Het verdwenen Portus Icius

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       8 months ago     407 Views     Leave your thoughts  

Caesar wil de kustbevolking onderwerpen
Het Morinisch territorium grenst hier ter hoogte van de Onie aan dat van de Menapiërs. Als de Romeinen Gallië binnenvallen zijn de Morinen en de Menapiërs de laatsten om zich aan Rome te onderwerpen. In hun verzet tegen Julius Caesar worden ze in grote mate geholpen door de vele bossen en moerassen die men in de streek aantreft. Maar Caesar wil de volkeren kost wat kost onderwerpen. Het stevig bezit van de kustlijn is een must wil hij succesvol een expeditie organiseren tegen Engeland en wil hij het meesterschap verwerven over de Noordzee. Alle kustbewoners, van de Schelde tot aan Brest, spannen samen om hem dit meesterschap te betwisten. Een machtige vloot wordt verzameld, maar bij de zeeslag ter hoogte van het Franse Quiberon, op de kusten van Bretagne, worden de kustbewoners verpletterd en verslagen.

Voor Caesar ligt in 56 voor Christus de weg naar Engeland wijd open. In deze nederlaag hebben onze voorouders zo veel schepen en zo veel volk verloren, dat ze niet in staat zijn Caesar nog verder het hoofd te bieden. In augustus van het volgende jaar onderwerpen ze zich aan Caesar. De Romeinse era is nu definitief aangebroken. Ze zal 400 jaar duren. Aanvankelijk gebeurt die onderwerping niet met echte overtuiging. Met lange tanden dus. Veel families wijken liever uit naar Engeland dan te leven onder de dwingelandij van de Romeinen. Het aanvankelijk passieve verzet verandert geleidelijk aan in gewapende rebellie.

De Romeinen zijn echter te sterk, de opstanden worden keer op keer onderdrukt en stilaan sterft het verzet uit. Met de evolutie van de tijd en de komst van nieuwe generaties begint de lokale bevolking zich aan te passen aan de bestaande situatie. Geleidelijk aan zal zelfs de dag aanbreken dat de jonge Morinen vrijwillig dienst zullen nemen in het Romeinse leger, en ver van huis en haard, hun trots zullen opofferen voor de glorie van Rome.

De Romeinse expeditie naar Engeland in -55
Na de slag van Quiberon bezit Caesar het volledige meesterschap over de zee. Al snel zullen expedities opgestart worden om Engeland te veroveren. Het verhaal van de expedities naar Engeland is een niet onbelangrijk onderdeel van de wereldgeschiedenis en speelt zich af in onze Westhoek. Onze voorouders hebben dan ook die gebeurtenissen meegemaakt. In het najaar van 55 voor Christus wordt een eerste verkennende expeditie uitgevoerd. 10.000 Romeinen wagen de oversteek en ontschepen aan de zuidoostkust van Engeland. Ze ondervinden weinig tegenstand, maar de tijd om Engeland te veroveren is nog niet rijp.

Caesar besluit zijn grote kans te wagen in de lente van het volgende jaar (54 voor Christus). Met een armada van 36.000 soldaten, 4000 ruiters en 600 schepen wil hij Engeland binnenvallen. Op enkele maanden tijd moet alles klaargemaakt en verzameld worden. In alle kusthavens worden met man en macht schepen gebouwd, wegen aangelegd en gebeurt alles wat nodig is om de invasie van Engeland tot een succes te maken. Langs de Onie gonst het van de bedrijvigheid. Caesar koestert geen illusies over de betrouwbaarheid van het vijandige kustvolk. Het bouwen van zijn schepen wordt daarom toevertrouwd aan de plaatselijke scheepswerven, die echter onder bestuur en toezicht staan van vreemde specialisten en vaklieden.

De plaatselijke bevolking moet zich tevreden stellen met handenarbeid, eigenlijk is het dwangarbeid, uitgevoerd onder militair toezicht, en dat voornamelijk bestaat in het droogleggen van grond, het delven van dijken, het vellen van bomen en het vervoer. Op 10 juni van het jaar 54 voor Christus ligt de vloot klaar in Portus Icius om uit te varen. Het duurt tot 5 of 6 juli vooraleer de vloot kan uitvaren. De expeditie slaagt. Verscheidene Britse volksstammen onderwerpen zich, offeren gijzelaars en beloven oorlogsschattingen te betalen.

Portus Icius en Caesar
Toch heeft Caesar zijn plannen niet volledig kunnen realiseren. Hij blijkt over onvoldoende manschappen te beschikken om een bestendig garnizoen op Engelse bodem te behouden en de beschikbare mannen zijn immers van doen op het vasteland waar de dreiging van oproer zorgwekkend is. Hij moet zich dus met de formele onderwerping van de Britse stammen tevreden stellen en vertrouwen stellen in hun beloften. Hij trekt al zijn troepen terug. In september van -54 is Engeland al opnieuw ontruimd. Onder geschiedschrijvers wordt er over de exacte ligging van Portus Icius nog altijd geredetwist. In de hele discussie wordt er onvoldoende aandacht besteed aan de Vlaamse Westkust.

Volgens schrijver Dumon is het helemaal niet onmogelijk dat de oude haven van Koksijde de Portus Icius van Caesar is geweest. Maar waarom dan? Caesar zelf schrijft in zijn boek ‘De Bello Gallico’ de volgende passage: ‘Omnes ad Portum Icium, quo est porto commo-dissimum in Britanniam trajectus esse cognovit’. In mensentaal betekent dit dat er een bevel wordt uitgevaardigd om heel zijn macht op één enkel punt samen te trekken ter hoogte van Portus Icius. Hij kiest deze locatie uit omdat hij geen andere haven kent die beter geschikt is om de overvaart naar Engeland te dragen. Het feit dat Caesar uitlegt waarom hij Portus Icius gekozen heeft, laat vermoeden dat zijn keuze enigszins onverwacht is. In militaire en politieke kringen zal men wellicht verwacht hebben, dat het inschepen zou plaats grijpen in een haven die zeer dicht bij Engeland lag. De kortste weg is ver genoeg.

Portus Icius is de meest geschikte haven
Maar de kortste weg is niet altijd de beste weg en het is dat wat Caesar precies wil onderstrepen. Hij heeft Portus Icius gekozen, zo verklaart hij, omdat het de best geschikte haven is, de ‘porto commodissimum’. Geen gewone expeditie is het die voor de deur staat. Het is een grootse en buitengewone onderneming. De ogen van heel de wereld staan erop gericht. René Dumon is hier wat subjectief. Caesar zal gevoeld hebben dat hij een reden moet opgeven waarom hij geen van de dichtst bij gelegen havens kiest om in te schepen. Niet te Bonen, niet in Wissant en niet in Kales.

De kortste weg heeft ongetwijfeld bepaalde voordelen, maar 800 schepen en 40.000 man laten vertrekken op één en hetzelfde tijdstip is iets waarvoor men verder dient te kijken dan alleen maar de kortste weg. Het komt er op aan een haven te vinden die voor zulke onderneming geschikt is. ‘Portus Icius’ ligt verder dan de andere havens, maar is wel bijzonder geschikt voor zijn grootschalige plannen. De andere havens dus niet.

Die het dichtst bij Engeland mogen trouwens worden uitgesloten omdat de Romeinse armada enkel en alleen via de stranden van de mogelijke Franse havens zou kunnen vertrekken. En dat wordt kordaat tegengesproken door Caesar die effectief schrijft dat er vertrokken wordt vanuit een haven. In oostelijke richting kunnen wij niet verder gaan dan de Onie te Nieuwpoort. De Onie is de voornaamste haven in heel het land van de Morinen, en zelfs tussen de Rijn en de Seine.

De Onie als voorhaven van de Rijn
De Onie functioneert als de voorhaven van de Rijn. Caesar hoeft dus niet verder oostwaarts te kijken om een geschikte haven te vinden die aan de gestelde voorwaarden voldoet. Nochtans maakt hij geen keuze voor de Onie. Hij kiest voor de haven die bekend staat als Portus Icius. De Onie en Portus Icius kunnen onmogelijk één en dezelfde haven zijn. Het zijn totaal verschillende namen. Waar de schrijver Strabo voordien gedetailleerd de reis van de Rijnschepen heeft omschreven zonder enige allusie te maken op Portus Icius, schrijft hij in latere geschriften ‘Apud Morinos est Itium, quo usus est navali Divus Caesar, in insulam transmittens…’

Strabo verklaart dus dat de haven Itium (Portus Icius) in het land van de Morinen ligt en dat Caesar die haven gebruikt voor zijn militaire aanval op Engeland. Strabo maakt dus een duidelijk onderscheid tussen Portus Icius en de haven van de Rijnschepen. Het staat vast dat Portus Icius en de haven van de Onie allebei in het land van de Morinen gelegen zijn, maar het is ook duidelijk dat Portus Icius verder westwaarts ligt dan de Onie. Welke havens lagen er westwaarts van de Onie?

We tellen de havens die wij al eerder geëlimineerd hebben niet mee. De haven van de Aa in Grevelingen of de Gersta in de buurt van Duinkerke die zich uitstrekt tot aan St.-Winoksbergen zijn kanshebbers. Maar hun namen gelijken in niets op het magische Icius. Het zijn nochtans oeroude namen, die al in de Romeinse tijd moeten bestaan hebben. Maar waar ligt Portus Icius dan wel, vraagt Dumon zich af. Laat ons even alle aandacht schenken aan het oude Koksijde dat in de middeleeuwen een haven bezit die gevoed wordt door het Langelis dat via Veurne uit westelijke richting komt.

De Langelis verzamelde in de vroege tijden het water dat diep uit het Westland kwam en bracht het naar het kustgebied ter hoogte van een grote havenmond te Koksijde. Pas vanaf het begin van de 7de eeuw en het begin van de duinenvorming zal de loop van de Langelis gaandeweg en grondig wijzigen. Al na 100 jaar gaat de Koksijdse havenmond door verzanding ten onder. De nieuwe loop van de Langelis zal een andere uitweg zoeken die uiteindelijk zal leiden naar Nieuwpoort.

Steendam, halverwege tussen Nieuwpoort en Wulpen
Halfweg tussen Nieuwpoort en Wulpen ligt Steendam. In de 19de eeuw is daar een steenbakkerij actief waar bij het graven naar klei gedurende 30 jaar allerhande merkwaardige oude voorwerpen worden opgegraven. Eigenaar Isidoor Florizoone vindt het bizar dat op sommige plaatsen van het bedrijf er maar een zeer dun laagje klei aanwezig is. In tegenstelling tot wat er op andere plaatsen wordt waargenomen, de kleilaag rust meestal op een laag veengrond, rust het kleilaagje hier enkel op zeezand. Van veengrond is er geen sprake. Florizoone ontdekt al vrij snel dat hij zich in de zaat bevindt van een verdwenen waterloop van meer dan 100 m breedte, die komende vanuit oostelijke richting zich enkele kilometer verderop in zee zal gestort hebben. Het moet een waterloop van grote omvang geweest zijn, een waterloop van belang die beschikte ook over een machtige toevoer van stuwwater.

De waterloop kiest de zee in Doornpanne
Metingen wijzen uit dat de waterloop zich tussen Oostduinkerke-Dorp en Koksijde-Bad in zee stort. Precies op de plaats waar zich nu Doornpanne situeert. Boringen in Doornpanne tonen aan dat er ook hier geen sprake is van veengrond. Het duinzand rust er op lagen zeezand en van klei is er amper sprake. Er kan ook geen twijfel bestaan dat er vroeger een waterloop heeft bestaan die zich te Koksijde in zee wierp. We komen even terug op de vondsten van onze bakstenenfabrikant Florizoone. In de 100 meter brede zone tussen linker- en rechteroever van de verdwenen stroom, dus waar de stroom zich effectief bevond, wordt helemaal niets van oudheidkundige waarde gevonden.

De oevers zelf bestaan uit zand, maar weg van de oevers, waar de bovengrond uit zware kleilagen bestaat, worden massaal veel voorwerpen opgegraven. Op géén andere plaats in de regio worden dusdanig veel oude schatten opgegraven. Deze voorwerpen worden alle gevonden onder de klei en rusten op de veengrond. Ze behoren tot de vroegste Romeinse tijden en zelfs tot het Frankisch tijdvak.

De vondsten vormen een uniek bewijs dat er langs die grote stroom gedurende zeer lange tijd sprake is van bewoning en dat die bewoning zo goed als verdwenen is bij de overstromingen van de 8e eeuw. De vondsten uit de Romeinse tijd zijn zo overweldigend en zo verschillend, dat het zelfs mogelijk is uit te maken hoe de gewoonten en de gebruiken van de bevolking, van tijd tot tijd, veranderingen hebben ondergaan, hoe bestaande producten door nieuwe werden vervangen, en hoe de mensen zich aan nieuwe gedachten en doorheen de nieuwe tijden hebben moeten aanpassen.

Het machtige water stroomt richting Nieuwendamme
Op de linkeroever van de stroom wordt een vracht steenkolen opgegraven, net op hetzelfde peil als het Romeinse vaatwerk, de terra siggilata. Deze kolen moeten dus in de Romeinse tijd ingevoerd zijn. Onderzoek naar de oorsprong ervan laat geen twijfel over bestaan dat de kolen afkomstig zijn van het Engelse Newcastle. We staan hier dus effectief voor een haven die al in voorhistorische tijden bestaan heeft en die door de Romeinen als handelshaven werd gebruikt.

Deze machtige en brede stroom kan onmogelijk van water voorzien zijn door de binnenwateren van de Westhoek. Alleen een combinatie van Ijzerwater en de Westhoekse binnenwateren moet in staat geweest zijn om die massale waterstroom te produceren. De Ijzer moet in vroegere tijden een andere loop hebben gevolgd dan de koers die hij anno 2014 beschrijft. Hij heeft er trouwens, met een uitweg langs Koksijde geen behoefte aan zijn water noordwaarts in de richting Nieuwendamme te sturen.

Ergens bij Stuivekenskerke ligt een veel gemakkelijkere weg open die leidt naar Koksijde en de zee. De weg naar Nieuwendamme is trouwens versperd door de zandbodem tussen Nieuwpoort, Koksijde en Mannekesvere. De Ijzer moet deze versperring uiteindelijk doorboord hebben om de binnenwateren finaal tot aan de zee te brengen. Het zwakste punt van de zandbodem, de zandhoogte bij de Uniebrug te Sint-Joris zal het eerst begeven. Daardoor kunnen de Ijzer en de Onie zich verenigen en samen hun weg zoeken naar zee. Beroofd van het Ijzerwater, zal de havenmond te Koksijde nu op korte tijd volledig verzanden. De binnenwateren van de Westhoek zijn alleen niet bij machte om de monding open te houden. Op hun beurt moeten deze nu een nieuwe uitweg vinden naar zee. Dit lukt door de zandbodem door te breken te Nieuwpoort. Het zijn ingrijpende gebeurtenissen die zich voordoen in de loop van de 8e eeuw.

Is Portus Icius de verdwenen haven van Koksijde?
Maar we keren snel terug naar het Romeinse verleden. Is het mogelijk dat de illustere Portus Icius die verdwenen haven van Koksijde is? Die haven moet zich tot diep in het land ingesneden hebben. In Steendam is de geul nog altijd 100 meter breed en moet hij dus in staat geweest zijn 80 aanmeerplaatsen voor de vloot te bezorgen. Op zijn oevers is er ruimte genoeg om 40.000 man troepen en 4000 paarden een onderkomen te verschaffen. Allemaal in afwachting van hun afvaart naar Engeland. En het leidt bovendien geen twijfel dat de havenmond ter hoogte van Koksijde in Caesars tijd een flink stuk breder is dan die 100 meter verder stroomopwaarts.

Uit de berekeningen van René Dumon blijkt dat Caesar ongetwijfeld in staat moet geweest zijn te Koksijde heel zijn vloot op één enkel tij in zee te sturen. De schrijver roept nog even de hulp in van de plaatsnaamkunde, de toponymie. Wij spraken al over de gebeurtenissen uit de 8e eeuw, toen de rijzende binnenwateren zich genoopt zagen nieuwe uitwegen te zoeken te Sint-]oris en te Nieuwpoort. Deze toestanden hebben geleid tot een uitgebreide overstroming van de vlakte van de Westhoek. Op enkele uitzonderingen na was die vlakte, bij hoog tij, eigenlijk een uitgestrekt meer geworden.

Het hoeft daarom niet te verwonderen dat men heel de vlakte tussen Koksijde en Diksmuide als een delta, een golf, of een havenmond heeft kunnen beschrijven. Een plaats, gelegen op 18 km van de huidige kust, Diksmuide, wordt in 961 beschreven als Dicasmutha wat eigenlijk betekent: de Icsmond, de monding van de waterloop met de naam Ics. Het is een benaming die zijn oorsprong vindt in de 8e eeuw. In Dicasmutha of d’ Icsmond, vinden wij hoogstwaarschijnlijk de oorspronkelijke naam van de stroom die Diksmuide met Koksijde verbond, de Ics. Het is immers dezelfde stroom die ten westen van Diksmuide bekend staat als de Ijzer. Heel dat westelijk gebied geraakt trouwens bekend als de IJzergouw of de Pagus Isseretium.

Coxie, de monding van de Ics en D’Icsmude
In de 9e eeuw doorboort het westelijke IJzerwater de zandbodem ter hoogte van de Uniebrug te Sint-Joris, met het gevolg dat het zich op de noordoostkant van Nieuwpoort uitspreidt. Het water mengt zich daar met dat van de Onie. Er ontstaat een nieuwe delta die in 840 omschreven wordt als ‘in sinum qui vocatur Isere Porrus’. In 961 wordt dat ‘Isere Portus in finibus Menapum’. Aan de kust, waar de Ics in de zee uitmondt, ligt Koksijde. Vroeger werd deze naam Coxie uitgesproken. Het achtervoegsel ‘ijde’ of ‘ie’, ook bekend bij andere kustgemeenten, betekent ‘aanlegplaats voor zeeschepen’. Coxie Ide is dus een zeehaven, de monding van de Ics.

Te Koksijde is het bestanddeel Ics echter hetzelfde niet meer als te Diksmuide. De ‘I’ is vervangen door een ‘O’. Dit is echter zonder belang, daar de klanken ‘IX’ en ‘OX’ verwisselbaar zijn. Ze zijn trouwens ook verwisselbaar met de klanken ‘EX’, ‘AX’ en ‘UX’. Al deze klanken spruiten immers voort uit de Keltische woordwortel ‘Uisge’ (of ‘llisc’), die de betekenis heeft van ‘water’. Naargelang de omstandigheden is het nu eens de ene klinker, dan weer een andere klinker, die de bovenhand haalt. Er bestaan talrijke soortgelijke benamingen, vooral in Engeland. Van zodra de naam ‘Icius’ – gestript is van zijn Latijns achtervoegsel komen we weer bij het Keltisch terecht. Water. Dumon hoort er een ‘iks’ in en herinnert er ons aan dat de rivier ‘Isis’ te Oxford, daar ook bekend staat als de ‘Ock’ en de ,,Ox’.

De Ics van D’Icsmond via Pervijze naar Doornpanne
En wat te zeggen over het zonderlinge geval van Pervijze. De plaats ligt, in de oude tijden, op de linkeroever van de stroom die in Koksijde uitmondt. De oudste vermelding die wij van deze gemeente bezitten, dagtekent van 103. De benaming, toen in het Latijn geschreven is Paradisus. Af en toe komt deze benaming tevoorschijn tot in 1246 hoewel er in 1120 eveneens sprake is van Parevis. De plaatselijke uitspraak op vandaag is Provisie en Pervisie. Pervizje.

Paradisus staat natuurlijk niet voor paradijs. Maar met de term Portus Icius in ons achterhoofd en met de vele omstandigheden die Portus Icius met de Westhoek linken, mogen we ons toch afvragen of Paradisus het oorspronkelijke Portus Icius niet dekt. Kan het dat Paradisus misschien een verbastering is van Paradisie waarin het woord paard een vroegere poort vervangt? En dan komen we tot Poortisus. De waarheid zit er niet zo heel ver vandaan! Even kijken in het plaatsje Sint-Joris-Peerd bij Nieuwpoort.

In 1290 wordt te Nieuwpoort een plaats vermeld die de naam Porteland met zich meedraagt. Deze naam treffen wij nog een keer aan in 1314 als Portland. Portland is gelegen aan de verste oostkant van Nieuwpoort dat zich vroeger uitstrekt tot tegen Sint-Joris-Peerd. Langs dit Portland wordt omstreeks 1227 de Beveric of de Noordvaart gegraven. Te Sint-Joris-Peerd wordt later over deze vaart een brug aangelegd die in 1548 genoemd wordt de Paersbrugghes. In 1571 is het de Pertsbrigghe. In 1695 wordt de brug zelfs Pootsbruch genoemd.

De brug bij het Portland
De brug lag tegen het Portland, en de verschillende namen die men erop toegepast heeft, blijken alle aan het woord port ontleend te zijn. Dus brengen de woorden Poots, Paers, en Perts, ons eigenlijk steeds terug tot Portsbrug. Hoe eenvoudig is het woord Port niet overgegaan tot peerd of paard? Kunnen we niet spreken van het zelfde fenomeen te Pervijze? Is het woord Port in Portus Icius hier ook overgegaan naar paard?

Met het gevolg dat Portus Icius is kunnen overgaan naar Paard-Isie? En met het verder gevolg dat de schrijver, een monnik die zich in een klooster te Oudenaarde Ename bevindt, de uit 1063 afkomstige Latijnse spelling ‘Paradisus’ te hulp roept om aan de benaming enige zin te geven? Het lijkt logisch voor onze schrijver René Dumon en dat kan meteen ook betekenen dat Caesar mogelijk zijn hoofdkwartier kan opgetrokken hebben redelijk ver van de havenmond te Koksijde. Ter hoogte van Pervijze. Want een portus dient niet noodzakelijk aan de kust gelegen te zijn. Een geschikte plaats langs een bevaarbaar water kan immers ook een portus zijn.

Tegen het begin van de eerste eeuw na Christus is de Pax Romana in onze gewesten een realiteit geworden en heeft de bevolking zich aan de nieuwe situatie aangepast. Vanuit Terwanen wordt toezicht uitgeoefend over orde en veiligheid bij de bevolking, maar er is ook ruimte voor enig zelfbestuur voor de stadsbesturen die dat wensen. Zo bijvoorbeeld dat van Nieuwpoort. Gemeenten met zelfbestuur worden door de Romeinen ‘vicus’ genoemd. Een college of een ‘comitia’ kiest de magistraten en de gemeenteraad en vaardigt de lokale bestuursreglementen uit.

Onder de kleilagen van Oostduinkerke
De gemeenteraad, de ‘ordo decurionum’ staat de magistraten bij in het dagelijks bestuur. De magistratuur bestaat uit twee ‘duoviri’, die tezelfdertijd burgemeester en vrederechter zijn. Met daarbij twee quaestoren, ontvangers en twee aedielen, politiechefs, die belast worden met het toezicht over gebouwen, markten, wegen, maten en gewichten. En met het handhaven van de openbare orde. Zo gaat het ook in de vicus Nieuwpoort die in deze tijd bekend staat onder de naam Coed dat in het Latijn dus als Cuete wordt vertaald. Door het feit dat de Romeinen de status van vicus geven aan Nieuwpoort, wordt er dan ook gesproken van de stad van Nieuwpoort, de stad Coed. Cuetewyc.

De verovering van Engeland door de Romeinen in -43 is van groot belang voor Coed en de Oniehaven. Vanaf die tijd functioneert Coed als toevoer- en bevoorradingshaven voor de Romeinse militairen in hun nieuw gewonnen overzees gebied. Koopwaar, wapens en goederen worden via de Seine en via de Onie naar Coed aangevoerd. Bonen (nu Boulogne), Wissant, Kales, Grevelingen en Koksijde beschikken niet over een achterliggende waterverbinding en zo verhuist het zwaartepunt van de logistiek naar het Nieuwpoort van toen: Cuetewyc. De Romeinse beschaving heeft grote invloed op de welstand aan de Westkust. Dat merk je zo. En de massa aan vondsten liegt er niet om.

De ruw afgewerkte potten en vazen, nog in gebruik voor de Romeinse tijden, ruimen al in de eerste eeuw na Christus plaats voor fijnere producten afkomstig van allerlei exotische plaatsen. Een grote variatie van rijke Samiaanse vazen afgewerkt in de beste werkhuizen van Duitsland en Frankrijk, en later de nog fijnere Castor vazen uit Engeland, vinden vlotjes kopers in onze streek. Onder de kleilagen van Oostduinkerke, Westende, Slijpe, Gistel, Mannekesvere, Snaaskerke, Rattevalle, Sint-Pieterskapelle, Leffinge, Schore, Zevekote, en vooral in Steendam bij Nieuwpoort vinden we huisgerei terug. In Steendam worden er zelfs sporen gevonden van een centrale verwarmingsinstallatie die ooit gevoed werd door die steenkool afkomstig van Newcastle.

Kostbare Engelse Castor vazen
De dure Engelse Castor vazen zijn in Frans-Vlaanderen nagenoeg onbekend. En dat staaft de bewering van Dumon dat de Oniehaven een uniek afzetgebied biedt aan de Engelse fabrikanten, die ze op geen andere plek kunnen terug vinden aan de Noord-Franse kusten. Naast uitmuntende waterverbindingen bestaat er eveneens een duurzame landverbinding naar het West-Vlaamse binnenland. De Romeinen verbeteren de landwegen en ze leggen een netwerk aan van grote wegen.

Eén ervan met het eindpunt in het strategisch gelegen Oudenburg, stroomopwaarts aan diezelfde Onierivier. Oudenburg heeft een schitterende ligging, pal op de weg die door de Rijnschepen wordt gevolgd. De Nieuwpoortse kooplieden kunnen al snel vlugge reizen ondernemen via Oudenburg. Weldra ontstaan er langs de Romeinse heerwegen tal van ‘stationes’ en ‘tabernae’, zeg maar de baanrestaurants en tankstations die we op vandaag kennen langs onze autosnelwegen. De progressieve en stabiele invloeden van het Romeins bestuur zorgen lange tijd voor vrede en welvaart. De handel bloeit, de scheepvaart floreert?

Er wordt op grote schaal zout ontgonnen langs de kust. Er worden schapen en varkens gekweekt. Het zout, de wol, en de hammen worden naar verre streken verzonden. Ons volk leeft een goed leven. De enige stoornissen die het leven van de kustbevolking aantasten, zijn de sporadische invallen van zeerovers, de Chauken, die plaats vinden tussen de jaren 172 en 174. Maar algemeen gezien beheerst de Pax Romana op een erg positieve manier het leven van de mensen. Rond het midden van de derde eeuw begint het tij echter grondig te keren.

Het centraal gezag van de Romeinen begint te verzwakken
Stilaan verzwakt het centraal gezag van de Romeinen. Vreemde volkeren vallen de grenzen aan van het ooit zo sterke Romeinse rijk. En tot overmaat van ramp krijgt onze kustbevolking af te rekenen met een reeks omvangrijke overstromingen. Al rond 240 zien de Romeinen zich genoodzaakt hun vlootstation te Arentsburg, tussen Maas en Rijn, te ontruimen. En dat betekent meteen het einde van de Classis Germanica in onze streek. Het betekent hoe dan ook een zware tegenslag voor Nieuwpoort. De ooit zo veilige vaarroute is nu onderhevig geworden aan de aanvallen van hordes vreemde benden.

Vanaf 287 wordt de situatie nog slechter als zeerovers ook de westkust beginnen aan te vallen. Saksische roversboten, aangelokt door de hier heersende weelde, varen overnacht stil en onopgemerkt de kusthavens binnen, ontschepen hun volk op een beloftevolle plek en vallen er alleenstaande hoeves of villa’s aan, waarna ze met de gestolen buit, net zo stil en onopgemerkt als ze gekomen waren, weer via de zee vertrekken. Het lijkt een geval van homejacking uit de 21e eeuw. Met de tijd worden de zeerovers driester. Ze komen vaker en in groter getale. Soms hele vloten en zelfs overdag. Dorpen langs de Gallische en Engelse kusten worden aangerand en uitgeroeid.

Pas rond 296 worden er eindelijk afdoende maatregelen genomen tegen het Saksisch gevaar. Er worden versterkte vestingen gebouwd in het zuidoosten van Engeland en langs de kust van Vlaanderen en Frankrijk komen er drie forten. Zo krijgt onze kust stilaan de naam van ‘Litus Saxonicum’ toegewezen. Van de drie gebouwde forten liggen er vermoedelijk twee langs de Vlaamse kust. De derde post ligt bij Kales in het plaatsje Marck. Een eerste Vlaamse vesting, bemand door 1000 soldaten is Portus Aepatiacus die onder het bevel staat van een generaal van de provincie Belgica Secunda.

Het marinestation Grannona
Daarnaast bestaat er eveneens een marinestation dat gelegen is langs de Litus Saxonicum op een plaats met de naam Grannona. Ook hier worden ongeveer duizend marinesoldaten gekazerneerd. Beide forten staan onder het opperbevel van de prefectus van Gallië. Langs de Engelse kusten worden er negen forten gebouwd met hun hoofdkwartier in Rutopia, Richborough, aan de monding van de Thames.

Het blijkt overduidelijk dat het grootste Saksiche gevaar uit het oosten komt. De Saksers, weldra in hun rooftochten gevolgd door de Franken, komen uit de richting van de Vlaamse kust. Aan onze oostkust beschikken de rovers over een overvloed aan verspreide eilanden die een ideale uitvalsbasis vormen voor hun rooftochten langs de kusten van Engeland. Het is voor de Romeinen van groot belang de rovers in bedwang te houden, hun de weg naar Engeland af te snijden en tevens ook onze eigen kust en ons eigen binnenland tegen hun drieste rooftochten te beschermen. De scheepvaart tussen Engeland en het vasteland, via de Onie, moet tot elke prijs vrij blijven.

De verbinding met Oudenburg, eindpunt van een nieuw wegennet, mag onder geen enkel beding onderbroken worden. Portus Aepatiacus en Grannona liggen ongetwijfeld aan de Vlaamse kust. Eerstgenoemde is waarschijnlijk Oudenburg waar men later trouwens de overblijfselen zal opgraven van het voormalige fort. Grannona, het marinestation van de Romeinen, situeert zich aan de zeemonding van de Onie. Waar anders kan de bescherming gegarandeerd worden aan de schepen die vanaf de zee de weg kiezen van de binnenwateren van Gallië? Naamtechnisch is het opmerkelijk dat het bestanddeel ‘Ona’ in Grannona overeenstemt met onze Onie. Kan het woord Onie niet het resterende deel zijn van de langere naam die werd gebruikt in de Romeinse tijd? Is het niet goed mogelijk zijn dat de naam Grannona na de Romeinse tijd tot Groane zal samengevoegd worden?

.

 

Dit is een fragment uit deel 1 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>