Het verbrande paradijs

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     532 Views     Leave your thoughts  

‘t Is grootvader die vertelt. ‘k Zie hem daar nog zitten, in zijn leunstoel, op ‘nen avond, dat de wind buiten bulderde en dat de sneeuw stormde over de daken en dat de wind schuifelde in de kave, bij oogenblikken, dat ge zoudt gezeid hebben, al wist ge nog zoo goed dat hel niet zijn ‘n kon, dat er een kattejacht aan den gang was, daar boven ievers, vijf, zes voet boven den heerd, zoo leelijk scheurde die schruwel, bij wijlen, door den schoorsteen dat het sneed tot in het merg van uw beenderen!

Een ijzelijke winterstorm; en even van passe een avond om, warm rond het knetterende vuurtje gezeten, te luisteren, ‘lijk jongens dat kunnen, als de ouderen van dagen eens aan ‘t vertellen geraakt zijn en aan ‘t rakelen uit hun verste geheugen.

En grootvader begon :’k had hem even medegedeeld wat ik dien dag, al dolen, zoo ‘t nog gebeurde, nu en dan, in de puinen van ‘t kasteel, t’onzent, op de mote had ontdekt en die geheimzinnige letters, overschot van een opschrift, dat nu half, of meer, uitgekankerd was, met den tijd, en niet te ontcijferen meer ‘n scheen, hem had voorgeteekend op een stuk papier. Grootvader zelf ‘n gerocht er niet wijs uit en ‘n wist er geen bedied aan te geven, noch beteekenis, zelf ‘s anderdaags als we samen eens zijn gaan kijken naar de puinen, daar, en naar dat opschrift.

Eigenlijk, en dat kan ik gerust nu reeds zeggen, ‘t Is pas kortelings geleden, nog geen twee jaar, dus veertig en meer jaren na dien eigensten avond, waarop grootvader aan ‘t vertellen viel over ‘t kasteel t’onzent, dat ik meen het geheimzinnige raadsel, van die letters daar, heelemaal bij toeval – ‘t gaat altijd alzoo met dat slach dingen – te hebben opgelost!

Zoo, ‘t eene woord bracht het ander bij, en grootvader begon te vertellen over den brand van ‘t kasteel t’onzent. “Hoe dat het eigenlijk gebeurd is, met dien brand”, zoo zei hij, ‘n heeft geen levende sterveling ooit geweten, noch kunnen achterhalen. Om den goen reden, dat deze, die het hadden kunnen weten, zij, allen levende verbrand zijn. ‘lijk ratten in hun nest, met ‘t kasteel zelve, op dien ijzelijken nacht van den veertienden in Hooimaand van ‘t jaar 1843.

‘k En zal ‘t nooit vergeten, nooit, zoo lang leve! ‘t Is nu bijkans een halve eeuwe geleden, ‘k was dan nog in mijn eerste jonkheid, ‘t eerste jaar dat ik thuis bleef van t leergesticht en mijn studiën had voltrokken, en ‘t staat mij nu nog voor den geest of was het pas verleden weke gebeurd. En, ik ‘n kan de avondklokke niet meer hooren, al is ‘t reeds zoo lang geleden, ‘k heb het honderde en honderde keeren bemerkt bij mijn zelven, – of ‘k hoor nog altijd dien zelfden klank, mij dunkt, van de klokke in den kerketoren, die te midden in den nacht ons allemale in een haaste uit bedde riep, met ‘t volk, daar, dat al begon te loopen, over plaatse, ‘lijk gejaagd, ‘lijk opgezweept, al roepen, en dat deed zoo gruwelijk te midden den nacht, roepen en moorelen: Brand!… ‘t brandt op ‘t kasteel!

In een weerlicht waren we allemale beneden, half gekleed, de strate op, en weg, ‘t park in! ‘t Was daar zoo klaar, ‘lijk in vollen dag, met dien ijzelijken brand, en met die vlammen, die uit alle vensters van ‘t bovenverdiep en dwars door het dak reeds laaiden, en, lijk geteekend stonden op den einder. Van mijn leven ‘n heb ik schooner brand gezien in al zijn gruwelijkheid.

Maar, was ‘t schoon in de lucht en was ‘t klaar daar gelijk dag, beneden, op den grond, bleef het donker, en de menschen liepen daar over end weer, vol angst en vol schrik, ‘lijk spoken, ‘lijk verkeersels! ‘t Was ijzelijk om zien; te meer dat wij daar al, geheel de parochie algauw, tot de jongens toe, stonden ‘lijk verstomd, te jammeren en te lamenteeren, en doelloos rond te dolen, met het volle besef dat hulp hier niet ‘n kon baten, noch ‘n zou.

Die er eerst bij geweest waren, hadden wel gepoogd de deuren in te leggen; maar, in geen tijd, hadden ze ‘t moeten opgeven. Daar ‘n was geen doen aan, daar ‘n was niet bij te komen, op geen twintig meter, zoo heet was de gloei daar, met dat helsche vuur.

En Jantje Breemeersch zaliger, de grootvader van Sarel Breemeersch nu, en die er een van de eerste bij geweest was hadden ze moeten weg dragen, zijn haar gelijk geschoeperd en zijn kleederen reeds aan ‘t veuzen, als hij getracht had een ruit in te leggen en binnen te breken langs den keuken, waar de gloed al med’eens begon door te slaan. Ijzelijk was het dat prachtig slot daar te zien opgaan in lichte laaie vlammen en verteerden verkoold zien, in minder dan een ure, dat het al in een stortte met dak en met muren en met al en dat er daar niets meer over ‘n bleef, op die mote, dan een hoop rookende puin, waar boven de vier ionische zuilen, die ‘t voorgebouw schraagden, hoog in de lucht bleven staan, ‘lijk fakkels boven een doodenveld.

Ze zijn er jaren blijven staan, daar, die zuilen, tot dat ze, met der tijd, ook ingezakt zijn, de een achter de andere en vergaan tot steenbrokken en gruis, die de kelderingen blijven dekken tot nu toe, en waarover gras en onkruid dan gewoekerd is, lijk over een vervloekte verlatenheid.

Maar, het ijzelijkste van al, nog, en jaren achtereen ‘n spraken de menschen van niets anders, dat was dat, gelijk ze zeiden, de vervloeking, eindelijk, na eeuwen, in vervulling was gekomen, ‘k Peize nu nog, somtemets, dat het een droom was, dat!

En toch is het maar al te waar gebeurd! Vader zaliger had ik dikwijls hooren vertellen, en hij had het gehoord van in zijn jongen tijd, en God weet hoe oud dat die legende reeds was, dat het kasteel t’onzent betooverd was en dat, eensdaags, de boetschuld zou gewroken worden op zijn inwoners, wegens een moord die, eeuwen geleden, moet gebeurd zijn, met bloedschennis, op een van de vorige graven, die in zijn laatsten reutel zijn moordenaar, zijn eigen zoon schijnt het, vervloekt moet hebben en den helschen wensch had uitgebraakt dat het kasteel zou branden boven zijn hoofd, ‘t zijne of dat van een van zijn nakomelingen!

Niemand ‘n geloofde aan dien vloek, van eigen. En we aanzagen zoo wat die legende als een vertelling om jongens bang te maken en lichtgeloovige menschen. Maar nu, al me d’eens, als niemand hem ooit daaraan noch aan zoo iets ‘n verwachtte, was de legende, eilaas, plots bewaarheid geworden en de vloek volbracht!

Want de jonge grave en de jonge gravinne, verre afstammelingen van dien vermoorden heere uit de middeleeuwen, zijn toen levende verbrand geworden, dien nacht, en als onkennelijke, afzichtelijke verkoolde rompen eerst acht dagen later ‘k stond er bij, ‘k heb het met mijn eigene twee oogen gezien, en elkendeen kreesch, die daar omtrent was, – van onder de nog rookende puinen gehaald.

‘t Was dat er nog overbleef van die twee beeldschoone menschen, ín de fleure van hun jaren! Gruwelijk was ‘t ! En, ge moet dat beleefd hebben om te begrijpen welk een verslagenheid, dagen, weken, maanden, zou ‘k zeggen, hier in geheel de streke geheerscht heeft onder de menschen. En. het ‘n verwondert mij niet dat ze nooit de puinen ‘n hebben durven opruimen, nu nog, veertig jaren na die schrikkelijke rampe, met het gedacht aan dien vloek.

‘t Was een pracht van een slot geweest. En ‘t park, met zijn mote in ‘t midden, waar de puinen nu nog te zien zijn, en zijn heerlijke dreven en zijn weelde van boschagies daarachter, is een van de grootste uit geheel ons Westland. En ‘t zou een van de schoonste zijn ook, ware ‘t onderhouden en ware er geen vloek meê gemoeid geweest! En dat ligt daar nu gelijk een verlatenheid!

En, ‘k en heb het nog nooit aan niemand verteld, wat ik nu, daar wij toch daarvan doende zijn, vertellen ga, maar, – en ‘k droom er soms van, – ‘t schrikkelijkste van al, nog, die jonge grave, die daar zoo ijzelijk met de jonge gravinne aan zijn dood is gekomen, had er lijk ‘een voorgevoel van, dat hij wel het boetekind zou kunnen zijn. Want, ‘k herhaal het, wat niemand van ons ‘n deed, hij geloofde aan dien vloek, hij wel!

Zij waren eigenlijk, die laatste graven, geboren en groot gebracht in Frankrijk ievers, waar ze nog een ander landgoed hadden liggen en waar ze den jachttijd telken jare doorbrachten, vooraleer ze naar Parijs trokken voor den winter, ‘t En was maar in de heete dagen en in ‘t herte van den zomer, dat ze ‘t onzent kwamen verblijven, voor een paar maanden telkens.

Ze verbleven hier anders geerne, zoo zei hij, de jonge grave, vooral sinds hun vader, de oude grave, een jaar twee, drie te voren overleden, heel het slot had doen herbouwen, door een Hollander, werd er verteld; maar dat was voor mijn tijd. En ze waren hier ook geern gezien, van de menschen, die jonge grave en vooral die jonge gravinne, – een engel van een vrouwe, zi’, ge zoudt ze gestolen hebben met uw oogen, – geerne gezien omdat ze meegaande waren met hun pachters en milde voor de armen, al is ‘t dat ze tegen geen mensch schier ‘n konden spreken alhier; want ze spraken niets anders dan Fransch!

En, ‘t was wel de reden, zeker, waarom ze, van tijd tot tijd, mij vroegen naar ‘t kasteel, voor een uurtje of twee, om toch ne keer tegen iemand anders te kunnen kouten, dan tegen eigen volk en eigen dienstboden! En, ‘k en zal hem van mijn leven nooit vergeten, dien dag, daags voor de rampe en dus ook daags voor hun schrikkelijke dood, dat ik ze daar zitten zag en trof in de ridderzale van ‘t slot!

Nog nooit ‘n had ik ze zoo uitgelaten geweten, de jonge gravinne ten minste, en nog nooit zoo jong en zoo jeugdig ook! Ze kon dertig zijn, gewillig; een beeld van een vrouwe, te schoone om geschapen te zijn, waarlijk. Ze was, dien dag, geheelemaal in ‘t groen gekleed, een groen, dat schetterde en vloeide, gelijk, ‘lijk de groene vlamme van kokende koper, en dat afstak tegen die rosgele rieme, van dat ros geel lijk de pelse van een leeuw uit de Bengalen, die ze om de lenden droeg en die haar gekleedsel ‘lijk spannen deed en strekken rond haar volle, warme lijf.

Waarlijk, een volslagen kunstenaar alleen – en, dat was ze, kunstenaar, tot in de toppen van haar teen, – kon zoo’n heerlijke kleur hebben gevonden en uitgevonden!

En om nog beter dat vloeiende groen tot zijn recht te laten komen, droeg ze dan zijden kousen ‘lijk verroest van verwe, die flikkerde met een zwaren, heeten glans, ‘lijk de rosse schulpvleugels van een meikever, met haar voet gevat – een voet, om van te droomen, dat voetje, – gevat in bleek-rosse sandalen, met een kruisband over den wrijf.

En dat stond haar, dat groen, die levende, lekkende vlammen, gelijk, van dat kokende koper, bij dat zwaar en zwoelig ros van dat roest. En dat stond haar, dat licht zijden kleed, lijk geschilderd op haar malsche, milde lijf – een wonder, dat, moet dat geweest zijn, van schoonheid, en een meesterwerk van Ons Heere – dat bibberde en beefde in al zijn plooikes, zonder dat ze verroerde schier, zij, simpelijk van t’ asemen, op en neére.

En, ge zaagt haar herte slaan, waarlijk, in haar boezem, en ge voeldet haar herte kloppen in haren blooten, blanken hals, ‘lijk levende ivoor zoo wit. En, ‘t was ook al leven en al geluk dat er aan te zien was! Ze scheen mij daar, – ‘k en kan het me nu nog niet ontzeggen, dat gevoelen, – zij scheen, waarlijk, het geluk en de jeugdige vreugde vleesch en been bedegen en levende bloed!

En, ze moest nog niet bewegen, of zoo weinig, de jonge gravinne, ‘lijk ze daar te lachen lag met al de perels van haar witte tanden, en bedolven schier in de warme zijden kussens van haar leunzetel, of daar schenen mij, telkens, lijk flikkerschichten uit haar kastanje bruine haarlokken te schieten, die kwamen uitsterven, gelijk, op de pinkelende nagelpunten van haar vingers, als ze speelde met haren koralen halssnoer.

Een verschijning, waarlijk! En zeggen dat dat dood is, nu, zoo’n prachtbeeld, zoo’n meesterwerk van levende schoonheid en lachende blijheid,… dood en levende verbrand in zijn bedde!…
En daarnaast stond of zat, dan, de jonge grave, in de volle fleur van zijn jonge mannejaren, met een helpenbeenen voorhoofd, waar het rijpe verstand op te lezen stond, en zonder een rimpeltje, maar zoo zenuwachtig, gelijk, dien dag, dat hij geen vijf minuten ‘n kon stille blijven, en die nu zitten bleef, dan weer rond liep, lijk ongerust.

Had hij een voorgevoel? Alevel, het heeft mij altijd het zonderlijkste van heel mijn leven geschenen, dat hij mij, dien dag, enkele uren voor zijn dood, gesproken heeft van die oude legende en van dien vloek, en waaraan hij, ik zag het maar al te duidelijk, daar, en al loech er de gravinne meê, met al die oude prullen, gelijk ze zei, hij moet geloofd hebben, of half toch, al ‘n zei hij mij dat niet uitdrukkelijk!

En, ‘k weet nog wel dat ik, in den vooravond, naar huis ben gekeerd, lijk op mijn ongemak, ‘lijk ge zoudt zeggen, met een snik in uw kele, dien ge herden moet, zonder er gelijk reden voor te vinden. Maar, toch, wie zou er dat ook gepeisd hebben, of kunnen of durven peizen, dat die legende ging waarheid worden, eenige uren later, en dien vloek volbracht, die legende, die ik volmondig, ‘k moet het zeggen ‘lijk of het is, en met meening, had helpen uit dien jongen grave zijn hoofd klappen, al heeft het mij altijd geschenen, achterna, als ik dat overpeize somtemets, dat hij, halveling wel had willen gelooven dat het maar prullen ‘n waren, ‘lijk zijn gemalinne zei, en dat het maar vertellingen ‘n waren, uitgevonden God weet door wien, in den ouden tijd, maar toch gelijk niet gelooven ‘n kon…

Grootvader zweeg. Hij zweeg en droomde gelijk weg met het zicht voor zijn oogen nog van het ijzelijk drama, dat hij van zoo dichte had meegeleefd en waarvan de herinnering wakker was
gescholen, dien wilden, winterschen avond, door het ontdekken van dat opschrift in de kelderpuinen van het “verbrande paradijs”, zoo wij nooit anders het afgebrande slot ‘n noemden. Hij zweeg,
‘lijk overweldigd door het geheim, dat heel dat drama gelijk met een ondoordringbaren waas omweefde en waarvan hij alleen het gewicht droeg, veertig en meer jaren, alleen, daar diep in het diepste van zijn geweten.

Want nooit te voren, voor dien avond, had hij een woord daarover gelost aan een levende ziele. Tien, twintig en God weet hoeveel keeren was er, in zijn tegenwoordigheid, bij toeval sprake
geweest, van dat oud kasteel, van ‘t onzent, en dat afgebrand was in de jaren veertig ievers, en waarin de toenmalige jonge graven waren levende omgekomen.

Meer ‘n wisten wij niet, ‘n wist niemand, tenzij grootvader, die, tot dan, nooit een woords had gesproken van dit laatste bezoek op ‘t kasteel, daags vooraleer de vloek in vervulling zou gaan.

Had hij ook, grootvader, dien avond het voorgevoel van zijn nakende einde, met den onbewusten drang dat het tijd was zijn geheim mede te deelen? En, ik herinner mij nog goed hoe wij, jongens, daar, dan ‘lijk gepakt en ‘lijk overdaan door het verhaal van dit drama en meest nog door het ontsluieren van dit geheim en het verhaal van dien vloek, die op zulke schrikkelijke wijze in vervulling scheen geweest te zijn, daar te rillen en te sidderen zaten van angst en van schrik!

En wij hoorden, nog eens zoo scherp, dacht het mij, dan, de wind die huilde door de kave en de storm die bulderde buiten. En dan begrepen wij, eens zoo goed, hoe er gelijk een noodlot woog over den kasteelgrond t’ onzent, zoo prachtig in zijn wildheid, en zoo weidsch, daar, al den overkant der Romeinsche bane, op plaatse, recht over die heerlijke Godsburcht, maar wel tien maal zoo groot nog, en, die daar lag, nu, sinds jaren en jaren, met die overwoekerde puinen op zijn mote, ‘lijk verlaten van God en de menschen!

En dan begrepen wij, eens zoo goed, hoe dit landgoed, dat een weelde en wellust had kunnen zijn, daar vervallen was blijven liggen, dan overgegaan in de handen van een woekeraar uit de stad ievers, die er nooit een voet opgezet ‘n heeft, in al den tijd van zijn eigenaarschap, tenzij telkenjare eens om na te gaan wat de boschagie en het schaarhout hem gingen opbrengen, tot het in de jaren tachentig gekocht werd “voor een appel en ei”, daar niemand er van ‘n wilde, door den huidigen eigenaar, die, bevangen door een onverklaarbare vrees, nooit aan de mote of de puinen van het oude slot ‘n heeft durven roeren en eenvoudig aan de bane, op plaatse, een simpel lusthuisje liet bouwen voor zijn zomerverblijf.

Want de hand Gods scheen dit Paradijs van t’ onzent geraakt te hebben. En, wat niemand ‘n zal geweten hebben t’ onzent, het droeg ook den stempel van het noodlot op een van zijn vesten gegriffeld, dat paradijs!

Inderdaad, daags voor dat grootvader ons zijn geheim veropenbaarde, was ik nog gaan wandelen in de dreve van ‘t kasteel, en, gaan kijken naar de goudvisschen die, daar, in ‘t wilde leefden, in het water van de mote en was even binnen geloopen nog in de puinen zelf van het slot. En, zonderling mag het heeten, zeker, dat ik honderd keeren, op die puinen, in de kelderingen, nog min of meer gave gebleven, maar volgestort, grootendeels. met steenbrokken en gruis volgegroeid, meestal, met graspemen wel van drie voet hooge en met allerhande wild gewas, dat schild en dat opschrift, op een der gang-zuilen van het keldergat ongemerkt was voorbij geloopen, en het nu eerst te zien kreeg en zag.

Een schild was het, gelijk, met den bovenhoek gebroken; maar men kon nog hal veling de teekening zien, een zwane die over ‘t water voer oftewel een schip, dat dobberde op zee, albij gelijk op het wapenschild van Lutetia, de hoofdstad van Frankrijk, Parijs. En, daar onder een opschrift, vervaagd grootendeels, en uitgemergeld meestal, doch waar nog volgende letters, min of meer duidelijk, waren uit te rapen:

..UKT ..T .ANDA.. .IET,
DA. …T HE. .ERGEN.

Grootvader is ‘s anderdaags, den dag na zijn verhaal, mee gegaan met mij, naar de mote, en we hebben die letters, na zoeken en tasten, zorgvuldig opgeteekend. Maar, wat ze te beteekenen hadden dat bleef een raadsel!

En is het mij dertig en meer jaren gebleven, tot ik, bij toeval heel de bewoording en den zin van dat zonderling opschrift gevonden hebben in een wandelgids voor Zuid en Noord Beveland, in Zeeland, waar te lezen staat dat de stad Goes, “den indruk maakt van een rustig landstadje, dat het geheel eens is met de vrije vertaling van het ‘luctor et emergo’, onder het Zeeuwsche wapen”, te weten :

LUKT HET VANDAAG NIET,

DAN LUKT HET MERGEN.

Nu wist ik het: dat had er gestaan. Dat was “de Hollander”, voorzeker, daar grootvader van sprak, de bouwmeester, die heel het slot t’onzent had herbouwd, en het wapenschild van zijn bakermat, Zeeland, met de vrije vertaling en den volkschen zin van zijn wapenwoord, overgenomen had als zijn eigen merkteeken en kenspreuk!

Maar, die Hollander, die bouwmeester te weten, ‘n zal voorzeker nooit vermoed hebben, als hij daar zijn merkteeken beitelen deed op een dier grondzuilen daar, dat hij gelijk de ongeziene hand van het noodlot geweest is, die den vloek herinnerde aan de overlevende erfgenamen, met de heimelijke schrikmare, onder haar geheimzinnige bewoordingen verborgen, dat bloedschuld nooit gelost ‘n wordt tenzij door boete of door wrake, en was “het gisteren niet gelukt om dien vloek in vervulling te doen gaan, “het mergen wel zou lukken , morgen te zeggen!

Uit ‘ T’ Onzent in ‘t Westland’ van Herwin Eeckel – 1930 –

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>