel es ” ’n zunneblomme “.

Ook de maan komt in huisnamen voor. “De halve mane” was een huis ” ip ’t kêrk(h)of en “De (geheele) Mane” in de Rijselstraat. De “maneschijter” is een insekt en het op een mensengezicht lijkende maanlandschap gaf aanleiding tot het sprookje van ” ’t manje uit de mane”. Een weerspreuk luidt: “a(ls) ’t regen(t) met de roste mane, ’t ga zes weken an ’n stik regenen”.

Winterneerslag bestaat in de vorm van hagel, ijzel en sneeuw: ” ’t zijn (h)agelsteenen lijk duiveneiers; past ip, ’t ê geijzel(d); ’t e(s) wree glattig, sleerig; snee(uw) ; sneewit; sneevlage, sneeschoe, sneebol, sneebrokken, sneewater, sneeman; ’t sneeuwdige kattejongen”.

De vorst heet in het Kortrijks “vos”, b.v. “witte vos” of ” ’n nach(t)vostje”. De hoofdtijden van vriezen zijn “vriezen, vroos, gevrozen”. “De vriezeman e(s) gekomen, de ruiten zijn vervrozen” Als het ijs niet op het water rust, dan heet het “kuipijs”. Samenstellingen zijn “ijskegel, ijspeer(d), ijsbak, ijscrêmke”.

Na een lange sneeuw- of vorstperiode is de dooi welkom: “me liggen met den dooi”. Maar dat kan ook ironisch in de zomer worden gezegd, om op het minder welkome van de regen te wijzen. De vieze papperige brij van half gesmolten sneeuw doet ons van “ne vuilen dooi” spreken, maar als de dooi zich niet doorzet, hebben we het over “nen (h)alven dooi”. Immers, “nen dooi zonder regen en win(d), en e(s) nie weer(d) dat ie begin(t)”.

Maar het best bekende weerverschijnsel is ongetwijfeld de regen. Hij komt voor in tal van samenstellingen:” regewater, regestande, regewere, regewoolke, regevlage, regegat, regemantel, regekoud, uitregenen, afregenen, regenachtig, stuifregen, sturtregen, slagregen, goudregen, vierregen (bij vuurwerk)”. We spreken van ” ’n goe of ’n schoo(n) regentje, ne stille regen, ne gezapige regen, ’n gezapig regentje, ne zijpelachtige regen, ne ferme regen, ne gildige regen, ne geweldige regen, ’n zoch(t) regentje”.

Zegswijzen rond de regen zijn er in overvloed: ” ’t e(s) bezig me(t) mijzelen; ’t zou moeten deureregenen, en al dat ’t doe(t), ’t e(s) nu en toen ’n bitje zeeveren; de luch(t) zit g(eh)eel zwart, ’t ga kattejongen spujen; ’t regen(t) dat ’t klets(t), … dat ’t giet, … dat ’t schuim(t) ; ’t regen bij stroomen; ’t regen de kolsien uit d’eerde; ’t regen putten in d’eerde; ’t regen plaschen; me gaan doen lik in Brugge, me gaan ’t laten regenen; ’t êd (h)ard geregend, de Leie e(s) vele ver(h)oog(d) ; ’t (h)oudt ip van stille te regenen; de luch(t) trek(t) were toe, ’t ga nog regenen; vo mij ’t mag alle nachten(den) regenen; me liggen were an ’t randuitje, ’t regen nog ne kê; ’t regen stron(t) met (ha)akskes; ’t regen deur ’t dak, … deur de pannen, … tot in ons bedde; dat en e(s) nie regenen dat ’t doe(t), ’t e(s) gieten; a(ls) ’t regen, ge’n moe ma tusschen de dreupels loopen; ’t regende voolk ip de kerremesse; da(t) zijn wel chançards, ’t regend al alle kanten in ulder schuifla.

Is de melk te waterig, dan zeg je tegen de melkman: ” ’t ê zeker stijf geregend?”. ” ’t zop loopt uit mijn broek van de regen; de katten zijn schuuj van de regen; regen verleedt zeere; ‘k peize dat ’t ga vergaan in regen; (h)oord je ‘t, de merelere schuifelt achter regen; de win(d) zit in ’t regegat; wa(t) voo ne schoone regeboge; seder wanneer ê je gij goudregen staan in uje lochtink?

J. Soete – F. Debrabandere in ‘Leiegouw’ van 1984

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>