Hij is om zeep

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       4 months ago     163 Views     Leave your thoughts  

‘k En zal noch dag noch jaar noemen, maar hetgeen ik hier vertel, heb ik bij het Vlaamse volk gehoord. Zekere Tisten hield herberg in ‘De Kromme Krinkel’ maar, ik weet niet aan wie of waaraan het loog, de verkoop wat bitter klein. Menigmaal had Ciska de bazin daarover haar beklag gemaakt aan de weinig klanten, die nog van tijd tot tijd in ‘De Kromme Krinkel’ hun dorst kwamen lessen: maar het was allemaal boter aan de galg, niets een baatte.

Op een zaterdagavond dat Tisten en Ciska moedermens alleen langs weerszijden van de stoof zaten, begon Ciska daarover nog een keer te klagen en te knotteren. ‘Als het zo voortgaat Tisten’, zei ze en haar gemoed kwam vol, ‘wij en zullen tenden het jaar onze pacht niet kunnen betalen, zijn dat geen schrikkelijke dingen? En alzo klwawieren en sparen?’

Tisten versmeet zijn muts, schartte in zijn haar, gaf een diepe zucht, maar zweeg als vemoord. ‘En, Tisten?’, vroeg Ciska nog eens; ‘zijn dat geen schrikkelijke dingen? Waarom antwoordt gij niet Tisten?’

‘Hoort, vrouw’, riep Tisten, trots rechtspringend van achter de aardappelpot die op de stove stond. ‘Hoort vrouwe, het zal veranderen, jandorie! Ja het zal veranderen, ik heb het gevonden! Ja ja, Ciska, kijk maar, het is alzo of ik heet geen Tisten meer. Morgen is het zondag ewel, morgenavond is onze herberg volgepropt met volk. Neem maar uw schikkingen. Ja volgepropt van volk, de straten naar ‘De Kromme Krinkel’ zullen brobbelen van de mensen jandorie! Waarom heb ik daar niet eerder aan gedacht?’

‘Wat gaat gij uitsteken Tisten, wat gaat gij doen?’, vroeg Ciska verwonderd omdat ze zag dat het mening was met Tisten. ‘Zij maar getroost Ciska, ge zult zien dat Tisten nog zo dom niet en is als zijn muts staat.’ Daarop hartelijk geslapen en gedroomd van volk en lege tonnen en van het schof vol geld, bij zover dat het Ciska deerde dat ze wakker werd.

Tisten was voor hen en haan opgestaan, had vlug zijn kruis geslagen en was naar de veldwachter gelopen. Hij had die brave man een gehele reke in zijn oor gevezeld, een dikke stuiver in zijn hand geduwd en dan naar de kerk vertrokken.

Als de eerste mis gedaan was en dat de mensen naar buitenkwamen, zagen ze de man der wet vol statigheid op zijn steen staan. Iedereen was nieuwsgierig om te horen wat hij te melden had. Als de veldwachter nu zag dat bijna al het volk rond hem stond, lekte hij twee, driemaal zijn zwarte knevels, wribbelde ze in twee scherpe pinnen, stak zijn borst vooruit, zijn kop in de lucht en sprak; ‘Burgers, vanavond om acht uur stipt, zal in ‘De Kromme Krinkel’, bij baas Tisten, het grootste wonder te doen dat de mens ooit heeft aanschouwd. Een doening die al deze van de grootste wonderdoenders en kunstenaars van heel de wereld zal overtreffen! Vanavond om acht uur stipt zal Tisten de baas zelf uit ‘De Kromme Krinkel’, in levende lijve door zijn levend paard kruipen, al achter in en al voren uit.! Elk zegge het voort…’

De laatste woorden en waren nog uit zijn mond niet of het volk schoot in een geweldige schaterlach. De veldwachter zelf viel haast in onmacht op zijn steen van het louter lachen.

Na de hoogmis ging het nog erger. Nu; iedereen trok naar huis en daar werd van niets anders gesproken dan van Tisten, de baas uit ‘De Kromme Krinkel’, die door zijn paar zou kruipen. Alleman moest er naartoe, al en ware het maar voor de klcuht; het vrouwvolk zelf en wilde nog en zou zeker niet thuis blijven.

’s Namiddags, van ten tweeën al, was ‘De Kromme Krinkel’ volgepropt van jonkheden die lachten en zongen dat het klonk en in al de straten die naar ‘De Kromme Krinkel’ leidden, zag men er hele drommen volk naartoe trekken. Tisten en Ciska en nog drie vier mannen bedienden de mensen. Ze hadden werk dat het zweet langs hun kaken liep.

Omtrent den vieren moest de brouwer, niettegenstaande de zondag, een voer bier brengen. Daar werd gedronken en geschonken dat Ciska’s zakken scheurden van het geld.

Jamaar, het geraakte zeven uur en men begon van alle kanten te roepen; ‘Tisten, maak u maar klaar want het is bijna achte.’ ‘Wees maar gerust!’, antwoordde Tisten al voortlopend met een schenkblad.

Als het zo kwart voor den achten werd, kroop Tisten voorzichtig achter de toog, vezelde iets in Ciska’s oor, liep de zolderop en verstopte zich onder een bed. Niemand had iets bemerkt. Zo werd het acht uur en het was van roepen en tieren van; ‘Waar is Tisten? Waar is het paard? Ciska, zal het haast beginnen?’

‘Ja, jaa’t’, zei ze, ‘een beetje geduld mensen, als ’t u blief, meent ge dat het niet en zal spannen dè? Hij is jandorie om zeepe!’

‘Ach ja, hij is om zeepe, hij is om zeepe!’ Ja maar het werd negen, het sloeg tien en Tisten was nog altijd om zeepe en bleef om zeepe. Het volk lachte met de klucht en trok met middernacht welgezind naar huis. En sedertdien werd ‘De Kromme Krinkel’ een van de meest bezochte herbergen vazn heel de streek.

Maar verdween er iemand of vluchtte er iemand weg, dan zei men ‘hij is om zeepe’. Was er iemand ziek of stierf er iemand, hij ging of hij was om zeepe. Was er iets vernietigd of ging er iets te kwiste, het was alweer om zeepe. Om heel de streke en hoorde men niets anders meer dan; ‘Hij os of ’t is om zeepe, hij gaat om zeepe’. En die spreuk waaide met de tijd over in al onze gemeenten en het is alzo mondsgemeen geworden door heel Vlaanderenland.

Is er iemand die nog niet weet welk een ambacht hij zou aangaan, deze raad ik aan om zeepzieder te worden. Want; het op cde dag van vandaag allemaal om zeepe gaat, zo en kan hij niet missen van in korte tijd schatrijk te worden.

Uit ‘Westvlaamsche Boogaard’ van pastoor Leroy uit 1944.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>