Het tornooi van de witte beer

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     115 Views     Leave your thoughts  

De jaren glijden voorbij. We arriveren nu al weer op een 5 mei van het jaar 1422. Opnieuw bij het steekspel van de Witte Beer. Deze keer trekt Jacques d’Ongereede aan het langste eind en wordt hij de nieuwe forestier. Hij krijgt de ‘beer’, terwijl Jacques Geerolf en Jacques vander Beurse ‘den spiet en den hoorne’ krijgen. In Ieper komen de begijnen terug in hun klooster wonen dat tijdens de grote oorlog helemaal verwoest en verbrand werd.

Tot aan het jaar 1429 krijgen we niet veel meer te horen dan wat verslagen over adellijke tornooien. Ik laat de trofeeën aan mij voorbijgaan en beland in het jaar 1430. De graaf gaat weer trouwen. Zijn eerste vrouw Michelle was de dochter van Charles de zesde en dus de zuster van de moordenaar van zijn vader. ‘Hy hadde geen kinderen gewonnen bij Michielle’, laten ze in Brugge weten. Tja, de man was amper dertien als hij trouwt met zijn Française, een meisje van veertien.

In 1422 overlijdt Michelle van Valois op 27-jarige leeftijd. Twee jaar later wordt weduwe Bonne van Artesïe de tweede echtgenote van onze hertog, maar ook hier blijft het huwelijk kinderloos. Het huwelijk is trouwens maar een korte tijd beschoren, want Bonne sterft al in 1425, amper één jaar na hun huwelijk. ‘Derde keer, goede keer’, moet Filips de Goede gedacht hebben. ‘Den Hertog, wenschende wettelycke kinderen achter te laeten, hadde verzocht voor zyne derde huysvrouwe Isabelle, dochter van Joannes, koning van Portugel.’

Onze Brugse kroniekschrijver worstelt met afwijkende waarheden. De enen vertellen dat het koppel trouwt bij haar aankomst in Sluis, maar in de ‘Chronyke van Despars’ staat te lezen dat ze naar Damme gereisd zijn en daar getrouwd zijn. Maar wat ze vertellen is allemaal bullshit beweren ze in Brugge: ‘Maer dit kan geensints met de waerheyt over een komen, om dat den hertog op den 10. Jannuary 1430 (volgens oude styl 1429, alwanneer de jaeren met den Paesschen maer begonst wierden) ingestelt hebbende het order van het Gulden Vlies, aldaer mede verklaert, dat hy dit gedaen heeft ten zelven dage, als hy binnen Brugge zyn houwelyck voltrocken heeft.’

Ik krijg een uitgebreid verslag van de gebeurtenis voorgeschoteld. De aankomst bij zijn paleis, het prinsenhof, gebeurt in stijl en met de nodige egards. Het stadsbestuur en de finefleur van de Brugse beau monde verwelkomen het koppel ‘aan de Spey poorte, onder het geklang van 64 keteltrommels, trompetten en andere instrumenten.’ De Brugse straten hangen versierd met kostbare tapijten. De uitheemse kooplieden lijken elkaar wel in ‘magnificentie en in pracht’ te willen overtreffen. Voor het paleis staat een stenen leeuw opgesteld met aan zijn voorste klauw enkele buisjes ingebouwd waaruit volop Rijnse wijn vloeit. Een tapinstallatie avant la lettre.

Ook binnenin het paleis gaat het er voor die dagen toch wel erg decadent aan toe. Ik laat het de kroniekschrijver zelf vertellen: ‘binnen het paleys ontrent de capelle was eenen hert, den welcken uyt zijnen voorsten rechten voet rooden wyn gaf. In de groote zaele stondt eenen eenhoorn, uyt zyne voeten rooze-water sproeyende. Uyt zynen hoorne vloeyden overhandts Malvoisey, Hypocras, muscade wynen, en andere kostelycke drancken.

Deze feeste bleef alsoo acht dagen lang gedueren.’ Ter nagedachtenis aan het feest wordt de orde van het Gulden Vlies ingesteld waarbij 31 edele ridders gelauwerd worden en voortaan deel mogen uitmaken van een erg selecte en streng katholieke loge onder de hoge bescherming van de paus.

De Brugse kronieken ademen tot in 1435 een luchtje van luxe en tornooien uit. Voor het gewone ambachtsvolk is er geen plaats in het nieuws. Ik probeer me tevergeefs een beeld te vormen van de levensomstandigheden van die dagen. Alles lijkt me te veel peis en vree. Er klopt iets niet aan de perceptie ervan, ik wil hier weg uit Brugge en neem even een kijkje in Ieper. Hier krijg ik een geestelijke update te verwerken.

Eerst en vooral in 1427 waar ik de oude geschriften weer laat binnensijpelen in mijn eigen kronieken: ‘op den 6de mey wierden binnen Ypre geadmitteert ofte aenveert te woonen, de religieusen, onder den regel van den h. Augustinus, geseydt Grauwe Susters geopperbeert door Nicolais abt van St Maertens en zijn gehouden den echt te winnen met werken en siecken te dienen, en zoo zij te kort komen mogen aelmoessen vragen.’

In 1433 speelt de natuur eens op. Binnen Ieper is ‘de groote ende oude thorre van St Maertens kercke door eenen uytnemenden zuyden windt, op eenen bot ommegewaeyt’. Ik haal het tafereel zo voor mijn geest. Een pittige zuiderstorm, een kerktoren met hier en daar vermoedelijk een constructiefout, samen met een schip dat daar op de Ieperlee aan de Leet de volle kerklading over zich heen krijgt. Wat de Engelsen en Gentenaars niet vermochten in 1383, regelt de natuur 50 jaar later zelf wel. Op 2 juli van 1434 begint de bouw van de nieuwe toren.

De eerste steen van de ‘nieuwe thorre van St Maertens’ wordt plechtig gelegd door de Ieperse voogd Victor van Lichtervelde en zijn madame Athanasia van Oultre die zelf burggravin is van de stad. De kosten worden gedragen door het stadsbestuur, de inwoners dus. Al moet gezegd dat de architect, die trouwens erg mooi als een bouwkunstenaar wordt omschreven, ook zijn deel van de fondsen aanbrengt.

‘Den vermaerden bauwkonstenaer Victor Uyttenhove genaemt zijn de eerste en meeste fondateurs en bedtaelders geweest.’ In 1435 bouwen de Genuese broers Pieter en Jacob Adornes een kapel in de parochie van Sint-Kruis. De kapel en de toren zijn een imitatie van het H. Graf in Jeruzalem en staat tot op heden bekend als de Jeruzalemkerk in Brugge.

Er worden twee kapelanen aangesteld die verantwoordelijk worden voor dagelijkse misvieringen en voor de lokale zielzorg. Naast de kapel wordt een hospitaal opgetrokken voor ‘twaelf arme vrouwkens’. De 13de juli van hetzelfde jaar scheurt paus Eugenius IV kapel en hospitaal af van de parochie van Sint-Kruis, ‘haere inwoonders zoude in de toekomende niet meer moeten schuylen onder de prochie van S. Cruys, maer op haer selven alleen soude blyven.’

De hemel in Frankrijk klaart op in datzelfde jaar 1435. De graaf van Vlaanderen legt een en ander bij met Charles de zevende, al een tijd opnieuw de koning in Frankrijk. Op 19 september 1435 wordt de vrede van Atrecht afgesloten ‘ter uytsluytinge van de Engelschen alswanneer Philippus met zyne huysvrouwe en den jongen prince Charles, den welcken twee jaeren te vooren binnen Dijon geboren was, naer Vlaenderen wedergekeert zyn.’ Ik verneem voor de eerste keer iets over het kind van de hertog. Het ventje wordt Karel genoemd en zal in de geschiedenisboeken verzeild geraken als ‘Karel de Stoute’ naar analogie van zijn gewezen grootvader Filips de Stout(moedige).

Het moet trouwens wat geweest zijn bij de geboorte van die kleine. Vader zelf had er al twee kinderloze huwelijken opzitten en bij zijn derde vrouw Isabella van Portugal stierven hun eerste twee kindjes Anton en Jodocus nog voor ze twee jaar werden. Tot zover de familiale toestand van het gravenkoppel. De vernieuwde eendracht in Frankrijk komt er op de kap van Engeland. Dat moet bijzonder slecht nieuws zijn voor Vlaanderen dat voor een belangrijk deel afhangt van de handel met de Engelsen. Er staan ongetwijfeld magere jaren voor de deur.

Al gauw priemt deze harde realiteit door de oppervlakte van mijn kronieken. ‘Uyt oorzaecke van den voorgaenden peys was den hertog in oorloge gekomen tegen de Engelschen, en hadde in de maendt van junius een groot leger in het veldt gebracht, om de stede van Cales te belegeren.’ Op 11 juni hebben de ambachtslieden de wapenen opgenomen en marcheren ze onder hun respectieve banieren naar de markt waar ze zich vervoegen bij hun kapitein Jan, de heer van Steenhuyse.

Ze blijven er wachten tot dat de mannen van de omliggende stadjes zich bij hen zullen komen aansluiten. 450 Bruggelingen hebben zich ingeschreven om deel te nemen aan het beleg van Calais. Ik ben enigszins verrast dat de Brugse jaarboeken de samenstelling van het Brugse legertje tot in detail preciseren. De schijnwerpers gooien hun licht over het Brugge van 1436. De zes wijken van Brugge worden ‘zestendelen’ genoemd.

Het zestendeel van St.-Jans, St.-Donaes, O.L.-Vrouwe, St.-Jacobs, St.-Niklaas en van ‘s Carmers vaardigen samen 98 van hun meest notabele burgers af om mee te stappen. De rest van de mannen komt uit de diverse ambachten. 55 komen er uit de textielnijverheid en er zijn 18 vlees-en visverkopers. 20 timmerlieden, 22 kleermakers, 32 makelaars, 14 schoenmakers, 12 bakkers 15 schippers, 6 schrijnwerkers, 11 metsers, 16 smeden en 6 zilversmeden. Een bonte mengeling. Op het lijstje prijken de namen van glorieuze ambachten.

Vergane glorie, maar ik blijf er graag even bij vertoeven daar bij die ‘tegeldeckers, plaesteraers, stroodeckers, wyntappers, wynschrooders, wielwerckers, pottebaekers, tinnepotgieters, hudevetters, beurzemakers, handschoenmakers, oude-kleerkoopers, viltwerkers, hoedemakers, baerdenackers, scheedemakers, paternostermakers, keersgieters, fruyteniers en grauwerckers.’ Al gauw krijgen ze het gezelschap van delegaties uit Damme, Oostburg, Aardenburg, Torhout, Oostende, Muide, Meunickrede, Hoeke, Blankenberge, Gistel en Diksmuide. Die van Sluis sturen hun kat en dat werkt danig op de zenuwen van de Bruggelingen.

De Sluizenaars voelen zich heer en meester nu zij het sluitstuk vormen van de Franse verdediging in het noorden van Frankrijk en dat wringt van langs om meer bij de Bruggelingen. Sluis eet niet langer uit de handen van Brugge. Het zint die van Brugge helemaal niet. En nu dit. Een flagrante weigering om mee te stappen met hun leger. Ze ‘wierden zoodanig verstoort, dat zy aenstondts daer naer toe trecken wilden om hun te straffen; doch den prince daer tegenwoordig zynde, heeft door schoone woorden zoo vele verkregen, dat zy hunne vraecke een weynig hebben uytgestelt.’

Jan van Brugge, de heer van Gruuthuse zal in Brugge blijven om de stad verder te besturen terwijl de mannen onder leiding van visverkoper Jan Mulaert naar Oudenburg vertrekken. Daar ontmoeten ze de Vrijlaten die geleid worden door de heer van Merkem en nog eens 500 ruiters uit Mechelen. Vanaf nu gaat het zuidwaarts. Via Slijpe, Nieuwpoort en Duinkerke naar Grevelingen waar ze zich vervoegen met de milities van Gent, Kortrijk en Ieper. Het Vlaamse volksleger is al aangezwollen tot 30.000 gewapende mannen en wordt aangevuld door ‘menigvuldige edellieden, de welcke dan mede voor Cales getrocken zyn, en de zelve stede belegert hebben.’

Het beleg van het door de Engelsen bezette Calais neemt aanvang. Helemaal geen evidentie voor de belegeraars, de stad wordt ‘kloeckelyck van binnen gedefendeert’. Op 19 juli volgt er een uitbraak waarbij er 36 Bruggelingen het leven verliezen of gevangen genomen worden. Aan de achterzijde van Calais ligt de zee zodat de Engelsen volop militaire steun kunnen krijgen. Er is een Hollandse vloot op komst om die achterpoort te sluiten, maar de verwachting van een extra reeks Engelse schepen doet de Hollanders panikeren en terugvaren naar het noorden. De Vlamingen zijn er helemaal niet mee opgezet dat de Hollandse vloot rechtsomkeer maakt. Ze zijn niet dom.

Zo lang de haven open blijft, zullen ze er niet in slagen om Calais in te nemen. Zo veel is zeker. Tot overmaat van ramp verliezen de Gentenaars 120 man bij een nieuwe uitval van de Engelsen. ‘Zy waeren als uytzinnig geworden door het ophitsen van eenen matsenaer Jacob de Sagere hunnen overdeken, gevoegt met Gysbrecht Pateet, riepen zy opentlyk dat zy verraeden waeren; zoo dat zy, niet langer begeerende aldaer te blyven, hunne tenten opgepackt hebben, en naer huys getrocken zyn.’

De rest volgt het Gentse voorbeeld waardoor Filips de Goede zeer tegen zijn zin het beleg moet afbreken. De extra reeks Engelse schepen die verwacht werden voor Calais, heeft trouwens een andere bestemming: Cadzand. Ze landen er op de 10de augustus 1436, ‘het zelve met de omliggende plaetsen verwoestende ende verbrandende’. De oost-Vrijlaten van Eeklo, Aardenburg, Maldegem, Sint-Laureins, Adegem, Koksijde en Oostburg reppen zich naar de St.-Brixtuspolder om die van Sluis te vrijwaren van het Engelse geweld, maar na korte tijd staken ze hun vruchteloze pogingen en keren ze terug op hun stappen.

De graaf had de Bruggelingen gevraagd nog even te wachten met hun wraak op die van Sluis. Het is dan ook het eerste punt op de agenda bij de terugkeer van de mannen na hun trip naar Calais. Als een uitgelaten bende weigeren ze nog maar eens om hun eigen stad binnen te trekken en verkiezen ze er voor om ostentatief hun tenten op te slaan buiten de smedepoort rond Sint-Baafs, ‘zeggende van daer hunne tenten niet te zullen opbreken, ‘t en zy die van Sluys alvooren behoorelyck gestraft waeren voor hunne weygeringe, die zy gedaen hadden, van volgens de oude gewoonte onder den Brugschen standaert ten oorlog te trecken.’ De lokale magistraat doet wat hij kan om de gemoederen tot bedaren te brengen, maar het volk heeft er geen oren naar, ‘en hunnen hoop wierdt dagelyckx meerder’.

De prins komt zich ermee bemoeien. ‘Weten jullie wel wat de gevolgen zullen zijn voor Brugge als jullie de Engelsen zomaar laten doen op enkele kilometer van jullie deur?’ De teneur van zijn boodschap moet iets in die richting geweest zijn. Er zullen wel enkele schone beloftes bij gekomen zijn. Na veel vijven en zessen breken de Bruggelingen hun kamp op. 12 augustus is het als ze zich op weg naar de vijand begeven onder leiding van Jan van Steenhuyse en Niclaeys de Calckere. De voornaamste notabelen van Brugge rukken mee op.

Gillis van Vlaminckpoorte, Jacob Breydel, Jacob vander Beurze, Jan van Hoorne, Maerten Honin, Jan Pallant, Lodewijk vande Walle en zijn zoon Joos. Bekende namen als Vincent de Scheutelaere, Niclaeys Canneel, Jan Gherbode, Joos van Wulfsberge, Pieter en Joos Bul, Jacob Reyngout, Jacob Reubes en nog veel meer anderen vervoegen de Brugse armee. De instructies van de prins zijn duidelijk: de Engelse schepen moeten in brand gestoken worden. Maar de Bruggelingen willen absoluut eerst afrekenen met die van Sluis.

Hier treffen ze een hermetisch gesloten stad aan waar enkel de heer van Steenhuyse en veertig van de meest aanzienlijke personen worden binnen gelaten. De rest wacht buiten in de gietende regen, maar dat vertellen deze kronieken spijtig genoeg niet. Met de bende grimmige en doornatte Bruggelingen aan de buitenkant van de poorten, doet Roeland van Uutkerke, de gouverneur van Sluis, er nog een schepje bovenop door alle Bruggelingen die woonachtig zijn in de stad naar buiten te zwieren, ‘waer door den haet noch meerder wierdt. Niet te min gingen zy van buyten omme naer Oostburg, en verjaegden den vyandt.’ De 22ste augustus keren de Bruggelingen terug naar hun thuisstad. Dit keer is het verzamelen geblazen op de grote markt.

Normaal gezien moeten ze nu hun wapens inleveren, maar dat weigeren ze pertinent. Er moet absoluut eerst afgerekend worden met dat crapuul van Sluis en vooral met de heer van Uutkerke die hen niet alleen voor ‘muytmaeckers’ heeft uitgescholden, maar hun eigen burgers zomaar uit de stad heeft verjaagd. Filips de Goede verblijft ondertussen te Damme waar hij de Brugse eisen te horen krijgt: ‘Zy begeerden dat de mueren en vesten van Sluys zouden afgebroken worden, en dat den prince, die genegen scheen die van het Vrije tot vierde lid van Vlaenderen aen te nemen, belooven zoude zulckx noyt te doen.’

‘De gemeenten loopen in de wapenen’ lezen we als subtitel in de jaarboeken. De stad Brugge ligt overhoop. De standaarden worden centraal op de markt neergepoot. De 26ste krijgen ze bericht dat de edelen allemaal opgetrommeld zijn om zich bij de graaf te komen vervoegen in Damme. Het zou dus wel eens kunnen zijn dat ze aangepakt zullen worden door Filips. Enkele ambachtslieden rennen naar griffier Jan de Nil. Hij moet hen de sleutels van het stadsmagazijn overhandigen zodat ze het kanon dat daar opgeslagen wordt, kunnen ophalen. De Nil weigert.

En als de mannen er mee dreigen om hem van kant te maken, verklaart de man in doodsangst dat hij de sleutels niet in zijn bezit heeft en dat die te vinden zijn bij meester Domlinus van Thielt, de klerk van de thesorie, ‘wiens huys zy aenstondts omringelt hebben.’ In deze woning zitten op dat moment een aantal heren te dineren. Jan van Gruuthuse, de gouverneur, baljuw Niclaeys Utenhove en zijn schout Eustachius Brix. Groot tumult buiten en de mannen komen dus poolshoogte nemen van wat er aan de hand is. Ze proberen de woedende gemoederen te stillen en stellen voor om zich samen naar de markt te begeven.

Op het einde van de Breydelstraat kan de schout zich niet langer bedwingen om het gezelschap onder hun voeten te geven en ‘hen heftig toe te spreken; het welcke zy geensints willende lyden, hebben hem ter plaetse vermoordt’. Gruuthuse en Utenhove keren opgeschrikt terug naar hun woning en aarzelen geen seconde om de gevraagde sleutels en die van de stad te overhandigen aan de oproerkraaiers, ‘met de welcke zy alle de stucken kanon uyt de magazynen gehaelt hebbende, de selve noch ten zelven dage tot een teecken van victorie hebben afgelost.’ De heer van Gruuthuse onderneemt een nieuwe poging om de goederen te stillen.

Hij rept zich naar de halle, maar zijn minzame tussenkomst kent weinig succes. In het besef van zijn verloren autoriteit neemt hij ontslag en stelt hij Vincent de Scheutelaere aan in zijn plaats, ‘den welcken aenstondts het doode lichaem van den schout binnen S. Donaes Kercke dede begraeven, verklaerende (om het volck te believen) dat deze moordt aen niemant in het bezonder, maer wel aen het geheel gemeente moeste toegeschreven worden.’ De rol van Vincent de Scheutelaere als gatlikker van de lokale gilden blijkt nogal dubieus.

Iedereen die de voorbije dertig jaar een of andere functie heeft uitgeoefend in het Brugse stadsbestuur moet zich nog diezelfde middag naar de markt begeven. Wie dat niet doet zal gepijnigd en gestraft worden. Geeraert Reubs, voormalige burgemeester en Domlinus van Tielt zien de bui al hangen en vluchten weg uit de stad, ‘en aenstondts wierden hunne huysen geplundert’. De rest van de wethouders krijgen een verbod om de stad te verlaten. Op verbeuring van lijf en goed. De eerstvolgende dagen wordt er hard gewerkt om de privileges aan te passen, vooral die van de rechten en de versterkingen van Sluis krijgen volle aandacht.
Prinses Isabella van Portugal, ik zou die bijna vergeten, verblijft ook nog altijd in het tumultueuze Brugge. ‘Ziende dat de raezernye van het gemeente dagelyckx grooter wierdt, trachte zy stillekens uyt de stadt te geraecken.’ Haar koets wordt door Jan Lonckaert en zijn gezellen aan de Kruispoort onderschept. Er zijn nog andere dames aan boord. Een buitenkans. De vrouw van hun aartsvijand Roeland van Uutkerke en de weduwe van Jan van Hoorne worden brutaal uit de wagen gesleurd en naar de gevangenis overgebracht.

Isabelle en de kleine hertog Karel mogen beschikken. Zo ver durven ze het in Brugge dus niet te drijven. Dat laat niet na dat Isabelle bij haar aankomst ‘by haeren man tot Damme gearriveert zynde, groote klachten heeft gedaen.’ De Brugse relschoppers proberen de Gentenaars aan hun kant te krijgen. Kunnen zij dat niet regelen met de prins dat de heer van Uutkerke gestraft zou worden en dat die van Sluis op het matje geroepen kunnen worden?

Ze willen bovendien de afschaffing van de graantaks die ze als sinds 1407 moeten betalen en natuurlijk ook het behoud van hun stedelijke rechten en privileges. Hun Gentse kompanen gaan in op dat verzoek en gaan in audiëntie bij Filips de Goede. Zijn antwoord is kort. De ‘muytmaeckers’ moeten gestraft worden om de smaad die ze aangedaan hebben aan zijn echtgenote en vooral om de moord op schout Eustachius Brix.

De weigering van de prins zorgt in Gent voor ontevredenheid. De lokale ambachtslieden voelen zich solidair met hun Brugse lotgenoten en besluiten om hun lot aan hen te verbinden. Misschien valt er hier ook iets van de kar. Zo zijn ‘zy op den 3. september allegaeder in de wapenen naer de Vrydag-marckt geloopen, zweerende aldaer alle hulpe en bystandt aen die van Brugge te zullen doen.’

De Brugse rebellie verspreidt zich nu als een lopend vuur door heel Vlaanderen. Met de steun van die van Gent, besluiten de Bruggelingen om alle collega’s uit de buitengebieden uit te nodigen om mee te doen met hun protest daar op de grote markt van hun stad. De situatie doet me wat denken aan het Tiananmen-plein in Peking of het straatprotest in Oekraïne. Die van de buitengebieden krijgen de opdracht om hun voormalige wetgevers gevangen te nemen en mee te brengen naar Brugge waar ze eveneens in het ‘gyzelhuis’ zullen worden opgesloten.
Op 7 september arriveert de eerste gewapende delegatie. Die uit Oostkamp. ‘Aen de zelve wierdt eenen roozenhoedt gepresenteert, om dat zy de eerste aengekomen waeren.’ Kort daarna zien we de intocht van die van ‘Damme, Oostburg, Aerdenburg, Yzendycke, Meunickreede, Houcke, Mude, Blanckenberge, Meetkercke, Ramscapelle, Dudzeele, Kokelaere, Oostkercke, Heyst, en Vinck-ambacht, met meer andere ambachten en prochien van het Vrye, elck met hunnen standaert: het gene ‘s maendags daer naer, wezende den thienden, oock deden die van Thourout en van Liswege.

Uit Gent komt verrassend nieuws. Roeland van Uutkerke wordt er voor 100 jaar uit het land verbannen. Samen met Colaert vander Clyte de soeverein-baljuw van Vlaanderen en nog enkele getrouwen van de hertog. Gelijk wie een van de mannen dood of levend binnen Gent kan brengen, zal een bedrag van 300 gulden ontvangen. Het volk heeft duidelijk de macht gegrepen. Op 14 september werft de stad Brugge 300 soldaten aan die door de stadskas zullen worden vergoed. Ze worden onder de hoede geplaatst van Vincent de Scheutelaere en Jan Boonin, die trouwens zonder ophouden op zoek zijn naar verdere versterking. Met succes, want ook volk uit Oudenburg, Oostende, Gistel, Lombardsijde, Lo, Jabbeke, Varsenare, ‘Straeten’ en Wenduine ‘komen allegader in wapenen naer de marckt.’

Ondertussen maakt de hertog zich klaar om Brugge te belegeren. Een gebruikelijke truc bij het beleg van een stad is het afsnijden van de toevoer van de levensmiddelen en ook nu maakt Filips gebruik van allerhande slinkse middelen om Brugge op droog brood te zetten. Tussen Damme en Sluis worden een reeks houten balken in het water gepositioneerd die er moeten voor zorgen dat geen enkel koopvaardijschip er nog voorbij kan varen zonder het risico om ter plekke te zinken.

Dit is een fragment uit boek 5 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>