Hij is koeibeende

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     183 Views     Leave your thoughts  

De koe in het Vlaams Idioticon

 

Men scheert geen koe op een haar: men ziet zo nauw niet, een kleinigheid kan de zaak niet uitmaken, het komt op geen beetje aan.

Hoe dat een koe een haze vangt; zegt men schertsend om zijn bewondering uit te drukken nopens een lukslag die een dwazerik doet, enz.

Die geen koeien heeft moet geen gers pachten, die het voordeel van iets mist, heeft er ook het nadeel niet van.

EEN KOE: bij een timmerman een soort van windas dat men gebruikt om bijvoorbeeld de reep van een schalk aan te halen. De koe bestaat uit een staak die men schuin in de grond vestigt: aan die staak zijn twee armen waarin een verticale as draait die het kalf heet en de koorde opwindt. Men draait het kalf bij middel van dwarsstokken die in zijn kop zitten; en de koord die men dus opwindt wordt gemolken.

KOEIALE, v. Mestgier van het vee, fr. purín de vache.

KOEBEENDE: wordt gezegd van een paard of ezel wiens achterpoten, gelijk die van een koe, binnenwaarts gekeerd staan en bijna aan elkaar raken, fr. jarrete’. Ook van mensen.‘Hij is koeibeende’.

KOEIBEESTE: meest in ’t mv. koeibeesten. Hoornvee, fr. bêtes à cornes‚ gros bétail. Er waren vele koeibeesten op de markt.

KOE(I)BELLE (wvl. ook -BALLE), v. Een bel aan de hals hangend van een koe, bez. als in de bossen weidt, om ze bij ‘t geklink van de bel gemakkelijk op te sporen.

KOEIBIES, KOEBIEZE, v. KOEBIEZEM, in. Soort van biezem, anders ook papbies genaamd

KOEIBILK of KOEIBULK, m. Weide waar de koeien gehele dagen op lopen en grazen. Zie BILK.

KOE(I)BOER: In tegenstelling van peérdeboer, hetzelfde als koehouder.

KOE(I)DISTEL: m. Hoogstammige distel, maar dunner van stengel en smaller van blad dan de paardedistel.

KOE(I)ELDER: m. Uier van een koe. Zie ELDER.

KOEIER, m. Koeherder, poester‚ fr. vacher. Vgl. Schaper (schaapherder).

KOE(I)HAANDE Wordt gezegd van paarden en ezels van wie hun achterpoten naar binnen gekromd staan gelijk die van eene ko, fr. jarreté. Het wordt ook gezegd van een mens van wie de knieën binnenwaarts gebogen staan wie en dus kromme benen heeft, fr. cagneux —— Zie HAAM.

KOEIHERDEREN, koeiherderde, gekoeíherderd, b.w. Opbraden, lichtjes braden, sprekend van vlees dat men lichtjes braadt om het te langer te kunnen bewaren. Het vlees koeiherderen. Gekoeiherderd vlees.

KOE(I)HOUDER: m. Landbouwer die koeien heeft, maar geen paarden. — Niet te verwarren met Koe(i)hoeder (poester, koeier), fr. vacher. —

KOE(I)MELKER‚ m. Een vogel die in de woordenboeken Geitemelker heet, fr. engoulevent, tette-chèvre

KOE(I)OOGE, v. fig. Ronde gesp of beukel die in grootte en vorm aan de oog van een koe lijkt. Over een halve eeuw was het een algemeen gebruik van met koeiogen de korte broek te sluiten bezijden de knieën. Zijn grootvader droeg een driebek op het hoofd, koeiogen aan de broek, en kousen met rijke klinken.

KOE(I)OOGEN Bij koks. Hetzelfde als kalfsogen dat Kramers vertaalt door fr. oeufs au miroir.

KOE(I)PLEK(K)E‚ v. Hofstedeke waar men koeien houdt, maar geen paarden, de woning van een kordwagenboer.

KOE(I)PLOTE, v. Kutser in koeien, iemand die rondgaat om koeien te kopen die hij dan weer verkoopt, of om koeien te kopen voor een ander, makelaar.

KOE(I)SLIET: KOE(I)SLIE: zie SLIET

KOE(I)SPRIET, m. Houten vork om liehet stro open te spreiden dat dient tot leger van de koeien op stal.

KOE(I)STANDE, v. Hoge kuip die het drinken bevat voor het vee op stal.

KOE(I)STEERT, m. De staart van een koe.

KOE(I)TEEN – W-vl: KOETEE – m. Iemand die traag is om naar zijn geldkas of wijnkelder te gaan, die niet graag geeft, die niet mild is, die gierig is. Hij is zoo een koeteen.

KOEIWACHTERSRIJP, adj. Halfrijp. Die appels, die peren zijn nog maar koeiwachtersrijp.

KOEIWACHTERZACIIT (wvl. -zocht)‚ adj. Half zacht gekookt, fr. à moitié cuit. De aardappels waren nog maar koeiwachterzacht, als hij ze begon te eten. Men weet dat de koeiwachters dikwijls, bij hun kudden, in een kuil in de grond aardappelen braadden, maar, zo men gissen kan, zelden braden ze die tot ze gaar en genoeg waren.

KOE(I)WAFEL, m. mv. koeiwafels. Een wilde plant, heracleum sphondylinm

KOEIWORTEL, m. Hetzelfde als Peerdewortel.

KOEIZOPPE: v. – B? landbouwers. Water met olie brood, rapen, bonen of dergelijke dingen samen gekookt tot voedsel van het vee, fr. buvée. De koeizoppe koken. Eene magere koeizoppe.

West-Vlaams Idioticon door Deken De Bo in 1873

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>