Het verdriet van Poperinge

In 1898 schrijft de Poperingse onderpastoor Juliaan Opdedrinck de geschiedenis neer van de godsdienstrebellie in en rond zijn stad. In 1562 worden de eerste sermoenen van de ‘ketters’ met ijzeren hand aangepakt. Kerk en staat vinden het nodig om eenvoudige stakkers die zich afzetten tegen het katholiek geloof op wrede manier te lynchen. Deze repressie zorgt achteraf voor een gewelddadige kettingreactie en stort de Westhoek in een uitzichtloze burgeroorlog. Poperinge zal die amper overleven.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Na de bewerking van ‘De Chronike van Elverdinghe’ blijf ik wat in de streek rondhangen. Op zoek naar meer nieuws over de beroering die de geuzen veroorzaken in het hinterland van Poperinge en Ieper. Ik laat mijn oog vallen op een boek dat in 1898 verscheen onder de titel van ‘Poperinge en omstreken tijdens de godsdienstberoerten van de 16de eeuw’. De auteur is de West-Vlaamse priester-historicus Juliaan Opdedrinck. De in Stene bij Oostende geboren geschiedschrijver doet tussen 1880 en 1901 dienst als onderpastoor van de Poperingse parochie Sint-Jan en is zevenenveertig jaar bij het verschijnen van zijn boek over de geuzentijd in zijn streek.

Juliaan, ik tutoyeer hem liever van bij de start, baseert zich op overgebleven stadsrekeningen en op vroeger uitgesproken vonnissen die er nu als stille getuigen in de Poperingse archieven achterbleven zijn. Ook het werk van de mij nu goed bekende Elverdingenaar Jacob Pladijs komt van pas. Plus nog de ‘Nederlandsche Historie’ van Augustijn van Hermelghem en het ‘Geusianismus Flandriae Occidentalis’ van een zekere Wynckio achteraf vertaald door priester-schrijver Van de Putte.

Het moet wat geweest zijn die geuzentijd! Grote problemen tussen de inwoners onderling. Ambachtslieden die de Westhoek achter zich laten met alle gevolgen van dien voor handel en nijverheid. De beeldenstorm; her en der grote verwoestingen, ellendige belastingen, algemeen zedenverval bij de mensen die de stabiliteit van het verleden onder hun voeten voelen wegschuiven. En dat allemaal door de nieuwe godsdiensten die vanaf 1520 voet aan de grond hebben gekregen in Duitsland. Juliaan Opdedrinck noemt die voornaamste godsdiensten bij naam: het lutheranisme, de anabaptisme (de herdopers) en het calvinisme.

Keizer Karel heeft mooi praten en eisen. Macht of niet, hij krijgt de alternatieve godsdiensten niet onder controle en bijt er zijn tanden op stuk. De ketterse geest ontsnapt helemaal uit de fles en zo wordt de regio van Poperinge weldra overspoeld door de dwaalleer van de protestanten. Uiteraard heeft Juliaan als katholieke priester geen goed woord over voor de niet-katholieke godsdiensten en kan hij die moeilijk anders dan als ‘dwaalleer’ betitelen. Met God en paus als baas kan hij bezwaarlijk anders doen.

De stellingen van Luther zien het daglicht in het Duitsland 1517 en het zou wel eens mogelijk kunnen zijn dat deze ketterse geschriften zich al vroeg verspreiden tot in Poperinge. Keizer Karel verbiedt hier in 1527 al het kopen en verkopen van dergelijke ‘injurieuze schimpschriften’. Op 21 maart van dit jaar wordt er door de vierschaar van het nabijgelegen Sint-Winoksbergen al een veroordeling uitgesproken tegen een drukker omwille van het venten van Lutheraanse geschriften. In 1527 wordt Jan Corbel van Duinkerke voor drie maanden uit het bisdom van Terwaan verbannen wegens het verspreiden van Lutherse ‘boekskes’. Op 6 november 1547 is het de beurt aan Willem van Damme die zich voor de vierschaar van Hondschote moet verantwoorden voor het bezit van ketterse lectuur.

Tussen de steden onderling bestaan er nauwe betrekkingen. Vooral onder invloed van de respectieve jaarmarkten die ze allen organiseren. Het verspreiden van de illegale boeken moet dan ook op een relatief spontane en eenvoudige manier gebeuren. De Poperingse lakenwevers onderhouden via de Hanze nauwe contacten met Duitse kooplieden die trouwens een kantoor geopend hebben in Brugge. De rode draad van het nieuw geloof moet dus haast organisch voet aan de grond krijgen in de Westhoek en het zal niet lang duren vooraleer de eerste predikanten hier in actie zullen schieten.

In Poperinge leer ik Pieter Dathen kennen. De voorloper die voldoende welbespraakt is om het calvinisme te prediken. Een monnik met een rosse baard. Een type ‘Willem Vermandere’ maar dat is een subjectieve benadering van mijn kant waarbij elke verdere vergelijking hier mee ophoudt. Ik citeer even Juliaan Opdedrinck: ‘zijn welsprekend woord, de betrekkingen die hij met het Poperingse schependom aangeknoopt had, de gemeenschap met zijn Poperingse familieleden en zijn verderfelijke geschriften waren de machtige middelen die hij ter hand had om de dwaalleer aan het volk op te dringen.’

Peter Dathen komt ter wereld te Cassel in het jaar 1531 en treedt als junior broeder toe in het Ieperse Karmelietenklooster. Hij laat er zich opmerken met zijn onwaardig en verfoeilijk gedrag en hij smijt zijn paterskleed al op zijn negentien jaar over de haag. Hij wil voortaan een leerling van Calvijn zijn. De overstap gebeurt dus in 1550 en zijn komst zal veel voer gaan betekenen voor nogal wat geschiedschrijvers die hem omschrijven als een ‘hevige, welsprekende en bedrijvige verkondiger van de nieuwe religie’. Dathen blijft niet in de Westhoek. Hij duikt op in Duitsland, Engeland, Holland, Zeeland. Hij predikt in Gent, Brugge en Kortrijk. ‘Op 1 november 1566 legt hij als geuzenpredikant de vereiste eed af voor het magistraat van Ieper waar hij voortaan begint met het verkondigen van zijn leerstelsels. Later zal hij trouwen met een non van de Clarissenorde.

Dathen, ook wel Dathenus genoemd, verschijnt al vroeg in Poperinge. Wanneer precies is niet geweten. De eerste echte bewijzen van zijn aanwezigheid dateren van 1566. Hij is een figuur met grote invloed op het stadsbestuur en op de mensen zelf. Er heerst grote hongersnood in de Westhoek in de seizoenen 1565-1566. Dathen gebruikt op een bepaald moment zijn Duitse relaties om een deel van de overvloedige oogst ginder naar Poperinge te verhuizen en aan te wenden voor de ‘schamele hongerigen van de gemeente’. Het graan komt er door toedoen van zijn machtige vriend graaf Frederik van Saksen. Dathen dringt er op aan dat het graan niet bestemd mag zijn voor vreemde monden.

Het is een mooie geste van graaf Frederik. Maar er staat wat tegenover. Juliaan vraagt zich af of de levering een of andere list was en dat lijkt me wat overtrokken. Ook in die tijd zal de zegswijze ‘voor wat hoort wat’ ook wel meetellen. Feit is dat de Duitse graaf een hekel heeft aan pauselijke toestanden en Dathen en andere predikers opleidt en traint voor de verspreiding van het calvinisme in de Nederlanden. De levering van het graan zal dan wel rechtstreeks in verband staan met een zekere goodwill vanwege de Poperingse schepenen tegenover de verspreiding van de nieuwe leer.

Rond kerstmis 1566 logeert meester Pieter Dathen in gasthof ‘Den Hert’ te Poperinge. Hij wordt ook opgemerkt in een nieuwe woning in de Gervelgatstraat. Hij treedt er op als lobbyman van graaf Frederik. Vooral de verscheidene bezoeken van Woestenaar Jan Denys zijn opvallend. Denys raakt bekend als de aanvoerder van de Westhoekgeuzen die de nieuwe godsdienst met de wapens zal proberen in te voeren en met dat opzicht zich voortdurend engageert om nieuwe wapenknechten aan te werven.

Dathen zelf blijft wel op de achtergrond en zal niet persoonlijk prediken in Poperinge. Hij beweegt zich listig en sluiks om zijn ‘vergiftigde leer’ in de stad te slijten. Via zijn netwerk van vrienden worden er pamfletten met liederen en psalmen rondgestrooid om zijn ‘verderfelijke’ catechismus bij het groot publiek kenbaar te maken. Een verordening van de Poperingse schepenen op datum van 4 september 1549 toont dat het lokaal gasthuis in die dagen al problemen ondervindt met benden vreemde snuiters die er logeren en er de gasthuiszusters op een onbeschofte manier behandelen en zich blijkbaar niet storen aan de katholieke status van de godvruchtige dames.

Dergelijke houding t.o.v. religieuzen is hier absoluut zeer ongebruikelijk. Voor Juliaan lijkt het maar al te duidelijk: ‘kenden die vreemdsoortige lieden de verleidende dwaalleer nog niet, dan waren ze in elk geval helemaal voorbereid om die weldra gretig welkom te heten.’

Rondzwervende rabauwen tonen van langs om minder respect voor de regels en gedragingen van de maatschappij. In 1552 ziet het stadsbestuur zich verplicht om strenge maatregelen in te voeren om de ongehoorzaamheid en de overlast door hun dronkenschap te beteugelen. Nachtelijke patrouilles (een nachtwake) zullen proberen ‘de opstand tegen de wakende lieden tegen te gaan’. In 1554 treedt het stadsbestuur op tegen activiteiten die niet stroken met de bestaande zeden. Nieuwe verordeningen hebben het over bordeelachtige toestanden, ‘danserijen’ op de straat waarbij het er op lijkt dat de spot wordt gedreven met de katholieke en puriteinse zeden.

Luther beweert dat een mens in alles zijn eigen meester moet zijn en aan niemand onderworpen. Dat zinnetje alleen al doet de oren van de mensen flapperen. De schrijver heeft het over een oproerig leenstelsel dat veel slechte vruchten voortbrengt. Feit is dat het openbaar gezag van langs om minder gerespecteerd wordt en dat zelfs de kinderen in Poperinge zich vijandig opstellen tegen de gangbare ‘law and order’. Wetteksten uit 1560 geven een goed inzicht in de lokale toestand. Gerechtsdienaars mogen niet langer beledigd worden en wie dat toch riskeert, mag rekenen op een boete van twee keer zestig Parijse schellingen en verdere vervolging. Boetes toegekend aan kinderen zullen moeten betaald worden door hun vaders en moeders.

Wat voor een breuk toch met het verleden. Nooit gezien is het. Een bekende schrijver omschrijft de toestand als volgt: ‘bij het volk ging de overtuiging tot daden over en de gedachten werden in realiteit omgezet. De onafhankelijkheid inzake het geloof leidde tot een volstrekte onafhankelijkheid, de mensen wilden niet meer weten van de godsdienstige overheid en verachtten elk burgerlijk gezag.’ Voor sommigen gaat Luther nog niet ver genoeg. Mensen moeten inderdaad baas zijn over zichzelf en er bewust voor kiezen om herdoopt te worden op het moment dat ze daar zelf voor kiezen. Kinderen hebben bij hun doopsel nooit de kans gekregen om persoonlijk te kiezen voor hun eigen godsdienst. Anderen deden dat in hun plaats en dat is volledig in strijd met een persoonlijke keuze. De mensen moeten er zelfbewust voor kiezen om herdoopt de worden.

Ook in Poperinge is er sprake van de herdopers. ‘Ze predikten de volkomen vrijheid en gelijkheid, de gemeenzaamheid van de aardse goederen, de verwarde vermenging van de geslachten. Zij beoogden de inrichting van het nieuwe rijk van Sion, zo zij het noemden, met alle afschuwelijke gevolgen vandien.’ De afkeer van Opdedrinck voor de herdopers spat van zijn teksten. Hij zou al een volledig boek kunnen schrijven over de onzedelijkheid van deze afschuwelijke herdoperssekte die nochtans al serieus voet en menigvuldige aanhangers had hier in Poperinge. Ikzelf blijf verder tobben over de vraag wat de anabaptisten eigenlijk bedoelen met hun verwarde vermenging van de geslachten.

De overheid doet in die dagen ook al beroep op onderzoeksbureaus. Enfin; in die dagen is er alleszins sprake van een geloofsonderzoeker, Pieter Titelmans die op 14 november 1561 de resultaten van zijn research doorspeelt aan Margareta van Parma, de landvoogdes van de Nederlanden. Hij heeft vastgesteld dat de sekte van de herdopers in zeven afdelingen ingedeeld is. Zeven kerken die elk hun eigen diensten organiseren. In Ieper, Poperinge, Menen, Armentières, Hondschote, Doornik en Antwerpen. Eigenlijk is de kerk van Poperinge niet echt een officiële afdeling maar vooral een harde kern van gehersenspoelde lieden die veel kwaad veroorzaken bij de gewone mensen van hun stad en streek.

Het fenomeen is bekend voor ons allemaal. Er is niet één geloof op aarde dat meer voorstelt dan een sprookje, allemaal uitgevonden door mensen. Roodkapje versus sneeuwwitje die niet moeten onderdoen voor christendom versus islam. Het wordt pas erg als er radicalisme bijkomt. Zoals hier dus in Poperinge. De geest van de mens is overtuigd om eigenaar te zijn van een idee of een geloof. In werkelijkheid is het net andersom: het geloof heeft als een hardvochtige deurwaarder bezit genomen van de menselijke hersencellen die ze voortaan in haar opdracht laat ronddwalen.

Titelmans heeft het ook over dat dwalen in Poperinge. ‘Ze bewijzen hoe diep de dwaalleer reeds ingeworteld was. De herdoperskerk van Ieper houdt er mee op na een maand of tien, maar de stad blijft net zoals Poperinge geplaagd door vagebonden die naar het platteland trekken waar ze heel veel kwaad aanrichten bij de gewone mensen. Tussen de bossen van Ieper en Menen schuilen er mogelijk tot honderd anabaptisten.’ Het aantal lutheranen en calvinisten ligt in elk geval veel hoger in de Westhoek. Ze reizen vaak over en weer naar Engeland, en dat via de haven van Nieuwpoort. Engeland kan mogelijk een aanstoker zijn van het alternatief geloof. En tussen Nieuwpoort en Poperinge reizen de inwoners heen en terug via de Poperingse vaart en de Ijzer.

Kerk en staat reageren noodgedwongen. Landvorst Filips II dringt er bij de paus op aan dat de kerkelijke hiërarchie in de Nederlanden dringend aan een reorganisatie toe is en zo komen er veertien nieuwe bisdommen bij. Keizer Karel heeft de bisschoppelijke stad Terwaan in 1553 met de grond gelijk gemaakt. In 1559 krijgt de Westhoek drie nieuwe zetels: die van Ieper, St.-Omer en van Boulogne.

De eerste bisschop in Ieper is afkomstig uit de Kempen. Dokter Martin Boudewyn, tot dan toe rector van de hogeschool in Leuven, wordt de nieuwe katholieke baas. De geestelijke werd geboren in het plaatsje Riethoven in de buurt van Eindhoven en gaat aan de slag onder de naam van ‘Rythovius’. Hij is blijkbaar een deugdelijke man van hoge wijsheid en grote geleerdheid, zetelt zelf in de hervormingscommissie van het katholicisme, het zogezegde ‘Concilie van Trente’. Margareta van Parma rekent op hem om de aangroeiende ketterij in de Westhoek tot staan te brengen.

Haar brief aan Rythovius van 31 december 1561 spreekt boekdelen: ze smeekt de beminde bisschop van Ieper opdat hij alle parochiekerken van bekwame, geleerde en voorbeeldige priesters zou voorzien, mannen die de registers van hun kerken stipt zullen bijhouden. Ze moeten vooral de zuivere leer van de Rooms-katholieke kerk aanleren aan de communicanten en hard werken om de verdoolde schapen op te zoeken, te waken over de zieken, katholieke scholen te stichten waar schoolmeesters hun leerlingen de catechismus zullen aanleren en hen twee keer in de week naar de kerk zullen leiden.

Rythovius maakt er werk van. Hij verdeelt het bisdom Ieper in negen dekenijen. Sint-Winoksbergen, Veurne, Cassel, Poperinge, Belle, Waasten, Diksmuide en Nieuwpoort. De negende is Ieper zelf die gecatalogeerd wordt als een aartspriesterdom. Onder de dekenij, de christenheid van Poperinge vallen negentien parochies: Beveren, Boeschepe, Krombeke, Elverdinge, Godewaarsvelde, Haringe, Houtkerke, Oostvleteren, Poperinge (met St.-Bertijns , Sint-Jan en Onze Lieve Vrouw), Proven, Reningelst, Stavele, Vlamertinge, Watou, Westouter, Westvleteren en Woesten.

Rythovius brengt structuur en plannen. Maar of die allemaal succesvol zijn is een andere kwestie. Hij heeft het in elk geval niet gemakkelijk. Het verslag van een vergadering van 21 mei 1577 geeft wat meer inzichten in de toestand. De verderfelijke sekte van de herdopers telt in de Westhoek nog altijd zijn hardnekkige aanhangers die zich niet meer in de openbaarheid begeven maar achter de schermen bij de mensen poken en stoken om het doopsel aan hun kinderen te weigeren. De katholieke priesters krijgen de opdracht om zich te concentreren op de vroedvrouwen die er voor moeten zorgen dat ze hun plichten in dit verband vervullen.

Schrijver Juliaan Opdedrinck keert nog verder terug in de tijd. Het pad van Rythovius gaat niet over rozen. Maar hoe is het in hemelsnaam allemaal zo ver kunnen komen? Ik begeef me naar die allereerste preek. Deze van zondag 12 juli 1562 op het kerkhof van Boeschepe en die zorgt voor de nodige opschudding in het stadje en zijn omgeving. De primeur van dienst is voor Boeschepenaar Ghelein Damman die zich al eerder liet opmerken als hardnekkig protestant. Hij heeft zich al eens in 1559 moeten verantwoorden voor de geloofsonderzoeker Pieter Titelmans. In de kerk van Westouter zwoer hij op zijn eerstencommuniezieltje om zich nooit nog met deze dwaalleer in te laten en volbracht hij de hem opgelegde boetpleging. Niet lang daarna werd hij opnieuw betrapt en uit Vlaanderen verbannen waarop hij zich noodgedwongen in Engeland vestigde.

De eerste juliweek van 1562 zien zijn streekgenoten hem plots terug. Damman wordt opgemerkt in Reningelst, Westouter en Berten. ‘Ik ga jullie een en ander vertellen over de ware toedracht van ons geloof en zou graag hebben dat je komt luisteren naar wat ik te vertellen heb.’ Mahieu van Peperstraete van Westouter en Robrecht Van der Leye van Berten krijgen bij zich thuis het bezoek en de boodschap van de teruggekeerde Boeschepenaar. De uitnodiging voor die eerste preek komt niet zomaar uit de lucht gevallen. Het protestantisme sluimert al een hele tijd in Poperinge en zijn hinterland.

Ghelein heeft een broer. Willem. De man is in functie als katholiek priester wanneer hij plots zijn geloof verloochent en zich overgeeft aan het protestantisme. Dat is natuurlijk niet naar de zin van de bisschop van Ieper die hem laat opsluiten. Willem moet dan al beschikken over een hele groep medestanders die zijn opsluiting niet pikken en hem uit de gevangenis komen bevrijden. Titelmans heeft het er over in een brief van 12 mei 1562: ‘een zeker getal van heretieken en ketters hebben zich als graanverkopers toegang verschaft tot de stad en zijn gekomen in het gevangenhuis en dat van het geestelijk hof binnen Ieper. Ze hebben de cipier bij de hals gegrepen en heere Willem Dammans uit de gevangenis gehaald en weggeleid, met pistoletten en andere wapens.’

Een van die ketters is een Poperingenaar. Jan Beaugarant, het kan mogelijk gaan om Jan Beaugrand. Na zijn vrijlating zal priester Willem actief blijven werken aan de verspreiding van zijn nieuw geloof. Hij schrijft geestelijke liedjes en gedichten en probeert zijn boodschap op alle mogelijke manieren aan de man te brengen. ‘Om de onbezonnen lieden naar de geuzenpreek te lokken, strooide men met brievekens rond waarin valselijk vermeld stond dat de volgende morgen om 9 uur de bisschop of een geleerd man in zijn plaats het evangelie zou komen verkondigen in Boeschepe en daarbij wat uitleg zou geven over wie nu precies de valse profeten waren.’

Die eerste publieke preek van Boeschepe is slechts het topje van de ijsberg. De dwaalleer is al diep doorgedrongen in het Westkwartier, de volgers zijn zo talrijk dat ze vanaf die julimaand 1562 voldoende zelfverzekerd zijn om de autoriteiten publiekelijk uit te dagen. De landvoogdes van Vlaanderen weet al in september 1561 welk vlees ze in de Westhoekse kuip heeft. ‘Onze streek is lelijk geïnfecteerd’, schrijft ze, ‘ingrijpen is nodig, maar zal gepaard gaan met bijzonder veel bloedverlies, de vernietiging van de hele regio en nog andere ongemakken.’ De grootste besmetting is terug te vinden in Nieuwkerke, Kemmel, Wijtschate, Dranouter, Reningelst, Steenwerk, Mesen en Hondschote.

Overal te lande zoeken en vinden de aanhangers van de dwaalleer elkaar in clandestiene vergaderingen waarbij ze lezingen bijwonen met daarin de interpretaties van de heilige schrift zoals Luther of Calvijn die bekijken. ‘Zulke vergaderingen grepen plaats in “De Croone” te Loker, te Westouter bij nacht “in zeker wousten huus”, overdag “in een zeker bos” te Reningelst en in “zeker woesten huuze en een ijdele schuur”, in Dikkebus en Berten, op verschillende tijdstippen en telkens met een ‘notabele menigte van volk.’

Men heeft niet over veel empathie beschikken om te beseffen dat de verspreiding het ‘nieuw geloof’ maar één aspect is van al die vergaderingen. Het volk is wakker geworden. Gedaan met de geestelijke betutteling en met de uitzichtloze armoede veroorzaakt door de hele kliek geestelijken en notabelen die God en Jezus enkel en alleen maar gebruiken om hen, arme inwoners onderdanig te houden. In de schuren groeit een volksbeweging, een revolutie van solidariteit onder de mensen. Juliaan Opdedrinck schrijft het ook zo: ‘Te Boeschepe werden er ook penningen ingezameld ter onderhoud van de schamele broeders van hun gemeente en er werd ook gebeden voor hun broeders die in de cel zaten omwille van hun geloofsovertuiging. Ze baden tot God opdat de prinsen van het land tot inzicht zouden komen en niet langer het onnozel bloed te vervolgen.’

Pieter Haezaert van Belle, Willem en Ghelein Damman en Hansken van Brugge raken zo bekend om hun sermoenen. Na de eerste preek in Boeschepe haast Pieter Titelmans zich naar Ieper om de situatie te bespreken met bisschop Rythovius. Hij arriveert er al de volgende dag, meer bepaald op 13 juli van 1562. Het nieuws van die eerste preek is als een lopende vuur door de Westhoek geraasd. Ghelein Damman heeft tijdens de hoogmis een vol uur het woord genomen. De Rooms-katholieke kerk, de paus, de offerande, de sacramenten krijgen er de volle lading. Zowat tweehonderd toehoorders, gewapend met stokken, rapieren en pistolen luisteren gebiologeerd naar wat Ghelein te vertellen heeft.

Damman moet niet onderdoen voor de reguliere priesters voor wat betreft het showgehalte en het theatraal gedoe van zijn optreden. De volgende getuigenis doet me echt wel denken aan dikke zwarte Amerikaanse predikanten die de gelovigen van hun kerk brainwashen en bedelven onder een lawine van geloofsprietpraat en schuldbesef. Onder de noemer van ‘Djeezus al hier en Djeezus aldaar.’ ‘Ghelein Damman was op de vleesbank geklommen, met een boek in de hand. Hij predikte overluid en achteraf viel hij op zijn knieën waarbij hij herhaaldelijk opriep om te bidden voor de schamele broeders en zusters van de gemeente. Daarna hief de predikant een psalm aan die door enkelen van de aanwezigen werden meegezongen.’

De priester die de misdienst aanvankelijk leidde, zal wel het verschot van zijn leven hebben opgedaan. Ik kan het me nu in onze tijden niet indenken dat de een of andere onverlaat tijdens zijn preek naar voren komt om in zijn plaats zelf een sermoen te houden. Wanneer de man zijn gelovigen oproept om niet te luisteren naar deze valse profeet, wordt hij door een van de toehoorders vastgegrepen en krijgt hij het zwijgen opgelegd. In de bewuste kerk van Boeschepe bevinden zich op dat moment enkele voortvluchtigen die onlangs teruggekeerd zijn uit Engeland.

De landvoogdes van de Nederlanden stuurt op 31 juli 1562 een brief naar de Raad van Vlaanderen. Daarop volgt de opdracht voor de baljuws van Ieper, Belle en Cassel om Damman en zijn gezellen op te zoeken, gevangen te nemen en zo snel mogelijk te berechten. In Boeschepe wordt er een plakkaat opgehangen met daarop de belofte van tweehonderd gulden voor wie de opstokers van de beroerten zou uitleveren in de handen van justitie.

De preek zorgt voor een ware schokgolf tot in de hoogste regionen van het land. Filips II, de koning himself, eist een streng onderzoek en een zware bestraffing. Hij belast ridder Fernand de la Barre, de heer van Moeskroen en Jacob de Brune, de procureur-generaal om de nodige acties te ondernemen. Ze krijgen de assistentie van twee raadsleden bij de Raad van Vlaanderen, met name Robrecht du Cellier en Jan de Blazere.

Ghelein Damman heeft zich tijdig uit de voeten gemaakt en is gevlucht naar Holland. Drieëndertig toehoorders vallen in de handen van de gerechtsdienaars en worden voor de vierschaar van Ieper gevonnist. Onder de mannen bevinden zich twee van Loker, dertien van Westouter en zes van Reningelst. Landslieden, kleermakers, herbergiers, wevers en andere arbeiders. Opdedrinck somt hun namen één voor één op. Ik beperk me tot Mahieu van Peperstraete en Jan Schrevele van Westouter en Reningelst. Ze sturen tevergeefs een genadeverzoek naar de koning.

Het vonnis leest moeilijk en ik probeer het wat te transformeren tot een leesbare tekst. Ze hebben mensen geronseld om naar het sermoen te gaan van gezochte ketters en ze zijn er zelf naartoe geweest. En dan nog met stokken en messen. En dat voor het kruis van die arme Jezus. Ze hebben de broers Damman eten en onderdak gegeven en zijn daarbij ingegaan tegen specifieke orders van de baljuw. Ze krijgen allemaal de doodstraf. Ik schrik ervan. ‘We veroordelen u om geëxecuteerd te worden tot de dood er op volgt en daarna zullen uw dode lijken op een rad tentoongesteld worden.’ Al hun eigendommen worden aangeslagen.

Mijn onderpastoor Juliaan Opdedrinck valt van zijn gelovige sokkel met zijn bewering dat de bestraffing meer dan terecht is. Hoe? Wat? Lees maar: ‘die gegronde vermoedens, weldra door akelige daadzaken, beeldenstorm, kerkbraak, moord en vernieling verwezenlijkt, bewogen de rechters terecht om de plichtigen met meerdere strengheid te behandelen.’ De dodelijke berechting van justitie & kerk zet zonder twijfel een even dodelijke lawine van gebeurtenissen in gang. De bedoeling van de vierschaar is zonneklaar: de straffen moet vreesaanjagend zijn. Tot in 1565 zal het ook rustig blijven in de Westhoek.

De meeste kettergezinden zijn naar Engeland gevlucht. Ginder krijgen ze een volstrekte vrijheid van geloof en kunnen ze verscheidene protestantse gemeenschappen stichten. Onder hen weer diezelfde mix van inwoners, honderden doodgewone mensen uit de Westhoek, vooral uit Loker, Reningelst, Westouter, Nieuwkerke aangevuld met lieden van Vlamertinge en Elverdinge. Tussen de uitwijkelingen in Engeland en hun families in Vlaanderen blijven er wel onderlinge betrekkingen bestaan. Het lijkt me logisch. De meeste contacten verlopen via bode Jan Pollet van Westouter die jarenlang de brieven en geschriften over en weer bezorgt. Ook hij is aanwezig geweest op die fameuze preek in Boeschepe. Hij is er van af gekomen met een boete en een geseling en werd voor twee jaar vastgezet in Westouter.

Later zal Pollet gaan wonen bij zijn broer in Belle. In 1571 zal hij in de handen van de gerechtsdienaars van Hondschote vallen. Hij getuigt daar dat hij gewoonlijk naar het plaatsje Ofkerke bij Calais reisde waar zijn dochter woonde. Het gerecht gelooft er niets van en hij wordt op een schavot voor het stadhuis gegeseld, met scherpe roeden op zijn bloot lichaam tot ‘lopende bloede’ en daarna voor tien jaar uit Vlaanderen verbannen.

Ik heb het lelijk bij het verkeerd eind gehad. Mijn geloofsonderzoeker is niet zomaar een researcher zoals we die op vandaag kennen. Het derde hoofdstuk van het boek voor me verklapt plots dat geloofsonderzoek eigenlijk synoniem is van inquisitie. Mea Culpa. Hoe glad kan een mens er toch soms naast zitten. In feite heeft mijn onderpastoor het over de Spaanse inquisitie die al ontstaan is in de 15de eeuw en toen vooral gericht was in het kortwieken van de Joden en de Moren. De paus zelf gaf in 1478 de toelating aan Ferdinand en Isabella (de grootouders van keizer Karel nota bene) om een bureau van inquisitie op te starten en een geloofsonderzoeker, een of andere paljas van een kloosterling aan het hoofd ervan te plaatsen.

De nieuwe inquisiteur gaat er meedogenloos tegenaan met een onvoorstelbare terreur ten opzichte van andersgezinden. Het loopt zodanig de spuigaten uit dat de paus hem zelf in de ban van de kerk slaat. In de Nederlanden is er tot halfweg de 16de eeuw geen sprake van deze harde vorm van godsdienstvervolging. Keizer Karel stemt er wel in toe dat er vanaf 1522 een geloofsonderzoeker aangesteld worden in onze contreien, maar die is blijkbaar in niets te vergelijken met zijn Spaanse variante. Pieter Titelmans, ooit nog parochieherder en deken te Ronse en te Kortrijk krijgt het ambt van geloofsonderzoeker in onze gewesten en oefent zijn functie uit vanaf 1547.

Ghelein Damman kent Titelmans al van in 1558. Joris Valcke van Belle heeft al verscheidene ketterse vergaderingen bijgewoond te Ravensberghe net buiten Belle, in een afgelegen woning te Belhoute en in ‘t Westhofelst, allebei in de buurt van de Catsberg waar hij les kreeg in de leer van Calvijn. De vierschaar veroordeelt Valcke met een eeuwige verbanning en de verbeuring van al zijn eigendommen. De sukkelaar toont echter berouw waarop Titelmans van idee verandert en Joris Valcke volledig ongestraft laat.

Na de eerste preek van Boeschepe verzoekt de geloofsonderzoeker de landvoogdes om maatregelen te nemen. Sinds zijn outing ten gunste van de doodstraf heb ik zo mijn bedenkingen over schrijver Opdedrinck. Titelmans verzoekt Margareta om bestraffing van zaken als kerkbraak, vernieling en moord welke pas veel later zullen gepleegd worden. Och ja, hij zwaait wel met de mantel van de katholieke liefde maar als opgepakte geloofsdissidenten het er niet mee eens zijn, worden ze zonder genade overgeleverd aan de magistratuur en de wettelijke rechtbank. De geestelijke vermijdt op die manier dat er bloed aan zijn handen gaat kleven. Een ander zal wel zorgen voor een gepaste bestraffing.

‘Bach neen’, beweert mijn onderpastoor, ‘mij dunkt niet dat de inquisitie een wrede en onmenselijke instelling was, die de slachtoffers tot een strenge dood veroordeelde en hen afschuwelijke folteringen op het lijf toebracht. Wel integendeel; het was een vierschaar van vrede en verzoening, die de verdwaalden, mits een openbare en geringe boetpleging gemeenlijk in de kerk van hun parochie volbracht, opnieuw in de katholieke kudde opnam.’

En als je in deze tijden niet zorgt dat je vlug weer katholiek komt, dan trekt Titelmans zijn handen af van de beschuldigde en deponeert hij hem bij de burgerlijke autoriteiten. De arme inquisiteur kan moeilijk anders nietwaar? ‘Ja, het is waar, de geloofsonderzoekers waren verplicht de hardnekkige gedaagden die aan de dwaalleer weigerden te verzaakten, aan het burgerlijk gerecht over te leveren en van dan af eindigde ook hun taak.’

Als verontschuldiging voor de onschuld van de inquisiteur voegt Opdedrinck er nog volgende opmerking aan toe: ‘doch, vergeten we niet dat de ketterij, of de vrijwillige en openbare opstand tegen kerk en god ook de volledige miskenning van het burgerlijk gezag oversloeg. De hardnekkige ketters, duizenden oorkonden bewijzen het, werden oproerkraaiers, kerkbrekers en moordenaars.’ Met andere woorden werden de geloofsdissidenten tot dood en foltering veroordeeld voor misdaden die ze pas later zullen plegen.

Titelmans wordt gehaat door de mensen. Kan iemand het hen kwalijk nemen? De geloofsonderzoeker krijgt het warm onder zijn voeten. Hij verzoekt in 1561 om ontslagen te worden uit zijn functie. ‘Het was nu al zestien jaar dat hij de bediening van inquisiteur op gevaar van eigen leven bekleedde. Verscheidene ketters hadden het op hem gemunt en overal waar hij kwam in gasthoven werd hij kwalijk onthaald en schuwden de mensen zijn gezelschap.’

Ik begin aan het vierde hoofdstuk dat zal handelen over de voornaamste leiders van de protestantse geloofsmilities hier in Poperinge. Pieter Dathen, Jan Denys van de evangelische militie, Jacob de Buzere, Frans-Antoon de Swarte, pater Willem, Gilles du Mont en Sebastiaan Matte. Ik verplaats me naar het jaar 1566, vier jaar na het eerste beruchte sermoen van Boeschepe. De predikers moeten beter beschermd worden en op een algemene vergadering van de protestantse ministers van Mesen, Belle, Poperinge, Ieper, Steenwerck, Waasten en andere plaatsen, gehouden op 15 december 1566, wordt er besloten om de evangelische godsdienst voortaan gewapenderhand te verdedigen tegen de aanvallen van buitenaf. De vierschaar en Titelmans worden nu voor het eerst aangewend als alibi om zichzelf beter te beschermen.

Dathen, de man uit Cassel, speelt onmiddellijk een hoofdrol en stelt Jan Denys aan als bevelhebber over de nieuwkomers. Het geld om de vrijwilligers te betalen ronselt Dathen tijdens de kerstperiode in Poperinge waar Denys hem drie keer komt opzoeken. ‘De Woestenaar deed er de trommel slaan om het volk samen te roepen, hoewel de baljuw er zich tegen verzette.’ Jan Denys roept met luide stem dat hij volk nodig heeft om het geloof van de mensen te verdedigen. ‘Al diegenen die van goede wil zijn en van goede ijver om de wapens op te nemen voor het evangelie mogen zich laten opschrijven voor de evangelische militie van Denys en ze zullen hiervoor een goed loon ontvangen.’ Vierhonderd mannen van Poperinge, Roesbrugge en Hondschote schrijven zich in. Dat grote aantal bewijst hoe diep het ongenoegen zich heeft genesteld in de geesten van de bevolking.

De reactie van de Raad van Vlaanderen laat amper op zich wachten. Het magistraat het Ieper krijgt op 10 januari 1567 de formele opdracht van de graaf van Egmont, Vlaams gouwheer, om Denys op te pakken en te straffen omdat hij ‘knechten van oorloge’ geronseld heeft. Zijn leger komt niet alleen tot stand om alleen maar predikers te beschermen maar komt vooral van hogerhand. Enkele vooraanstaande Vlaamse edellieden onder de leiding van de notoire Brederode zijn op opstand gekomen tegen de geloofsrepressie van hun Spaanse koning Filips II. Wat onderpastoor Opdedrinck verontschuldigend negeert en door de vingers ziet, gebeurt bij Willem van Oranje en Brederode absoluut niet. De vorst moet stoppen met zijn inquisitie of anders komen daar vodden van. Ik mag trouwens niet vergeten dat het calvinisme en het protestantisme nog veel meer ingeburgerd zijn in het noordelijk deel van de Nederlanden als bij ons en dat de Hollanders dus in feite de grootste slachtoffers van de terreur zijn.

Het leger in de Westhoek komt er dus om Brederode te gaan ondersteunen. Graaf van Hoorne uit Hoogstraten en de Waal d’Escobèque assisteren Brederode en van Oranje. In eerste instantie zullen Doornik en Valenciennes moeten veroverd worden en daar is natuurlijk veel volk voor nodig. Jan Denys zal het Vlaams leger leiden. ‘Zijn kloek gespierd lichaamsgestel, zijn stoutmoedige en onversaagde inborst, zijn waagzieke geest en zijn onwankelbare verkleefdheid aan de protestantse leer maken van hem een uitmuntende geuzenaanvoerder. Hij blijkt trouwens ook de eerste keuze geweest te zijn van Peter Dathen zelf.

Denys doorloopt Poperinge, Hondschote, Roesbrugge en de hele streek. Na vijf dagen heeft hij al tweehonderd gasten bewilligd om mee te doen. Op een maandagvoormiddag laat hij Poperinge achter zich en trekt hij met zijn bende naar Mesen. Maar eerst heeft Dathen hem nog dertig pond overhandigd. Een trommelaar kondigt in Mesen de komst van het evangelisch leger aan. De bende zwelt aan. Steven de Swarte van Hondschote zorgt voor een extra schenking van twaalf pond. Het is tijd om naar Doornik te stappen. Het geuzenleger trekt nu door Komen, Wervik, en arriveert op woensdagavond in Tourcoing waar nogal wat vrijwilligers van de Leiekanten zich bij hem aansluiten.

Bij het krieken van de volgende ochtend vertrekt het legertje naar Wattrelos waar ze plots oog in oog komen te staan met een vijandelijk leger onder leiding van baanderheer Resseghem, de gouwheer van Frans-Vlaanderen. Zeshonderd voetknechten en vijftig ruiters dreigen er met hun wapens in aanslag. Een van de geuzen zal later volgende getuigenis van de confrontatie afleggen: ‘en te Wattrelos aangekomen zagen we direct al die paarden en dat voetvolk naar ons toekomen.

Een heel deel van onze mannen nam de vlucht, velen vluchtten samen met mij op de toren. We bleven er zitten tot de middag. Drie uur lang. Hier en daar viel wel een schot maar wanneer de paarden en het voetvolk vertrokken waren, zijn we van de toren afgedaald en hebben we gemaakt dat we er weg waren.’ Een andere getuige beweert dat er enkele honderden geuzen vanop de kerktoren schoten op katholieke krijgslieden. Tot de kerk in brand staat en ze noodgedwongen moeten vluchten.

Jan Denys slaagt er in om aan de dood te ontsnappen. Hoe hij dat doet, weet niemand. Met enkele overlevende vrijwilligers vlucht hij naar Doornik waar hij in onderhandeling treedt met de geusgezinde edelman jonker van Hanecamps. De groep vertrekt nu naar Antwerpen waar ze samensmelten met andere milities die onder leiding staan van Sebastiaan Matte, Pieter Dathen, Pieter Haezaert, Jacob de Buzere, Karel Ryckewaert en anderen. In Viane stelt Woestenaar Denys zich enkele dagen later ter beschikking van Brederode.

De plannen liggen op tafel om Antwerpen aan te vallen en daar wordt nu werk van gemaakt. Zo ver komt het helaas niet. Op 13 maart 1567 vallen ze ter hoogte van Oosterweel, een dorp op geringe afstand van Antwerpen, in een hinderlaag opgezet door Valentin de Pardieu en de heer van Beauvois. Meer dan honderd Vlamingen en vijftig Walen verliezen er het leven. Denys wordt zwaar gewond afgevoerd naar Brussel. ‘De hertog van Alva beval hem naar Vilvoorde over te brengen waar hij na een streng onderzoek dat omtrent een maand duurde, op 22 april op de plaats Harenheyde stierf aan de galg.’

Juliaan Opdedrinck focust zich nu op een andere hoofdrolspeler. Broeder Jacob de Buzere werd geboren in Hondegem in de buurt van Hazebrouck en verhuisde daarna naar het klooster van de Augustijnen in Ieper. Dezelfde kloosterorde als die van Maarten Luther voor die zijn kap over de haag gooide. Wanneer broeder de Buzere zijn voorbeeld heeft gevolgd, kom ik niet te weten. In november 1561 vlucht hij in elk geval halsoverkop naar Engeland waar hij met de Nieuwkerkse Catharina de Raedt in het huwelijk treedt en enkele jaren functioneert als protestantse minister te Sandwich. Tijdens de zomer van 1566 komt Jacob de Buzere terug naar Vlaanderen. Op 10 augustus neemt hij deel aan de beeldenstorm in de Sint-Laureinskapel bij Steenvoorde. Hij predikt in Belle, Cassel, Westouter en in de buurt van Ieper. Kort na het debacle van Oosterweel vlucht hij naar Engeland na zijn eeuwigdurende verbanning uit het land.

En dan is er de figuur van pater Willem die zich bezig houdt met het verspreiden van de dwaalleer. Een Hollandse kloosterling uit Dordrecht, alweer een Augustijn. Hij verblijft enkele jaren in Ieper zonder er echt opgemerkt te worden. Op 18 augustus 1566 werpt hij zijn kloosterkleed af en gaat hij prediken in Elverdinge, Roeselare, Mesen, Poperinge en in Roesbrugge. In deze laatst vernoemde parochie blijft hij enkele maanden wonen en sticht hij er een geuzentempel op het gehucht ‘de Hagedoorn’. De tempel wordt op 15 oktober ingehuldigd. Pater Willem zal er niet lang plezier aan beleven. Korte tijd later wordt hij bij de lurven gevat en te Veurne in het jaar 1567 opgeknoopt aan de galg.

Tussen Poperinge en Elverdinge herinnert de naam van het ‘predikherenhof’ nog altijd aan de plek waar de pater zijn geuzenpreken hield hier in de wijk ‘Preekheere’ langs de Elverdingseweg, niet zo ver van de Brandhoek. De geuzen bouwden hier een tempel nadat Margareta van Parma op 23 augustus 1566 tegen zekere voorwaarden de uitoefening van de protestantse godsdienst had toegestaan.

Gilles du Mont is volgens sommigen een beroemde predikant uit Poperinge, maar veel meer over deze man is er niet bekend. Dat kan niet gezegd worden van zijn collega Sebastiaan Matte, een in Ieper geboren en getogen hoedenmaker. Een klein corpulent mannetje met een kleine baard. Een hevig bazeke; dat wel. Als hij spreekt mag je er prat op gaan dat er achteraf rellen van komen. Op een zondag in de julimaand van 1566, op 21 juli om precies te zijn, spreekt Matte een menigte van achtduizend mensen toe in Hondschote. Hij wordt er beschermd door tweehonderd gewapende geuzen. Achteraf doopt hij er twee kinderen in de nieuwe stijl van de protestanten. Hij laat weten dat zijn volgende toespraak vier dagen later zal plaatsvinden in de buurt van Sint-Winoksbergen.

De gewapende milities van Matte bestormen op 16 augustus 1566 de kerken van Poperinge, Brielen, Voormezele, Zonnebeke en ook die van de Nonnenbossen in Zonnebeke en de Augustijnen bij Ieper. Sebastiaan Matte zelf vestigt zich tijdens die periode als protestants minister te Hondschote en veegt vlakaf zijn voeten aan de strenge bevelen van zijn landvoogdes Margareta en van zijn gouwheer van Egmont. Er volgt een resem van preken en daaropvolgend geweld. Hij zal tot slot uit Vlaanderen verbannen worden en in 1571 uitwijken naar Duitsland waar hij te Frankfurt het ambt van predikant zal gaan bekleden.

Zo ben ik bij de beeldenstorm beland. ‘Daags voor Onze Lieve Vrouw Hemelvaartfeest, 1566, kwam Sebastiaan Matte, begeleid door een bende gewapende volgelingen, naar Poperinge afgereisd. Op het kerkhof bij de Onze Lieve Vrouwkerk richtte hij tot een talrijke geuzenschaar een hevige preek welke dadelijk de verdelgende beeldenstorm voor gevolg had.’ Al de kerken van Poperinge ondergaan brutale plunderingstaferelen. Beelden, kerkschatten, priesterkleding, boeken, kelken, goud en zilverwerk worden er afgeworpen en gestolen. En owee, de sacramenten worden er met voeten getreden door de razende menigte die zijn woede afreageert op al die schijnheilige beelden. De slogan ‘leve de geuzen’ is niet uit de lucht.

Mijn onderpastoor-schrijver is er niet goed van. Hij krijgt een appelflauwte. ‘Wat een afschuwelijke en goddeloze ontering hier in Gods huizen. Al die luisterrijke gedenkstukken en kostbare schatten ooit gemaakt door zoveel kundige ambachtslieden verdwenen bij die heiligschendende bestorming van onze tempels. Deze woeste geuzen werden terecht omschreven als dolle razende mensen!’ Opdedrinck jammert verder over de oude graftombe met zijn vier koperen leeuwen en verder over al de personaliteiten die hun ziel in deze kerken hadden gestopt en die hier nu zo zielloos hebben achtergelaten. En dat is hier nu allemaal naar de vaantjes door de schuld van die ongelovige klootzakken.

Dat laatste woord komt van mij. Toegegeven. Ik probeer de colère van de schrijver te kanaliseren in mijn eigentijdse termen. Maar wie waren die klootzakken dan die de christelijke heiligdommen zo bezoedeld hebben met hun kerkbraak? Vijf stuks crapuul uit Hondschote, twee van Godewaarsvelde. Uit de nabije buurt komen er drie: Pieter Loyssone van Alveringem, Karel Reinghoot van Beveren-aan-den-IJzer en Maarten de Vos van Krombeke. Een van de aanvoerders blijkt Pieter Boman te zijn, iemand van Hondschote. De baljuw van zijn stad komt samen met twee gerechtsdienaren naar het klooster van de grauwe zusters in het gasthuis van Poperinge afgezakt om de geweldplegingen te onderzoeken.

Maarten de Vos kan ik bestempelen als een typisch voorbeeld van ‘kotjesvolk’. Dat leert het onderzoek van zijn baljuw toch: ‘voorafgaandelijk onderging hij twee veroordelingen in 1563 en in 1566. Hij werd beticht van de moord op Jan de Telder en van betrekkingen te hebben aangeknoopt met diens weduwe Grietken. Met een andere vrouw, Pauwelyne, de weduwe van Hendrik Thieuwele, leeft hij trouwens al een hele tijd in overspel. De kerkonteerder schikte zijn levenswandel volgens de vrije leerstelsels van het protestantisme en paarde de goddeloosheid aan een zedeloos leven.’

De vierschaar van Hondschote verbant hun stoute inwoner voor zes jaar uit Vlaanderen, al die jaren zal hij het mogen uitzweten als roeier in de galeischepen van zijne majesteit. Als hij zich binnen deze termijn nog zal laten zien, dan wacht voor hem de galg. Een andere Hondschotenaar, de 29-jarige saaiwerker Jacob Plateel, wordt voor het stadhuis opgeknoopt. Zijn lijk wordt achteraf tentoongesteld op het galgenveld. Hij krijgt er een voorbeeldfunctie van hoe het niet moet. Toch is er volgens mijn schrijver nog een geluk bij een ongeluk: ‘voor zijn afsterven verzoende de plichtige zich met de katholieke kerk’.

Een andere beeldenstormer is Cornelis Halovere, een saaiwerker van 42 jaar. De akte van beschuldiging aan zijn adres is een hele litanie. Het frequenteren van illegale preken, het volgen van Sebastiaan Matte naar Poperinge, Ieper en Lo en het suggereren dat er op vrijdag ook vlees mag worden gegeten. Er volgt nog meer: het aanbrengen van materiaal voor de tempel en het inzamelen van fondsen ervoor, allemaal zaken ‘ter contrarie van het geloof’.

Om al die redenen wordt Halovere ‘met de bast aan de hals op het schavot geleid en tot lopende bloed gegeseld en voor drie jaar in het gevang gestopt’, waar hij letterlijk en figuurlijk zijn wonden kan likken. Het vonnis wordt uitgevoerd op 8 mei 1568. De 40-jarige Christiaan Meningre, een kleermaker van Godewaarsvelde, vergezelt hem op het schavot. Ze worden allebei verplicht om op hun knieën te bidden en God om vergiffenis te smeken.

In Hondschote leidt de beul op 15 april 1567 de beeldenstormer Jacob Vander Buchave naar de grote markt. Hij wordt er aan het ‘pelorijn’, de schandpaal, tot bloedens toe gegeseld en vervolgens voor drie jaar gekerkerd. Jacob Bricx is een andere volgeling van Matte. Ook hij heeft deelgenomen aan de inbraak in de kerken. Gewapend met een ‘spryncstoc’ stond hij voortdurend aan de zijde van de hoedenmaker. Op het kerkhof van Poperinge en in de kerk van Brielen tijdens diens ophitsende preken. Hij heeft geslapen in het verwoeste klooster van St-Clara en heeft de minister vergezeld naar Lo om er fondsen in te zamelen voor de nieuwe tempel. Vooral zijn deelname aan de verwoestende raids in de kerken wordt hem erg kwalijk genomen. Naast de geseling krijgt hij een reusachtige boete van tachtig ponden en krijgt hij de opdracht om verder te gaan met zijn leven volgens de voorschriften van onze moeder de heilige kerk.

De Hollander Willem Fredericsone, een 20-jarige jongeling uit Alkmaar, komt er in Hondschote minder goed van af. Voor hem wacht de galg en de doodstraf. Na zijn dood voert men zijn lijk naar het galgenveld waar het om anderen schrik aan te jagen voor een hele tijd aan een publieke schandpaal wordt vastgeknoopt. Dat allemaal omdat hij in het bezit was van een pistool en een degen. ‘Voor zijn afsterven, aanvaardde Fredericsone de bijstand van de katholieke priester en kwam hij tot de ware kerk terug.’

Scheerder Lodewijk Smalbeen, 25 jaar geleden geboren in Godewaarsvelde en nu woonachtig in Hondschote wordt van gelijkaardige praktijken beschuldigd. Hij was er onder andere bij wanneer de geuzen de kerk van O.L.V.- ten Brielen hebben verwoest. Hij was het die de heilige boeken in het vuur heeft gegooid. Rechter Jan de Visch veroordeelt Smalbeen op 1 april 1567 tot de ophanging aan de koord.

Pieter Loyssone, een timmerman van Alveringem, 46 jaar oud, heeft Matte bijgestaan met een soort speer en heeft hem vergezeld bij zijn vernielingsronde naar Poperinge, Ieper en Lo. Hij drong er binnen in de kerk van zijn geboorteplaats, verwoestte het orgel en de doopvont en stichtte er brand. Verder nam hij ook deel aan een reeks strooptochten op het platteland. De vierschaar van Hondschote veroordeelt deze booswicht om met het touw terechtgesteld te worden, boven het vuur, tot dat de dood er op zal volgen. Ook zijn kadaver zal achteraf tentoongesteld blijven bengelen.

Karel Reinghoot brengt het er op 30 oktober 1566 beter van af. Een boetedoening met de kaars in de hand. Op zijn knieën voor het kruis van Christus, blootshoofds bidden en God om vergeving vragen en dan twee jaar lang al de diensten van de stad volgen. Het oogt alvast veel beter dan boven een vuur opgestookt te worden. En wat er per slot van rekening in Reinghoots hoofd afspeelt, heeft niemand zaken mee.

Opdedrinck gaat verder op zoek naar bewijzen dat de kerkbraken effectief hebben plaatsgevonden. Het is eigenlijk een overbodig werkje. ‘Wat een afschuwelijke daden zijn hier toch gebeurd’, verzucht hij. ‘Hoe heeft deze kerkbraak met al die heiligschendende onteringen en godtergende laster ooit in de stede van Poperinge kunnen geschieden?’ ‘Hoe liepen de inwoners niet te wapen om weerstand te bieden aan de snode woestaards en om ze op de vlucht te drijven? Of waren de inwoners gewoonweg zelf onverschillig tijdens het gebeuren?’

De afgevallen kloosterlingen Jacob de Buzere en Antoon de Swarte moeten samen met Dathen nogal wat vrienden gehad hebben in Poperinge. Het was dit drietal die de boodschap van Ghelein Damman daar op dat kerkhof van Boeschepe met zich naar Poperinge had meegenomen en hier verder verspreid had. Damman bestreed er de paus en zijn kerk, de heilige mis en de sacramenten. Volgens de geuzen waren al die praktijken niet min of meer dan afgoderij. Maar toen was men nog ver verwijderd van al die vernielingen van die schone en heilige altaren en beelden, de ontering van de heilige sacramenten en van moorden op priesters. De geuzen zijn pas geradicaliseerd na de preken van de Ieperse hoedenmaker. De archieven maken het niet helemaal duidelijk of er zich nu al dan niet echte Poperingenaars bezondigd hebben aan deze smerige beeldenstorm.

‘Niemand hier in Poperinge heeft ooit gedacht dat de godsdiensthaat dergelijke proporties zou aannemen. De beeldenstorm viel op de stad als een onverwachte orkaan die dood en vernieling zaaide. Het schependom stond machteloos en voor voldongen feiten.’ Juliaan kan er niet bij hoe dit allemaal mogelijk is geweest.

‘Was dat nu echt nodig? Al die beelden verbrijzelen, de godgewijde altaren ten gronde werpen en in stukken slaan, het hoogwaardig sacrament (ik vermoed dat hij het hier heeft over de hosties) op de vloer uitstrooien en soms te midden van spotternij in het vuur werpen. Afschuwelijk toch al die helse wandaden en schandvlekken! Die schrikwekkende euveldaden pleegden de geuzen niet in één kerk, maar in honderden kerken en kloosters. Zou men dan medelijden moeten koesteren voor die wanschepsels omdat ze te wreed gestraft werden?’

Mijn onderpastoortje respecteert zijn eigen geloof niet. ‘Natuurlijk moesten ze opgehangen worden en geroosterd aan een spit en moesten hun stoffelijke resten door de kraaien opgegeten worden.’ Zijn woorden, niet de mijne. Waar is zijn god van liefde, respect en vergevingsgezindheid gebleven? Hij vraagt zich af hoe het gezond oordeel zo kon falen en eigenlijk vraag ik me van hem hetzelfde af. Ik kan er echter wel inkomen dat mijn katholieke man nog altijd woedend is om al die zinloze verwoestingen. De puinhoop die er nog rest van al die heilige beelden gaat niet alleen over gebroken steen maar over de verloren ‘spirit in the material’.

Gouwheer Resseghem komt via enkele uitwijkelingen nog wat meer achtergrondinformatie te weten over de beeldenstorm die over de Westhoek heeft geraasd tijdens de augustusmaand van 1566. Op vijf dagen tijd hebben de kerkbrekers vierhonderd kerken geplunderd en verwoest. Geen enkele kerk in het Poperingse is gespaard gebleven. Zo is er sprake van de kerken van Krombeke, Dranouter, Elverdinge, Haringe, Kemmel, Loker, Nieuwkerke, Poperinge, Reningelst, Roesbrugge, Vlamertinge en ook van de abdijen van Eversam en Roesbrugge.

De pastoor van Dranouter heeft het allemaal met zijn eigen ogen zien gebeuren. Jan Breufkin ziet het hoe de geuzen zijn altaar in het vuur kieperen en daarbij de zot houden met het geloof en dingen roepen zoals ‘we gaan een keer kijken welke mirakels jullie God nu eens zal verrichten’. Op 16 augustus 1566 vindt boer Mahieu Tahoen het blijkbaar plezant om de neuzen van heiligenbeelden af te kappen. In de kerk van Meteren vernielt een woesteling, Jan de Bleuf, de doopvont en besproeit hij de omstaanders met het water. Waterspelletjes met gewijd water, zijn plezier kan niet op.

Er komen nog meer gelijkaardige getuigenissen aan bod. Zo bijvoorbeeld van een zekere Gilles Bateman, een calvinist van Hazebrouck, die geld steelt uit de kapel en zijn buit dan samen met een groep gezellen gaat opzuipen in een herberg en daarbij de draak steekt met de heiligen die toch niet kunnen eten en drinken. Joris Zeelof is binnengedrongen in een abdij te Sint-Winoksbergen en verbrijzelt er het ‘H. Sacramantshuizeken’. Volgens hem is de Heer nu al lang genoeg opgesloten geweest en is het tijd dat hij uit zijn ‘kotje’ bevrijd wordt. Op 27 juli 1568 veroordeelt de beroerteraad drie beeldenstormers omdat ze gestampt hebben op heilige hosties.

Hoe beleven de diverse stadsbesturen deze hele periode? Opdedrinck kijkt eens in de richting van de Poperingse schepenen. De oorkonden van die dagen laten duidelijk uitschijnen dat de inwoners dag en nacht in grote onrust leven, met een verschrikkelijke angst voor nieuwe aanslagen van zwervende bendes die tijdens hun strooptochten terreur en vernieling veroorzaken. Tussen de families onderling ontstaan er broedertwisten tussen voor- en tegenstanders van het nieuw geloof. Zelfs de kinderen ontsnappen niet aan de invloed van de dwaalleer. De schepenen proberen hun taak met de nodige strengheid te vervullen en hetzelfde mag gezegd worden over de priesters en de trouw gebleven katholieken die na de kerkbraak van 14 augustus 1566 toch van verder onheil zullen bespaard blijven.

Op 10 februari 1566 komt er een algemeen verbod op het dragen van wapens. Geen ‘stokken, geweren, poenjaarden, rapieren, spitten, pansijzers, jakken en bussen’ meer. Tien dagen na de storm wordt verboden aan eenieder; ‘zelfs aan jonge knechtjes of meisjes in enige kerken te lopen, spelen, kloppen, bommelen of enig ander kwaad, dronkenschap of enige andere malice te bedrijven op boete van vijf schellingen.’ Een patrouille houdt vanaf 12 september toezicht om verdere nachtelijke aanslagen te voorkomen.

Er worden achtenveertig mannen geselecteerd om de nachtwake te doen. Ingedeeld in vijf groepen. Acht man zullen de markt, de Gervelgatstraat, Werfstraat en de Casselstraat tot aan de O.L.V.-kerk in de gaten houden. De rest van de Casselstraat wordt bewaakt door een groep van tien die ook de Wellynkstraat, Belstraat, de Nieuwstraat en de Elzenbrugstraat voor hun rekening nemen. Een andere groep van tien patrouilleert van de grote Steenbrug tot aan de Ieperstraat en neemt daarbij de Mesenstraat en het Rekhof voor zijn rekening. En dan is er nog een militie die het traject tussen de Steenbrug en de Ieperdam in de gaten zal houden, samen met de Kouter, de korte Kouter en het Strekstraatje.

Op 10 januari 1567 kondigt de gouwheer van Vlaanderen nog krachtigere maatregelen af. Voor Poperinge betekent dat nog eens een extra patrouille van tweeëntwintig mannen die elke vorm van rebellie in de kiem moet smoren. De nachtklok wordt ingevoerd. ‘Als de nachtwake aangevangen is, mag niemand langs de straat gaan zonder licht en in geval van enige beroerte, is eenieder verplicht als de hoofdman dat eist, een kaarslicht voor zijn huis te hangen. Een maand later wordt het uitdrukkelijk verboden om met een geweer of zonder kaarslicht langs de straten te gaan nadat het wingeroen (de nachtklok) heeft geluid.

Ook overdag moeten de Poperingenaars op hun tellen passen. In 1573 komt er een dagwake en de aangestelde mannen kunnen maar beter zorgen dat ze niet deelnemen aan braspartijen zoals die wel eens durven voor te vallen in de stad. Die dagwake wordt in 1585 nog uitgebreid met extra bewaking bovenaan de torens van de kerken. Om de twee dagen worden de inwoners die moeten waken per lottrekking uitgekozen en telkens er zich voet- en paardenvolk aanmeldt moeten ze de klokken laten luiden. Wie zijn taak verwaarloost krijgt een boete van 3 ponden aangesmeerd. Hun taak vangt aan om vijf uur in de morgen en eindigt ‘s avonds om 19 uur. Bij de overdracht van de wacht zal er een bijzondere klok geluid worden.

Erg prettig om te leven in Poperinge moet het toch niet zijn. Vanaf 17 november 1573 wordt het uitdrukkelijk verboden om na valavond in het openbaar nog te fluiten, te huilen of andere onbehoorlijk geluiden te maken. Als er boeven opgemerkt worden zullen de ingezetenen die daarvoor uitgekozen zijn de justitie bijstaan met een geweer en ervoor mee helpen zorgen dat de veiligheid gegarandeerd blijft.

Na zijn hoofdstuk over de veiligheidsmaatregelen in Poperinge, focust de schrijver zich nu op de bosgeuzen. De schepenen van Poperinge laten op 22 september 1567 weten aan hun collega’s in Ieper dat er zich een bende kwaaddoeners en rabauwen schuil houdt in de bossen van Sint-Sixtus rond Poperinge. Er is sprake van een groep van tweehonderd man. Dat nieuws zorgt voor grote onrust bij de bevolking van Poperinge zelf. Uit vrees voor een nieuwe aanslag blijven de strijdbare mannen dag en nacht in de wapens en vraagt het stadsbestuur om extra hulp bij Jan de Visch, stedehouder van de hoogbaljuw van Vlaanderen. Ieper en Veurne-Ambacht worden direct verwittigd van de toestand samen met het verzoek om bijstand.

Die komt er direct. Nog voor dat de avond van de 23ste september valt, arriveert de landhouder van Veurne met twaalf gewapende mannen in Krombeke. Een dag later komen er te Poperinge zestig weluitgeruste krijgslieden uit Ieper aan onder leiding van ridder van Coornhuuze, hoogbaljuw Niclaas Aubin en Simoen Uutenhove de baljuw van de kasselrij. Ze reppen zich naar de St.-Sixtusbossen maar vinden er geen spoor van enige rebellen. ‘De geuzen hadden lont geroken en waren van zes uur in de nuchtendstond vertrokken naar het gewest van den strooien haentken en verder naar het bos van Beauvoorde bij Steenvoorde.’

De Ieperse krijgsmacht gaat hen achterna en zit de rovers op de hielen. Maar krijgt ze niet te pakken. De landhouder van Veurne kent meer succes en slaagt er in om één van de zwervers te pakken te krijgen. Een Elverdingenaar. Jacob Quycke, dertig jaar, wordt op de rooster gelegd. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van een bende van dertig mannen maar de groep is ondertussen gevoelig uitgebreid. Ze staan onder de leiding van twee aanvoerders die vroeger onder het vaandel van Brederode dienden. De ene heet Bruxelle en is afkomstig van Rijsel. De andere noemt Jan Beghin en komt eveneens uit de regio van Rijsel. Wat ze van plan waren, kon de Elverdingenaar niet vertellen. Het enige wat hij wist, was dat er een edelman verwacht werd om het bevel over de groep op zich te nemen en dat die hen naar een onbekende plaats zou leiden.

Er bevindt zich volgens Quycke ook een Poperingenaar bij de bosgeuzen. Winox Tryoen een gewezen vaandrager voor Jan Denys. Hij heeft het ook over enkele andere van zijn kompanen; Cappe Palir, Camerlynck, Christiaen Nyeulare, Hans van Belle en Mahieu Cleenwerck. Of er al dan niet een aanslag in het Poperingse werd verijdeld, lijkt niet helemaal duidelijk. Er worden in elk geval strenge voorzorgsmaatregelen genomen. Op 28 december krijgen de hoogbaljuw, de voogd en de schepenen van Ieper een schrijven van de hertog van Alva, de nieuwe landvoogd van de Nederlanden.

Opdedrinck vergeet om Alva even voor te stellen. Dus doe ik dat in zijn plaats. De Spaanse koning heeft in de zomer van 1566 furieus gereageerd op de beeldenstorm in de Nederlanden. Zijn halfzus Margaretha van Parma kan de toestand duidelijk niet aan. Hij laat haar vervangen door de 1507 geboren Spaanse opperbevelhebber Fernando Ãlvarez de Toledo. Alva. Een man van de harde lijn. Katholiek tot in de toppen van zijn tenen. Deze Alva is op 22 augustus aangekomen in Brussel in het gezelschap van 10.000 man die de rebellie van de protestanten en de ketters in Vlaanderen met harde hand zullen beteugelen. Een van zijn eerste daden is de oprichting van een speciale rechtbank, de Raad van Beroerten, die door de bewoners al snel omgedoopt wordt tot de Bloedraad. Van dan af aan begint het doodstraffen te regenen in de Nederlanden.

Het is dus deze onbekende Alva die zijn bevelen doorstuurt naar Ieper. Hij stelt Maximiliaan Vilain, de baanderheer Resseghem aan als bevelhebber over de Westhoek. Vilain is een Gentenaar en is in het bezit van een waslijst van eretitels. Hij ontbiedt de afgevaardigden van de zeven West-Vlaamse kasselrijen op een vergadering in Ieper. Daar wordt afgesproken dat de rust en de vrede in het Westland tegen elke prijs moeten worden gehandhaafd. Een van de programmapunten is de strenge controle van de trafiek tussen Engeland en Vlaanderen. Het is een tactiek die al direct vruchten oplevert.

Vanuit Grevelingen krijgt Resseghem bericht dat er verdachte boten aangemeerd zijn bij Boulogne. Die informatie zorgt voor de eerste aanhoudingen op 9 februari 1567 in het plaatsje St.-Mariecappel. Tijdens de bestorming van een gasthof worden twee beruchte geuzenleiders bij de kraag gevat. Het zijn Bruxelle (Pieter Griard) en Jan Beghin. Valentin de Pardieu, de stedehouder voor Resseghem neemt er trouwens nog andere ketters gevangen. Onder hen bevindt zich nog de notoire geuzenleider Hendrik de Nédonchel, de heer van Hanecamps. Vooral de aanhouding van die laatste zorgt voor een intense vreugde bij Alva.

Deze Hanecamps, een afgedwaalde edelman, bekent achteraf dat hij deel uitmaakt van een samenzwering met andere edellieden. Hij is aanwezig geweest bij hun samenkomsten in St.-Truiden, Brussel en Amsterdam. Er komt nog veel meer aan de oppervlakte; ‘hij ging gemeenschappelijk om met de protestantse ministers van onze streek, zamelde geld in ter bevordering van de dwaalleer, hielp mee met het plunderen van de kerken en sprak verschrikkelijke dreigementen uit tegen de katholieke priesters.

Hij was bezig met de uitvoering van een afschuwelijk plan om een alliantie te smeden tussen de Franse Hugenoten en de geuzen van Vlaanderen en was hiervoor speciaal uit Engeland overgekomen. Ze zouden hun krachten bundelen om de katholieke godsdienst in onze gewesten uit te roeien, de priesters te vermoorden of te verjagen en gewapend het protestantse geloofsstelsel in te voeren. Het wordt een einde in mineur voor de drie geuzenleiders: ‘Op 14 april 1568 doorstond Hanecamps de dood, door de scherprechter hem met het zwaard toegepast. Tegen Pieter Griard (Bruxelle) sprak de vierschaar van Rijsel op 9 april 1568 eveneens de doodstraf uit.’

De geuzen hadden het toen inderdaad gemunt op Poperinge, schrijft Opdedrinck. Een aanslag die moest uitgevoerd worden in januari van 1568. Aan de Franse kust landen er drie schepen met vijftienhonderd geusgezinden. Allemaal Vlamingen die al een tijdje naar Engeland gevlucht waren en zich gevestigd hebben in Norwich en Sandwich. Het wordt stilaan duidelijk dat de pastoor van Reningelst de gebeten hond is van de ketters. Ze zijn immers vastberaden om de kerk van Reningelst aan te vallen en er de priesters te vermoorden. Waarom precies Reningelst en zijn priesters lijkt me niet duidelijk. Vermoedelijk zal de geestelijkheid daar wel voor klikspaan gespeeld hebben en is dat in het verkeerde keelgat geschoten voor de geuzen.

Op zondag 10 januari 1568 komen de plunderaars samen op een plek in Spanjaardsdale bij Poperinge. Ik kan de plek situeren ergens centraal tussen de Krombeekseweg en de Watouseweg, ter hoogte van de Diepemeers. Jan Michiels voert er het woord. De geusgezinden van Belle, Poperinge, Steenwerck, Hondschote scharen zich aan de zijde van deze predikant. Ze willen samen Poperinge innemen, de stad leegplunderen, de priesters liquideren en er hun nieuwe godsdienst invoeren.

‘Gelukkig toch dat God ingrijpt’. Ik hoor het Juliaan Opdedrinck zo zeggen. ‘Door Gods almogende beschikking vertraagde een aanhoudende stortregen de aankomst van de rebellen en belette zo de uitvoering van hun plannen. Het regende heel de voormiddag zo geweldig dat de plechtige boetegebeden die door het magistraat aan elke pastoor waren opgelegd, niet konden doorgaan.’

Het was inderdaad op dit moment dat de rabauwen wilden toeslaan. Ook de amman van Poperinge heeft lucht gekregen van hun plannen en slaagt er met enkele soldaten in om de ketters op de vlucht te drijven. Die bewuste soldaten zijn in opdracht van Resseghem in allerijl opgeroepen vanuit hun basis in Mesen. Tien gewapende opstokers worden gevat en beweren dat ze op weg zijn naar Hondschote. Wanneer ze weigeren om hun wapens neer te leggen, worden de tien gevangen genomen en naar de gevangenis van Ieper geleid.

‘Ze ondergingen hun straf op 18 februari. Vijf onder hen werden opgehangen, een zesde werd gewurgd en verbrand. De zevende, Jacob Visaige van Belle werd levend verbrand nadat men hem op een slede rond de grote markt gesleept en aan de vier hoeken gegeseld had. Die laatste moest een zwaardere lijfstraf ondergaan omdat hij de anderen in snoodheid overtroffen had. Hij bevond zich te Sandwich toen de ketters het eedverbond aangingen om de priesters te doden. Hij beraamde de mislukte samenkomst van Spanjaardsdale. Hij heeft ooit de rovers van de Catsberg geld, poeder en schietlood bezorgd en verder actief meegewerkt aan de moord op enkele priesters. De drie resterende gevangenen werden tot de galeien veroordeeld wegens hun deelname aan de illegale vergaderingen.’

Over die geplande vergadering van 10 januari 1568 in Spanjaardsdale en de nasleep ervan is het laatste woord nog niet gezegd. Enkele spelende kinderen vangen een gesprek op van hun ouders over deze geplande samenkomst en hangen die aan de grote klok. Zo komt het nieuws terecht bij een van de Poperingse schepenen. In de rangen van de geuzen zelf, zijn er lieden die de op komst zijnde raid op Poperinge van hun lippen hebben laten lopen. Het is dus niet moeilijk dat de magistraat perfect op de hoogte was.

Opdedrinck waagt zich aan een reconstructie van de feiten: Jacob Visaige van Dranouter (niet die van Belle!) moest vier dagen na de mislukte samenscholing van Spanjaardsdale een tweede gerechtelijk onderzoek doorstaan te Ieper. Uit zijn bekentenissen leer ik hoe de vork in de steel zit: ‘de aanhouding is gebeurd in herberg “het cleen Graveke” ergens tussen Poperinge en Westouter. De baljuw van Poperinge kan er de zondag voor de geplande ontmoeting de hand leggen op een gezelschap die op weg was naar Spanjaardsdale. Pieter en Jan Vander Muelene, Lem van Oost, Jacob Visaige (van Belle) en Menten van Venne trokken Poperingewaarts om te gaan luisteren naar de preek van Jan Michiels. De predikant zou daar zijn plannen uit de doeken doen hoe men de priesters zou verjagen en zou molesteren. Er werd een massa volk verwacht, zowel Walen als Vlamingen.’

Het wordt duidelijk dat de protestanten van de Westhoek in alliantie zijn gegaan met de Franse geuzen (de Hugenoten) om samen een moordende raid uit te voeren op de lokale geestelijken. De vergadering van Spanjaardsdale mag door het barslechte weer dan wel een maat voor niets zijn geweest, maar dat verandert niets aan hun plannen. Tussen 11 en 12 januari verwoesten Jacob van Heule en Jan Camerlynck met hun gezellen de kerk van Reningelst, grijpen de lokale priesters bij de lurven en slepen ze naar de bossen van Nieuwkerke. Naar een plaats in de buurt van de Monteberg waar ‘s anderendaags een grote preek van Jan Michiels gepland staat. Weer diezelfde Michiels. Priester Joos Hughesoone en zijn kapelanen Robert Ryspoort en Jacob Panneel houden er hardnekkig vast aan hun geloof en zullen te midden van de bossen op een wrede manier om het leven worden gebracht. Hun bevroren lijken zullen een week later ontdekt worden. De schrijver wil er het fijne van weten en begint bij het begin.

Hij focust zich eerst op één van de aanstokers van de moordenaarsbende. Een zekere Jan van der Camere die overal aangesproken wordt als ‘Camerlynck’, afkomstig van Hondschote en bestempeld mag worden als een misdadiger van de ergste soort. Zonder meer de meest criminele geus van de bende. Camerlynck onderhoudt nauwe betrekkingen met de beruchte Hanecamps en met Pieter Waels, ook al een gevreesde schelm. Hij staat erg dicht bij de geuzenpredikant Jan Michiel die zich profileert als dé grote vervolger van de katholieke priesters in onze streek.

Zijn bijnaam Camerlynck kon eigenlijk beter Camerlynch geweest zijn, die zou in elk geval meer passen bij zijn imago. Hij verzamelt rond zich een bende van veertig bosgeuzen die zich opdelen in verschillende groepen en de dorpen aflopen waar ze schrik, moord en vernieling zaaien. Onder zijn leiding vermoorden ze zo de priesters van Houtkerke, Oostcappel, Reningelst, Hondschote en Rexpoede. Twee dagen voor de mislukte preek van Spanjaardsdale slaan ze nog toe in herberg St.-Joris te Roesbrugge waar ze op een afschuwelijke manier zes soldaten van de baljuw van Sint-Winoksbergen vermoorden. Het echtpaar dat de herberg openhoudt is formeel: Camerlynck is de aanvoerder van de moordenaars geweest.

Na de moord op de priesters van Reningelst bestormen zijn volgelingen nog de kerken van Reningelst, Westouter, Loker, Dranouter, Kemmel, Nieuwkerke en Niepkerke. Zijn crimineel liedje raakt uitgespeeld als hij op 28 september 1568 in de strikken van rechter Jan de Visch terechtkomt. Pieter van Morbeke, de hoogbaljuw van Belle, speelt ook zijn rol van de aanhouding van Camerlynck. ‘Twee maanden nadien, op 26 november, onderging hij te Ieper de welverdiende doodstraf’. De onderpastoor van Poperinge kent geen medelijden voor de misdadiger. ‘Gelukkig verzoent hij zich voor zijn afsterven met de katholieke kerk.’

De eerste details over de moorden op de Reningelstse priesters sijpelen door bij de getuigenissen van de gevangengenomen Camerlynck en diens spitsbroeder Pieter Waels. Een groep van pakweg veertig man is tijdens de nacht tussen 11 en 12 januari naar Reningelst gestapt. Ze logeren er in de herberg ‘Het Nachtergaelken’ waar ze zich drogen bij het vuur. De volgende morgen ontmoeten ze Jan Michiels in Reningelst en nemen ze poolshoogte of de lokale parochiepriester aanwezig is.

‘Dan zijn ze met de hele bende de kerk binnen gegaan, hebben ze de pastoor en zijn kapelanen vastgegrepen. Met de blote hand hebben ze de ornamenten, de beelden verwoest en verbrand. Daarna hebben ze de geestelijken vastgebonden en zijn ze vertrokken naar het Westhofelst tussen Belle en Nieuwkerke waar ze de priesters na veel marteling en pijniging om het leven hebben gebracht.’ Deze getuigenis komt uit de mond van de pastoor van Dranouter die een en ander van dichtbij meemaakt.

Terwijl de kerkbraak van Reningelst zich aan het afspelen is, breken andere bosgeuzen binnen in het huis van de parochiepriester van Dranouter. Vier mannen met geweren, pistolen en hellebaarden eisen geld van de man. Ze gooien zijn boeken in het vuur en slepen hem naar het kerkhof waar hij oog in oog komt te staan met Daem de Coninck van Steenvoorde die ermee dreigt om hem af te schieten. De bandiet slaat met zijn pistool op het hoofd van de geestelijke. Het bloed gutst uit de toegebrachte wonde. Ze sleuren hun slachtoffer nu naar de kerk van Dranouter waar de drie angstige priesters van Reningelst gevangen en geboeid naartoe werden gebracht. Eerst wordt de inboedel van de lokale kerk nog aan diggelen geslagen met de nodige details die pijnlijk moeten overkomen voor elke gedegen katholiek.

Met zesendertig zijn ze. Allemaal gewapend en onder het bevel van Jacob van Heule en Jan Michiels trekken ze nu verder richting Kemmel, Nieuwkerke en Niepkerke waar ze de kerken aantasten. De vier priesters zien het allemaal met lede ogen aan en worden zelfs verplicht om geroofde voorwerpen te dragen. Hun lijdensweg moet niet min zijn. De hele tijd beschimpt en bespot en naar het leven gestaan, belanden ze finaal op een berg tussen Nieuwkerke en Dranouter, niet ver van de zwarte molen. Acht mannen brengen de priesters van de berg naar het dal waar ze gedwongen worden om te knielen. Hun kleren worden hen van het lijf gerukt, inclusief het hemd. Van de kleren van de pastoor van Dranouter blijven ze want die zitten helemaal onder het bloed. Alles gebeurt op een maandagavond bij heldere maneschijn rond zowat rond 23 uur.

De hoofdpriester van Reningelst knielt voor zijn beulen. Hij krijgt een dolk in de hals geplant wat resulteert in een wonde van wel twee vingers diep. Dezelfde beul geeft de geestelijke enkele houwen van zijn Duitse degen. Van iemand anders krijgt de man nog een houw van een hellebaard. Twee jongelui, iemand uit Nieuwkerke en een timmerman van Reningelst zorgen voor het dessert met nog enkele extra verwondingen door hun hakmes. De twee kapelanen worden op dezelfde manier knielend vermoord en doodgehouwen. Eigenaardig genoeg spaart Camerlynck het leven van de pastoor van Dranouter. De aanwezigheid van een beul uit eigen middens en het sparen van de vierde betrokkene laat een aura van afrekening achter. De Dranouternaar wordt weer op de heuvel geleid. Hij hoort hoe zijn drie collega’s in de gracht worden gedumpt.

Een bericht van 12 januari 1568, geschreven door de wetheren van Reningelst aan de Ieperse bisschop Rythovius heeft het over de vondst van de lichamen. ‘We hebben de lijken van uw drie priesters ontdekt in een beek, lopende langs het Westhofbos’. Het duurt niet lang voor het drietal begraven wordt aan de voet van het hoogaltaar van hun eigen kerk. Hoe loopt het horrorverhaal trouwens af voor de parochieherder van Dranouter? Ik verneem voor het eerst zijn naam. Pastoor Breufkin. ‘Laat uw katholiek geloof maar varen en sluit u aan bij ons geloof, ga mee naar Engeland, we zullen daar van u een man van eer maken’. De druk op Breufkin wordt opgevoerd.

De geestelijke dreigt op zijn beurt vermoord te worden en hij weet dat de oren van sommige van zijn collega’s werden afgesneden als ze weigerden in te gaan op dergelijke voorstellen. Maar hij blijft overeind en brengt het er levend van af. Om een of andere reden weigert Hans Camerlynck om deze man te vermoorden. Het vervolg leest als een avonturenverhaal genre Winnetou en Old Shatterhand. Ik laat Juliaan het zelf vertellen: ‘Van de Zwarteberg trokken de booswichten naar Wulvergem en Reningelst waar ze in schuren een maaltijd verorberden en overnachtten. Op de woensdagavond slenterden ze langs omwegen naar een bos tussen Houtkerke, Watou en Roesbrugge. Daar rees een geschil op tussen enkele leden van de zwervende bende. Ze hadden er de overlevende pastoor gebonden aan aan boom opgehangen en terwijl de geuzen aan het twisten waren, kon Breufkin zich ontdoen van zijn boeien en wegvluchten.’

‘Om elf uur ‘s nachts ontmoette hij langs de baan naar Houtkerke Hans Camerlynck met vijftien van zijn gezellen. Twee mannen leidden hem naar een schuur te Killem bij Hondschote. De volgende morgen, om zeven uur, verliet hij de twee bosgeuzen en reisde hij via Hondschote, Leisele, Izenberge en Alveringem naar het klooster van Hemelsdale te Werken waar hij verbleef totdat hij van de bisschop van Ieper ontboden werd.’

Naast de dodelijke slachtoffers van Reningelst vallen er nog meer geestelijke doden. De pastoor van Herzele, de 82-jarige Jacob Sluper overleeft het niet. Net zoals priesters in Rubrouck, Oostcappel, Hondschote, Rexpoede, Houtkerke, Rijksburg, Wijtschate, enz. Ik tel hier naast Sluper zeker nog tien namen. De moord op Jacob Sluper vindt plaats op 20 juni van 1570. De bejaarde priester schijnt er warmpjes in te zitten en krijgt het bezoek van een bende geuzen die gearriveerd is vanuit Norwich en Sandwich. De priester denkt dat hij te maken heeft met enkele soldaten die buit willen maken en spreekt hen vermanend toe. Hij zingt direct een serieus toontje lager als hij plots geconfronteerd wordt met veertien kompanen die hem dwingen om te tonen waar hij zijn geld bewaart.

De rest van de getuigenis is alweer hallucinant: ‘daarmee waren ze niet tevreden en beweerden ze dat hij nog ergens anders geld had liggen. Ze legden een hoop stro aan, staken er het vuur in en hingen de grijsaard half naakt boven de vlammen. Meteen persten ze zijn hoofd met een wafelijzer. De priester, wiens lijk drieëntwintig wonden droeg, stierf in de afschuwelijkste smarten.’

Op 28 januari 1568 vinden de inwoners van Rubrouck bij Cassel hun priesters verdronken in een waterput. De booswichten hebben de pastoor gewurgd en ze hebben de schedel van de kapelaan verbrijzeld. ‘De moordenaars slopen in het huis van de pastoor van Oostcappel en sleepten de herder naar een afgelegen bos, waar ze hem aan een boom ophingen. Het touw brak en de pastoor plofte neer op de grond. Ze besloten dan om hem opnieuw naar zijn pastorie te sleuren en hem daar de oren af te snijden. Onnoembare zaken wilden ze nog op het slachtoffer uitvoeren, maar de man smeekte dat hij liever direct zijn dood wou sterven.’

Ik krijg nog een reeks andere getuigenissen voorgeschoteld. Die van de aanslag in Houtkerke is weerzinwekkend. Ik laat de schrijver weer aan het woord: ‘ik wil de reeks afschuwelijke aanslagen beëindigen met het verhaal van de wrede marteling die de bosgeuzen in petto hadden voor de herder van Houtkerke, Dierik Bentin, hun eerste slachtoffer in onze gewesten. Twee keer kreeg hij hun rampzalig bezoek. Met veel geweld braken ze op 29 oktober binnen in zijn pastorie en sloegen ze de wakende hond dood. Ze grepen de 86-jarige ouderling vast, dompelden hem verscheidene keren in koud water, brachten hem menige verwondingen toe, sneden een van zijn oren bijna helemaal af en trokken hem al zijn bovenkleren van het lijf. Na zich zes uur te hebben verlustigd met de oude grijsaard, die bibberde van de kou terwijl hij op alle mogelijke manieren werd getergd, stolen ze honderdveertig gulden en maakten zich uit de voeten.’

De aanvoerder van deze inbraak blijkt Jacob van Heule te zijn. Op 31 december keren de geuzen nog eens terug naar Houtkerke. ‘Ze klopten aan bij de onderpastoor en dwongen hem om mee te gaan naar de pastorie om er zo gemakkelijker binnen te kunnen raken. Nauwelijks ging de deur open of ze boeiden de kapelaan en gingen op zoek naar de pastoor die zich in zijn eigen kamer opgesloten had. Vol angst sprong de ouderling door het raam naar buiten, dwars door een waterpoel die achter zijn huis lag. Maar hij viel spijtig genoeg in de handen van baanstropers die er de wacht hielden. Ze wierpen hem lasterende smaadwoorden naar het hoofd en braken zijn armen en benen, doorstaken zijn rug en doorkliefden zijn schedel. Het lijk van de vermoorde pastoor droeg eenentwintig wonden.’

De strafmaatregelen tegen opgepakte geuzen en ketters verdienen wat meer aandacht. ‘Mag men verwonderd zijn dat de plichtigen soms wreed gestraft werden’, vraagt Juliaan Opdedrinck zich af. Wat Alva doet met zijn Bloedraad ligt volledig in de lijn met de oude middeleeuwse rechtsgebruiken in de Vlaamse steden. De Brugse rechtsgeleerde Joost de Damhoudere bevestigt dat uitgebreid in zijn boek van 1562, ‘Praxis rerum criminalium’ dat hij opdraagt aan de hertog van Alva. Elke categorie van misdaad heeft zijn eigen specifieke bestraffing die de Bloedraad en de andere rechtbanken gewoonweg mogen toepassen. Een rode loper naar een pijnlijke dood. Of hoe kan ik volgende zin anders interpreteren? ‘Al die euveldaden, zonder onderscheid, zo besluit de Damhoudere, straft het recht met de dood, door het zwaard, het vuur of het lijfvierendelen toegebracht.’

Mededogen met ongelovigen bestaat niet: ‘de afvallige die aan zijn geloof verzaakt en zijn klooster- of priesterlijke beloften met de voeten treedt, moet in de kerker opgesloten worden, opdat hij tot inkeer kan komen totdat hij opnieuw zijn volledige onderdanigheid aan de heilige kerk of aan zijn wettige oversten wil beloven.’ De rechtsgeleerde noemt de ketterij een zwaarder en afschuwelijker misdrijf dan de verzaking omdat ze strijdt tegen de godheid en de almacht van de schepper zelf.’ Hiervoor past maar één mogelijke straf: het vuur.

Het schenden van kerken, kloosters en gewijde plaatsen is majesteitsschennis en levert de doodstraf op en de verbeurdverklaring van de eigendommen. De rechter mag zelf kiezen op welke manier hij de schuldige ter dood mag brengen. ‘Ten viere, ten zweerde of ter galge, of hij mag hen laten als prooi voor wilde dieren.’ Diefstal van gewijde zaken buiten kerkgebouwen wordt wat milder gestraft: de vuist wordt afgehakt en de bestrafte mag voor eeuwig ophoepelen. De diefstal van ongewijde voorwerpen op een gewijde plaats staat garant voor de galg of het zwaard. En als iemand me hier nu in de 21ste eeuw eens kan vertellen welk verschil er nu eigenlijk is tussen regulier en gewijd water, dan zou ik het onderscheid dat er tussen deze straffen bestaat misschien kunnen begrijpen.

En eigenlijk toont de rechtbank zich vaak mild, vertelt Juliaan. Van zodra er leedwezen en schuldgevoel te zien is bij de betichten kan er sprake zijn van schuldverlichting. Mensen die ooit sermoenen hebben bijgewoond er zich daar achteraf schuldig om voelen, kunnen er vanaf komen met een ereboete, een verbanning en de verbeurdverklaring van alle eigendommen. Ik laat enkele voorbeelden van dergelijk pardon links liggen. Vermoedelijk moet die verbanning nogal wat problemen opleveren in het West-Europa van de 16de eeuw waar de ketterij zich bijna overal als een kanker genesteld heeft. In 1570 laat paus Pius V afkondigen dat verbannen inwoners mogen terugkeren. Zolang het maar geen geestelijken, beeldenstormers of kerkbrekers zijn.

De opvolger van Alva zal vanaf 1573 definitief de weg van de strafverzachting inslaan. De Raad van Beroerte zal afgeschaft worden. Op die manier zal de rust in het land hopelijk terugkeren. Lodewijk van Requesens leest een jaar later te Brussel tijdens een plechtigheid één van die pardonbrieven voor waarbij koning Filips II volle genade schenkt aan alle staten, steden, dorpen, leenheren en leenmannen die sinds het jaar 1556 door de godsdienstberoerten in opstand zijn getreden. Een kleine driehonderd gestraften zullen niet op gratie moeten rekenen. Onder hen bevinden zich Pieter Dathen, Willem Damman, Antoon de Swarte, Jacob de Buusere en Pieter Haezaert; de protestantse ministers waar we alle kennis mee maakten. Ook de Poperingenaars Dierick Berthin en Jacob Canin die wegens hun geuzenpraktijken werden veroordeeld moeten niet op kwijtschelding van straf rekenen.

Opdedrinck zendt me weer van Pier naar Pol en keert nu plotsklaps terug naar 1568. Ik volg in zijn schoenen. Na de moorden op de Westhoekse priesters stuurt Alva vierhonderd krijgslieden naar onze gewesten om verdere aanslagen te verijdelen. Die komen bij de vijfhonderd soldaten die de West-Vlaamse kasselrijen al hebben voorzien en waarover Valentin de Pardieu het bevel voert. De hertog van Alva smeekt bij Resseghem om de kopstukken van de rebellie op te pakken, ze met koord en strop te bestraffen en hun huizen te vernielen. Deze maatregelen moeten de anderen vrees aanjagen.

De baljuw van Poperinge, Robrecht van Belle, boekt een succesje en kan enkele muiters en beeldenstormers inrekenen. Onder hen bevindt zich een eigen inwoner, Pieter vanden Steene een schoenmaker met een grote baard die deelgenomen heeft aan raids in Ieper. Op 14 februari 1568 krijgen de stedelijke schepencolleges de formele opdracht om al de verwoeste kerken binnen de drie maand te laten herstellen. De inwoners worden opgetrommeld om de stadsbesturen te helpen met geld en leningen. Later zullen de herstelde kerken nog een keer het slachtoffer worden van ontering en plundering.

Stel u eens het leven voor in die periode. Met een bloeddorstige Alva die elke geloofsafwijking afstraft en al die operaties uitvoert; flink tegen de zin van zijn eigen bevolking. De man in de straat leidt honger door de rebellie, de economie is totaal ontwricht en ook nogal wat edelen stellen zich vijandig op ten opzichte van de Spaanse repressie in de Nederlanden. Dat alles heeft zo zijn politieke implicaties die Vlaanderen op hun beurt in de complete anarchie van een burgeroorlog storten.

Gent leidt de dans. In 1577 stichten twee edellieden een nieuwe partij. Jan van Hembryze en François de la Kethulle de Ryhove stellen zich aan het hoofd van hun stad en gaan aan het werk om een nieuwe onafhankelijke republiek te stichten welke los zal staan van Spanje. Door soldij betaalde krijgsbenden, in de Nederlanden opgeleid door paltsgraaf Casimir, vallen Vlaams-Vlaanderen binnen en stichten er hun republiek. Ook Poperinge valt onder het Gentse regime. Uit de stadsrekeningen van 1577-1578 blijkt het bevel dat Poperinge de opdracht heeft gekregen om hun juwelen en zilverwerk in zekerheid te brengen tegen invallen van de vijand. Ieper en Poperinge onderhandelen in elk geval zeer actief met de afgevaardigden van Gent.

In september 1578 krijgt Poperinge het hoog bezoek van jonker Jan van Pottelsberghe, commissaris van Gent die bij wijze van geschenk zes kannen wijn aangeboden krijgt. Er volgen nog meer bezoeken. In oktober 1578 krijgen soldaten van Casimir hun kamp in Poperinge. Hun soldij valt ten laste van de stad. Het stadsbestuur gaat hiervoor een lening van 4000 Parijse ponden aan bij de abt van Sint-Bertinus. Het is duidelijk dat de Gentse republiek zware druk legt op de Poperingenaars. Het regent verordeningen.

De overmacht van het clubje rond Hembryze en de Oranjegezinde Ryhove is echter maar een kort leven beschoren. In het Waals gedeelte van de Nederlanden verrijst een tegenpartij. Henegouwen, Atrecht en Frans-Vlaanderen vinden het Gentse duo maar een stel demagogen, verstokte geuzen met bloed aan de handen. De Waalse beweging wordt gaandeweg de partij van de malcontenten genoemd. De calvinisten noemen hen de ‘paternosters’ omdat ze allemaal een rozenhoedje aan de hals dragen als teken dat ze de vrijheid van het katholiek geloof verdedigen. De malcontenten distantiëren zich in hun beginperiode nochtans van het gezag van de Spaanse koning Filips II.

Emmanuel de Lalaing, de 21-jarige baanderheer van Montigny stelt zich aan het hoofd van de nieuwe partij. Hij zal op 17 mei 1579 alsnog een alliantie sluiten met de Spanjaarden van landvoogd Alexander Farnese. In oktober van 1578 is daar nog geen sprake van als de malcontenten de stad Poperinge al een eerste keer proberen te veroveren. Uit de lokale oorkonden blijkt dat de Gentenaars enkele maanden later hun gezag in de stad weer zullen herstellen.

De Gentsgezinde veldmaarschalk Frans de la Noue heeft zich in dienst gesteld van Willem van Oranje en bevindt zich in mei 1579 te Poperinge. Uit enkele brieven van rond half mei blijkt dat de malcontenten het kasteel van Boezinge hebben ingenomen. Hij adviseert er de Staten van Vlaanderen die in Ieper vergaderd zijn om Boezinge te gaan ontzetten. Een beleg dat gepland staat voor de 16de en de 17de mei. Ryhove komt in die week plots op de proppen in Poperinge met nieuwe eisen aan de Staten van Vlaanderen rond de bezetting van een of ander kasteel in Ekelsbeke. Uit die brieven blijkt in elk geval duidelijk dat de malcontenten het medio 1579 niet om zeggen hebben in het Poperingse.

Twee jaar later is de situatie wel veranderd. Poperinge en Ieper hebben in de geschiedenis al zo dikwijls diametraal tegenover elkaar gestaan en ook in 1581 is dit het geval. Poperinge is nu wel in handen gevallen van de malcontenten, terwijl Ieper de partij van Ryhove omarmt en het de Poperingenaars bijzonder kwalijk neemt dat ze nu plots wel aan de kant en onder de heerschappij van de Spaanse koning staan. Op 3 december 1581 vertrekt er een garnizoen van Ieper naar Poperinge om er al de brouwapparatuur en de bakkersovens te vernielen omdat die alleen maar dienen om de malcontenten te bevoorraden. De brigade keert terug met een groep gevangen genomen Poperingenaars die verder op hun strepen zullen blijven staan.

De Poperingse neuzen kunnen onmogelijk allemaal in de richting van de malcontenten staan. Op 6 augustus 1582 krijgt de stadsbevolking te maken met een bende Waalse nietsnutten, afkomstig van het leger van de hertog van Parma bij Duinkerke en van Sint-Winoksbergen. Ze richten een heuse ravage aan in de binnenstad. Geschiedschrijver Augustin van Hermelghem heeft ooit een verslag gemaakt van de aanval: ‘zo heeft een kwade hoop van de Walen met een grote menigte Poperinge beroofd zodat enkele oude mannen die daar gebleven waren hen niet meer konden ontlopen. Een tiental van hen werd aangepakt, verwond en vermoord. Hetgeen godgeklaagd was om zien. Gelukkig hebben ze er geen brand in gestoken.’

Er volgt nog meer onheil voor Poperinge. Tijdens de nacht van 31 juli en 1 augustus 1583 valt een compagnie van het in Ieper verblijvend garnizoen van kapitein Schakel met veel voetknechten de buurstad binnen, ‘aldaar komende in de morgenstond hebben ze ‘t geheel verbrand op de eerste van augustus, uitgenomen de kerken.’ Na die twee aanslagen lijkt het er wel op dat Poperinge opgehouden heeft met bestaan. Geen enkele jaarrekening noch oorkonde geeft nog één enkel teken van leven te Poperinge.

De herleving begint was op het moment dat Ieper op 10 april 1584 onderworpen worden aan de Spanjaarden van landvoogd Farnese. Het doek is gevallen over de Gentse republiek van van Hembryze en Ryhove. De vermelde Farnese is feitelijk een onwettige kleinzoon van keizer Karel en staat ook bekend als de hertog van Parma. Velen noemen hem trouwens eenvoudigweg ‘Parma’. Hij zal de Nederlanden besturen tussen 1578 en 1592. De Ieperse magistraat kondigt een reeks maatregelen af die paal en perk stellen aan het geweld van de Waalse roversbenden.

Poperinge is tijdens die zomer niet veel meer dan een spookstad. De aanvallen van de beeldenstormers, de repressie van Alva gevolgd door de plunderingen van vreemde legerbenden hebben veel burgers op de vlucht gejaagd. Veel ambachtslieden, onder hen nogal wat afvallige katholieken, hebben de stad verlaten richting Engeland. Het aantal werklieden in de stad is geïmplodeerd van de (ooit nog) zestienduizend naar vierhonderd. Poperinge is 97,5% van zijn inwoners kwijt. Ik heb persoonlijk wel wat moeite om dat aantal van zestienduizend te accepteren. De stedelijke schuld heeft een omgekeerde beweging gemaakt en is opgelopen tot vijfentwintigduizend gulden. Het magistraat heeft geen financiële middelen om de herstellingen uit te voeren aan de Poperingse kerken, het gasthuis en het stadhuis, de halle, de overdrachten, de school en de gevangenis.

Hele stukken stad werden door dat Iepers garnizoen in brand gestoken. Gelukkig krijgt Poperinge een soort concordaat van koning Filips II. Een vrijstelling van belastingen voor een periode van zes maanden en de schuldeisers moeten wachten op hun geld. Van de bijna vijfduizend Vlamingen die zich voor 1568 zijn gaan vestigen in de buurt van Londen zijn 80% Poperingenaars. Ze gaan zich vestigen in steden zoals Maidstone, Sandwich, Colchester, Norwich of Southampton. De Vlamingen hebben in Londen zelfs hun eigen ‘Nederduitse’ kerk.

Dat vele jongelui in de Westhoek zich in die periode overgeven aan hooliganisme en baldadigheid heeft veel te zien met hun opvoeding en opleiding. Onder de Poperingse huisgezinnen zal er wel een groot deel klootjesvolk wonen, ongeletterde stakkers die zich als primitieven gedragen. Het stadsbestuur grijpt in en neemt maatregelen om het niveau van het onderwijs op te krikken, de ‘schurftige schapen’ te verwijderen en de eerbied voor Gods huis aan te leren.

De godsdienstige opleiding moet veel beter. Op 6 juli 1568 komt er een verordening dat niet iedereen zo maar onderwijs meer kan organiseren. De kinderen moeten voortaan naar de stadsschool ‘opdat ze voortgang zouden doen in lering en goede manieren en dat ze vrees voor de heer zouden krijgen.’ Eind 1569 worden er in de drie parochies zondagscholen opgestart. Ze komen onder het bestuur van pastoors en kapelanen. Alva dringt er persoonlijk op aan dat de kinderen van de Sint-Bertijnsparochie zullen vergaderen in de vierschaar. De jeugd van de O.L.V.-parochie in het huis van Robert Borry en die van Sint-Jan in de woning van Clays van Eenoode. De meesters van de zondagscholen zijn in die beginjaren Willem Baron, Pieter vanden Peereboome, Dierick Rycquewaert, Pieter Trystram, Pieter van Neufville, Franchoys Outerssone en Jan de Snepere.

Een verordening van 1573 benadrukt nog eens het belang van het onderwijs: ‘al de ingezetenen van deze stad en heerlijkheid welke van de dis leven, moeten hun kinderen iedere zon- en feestdag, zowel meisjes als knechtjes ouder dan vijf jaar ter voorzeide scholen sturen op straffe van het verlies van hun steun. Ze moeten onderwezen worden en met alle mogelijke middelen weggehouden worden van de straat, “tryffelinge” en spel die de kinderen van jongs af aan alleen maar verleiding en verderf bezorgen. De meesters moeten goed bijhouden welke kinderen er op de rol staan en moeten zorgen dat er gewerkt wordt aan goede en naarstige kinderen die beschikken over een discrete zoetigheid. Traagheid, weerspannigheid en kwaadwilligheid moeten bestraft worden met de roede.’

De overheid beslist al sinds 1550 welke boeken er al dan niet mogen gelezen worden. Op 21 april 1571 worden de duimschroeven nog wat verder dichtgedraaid. Het wordt verboden voor alle kinderen om te spelen in kerken, kapellen, kerkhoven of andere gewijde plaatsen. Op straffe van 7 schellingen voor de ouders of de meesters en de kinderen zullen op een strikte manier gevangen worden gezet waar ze door de wet hun straf zullen krijgen. Omdat de kinderen ook om geld spelen en dat dit erg slecht is voor hun ‘zelfverderfenis’ en hun ‘kwalijkvaren’, wordt bijvoorbeeld het spel van de ‘mockepit’ verboden. Ik heb het hier over een knikkerspel waarbij kinderen een kuiltje (een ‘mok’) in de grond maken en er proberen om daar knikkers van hun vrienden in te spelen.

De term ‘schurftige schapen’ duikt nog eens op. Deze rotte appelen moeten absoluut verwijderd worden uit de mand van de goede appelen. De schurftige schapen moeten afgehouden worden van de gezonde kudde. Herbergiers en hoteliers worden verplicht om de namen te noteren van mensen die bij hen overnachten. Er mag niet meer verhuurd worden aan vreemdelingen die geen keurbroeders of -zusters zijn tenzij ze hun namen en voornamen aan de overheid doorgeven. De kwaliteit en de integriteit van de huurders moet voorafgaandelijk gecontroleerd worden met een attest van de pastoor waar ze vandaan komen en ‘op peine van uitgezet te zijn buiten de stede.’

Het wordt ook verboden om enige man of vrouw in dienst te nemen die de Poperingse keure niet heeft onderschreven en dan nog met een attest nopens haar of zijn kwaliteit en geloof. Zo moet Janneken Luysseunes op 2 mei 1592 een eed afleggen vooraleer ze als vroedvrouw kan worden aangenomen. Maar hoe je het ook draait of keert; de Poperingenaars laten zich rond die tijd al lang niet voor de gek houden door de katholieke pastoors met hun trukendozen en hun heiligen. Juliaan Opdedrinck stelt het tot zijn grote spijt zelf vast: ‘ten gevolge van de godsdienstgeschillen was, ter stede, de eerbied voor het huis van God en de ijver voor het vieren van zon- en heiligdagen merkelijk verminderd. Daarom vaardigde het magistraat op 1 juni 1590 een verordening van wel achttien artikelen uit.’

Een hele waslijst van termen als ‘god almachtig’ en ‘here gods’ en ‘heilige en apostolische kerk’ allemaal bestemd voor de al dan niet godvruchtige lieden van Poperinge. Het is maar al te duidelijk dat de bisschop van Ieper er de hand in heeft. Een verordening van 25 september 1560 is veel interessanter. ‘Het is voor jong en oud verboden om te kaatsen, te bollen, te schieten, te knikkeren of enig ander spel te spelen, “zangerijen” te doen of voor te stellen op markten, straten of openbare wijken.’ Mochten de mensen toen eigenlijk nog iets anders doen dan werken, jaknikken en naar de kerk gaan? De volgende tien jaar zal het verordeningen van dergelijk allooi regenen. Zelfs in de tavernes mag er niet gespeeld, gekaart of gedronken worden terwijl er in de kerken gepreekt wordt of terwijl de goddelijke diensten aan de gang zijn.

Er komen altijd zware boetes bij kijken. De mensen moeten al schrapen om rond te komen maar daar hebben de schepenen geen oren naar. God en kerk tellen, de rest kan stikken. Die wetgeving voor de cafébazen laat trouwens weinig aan de verbeelding over. Zo het volgende voorbeeld: ‘het schependom beveelt ook tavernes en herbergen te sluiten tijdens dezelfde tijd van goddelijke dienst of predicatie en hun “vaetkens’ in te houden.’ Op zon- en feestdagen moeten alle winkels dicht. ‘Geen winkelhouders konden nog hun winkels en vensters openhouden of er waren tentoonstellen op boete van 20 schellingen.’

Nog zo’n idiote wet is deze van 19 augustus 1573. ‘Wanneer overdag de heilige gerechten naar een stervende moeten worden gedragen, zijn de bloedverwanten van de zieke verplicht de zes naastwonende buren te vermanen, dat die, zowel binnen als buiten de stad, in het gaan en in het keren de priester zullen vergezellen, op een boete van 3 ponden en arbitraire correctie. ‘s Nachts zal de priester door zes mannen van de wake opgeleid worden.’

Veel Poperingenaars zoeken wat steun bij een glaasje brandewijn. Maar in 1596 wordt ook hier paal en perk gesteld. ‘Omdat er meer en meer problemen ontstaan door het drinken van gebrande wijn, bijzonder op zondagen, heilig- en vastendagen en dagen waar de aanwezigheid gewenst was bij de preken en te bidden voor onze moeder de heilige katholieke christenkerk, wordt er verboden brandewijn te verkopen na 9 uur. De brandewijn mag maar te koop gesteld worden op de markten en openbaar langs de straten.’

Opdedrinck snijdt hoofdstuk dertien aan. Hij zal het eens hebben over de vorst. Hij bedoelt hiermee Filips II, de Spaanse zoon van keizer Karel en grote baas over de Nederlanden. Filips zien ze niet veel hier. Hij laat het bestuur in de Nederlanden over aan een hele trits landvoogden. Eerst is er Margaretha van Parma die opgevolgd wordt door respectievelijk Alva, Don Juan van Oostenrijk, Lodewijk van Requesens en prins Alexander Farnese. Al die prinsen worden hier in het verraderlijk bad van de ketterij en geuzenrebellie gegooid. Maar welke is betrokkenheid van de koning zelf?

Ik val maar meteen met de deur in huis. Filips II is een gevaarlijke en oerkatholieke kwezel. Alleen God is verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van de mensen. Ketters begaan misdaden die erger zijn dan die van moordenaars en gifmengers. Want ze doden de ziel. Hij zou liever zijn landen kwijtspelen dan door te gaan als de vorst van ketters en liever sterven dan iets te doen dat tegen zijn eer en faam indruist. Uiteraard is het katholiek geloof de enige staatsgodsdienst en elke vorm van ketterij die hier tegen ingaat moet met strenge edicten aangepakt worden. Onderpastoor Opdedrinck kan het maar matig appreciëren dat de koning omschreven wordt als ‘de duivel van het zuiden.’

Hij kan er niet bij dat deze kloekmoedige verdediger van het katholiek geloof zo maar wordt verguisd. Zouden ze beter niet kijken naar deze Maarten Luther die paus en kerk met de afschuwelijkste namen heeft vereerd en daarmee de weg voor de rest van de beschimpers heeft gebaand? Was deze Spaanse vorst werkelijk wreedaardig? Van zichzelf beweert hij dat hij liever geen bloed zou vergieten, maar hij doet wat hij moet doen. Met wat fantasie kan ik die laatste zin ook toepassen bij een of andere beul van de Islamitische Staat. Per slot van rekening is het wel deze Filips die de inquisitie heeft ingevoerd in de Nederlanden.

Het was allemaal zijn plicht, stelt Juliaan. Heel zijn leven heeft hij gestreden voor God en zijn kerk. Ik bekijk het toch wel even anders. Als koning Filips II op 13 september 1598 sterft, kleeft er wel heel veel bloed aan zijn handen. Volgens de principes van zijn eigen geloof zou hij zeker dik gebuisd zijn voor zijn toegangsexamen richting hemel. In de Westhoek prevelen ze natuurlijk alleen maar goed voor de dode koning. De Poperingse stadsrekening van 1598-1599 heeft het over enkele kostenposten voor een plechtige uitvaartdienst voor de zielrust van de Spaanse vorst.

En dan zijn er al die soldaten, Spanjaarden en anderen. Allemaal opgetrommeld om de rust te doen terugkeren maar die op hun beurt meer kwaad doen dan goed. Wat een belasting betekenen ze toch voor het land! Hele benden soldaten arriveren op elke mogelijke uren in de Vlaamse steden om er zich te vestigen of er voor enige tijd te verblijven. Het hoofdgarnizoen bevindt zich in Oostende en van daaruit lopen de vreemde soldaten Vlaanderen rond, voeren ze aanslagen uit op steden en dorpen, nemen ze soms de gegoede burgers gevangen om ze dan tegen betaling van enorme losgelden weer op vrije voeten te brengen.

‘Onze noeste wevers verlieten hun moederstad en zo ging de oude lakenhandel te kwiste. Op het grondgebied van Poperinge lagen uitgestrekte landerijen er verlaten en onbeploegd bij, terwijl hongerige wolven door de woeste akkers en bossen zwierven. Langs de openbare wegen bestond er voor de reiziger geen veiligheid meer.’ Tot overmaat van ramp is het de bevolking die moet instaan voor de soldij van de vreemde soldaten. Een toestand die vanaf 1580 leidt tot een lawine aan extra kosten en belastingen.

Poperinge gaat door de knieën onder de aanhoudende en altijd maar verhogende krijgslasten en blijft er uitgeput en in ellende gedompeld achter. En dan heb ik het nog niet gehad over de zedelijke last die de oorlogslieden uit verschillende landen aan de inwoners berokkenen. Het merendeel betreft het Spanjaarden die door de Vlamingen maar met een scheef ogen bekeken worden. De Spaanse soldaten zijn meestal besmet door een of andere geslachtsziekte die door de bevolking ‘de Spaanse ziekte’ wordt genoemd. Een ziekte die natuurlijk overgedragen wordt op nogal wat Poperingse meisjes. Meestal gebeurt dat tegen hun zin, want de lokale vrouwen worden niet graag beschuldigd van intimiteiten met deze vuile Spaanse bezetters.’

‘In Vlaanderen bleef er rond 1595 nog één stad, Oostende, het vijandelijk juk dragen’. Oostende heeft rond 1570 de kant gekozen van de Nederlandse protestanten in hun strijd tegen de Spaanse dictatuur van het katholiek geloof en is dus met het jaar 1600 in zicht nog altijd een bolwerk van de geuzen, Nederlandse en Engelse soldaten gebleven. In de rest van Vlaanderen heersen de Spanjaarden en de katholieken. Ik begrijp meteen waarom Opdedrinck het heeft over een vijandelijk juk. Ik laat hem even uitspreken: ‘de soldaten van de Oostendse bezetting deden aanhoudende uitlopen op de bodem van Vlaanderen en verspreidden vrees en schrik in steden en dorpen. Ze zorgden voor grote onrust bij de inwoners van het Poperingse grondgebied. Niet zomaar een korte periode maar voor een tijdspanne van vijftien jaar!’

De oorkonden van die dagen omschrijven de rondzwervende soldaten als ‘rovers, geboefte, bosboeven, vrijbuiters, lopers of de vijand’. ‘Die erge vijand was te vrezen. Des te meer daar hij, in diverse benden onderverdeeld, hier en daar rondzwierf en zijn misdadige ontwerpen vooral overnacht uitvoerde en er zijn weerloze slachtoffers mee verraste. Men bespiedde aanhoudend de rovers langs al hun wegen en vervolgde die overal waar het mogelijk scheen. Soms viel er al eens een of andere vrijbuiter in de handen van de gerechtsdienaars, maar ondanks hun pogingen om vijandelijke aanslagen te voorkomen, slaagden de rovers er in om Poperingenaars te ontvoeren en naar hun roversnest mee te slepen.’

Ik krijg enkele voorvallen te lezen. Een relaas van namen en data. Ik houd even halt in juli van 1589 wanneer de Poperingse burgemeester, de hoofden van het magistraat en twee schepenen in de strikken raken van de vrijbuiters. Een tijding die de inwoners nog meer verbittert en hen aanspoort om zich extra te bewapenen tegen deze laffe booswichten. De helse periode zal nog duren tot in 1600 wanneer Spaanse legerbenden de stad Oostende zullen omsingelen en na een heldhaftige strijd dit roversnest zullen binnenvallen en uitroeien.

De ellende achteraf is niet te overzien. Het zijn vijftien loodzware jaren geweest voor de Poperingenaars en hun buren. Nooit enig zicht op beterschap met daarbij het opdrogen van de bron van alle inkomsten; de lakenweverij is zo goed als verdwenen. De oude geschriften weerspiegelen het verdriet van Poperinge tot diep in hun poriën. Ze hebben het altijd weer over het verval van de nering en de populatie en de onmacht om nog markten te organiseren en hun belastingen te betalen. De abt van Sint-Bertinus en de ontvanger van West-Vlaanderen moeten wachten op hun centen. In 1590 wordt er geen enkel laken geproduceerd en de volgende jaren volgt er geen beterschap.

Bij de landbouwers is het ook allemaal kommer en kwel. ‘Bij de Coppernolle, ligt het land dat toebehoort aan de Sint-Janskerk en door de stad gepacht wordt, er vaag en zonder cultuur bij. De overdrachten van het Reepkens en in Westvleteren met hun bijhorend land zitten zonder pachter. Een algemene toestand van ‘zonder pacht en zonder cultuur’ die ervoor zorgt dat er geen ontvangsten zijn. ‘Op de verlaten landerijen en in de wouden, krioelden benden verhongerde wolven die mensen en dieren aanvielen. Soms richtten de “weyenaars” klopjachten in, daardoor aangespoord omdat het schependom hen een premie van drie pond per wolf en zes pond per wolvin beloofde.’

In het jaar 1599 worden er zestien wolven gedood in de bossen van ‘den Brabant’ of in de wouden langs Woesten, Krombeke en Westvleteren. ‘Het was voorwaar niet aantrekkelijk zich ergens op reis te begeven in de Westhoek. Men liep telkens het gevaar om in aanraking te komen met hongerige dieren of met onmenselijke baanstropers. De magistraten, krijgsoversten en vooral de geestelijken werden op hun tochten door een lijfwacht vergezeld. Zo begeleidden tien soldaten de pastoor van Sint-Bertijns en zijn goederen op zijn trip van Steenvoorde naar Poperinge in de meimaand van 1584.’

En dan al dit zedelijk verval. Juliaan Opdedrinck heeft het er zichtbaar moeilijk mee. ‘De verleidelijke grondstelsels van de protestantse leer die aan de driften hun vrije teugels lieten vieren, de gevaarvolle gemeenzaamheid tussen de ingezetenen van de stad met de vrijlevende krijgslieden van alle soort en slag. De verderfelijke tuchteloosheid had ervoor gezorgd dat het voorvaderlijke geloof en de christelijke zeden in veel harten uitgedoofd waren. ‘De sporen van al dat zedelijk verval zijn nog vers in de Poperingse oorkonden met uitspraken langs hier en vervolgingen langs daar.

Zo reizen burgemeester Lodewijk Makeblyde en zijn schepen Willem de Vos in oktober 1588 naar Ieper om juridisch advies in te winnen rond het proces van twee kinderen die geweld gepleegd hebben op een Ieperse Minderbroeder die te Poperinge bij de inwoners om aalmoezen bedelde. In 1598, 1599 en 1600 worden er drie moorden gepleegd. De eerste langs de Elzenbruggestraat, de tweede bij herberg de Leene en de derde in de nabijheid van de Onze Lieve Vrouwkerk.

Hoe de Poperingse rechters denken en handelen, ondervindt Martin Tellier. Hij heeft na het luiden van de avondklok (de wingeroen) bij nacht gegooid met stenen, lawaai en ambras gemaakt, de rust van de gemeente verstoord en zich weerbarstig gedragen tegen de officieren van justitie die hem wilden oppakken. Ongetwijfeld een sujet met een stuk in zijn voeten die dan nog zo dwaas blijkt om te spotten en te zeveren tegen de ambtenaren van dienst. En als er in de zakken van zijn jas nog een ‘penneke met brievekens waarop allerhande superstitieuze snoodheid te lezen staat’ gevonden wordt, weten de officieren het wel zeker: deze man is van plan om ‘dieverie’ of ongeoorloofde zaken uit te richten.

Ik kijk reikhalzend uit naar het oordeel van de rechters. Bij Martin Tellier zal dat ongetwijfeld met de grootste angsten zijn. ‘Op een marktdag leiden twee dienaren hem naar de markt en binden hem voor een uur aan de schandpaal. Naast hem ontsteekt men een vuur waar het penneke en de superstiueuze papiertjes verbrand worden. Martin moet dan op zijn beide knieën smeken dat God en de wereldlijke rechters hem vergiffenis willen schenken. Hij wordt verplicht om een nieuw verhemelte voor de predikstoel van de St.-Janskerk te vervaardigen, twee rasieren koren te bezorgen aan de armen en de proceskosten te betalen.’ En alsof dat nog niet allemaal genoeg is, wordt de man voor tien jaar verbannen uit de heerlijkheid van Poperinge.

Op 18 maart 1596 laat de koning vanuit Brussel bevelen dat al de herbergen in Poperinge moeten gesloten worden met het uitdrukkelijk verbod om nog nieuwe cafés te openen in de wijde omgeving van de stad. Deze strenge maatregel komt er na klachten over baldadigheden, gevechten en doodslag veroorzaakt door dronkenschap. De tavernes zijn ook ideale plaatsen om geheime ketterse vergaderingen te houden waar het calvinisme tot in de kleinste details wordt aangeleerd aan geïnteresseerde burgers.

De geestelijke en de wereldlijke overheid doen wat ze kunnen om Poperinge te reanimeren en nieuw leven in te blazen. Het gebied van Poperinge behoort nog altijd tot de abdij van Sint-Bertinus in St.-Omer die zijn macht uitbesteedt aan een burgemeester en schepenen die begrijpelijkerwijze natuurlijk allemaal streng katholiek zijn. In die beruchte 16de eeuw is het kransje van families die de stad besturen redelijk beperkt. De geslachten Makeblyde, van Langhemeersch, de Schottere, van Ackere, Beke, van Ghoesteene, van Renynghe, van Beveren, vanden Peereboome, Beyens, Everaerd en Winnebroodt.

Vooral de Makeblydes maken zich erg verdienstelijk en rijgen de postjes aan elkaar. Opdedrinck kijkt ook eens naar enkele van zijn voorgangers. Twee priesters springen er uit: Frans Seneschal en Geeraard van Hulle die volgens hem wel erg hun best doen om de verdoolde schapen weer bij de kudde te brengen. Het moeten uitmuntende herders geweest zijn, de schrijver hemelt hen op om hun priesterlijke ijver.

Een eerste licht in de duisternis komt er in 1589. ‘De vrije jaarmarkt scheen zijn vorige luister te hernemen.’ Het stadsbestuur toont zich erkentelijk aan de koopmannen die naar hier gekomen zijn om handel te drijven. Een presentwijntje voor de handelaars en de schepenen van andere steden in het omliggende. De kleuren van Caestre, Godewaarsvelde, Nieuwkerke, Eecke, Steenvoorde en Hondschote worden opnieuw merkbaar in het stadsbeeld.

Het kanaal dat Poperinge met de Ijzer verbindt is altijd al een bron van voorspoed geweest in het verleden. Deze cruciale verkeersader met de rest van Vlaanderen werd tijdens de periode van de godsdienstopstanden helemaal onderbroken. De oevers van de ooit goed bevaarbare Vleterbeek zijn op vele plaatsen ingezakt en vergen veel herstellingswerken. De overdracht van ter Coppernolle ligt al sinds 1580 stil sinds die door rebellerende Ieperse brandstichters in brand werd gestoken en er geen pachters meer voorhanden waren om de sluis uit te baten. De overdrachten van ten Reepkens en te Vestjens op het grondgebied van Westvleteren bevinden zich eveneens in vervallen toestand.

Vanaf 1585 begint de ommekeer. Er komen speciale belastingen op de verkoop van huizen en grond, op koeien, paarden en alcoholische dranken. Allemaal bedoeld om fondsen te winnen om zo de scheepvaartroute te kunnen herstellen. De belasting zal veertien jaar lang in stand worden gehouden. De werken beginnen al hetzelfde jaar. De windas van Ter Coppernolle, de molen van ten Reepkens, de sluisdeuren worden aangepakt. De grote werken beginnen pas in 1591. Veertig man werken nu met houwen, spaden en ‘pipegaelen’ en onder het toezicht van twee hoofdmannen aan de uitdieping en verbetering van de vaart. Ze krijgen een dagloon van tien stuivers voor hun hard labeur. In 1594 mag Poperinge zijn eerste binnenlands schip verwelkomen. De Duinkerkse schipper Jan de Baenst wordt voor zijn primeur getrakteerd met zes kannen wijn. Ook een zekere Antheunis Courtil valt in de prijzen.

Het schependom spaart geen moeite om de godsdienstige gevoelens bij zijn inwoners ‘op te beuren’ en het christelijke onderwijs te promoten. Al de problemen tijdens het geuzentijdperk zijn er alleen maar kunnen komen door de onwetendheid van de burgers. Hoe konden ze ooit weerstand bieden tegen al die verleidelijke leerstelsels? Een stad als Poperinge bezat voor die tijd maar over één school en had één meester. Die stond natuurlijk op zijn eentje voor een onmogelijke taak.

Toch wel een beetje verwonderlijk dat de abt van Sint-Bertijns daar niet meer aandacht heeft voor gehad, vindt Opdedrinck. Abt Geerard de Haméricourt was in 1561 precies de eerste die zich het lot van de Poperingse jeugd begon aan te trekken. In november van dat jaar kocht hij het huis met de venijnige naam ‘de wildeman’ welke hij als schoollokaal schonk aan het stadsbestuur.

Pastoors en schepenen doen wat ze kunnen om God en de paus weer op de eerste plaats te krijgen. Het mirakelbeeld van Onze Lieve Vrouw van Sint-Jan dat aan de beeldenstorm ontsnapt is, iets wat men toch wel kon verwachten van dit mirakelbeeld, vormt het centraal punt van nieuwe jaarlijkse processies. Allemaal ter ere van het ‘allerheiligst sacrament’, gebruiken de magistraten deze nonsens om de goede orde te handhaven en nieuwe onlusten te voorkomen. ‘Het schependom was immers overtuigd dat die openbare geloofsbetuigingen een zalige indruk op de gemoederen van de bevolking zou teweegbrengen’. Er wordt in elk geval kwistig omgegaan met stopen wijn voor de geestelijke personen die hun medewerking aan de processies verlenen.

Juliaan Opdedrinck gaat verder op bezoek in de jaren 1600. Maar daar ben ik nog helemaal niet aan toe. Hij haalt een treurende dichter aan die het verdriet van zijn stad met een sprekend gedicht probeert te beschrijven. Ik probeer van mijn kant deze oude poëzie te transformeren tot een stukje van mijn eigen taal. Meteen het einde van een onvoorstelbare episode uit de geschiedenis van de Westhoek.

Het Verdriet van Poperinge

Poperinge, waar ben je nu nog met je weidse straten?

Waar gewoel en gelach werden achtergelaten.

Spichtig gras groeit nu vrank op je markt en door je wijken.

In je huizen, de geur van lijken.

Je heerlijke woonsten, de kleur van al dat leven

Hier, waar nu zoveel deuren dicht zijn gebleven