Hoe Boudewijn met de duivel trouwde

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      4 months ago     178 Views     Leave your thoughts  

In de chronike van ‘t bisdom van Kamerijck vindt men het volgende zeisel over zekere Boudewijn, grave van Vlaanderen. Vermoedelijk Boudewijn IX vertelt de kroniek. De koning van Vrankrijk, die te dien tijde de machtigste vorst van Europa was, had een dochter met name Beatrix, en hij wrocht met handen en voeten om Boudewijn met haar te doen trouwen.

De grave en wilde daar niet van hooren, en zei vlak weg aan den koning, dat al zijn pogingen voor zulk huwelijk verloren moeite waren. De franse koning was hierom zeer verbitterd, en nog veel ridders en edellieden met hem en hij gaf vervolgens op ‘t gedurig vragen en hervragen, zijn dochter aan den keizer van Constenobel ten huwelijk.

Ondertusschen had Boudewijn ‘t hof van den koning van Vrankrijk verlaten en verbleef enige tijd in de stad Noyon. Op zekere dag kreeg hij gading om te jagen, in de bossen rond de stad. Gevolgd van menigeen van zijn vrienden stak hij de hoorn en vertrok op jacht. De grave, op zijn beste paard gezeten, had voor alle wapen een geweldige knots, waarmee hij de machtigste en de wreedste dieren wist neer te vellen.

Nauwelijks waren ze enige honderden stappen ver in het bos, of een wild zwijn, pikzwart en van buitengewone grootte, springt van achter een dikke eik weg, smijt een ijselijk gegrol uit, en stormt door takken en struiken om de jagers te ontgaan. De grave sloeg zijn draver zo duchtig met de sporen dat hij briesend vooruit sprong, en als een schicht tussen de, hoornen verdween op het speur van ‘t verschuwde wild.

‘Ha!’ riep de graaf, ‘zowaar als ik Boudewijn van Vlaanderen heet, ‘k en keer niet huiswaarts vooraleer ik u onder mijne knots neergeveld heb.’

Lang liep het vreselijk wild zwijn, in woeste vaart, door struik en tak, over dijk en beek; maar Boudewijn, de ogen vol vuur en vlam, op zijn vurig ros gezeten, stormde zo snel en zo benauwelijk zeere, dat geen ridder hem volgen en kon, zodat hij welhaast uit ieders oog verdween.

Het zwart gedrocht was woedend en sloeg vreselijk met zijn scherpe tanden naar de grave zijn honden, die hoe langer hoe naarder hem op ‘t lijf zaten ; en menigeen lag reeds stervend ten gronde. Boudewijns paard scheen onvermoeibaar en voer eerder als lopen altijd het beest achterna, zodat ze alle twee te samen in een plaatse gerochten, waar de Seine een elleboog maakt.

Het wild zwijn zat gevangen; graaf Boudewijn zag het, sprong van zijn schuimend paard en liep met zijn knot recht naar het dier. ‘Draai u om, zwart spook!’, riep de grave, ‘veel eer geschiedt u van te mogen kampen met de grave van Vlaanderen.’ Aanstonds sprong het zwijn met zijn machtige kop naar de grave; maar de schrikkelijke knots bonsde zo geweldig op zijn schedel, dat het in duizelinge ten gronde stortte. Er weerklonk een tweede slag en het wild zwijn lag stuiptrekkend voor ‘s graven voeten.

Boudewijn zette hem nevens de dode ever in het gras, te wachten achter zijn jachtgezellen. Terwijl hij daar alzo gezeten was en dat zijn gedachten reeds ver, ver van daar waren, zo verschoot hij al met eens: ‘t docht hem dat hij de stap van een paard gehoord had.

Inderdaad, ‘t en leed niet lang, of hij zag een jonge vrouw op een pekzwarte draver gezeten. Ze was geheel alleen en zij reed recht naar hem waard.

Boudewijn, verwonderd, sprong recht, en ging die eenzame vrouw tegemoet. Haar paard bij de teugel vattende, groette hij haar geheel beleefd en sprak: ‘Jongvrouw, welgekomen, God zij met u.’

Zij groette even beleefd weer. ‘Waarom reist gij alzo alleen, zonder enig gezelschap?’ vroeg de grave. ‘Heere, alzo heeft het God gewild en geschikt’, antwoordde zij. ‘Wie zijt gij dan, en wat is de oorzaak van uw verlatenheid?’

‘Ik ben de dochter van de koning van Morgenland; mijn vader wilde mij doen trouwen tegen mijnen wil en dank, maar bij God heb ik gezworen nooit geen man te willen, ‘t en zij hij de grave ware van Kerstenheid. Daarom ontvluchtte ik mijn vaders hof.’

‘En waar zijt gij nu tewege?’, vroeg Boudewijn. ‘Nu zoek ik den grave van Vlaanderen, Boudewijn bij name, waarvan men, in ons land, met zoveel lof en eer spreekt.’ Als zij die woorden sprak, keek zij Boudewijn zo vriendelijk, en zo onweerstaanbaar in de oogen, dat hij geheel uit zijn lood gesmeten te gronde keek, als of ware hij beschaamd geweest. Boudewijn was gevangen,. en zijn hart kwijt: zo edel was de houding en tale van de vrouw, en zo verrukt en hartrovend haar ogen.

‘Edele jongvrouwe’, sprak de grave, ‘ik ben Boudewijn de grave van Vlaanderen, die ge zoekt, geen rijker grave en leeft er in geheel het kerstendom. Het volk van veertien graafschappen staat mij te gebode, en aangezien gij mij zoekt, zo wil ik, opdat uw eed geschiede en bewaarheid worden u gravin maken aan mijn zijde en u mijn vrouwe noemen, ‘is ‘t, dat het u bevalt.’

Sedert lang en droomde ik niets beters, en, geerne zou ik mijn hand gelukkig in de uwe leggen, wist ik met zekerheid dat gij grave Boudewijn. zijt. ‘Jongvrouwe, binnen eenige stonden zullen mijn ridders, mijn jachtgezellen hier zijn; ‘t zal dan klaar blijken wie ik ben. Intussen zegt mij eens: wie zijt gij, en hoe heet uw vader?’

‘Mijn doopnaam is Helia’, sprak ze bedeesd, ‘ wie mijn vader is, dat en zal nooit iemand kennen, zo wil het God. Alleen moogt gij weten, dat hij heerst in Morgenland.’ Boudewijn en moeste niet meer weten ook, want hij was als betoverd, en van zinnen en herte beroofd. Hij begon dan te blazen en te tuiten op zijn hoorn, zo geweldig. dat men het kon horen schallen een ure ver door de bossen. En ‘t leed niet lang, of heel zijn gevolg van ridders en edellieden kwam in volle vlucht langs alle kanten daar toe gestormd.

De twee eerste die voorop reden waren Hendrik van Valencyn en Wouter van Sint-Omaars. ‘En wel, heer Graaf, hebt gij iets gevangen of gedood?’ riepen ze tegelijk. ‘0 ja’, antwoordde Boudewijn, fier en trots, .. ‘daar ligt met gebarsten kop het schoonste en het wreedste wild zwijn dat ik ooit op jacht gezien beb. lk had gezworen naar huis niet te keren voor dat het schuimbekkend onder mijn knots neerviel en daar ligt het. Daarbij die schone jongvrouw, zo edel van bloed als van lijve, die daar staat, die beschikte mij God, en ‘k heb, bij dure eed, gezworen ze tot mijn vrouw te nemen, is ‘t dat het met haar wil is.’

De graaf Hendrik van Valencyn bezag die jongvrouwe; ze was rijk en prachtig gekleed en zat op een paard dat zo schoon, zo fier was, dat flinker nooit onder zijn ogen en kwam; maar Hendrik was wijs en voorzichtig, en daarom sprak hij:

‘Heer Graaf, gij zijt zeer onvoorzichtig, zo dunkt het mij, u door uiterlijke schijn te laten verleiden’. ‘ Ge verwijst Beatrix van Vrankrijk, en gij zoudt een tot vrouw nemen, die gij niet en kent. Wie is die jonkvrouw, en van waar komt ze ? Gij zijt onvoorzichtig, Heer Graaf !’

‘Het kan zijn dat gij de waarheid spreekt, antwoordde Boudewijn, ‘en dat uw raad wijs en goed is maar, ‘t is besloten en zij zal mijn vrouw worden, dat ervan korne wat er van komen wilt. En spreekt mij niet tegen ; zo begeert het de grave.’ Daarop zweeg Hendrik van Valencyn, en zo zwegen al de ridders, en iedereen keerde, droefgeestig genoeg, naar Noyon weer. Graaf Boudewijn van zijn kant ging met Helia naar Kamerijck, waar hij zijn huwelijk met de wondere jongvrouw liet inzegenen.

Zodat liep enige tijd aan en alles was om ter best. Had het zo mogen voortgaan, Vlaanderen ware gelukkig geweest. Maar Helia begon weldra zware lasten te leggen op het volk en bedreef alle slag van wreedheden, zowel ter stede als te lande, en ‘t volk, hierom verbitterd, begon te knoteren en de grave zijne misnoegheid te kennen te geven.

Ondertussen ging Helia ter kerke, gelijk alle christene mensen deden, woonde de sermoenen bij, maar binst de consecratie, als de priester de H. Hostie ter aanbidding omhoog hief, verliet zij telkenmale de kerke, zodat iedereen daarvan verwonderd stond, en zeer verergerd was.

Zo gerocht men in ‘t jaar 1188, ‘t jaar, dat de keizer van Constenobel, de man van Beatrix van Vrankrijk, in strijd lag met de Sultan van de Turken. Het kostte de keizer zijn leven, maar de christenen evenwel en kwamen niet over en hielden stand tegen de vijand, over dat zij vermochten.

Dit geschiedde ‘t jaar Onzes Heeren 1188. Dat zelfde jaar hield Boudewijn, grave van Vlaanderen, met zijn vrouwe Helia, grote fooie op zijn slot te Wynendale, zoo dat het open hof was, en dat er vele vlaamse edellieden ten male kwamen.

Nu dat hij met al de uitgenodigde ridders te wege te berde was, zo kwam daar een stokoude pelgrim in het hof. Hij scheen wel honderd jaar oud en ondersteunde zijn gekromd lijf met een pelgrimstok. Hij bad de Grave, in Gods name, iets te mogen nuttigen, en wat te rusten. Boudewijn beval aan zijn knechten de oude pelgrim in de zaal te leiden en deed hem aan een tafelke alleene zitten, waar men hem al de spijzen van ‘s graven tafel moest vorenzetten. Helia en was nog niet gekomen, en iedereen zat reeds neder. ‘t En leed nochtans niet lang of zij kwam en zette haar, volgens gewoonte, aan ‘s graven zijde.

Als de pelgrim die vrouw zag, begon hij te sidderen en te beven, sloeg zijn kruis en ‘n wilde noch eten noch drinken.Helia en was ook op haar gemak niet om dien ouden pelgrim. Zij vreesde groot onheil en schande; daarom sprak zij tot de grave: ‘Heer, jaag toch die oude man weg van hier; hij stoort geheel onze blije dag, door zijn onbetamelijke kleeding’.

De grave, die een goed herte was, antwoordde: ‘Vrouwe, aalmoesen geven aan den arme, is God geven; daarom wil ik dat dien man niets en ontbreke en de zale en zal hij niet verlaten.’ Als Boudewijn zag dat de oude pelgrim daar zat te beven en aan geen spijze of drank en roerde, vroeg hij: ‘Brave man, waarom en eet gij niet, begeert gij iets anders; spreekt en men zal het u brengen.’

Daarop stond de pelgrim recht. Alle vrees was voorbij en zijn ogen fonkelden, alsof hij begeesterd ware geweest. ‘Grave en edele ridders’, sprak hij, ‘stop van eten en drinken, want een groot onheil bedreigt u; nochtans en schrik niet vooraleer de tijd van schrikken gekomen zij: want hetgeen gij zult zien zal u in grote benauwdheid zetten. Betrouwt op God en geen haar van uw hoofd en zal beschadigd zijn.’

Iedereen stond verwonderd, en zweeg stil, en de grave, met zijn genoten, hielden op van eten en van drinken. Dan bezwoer hij die vrouwe Helia bij den almachtige God en hij sprak: ‘Duivel die in ‘t lijf van die vrouw zit, ik bezwere u bij God de Here, die voor ons de bittere dood des kruis gestorven is ,bij God, die u verdreven heeft uit den heiligen Paradijze, met alle boze geesten, omdat zij met Lucifer hun hoofd door hooveerdigheid gezondigd hadden; bij de Heilige Sacramenten, die Jezus ingesteld heeft; bij zijn almacht, die eeuwig duren zal. Ik bezweer u en ik gebied u dit gezelschap te verlaten. Maar vooraleer te vertrekken, verklaart, waarom gij alzo met onze graaf gehandeld hebt, en keert dan weder van waar gij gekomen zijt, zonder, bij uw wegvaren, iets te roeren of te schaden van al dat enigszins aan het land van Vlanderen toebehoort. Alzoo bezweer ik u bij den almachtige God van ‘t hemels paradijs!.

Als die vrouw zich alzo bezweren hoorde, en als ze voelde dat zij de Grave niet langer meer en zou kunnen bedriegen, noch in Vlanderen verblijven, begon zij te spreken en te zeggen, aan al die het horen wilde, dat het haar onmogelijk was nog langer te verbergen wie zij was, omdat zij aan de almachtige God niet en kon wederstaan.

‘Ik ben’, sprak ze, ‘een der engelen die God uit het paradijs verdreef, en daarom hebben we zo grote smerte, dat het niemand zeggen en kan. Sedert dien dolen wij de wereld rond, plagen en bekoren al die voor den hemel bestemd is. Zo met Gods toelating, om de grave te straffen over de trots, waarbij hij de hand van Beatrix weigerde, ben ik in het lijf gegaan van een koningsdochter uit Morgenland, die gestorven was. De schoonste maagd was ze, die men vinden kon. Ik ging binst den nacht in haar dood lichaam, en zij herleefde, geen andere ziele hebbende als mijzelve; hare ziele was immers waar zij zijn moest. Ik kwam en de grave en kon niet weerstaan. Hij nam mij tot vrouw. Dertien jaren lang leefde ik met hem, en hebbe in het land van Vlanderen veel kwaad berokkend. Dertien jaren lang loerde ik alle morgens en alle avonden, of de grave zijn schepper gedenken zou, en hem met het H. Kruis tekenen; nooit en heeft hij ‘t gelaten, en ‘t moet hem nu verblijden, want had hij het éen maal verzuimd, zoo was hij verloren. Meer en zeg ik niet. En ga ik naar-Morgenland terug, om dit lichaam weer in zijn graf te brengen.’

Na deze woorden verdween zij zonder iemand, of iets, te genaken of te schaden. De grave, met zijne genoten, stond sprakeloos en stil, alsof zij in steen veranderd waren. Eindelijk, als Boudewijn wat bekwam, viel hij voor de voeten van de pelgrim, bedankte hem wel duizendmaal, en vroeg wat er hem te doene stond.

‘Ga naar Rome,’ zei de pelgrim, ‘en biecht de Paus uw zonden, en doe boetveerdigheid.’

Boudewijn bleef drie volle dagen in zijn kamer opgesloten, en zuchtte en weende over zijn zonde. De vierde dag vertrok hij naar Brugge, waar hij van iedereen belaehen en bespot wierd. De kinders zelve wezen hem met den vinger en riepen: ‘Ei! vlucht ! vlucht! De grave komt, die met de duivel trouwde!’

Zo ging het ook te Gent, zo te Atrecht, en in andere steden, en de grave zwoer naar Jerusalem te gaan om te vechten tegen de Saracenen. Hij trok eerst naar Rome, daar hij bij de paus zijn zonden biechtte, en voor boete kreeg naar Constenobel te gaan, om de keizerin Beatrix; de konings dochter van Vrankrijk, te helpen, tegen de Saracenen.

Daarna is hij vertrokken, heeft ginder wonderen van dapperheid gedaan; maar eindelijk verdween: hij in een slag tegen de Sultan, zonder dat men ooit geweten heeft wat er van hem geworden is.

Uit ‘Zeisels en Vertellingen’ van J. Leroy uit 1913

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>