Het verdwenen Monikerede

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     439 Views     Leave your thoughts  

Monikerede, verdwenen zeestad van het Zwin.

Monikerede, evenals Damme, Hoeke, Mude en Sluis, heeft zijn ontstaan te danken aan zijn ligging langs het Zwin en aan de Brugse handel in de middeleeuwen. In al deze havens, die geen kaaien bezaten, konden de zeeschepen op het droge gezet worden, en er hun waren overladen in lichters, die de koopwaren dan verder naar Brugge voerden.

Monikerede lag aan de monding van de Monikerede, het latere Leugenzwin, dat het Oude Zwin met het Zwin verbond. Het stadje was oorspronkelijk, evenals Hoeke, een gehucht van Oostkerke. Hoeke heeft een eigen kerk gekregen, terwijl Monikerede nooit een kerk gehad heeft, en altijd onder de klok van Oostkerke bleef behoren, waarvan het slechts één kilometer verwijderd was; het bezat echter lange tijd een eigen pastoor, die dicht bij de kerk, maar op het gebied van Monikerede woonde. In 1482 was deze pastorij reeds vervallen, en was het stedelijke ambt van pastoor afgeschaft.

Het was dus een eenvoudig gehucht dat stadsrechten bekomen had, ten voordele van de handel en de scheepvaart op het Zwin. De stad heeft nooit geen versterkingen gehad: in tijd van oorlog werden de stedelijke handvesten en juwelen binnen Damme in veiligheid gebracht.

Monikerede wordt voor het eerst vermeld in een Engelse akte van 1226; een aantal Vlaamse schepen, die met een lading Bordeauxwijn uit de Golf van Gascogne kwamen, waren in Engeland opgebracht; op bevel van den koning van Engeland werden ze vrij gelaten, onder deze schepen was ‘cogam (de kogge van) Lambekini de Munekerede’.

In een andere Engelse akte van 1230 heeft dezelfde Lambekinus. alsook zijn stadsgenoot Johannes de Munckenerod, Engelse troepen helpen overbrengen naar Frankrijk, met hun koggen ‘La Blome’, en ‘Welifare’. Ze bekwamen daarvoor de toelating om in Engeland handel te drijven.

De schippers van Monikerede voeren met eigen schepen naar Engeland en de Franse westkust, in dienst van Brugsche kooplieden. In 1262 namen zij met hun schepen deel aan den Vlaamse krijgstocht naar Zeeland.

Monikrede lag op de samenloop van de Monikerede en het Zwin; de eerste waterloop was, langs het Oude Zwin van Koolkerke, de leperleet en de Lissewegeree, in verbinding met de abdij ter Doest te Lissewege, vandaar de naam ‘Waterloop der Monniken’, die op de stad overgegaan is. In de stad had de abdij ter Doest enkele bezittingen.

Monikerede moet rond het midden van de XIIIe eeuw stadsrechten verkregen hebben, want voor het jaar 1266 zijn drie schepenakten van deze stad bewaard. De schepenen hadden in 1266 een sluis gebouwd aan de monding van de Monikerede, ten einde er de schepen te ontladen zonder door ebbe en vloed gestoord te worden. Langs daar konden de koopwaren naar Brugge gebracht worden, zonder voorbij Damme te varen. Om dit te beletten verplichtten de schepenen van Damme hun ambtgenoten van Monikerede ‘dat die waterganc van diere sluus, met posten ende met houte ende met andren dinghe also nauwe moet zyn ghemaect, dat ghene grote scepe no clene der duere moghen liden, no daer ne mach ooc nemmermeere scepinghe zyn no voeringhe van goede’.

De stadsrekeningen van Monikerede, over de jaren 1394 tot 1581 zijn te Brussel bewaard; deze rekeningen geven ons een kijk op de stedelijke inrichtingen. De stad werd bestuurd door twee burgemeesters, vier schepenen, één griffier en één kolfdrager (politiedienaar gewapend met een knots). Wanneer er schepenen te weinig waren om een volle schepenbank te vormen, werden twee schepenen uit Hoeke erbij gevraagd.

Het bestuur beschikte over een stadhuis, gedekt met stro, waarin een vierschaar of gerechtszaal was, alsook een ‘camer’ voor de bestuurlijke vergaderingen, en waar de ‘poortscrine’ of stedelijke voorrechtkoffer bewaard werd. Tot het stadhuis had men toegang door een trap; in de kelders lag de gevangenis.

In 1393 ontving het stadhuis een scelle of klok. Aan den gevel. zooals nu nog te Damme, hingen gerechtstenen, die aan de hals van zekere veroordeelden werden gehangen, wanneer ze rond de stad geleid werden.

In 1462 brandde het stadhuis af, het werd herbouwd en gedekt met tegels; er kwam ook een nieuwe klok. Het stadhuis lag op den noordoosthoek van de Markt; op den zuidwesthoek lag het ‘stede waterscip of stede drincpit’. Deze put werd ieder jaar schoongemaakt. Later werd hij omgeven door kasseisteenen en afgezet door planken. Van in 1407 bestond er op de Markt een vleeshuis, dat verscheidene stallen bevatte

Monikrede bezat het stapelrecht of het monopolie van den handel in gedroogde vis; een akte van 1400 zegt dat ‘de wijfs van der muenekereede moghen haerlieder visch in teelen up haren hals ghedraghen, also si van ouden tiden gheploghen hebben, ende dien te vercopen up de maerct ter eerster vente’.

De stad telde zeven ambachten: de meters (die de koopwaren die in ‘t Zwin toekwamen maten), de vissers, de vleeshouwers, de schippers, de schoenmakers en de fruteniers; en drie gilden, toegewijd aan St. Quinten, St. Sebastiaan en St. Blasius. Er was ook een gasthuis met kapel; deze was aan O. L. Vrouw toegewijd. Het gasthuis lag in de kleine polder langs het Zwin en was vooral bestemd voor melaatsen.

Bij den samenloop van het Zwin en het Leugenzwin, in het Vrije, lag het kasteel van Lembeke, dat zijn naam gaf aan den Lembeekse weg, die naar de kerk van Oostkerke liep, en de scheiding vormde tusschen Oostkerke en Monikerede, tot aan den Kerkweg.

Het stadscentrum van Monikerede telde vijf straten. De oudste is waarschijnlijk de Hoogstraat, aangelegd op den buitendijk van het Zwin. Er bestond ook een Hoogstraat te Hoeke, die insgelijks op de buitendijk van het Zwin lag. In 1358 kwam het water nog tot aan de Hoogstraat. Het deel van het bed van het Zwin dat tegen de Hoogstraat lag, heette zoowel te Monikerede als te Hoeke: de Garende Hebbe. Het was eerst een slikke die meestal onder water lag, later was het een schorre die slechts bij hoogwater overstroomd werd, en eindelijk werden er dijken rond gelegd, om polders te vormen. Het gasthuis was op een hoogte in de Garende Hebbe gebouwd. In de schorre was er een plaats waar de vissers hun netten te drogen hingen.

mr1

Rond 1400 kwam het water slechts tot op zekere afstand van de Hoogstraat; vanaf de Markt werden twee straten tot aan het water gelegd, waar een steger opgetimmerd werd, waarvoor in 1404 ‘een scute verdroncken ende verzant lach’. In 1502 werden stenen hoofden tot aan het water gelegd.

mr2

Bijna evenwijdig met de Hoogstraat lag de Roostraat, die met de Hoogstraat en de Kerkstraat of Kerkstic, de Markt vormde. De Hoogstraat liep door tot aan den Kerkweg, waarin de Kerkstraat uitkwam; de Kerkweg liep tot aan den Lembeekse weg, die naar de kerk van Oostkerke leidde. In de hoek van deze laatste twee wegen lagen vijf godshuizen voor arme lieden: De Vijf Godskameren.

De Lembeekse weg stond ook in verbinding met de Markt, door het Vissersstraatje, dat in de Roostraat uitliep. De Kerkweg en de Kerkstraat werden in goede staat gehouden. In den Kerkweg werden in 1403 ijzeren wrangen langs het voetpad geplaatst, zoals het nu nog gebeurd in de polderstreek, om te beletten dat het stenen voetpad zou stuk gereden worden door de wagens.

In 1460 werd de ondergrond van den Kerkweg in hout gelegd, en erboven werd gekasseid. De dijk van de watering van ‘s Heer Bazelis Hoek liep van den Kerkweg naar de grens van Hoeke. waar de Bloedput van Monikerede lag.

Ten gevolge van de verzanding van het Zwin, werd in 1550, door de Garende Hebbe en nevens het water van het Zwin, een zeekanaal gegraven van Damme naar Sluis, waar een zeesluis gebouwd werd. Dit kanaal werd de Varse (zoetwater) Vaart genoemd, in tegenstelling met het Zwin dat nog in betrekking stond met de zee, en Zoute Vaart genoemd werd.

Ten gevolge van moeilijkheden met de gouverneur van Damme, die de scheepvaart belemmerde, werd de Varse Vaart in 1564 doorgetrokken naar Brugge door het Leugenzwin en het Oude Zwin van Koolkerke. Rechtover Lembeke werd de vaart naar Damme algesloten en heette voortaan ‘t Verloren Rek. Daar werd ook het fort Bekaf gebouwd, dat de vrije scheepvaart op het kanaal moest verzekeren.

In de XVIe eeuw, ging Monikerede heel en al te niet. In 1557 was er geen gevangenis meer, de kolfdrager moest de gevangenen in zijn huis bewaren. Hetzelfde jaar vroegen de schepenen aan de koning van Spanje om van het bestuur en de rechtspraak ontslagen te worden, omdat er van de stad bijna niets meer overbleef, en er geen inkomsten meer waren.

Eindelijk in 1594 werd aan deze vraag gevolg gegeven en werden Monikerede en Hoeke bij het schependom van Damme gevoegd. leder van de afgeschafte steden was vertegenwoordigd door een eigen schepen in de wet van Damme.

Het verval van Monikerede kan goed nagegaan worden in den ommeloper van 1594, waar, bij de beschrijving van talrijke stukken land, vermeld wordt dat er vroeger huizen en hofsteden op gestaan hebben. Zekere hofsteden waren toen reeds ‘verdonckert’, t. t. z. in het land opgenomen.

In een stuk van 1549 spreekt men van ‘wylent tgasthuus van Muenckereede’. Op een plan van 1695, dat tot grondslag diende van het hierbijgevoegd plan, telt Monikerede nog zeven huizen. De Hoogstraat, de Roostraat en het Vissersstraatje zijn ‘verdonckert’. De naam van de stad wordt er nog bewaard in de Kerkstraat, die de naam draagt van ‘meunicreede straetken’. In 1675 was de Markt boomgaard geworden, van het stadhuis bleven nog enkel de vervallen muren over. Ten tijde van zijn bloei heeft Monikerede nooit meer dan vierhonderd inwoners geteld.

Het gebied van Monikerede had een oppervlakte van Ha. 118-61-95 a. (de gemeente Oostkerke beslaat 1.647 Ha. en 89 a.). Het bevatte een smalle strook grond langs de beide zijden van het Zwin (het huidige Zuidervaartje) van aan de vestingen van Damme tot rechtover Bekaf. De oostgrens was de huidige oostgrens van Oostkerke met Damme. Verder bevatte het nog het 13e begin van de watering van ‘s Heer Bazelis hoek tot aan de grens van Hoeke.

Ten noord-westen van de dijk van ‘s Heer Bazelis hoek bevatte het nog delen van het 12e en het 14e begin van deze watering. Ten westen werd het begrensd door den Lernbeekse weg vanaf de Vijf Godskameren tot aan Bekaf. Het bewoonde deel van de stad, waar de Markt en de bijzonderste straten lagen, heette: Monikerede-Boven.

Toen de Franse overheden in 1796 onze hedendaagse gemeenten inrichtten, werd Monikerede bij Oostkerke ingelijfd. In 1813, toen Napoleon door Spaanse krijgsgevangenen het kanaal Brugge-Sluis liet graven, was het centrum van de stad een bilk of weide; ‘den Meuninck Reeds Bilck’. Een deel ervan, namelijk het grootste deel van de Markt. werd in de nieuwe vaart afgedolven, rechtover de tegenwoordige kilometerpaal 8.

Toen H. Q. Janssen, predikant te St. Anna-ter Muiden, in 1853 op zoek ging naar de ligging van Monikerede, wisten de mensen ter plaatse niets meer van het stadje. en toonden hem den hoge ‘ Minnikereê bilk’.

Ook deze naam is nu vergeten; de Hoogstraat, die nog een hoogte vormt, alsook de Roostraat maken deel uit van een bilk. Deze laatste straat, alsook het Vissersstraatje kan men nog herkennen aan de grachten die erlangs lagen, en die nog bestaan.

De Kerkweg en de Kerkstraat bestaan nog, en zijn landwegen zonder eigen naam. Van de Markt blijft nog een driehoekig stuk land over. De Lembeekse weg bestaat nog, maar heeft ook zijn naam verloren: ten zuiden van de vaart is het de afgesloten toegangsweg tot de hofstede Bekaf, die vroeger het neerhof was van het kasteel Lembeke; ten noorden van de vaart is het de steenweg die van Oostkerke brug naar Oostkerke dorp loopt.

Waar de dijk van de huidige vaart door het bed loopt van de oude Sluisse vaart van 1550, juist over kilometerpaal 8, is de dijk wat ingevallen. Enkele mensen te Oostkerke kennen nog de naam van het stadje ‘de Munnikeree’.

Het enige wat nog aan het stadje herinnert, is een schilderij met het wapen van Monikerede, dat aan de binnenkerkdeur van Oostkerke hangt: In het midden een blauw water, erboven een rode hemel, van onder een groene dijk; op het water ligt een zeilschip dat met een plank verbonden is aan den dijk, een monnik stapt naar de plank om in te schepen.

Jos. DE SMET. in Biekorf van 1939