Hoe de hop geschapen werd

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  , , ,      2 years ago     1180 Views     Leave your thoughts  

Om te verstaan en te begrijpen wat en wie de hopduvel eigenlijk is, moeten we terug gaan in de tijd, tot voor de tijd bestond. In die tijd · die nog geen tijd was · het was nog gewoon in den beginne schiep God hemel en aarde en toen God de wereld schiep, schiep hij ook de planten. Hij sprak tot zijn opperste engel, de engel van het licht, Lucifer: Haal mij de aarde uit de diepte van het water.

Na drie dagen bracht Lucifer een handvol aarde maar omdat deze engel heel leep en verstandig was had er ook wat in zijn mond gestoken. Hij wilde immers zien wat God met deze aarde zou aanvangen en Hem dan navolgen. God strooide de aarde uit en sprak: Dat zij worde! En daar groeide de aarde uit tot alle mogelijke planten. Van het kleinste mos tot de grote tot aan de hemel reikende mammoetbomen. Van het eenvoudig margrietje tot de gecompliceerde apebroodboom. En ook in de mond van Lucifer groeide de aarde. Er schoot een plant wortel door zijn keel en uit zijn mond groeiden lange takken met grote bladeren. Lucifer begon te huilen en bad God om hulp. En God had medelijden en liet Lucifer de grond uitspuwen. En daar groeide de hop. Lucifer schiep de hop!

Deze legende is werkelijk oeroud. En ze is een directe aanpassing van een heidens scheppingsverhaal. Dit verhaal is ouder dan het christendom. Het komt rechtstreeks uit de Keltische wereld. Het toeval hielp mij door dat ik in het boek ‘De Keltische erfenis’, de tekening vond van de god Smertrios die duidelijk de hop uit zijn mond laat groeien; en twee wildemannen uit zijn oren. De tekening is gemaakt naar een houtsnijwerk op een middeleeuwse bidstoel in de crowcombe church te Somerset in Engeland. De Kelten hadden een tweedelige godenwereld. Zij hadden hun creatieve scheppingskrachten en -goden van de lente ende zomer en zij hadden hun onweerachtige en stervende krachten in de herfst en in de winter. En de god Smertrios was een creatieve woeste scheppende lentegod.

In de folklore leeft deze heidense god ook verder als het hoofd en de mond waaruit planten groeien en in de wildeman, een figuur die in Engeland ook bekend staat als ·the Jack in green·. Bij ons kennen we ook nog de wildeman. De harige man met de knots die op verschillende wapenschilden voorkomt. En over die wildeman doet er een eigenaardig verhaal de ronde. De wilde man te Dendermonde. Het was op het einde van de 17de eeuw. In Dendermonde was er een zekeren jongeling Lens genoemd, die zo teder door zijn moeder en zijn geliefde bemind werd, en die heel graag om zijn kost te verdienen bij het ambacht van de pynders, de biervoerders, was opgenomen geweest.

Maar hij had geen geld om zich daar in te kopen. Van onheuglijke tijden bestond er binnen Dendermonde een zeer boertig gebruik, uit den goeden oude tijd. Dit bestond erin dat wanneer iemand binnen de gilde van de pynders wilde worden opgenomen; en hij een dag lang, door de stad liep, als wildeman gekleed, men hem dit niet kon weigeren en hij dus wel in de nering diende opgenomen te worden.

Lens ging de uitdaging aan. Die dag was er een buitengewone menigte van allen kanten komen kijken. Hij was met een zware knots gewapend en was met planten en bladeren getooid. De mensen sloegen op hem met alles wat in hun handen kwam. Kwam hij bij een woning van een voornamen burger, en er waren er geen andere in Dendermonde, dan stak hij zijn handen in een teerpot en sloeg zijn stempel op de deur en dit teken werd door de bewoners zorgvuldig bewaard. En Lens slaagde in zijn proef en werd ‘s avonds in de gilde van de Pynders opgenomen. En de ‘wildemansdag’werd daar nog lang gevierd met het nodige bierverbruik.

De wildeman werd dus hier nog in verband gebracht met het bier. Toen onze Keltische god Smertrios de hop uitspuwde kunnen we ons afvragen waar deze terecht kwam. De hop in het aards paradijs. Binnen de Joods-Christelijke traditie, is het antwoord hierop eigenlijk tamelijk eenvoudig; het was in het aards paradijs. Daar stond er een levensboom met daar langs de boom van goed en kwaad. De Germaans-Saksische hoppeboom· werd in het kader van de kerstening de boom van Goed en Kwaad.

Toen we op reis naar Corbie in het kleine museum van mevrouw Marie-Christine Damagnez terecht kwamen, dat we, gezien de enthousiaste rondleiding die we van Marie-Christine kregen, aan iedereen willen aanbevelen, stond daar in de hal de hieronder afgebeelde steen te pronken. De steen werd gevonden in de tuin van de voorzitter van het museum en deze woonde waar ooit één van de 13 kerken van Corbie gestaan had. Het is de bovenkant van een pilaar. De foto·s werden ons bezorgd door mevrouw Maire-Christine Damagnez.

Zoals we kunnen zien op deze kant van de steen, wordt hier de legende van Adam en Eva afgebeeld. De naakte Eva krijgt hier van de slang met een duivelskop, de vrucht van de boom aangeboden. En deze vrucht is zoals we kunnen zien een hoppebel. Dit is heel goed te zien aan de hoppebel rechts van Eva’s heupen, waarbij de bel half verdoken achter het blad zit. De plant die afgebeeld wordt is een slingerplant, met vol blad en met bellen.

Als we blijven onthouden dat de hop in die tijd uitkwam op één enkele bel en niet in trossen afgebeeld werd, mogen we besluiten dat het hier om hop gaat. Deze afbeelding is een heel eigenaardige mengeling van heidense en vroegchristelijke kunst. Hierbij mogen we niet vergeten dat in dit heidendom de slang als symbool stond voor de geheime wijsheid.

Volgens de Germanen en de Saksen kreeg Eva hier van de slang, de wijsheid, waardoor ze zichzelf en de ·eerste mens, Adam, tot ontwaken kon brengen en zij zichzelf konden zien. En zelfreflexie leidt tot zelfkennis en wijsheid. In de Joods-Christelijke denkwereld was de slang echter het symbool van het kwaad,. De slang immers verleidde Eva en Adam, hun paradijselijke wereld baarmoederwereld te verlaten.

De Hoppeboom, met mannelijke en vrouwelijke planten, de heidense boom van wijsheid en dwaasheid, veranderde bij de Christenen geleidelijk tot de boom van goed en kwaad. Maar verschillende eeuwen later werd één van onze grootste schilders Rubens ook door dit thema geïnspireerd. Witte wieven bij de heidense Germanen werd Eva vereenzelvigd met de Gwen Wyfar; de Witte Vrouwe;. Deze was een priesteres die de mens begeleidde op zijn levenstocht. De beroemdste Witte Vrouwe en verleidster werd later Guinevere, de bruid van Koning Arthuur. Bij de Christenen werd Eva later de heilige Genoveva.

Genus-Eva, de eerste van het geslacht. Uit Wikipeda, het woordenboek op internet, leren we dat het geloof aan witte wieven zijn vindt oorsprong in de Germaanse tijd. Volgens de overlevering gaan ze vrijwel altijd in het wit of vuilwit gekleed. Er wordt ook wel een verband gelegd met “wetende wijven”, dus waarzegsters. Witte wieven werden ook wel als de geesten van heksen gezien; Behalve in hunebedden woonden de witte wieven in kleine heuveltjes en terpen.

Ze hadden daar de in- en uitgang naar hun holen. ‘s Nachts kwamen ze te voorschijn, langzaam zwevend. In Nederland komen sagen over witte wieven voornamelijk voor in Oost en Noord-Nederland (voormalig Saksenland) En daar halen we de volgende sage die momenteel door de Wicca’s terug verteld wordt. Tussen de Lochemse berg en de Kalenberg, beide ongeveer 50 meter hoog, bevindt zich een trechtervormige kuil: de Wittewijvenkuil. In deze kuil huizen drie Witte Wieven.

Als bij volle maan bleke nevels langs de heide zweven komen zij tevoorschijn. In sluierlichte witte gewaden scharen zij zich tot een reidans, monotoon – eerder droef dan vrolijk – liederen zingend. In de Kerstnacht dansen zij vaak op grafheuvels, belter of belten, waar hun en onze voorouders de assen van doden, ‘lijkassen’, begroeven. Het zijn Vrouwelijke magiërs, zij hebben macht over het weer en konden wind maken. Van deze vrouwelijke magiërs zijn Witte Wieven afstammelingen.

In ‘de onderwereld’ bewaken zij schatten: grafgeschenken, meegegeven aan voorouders, èn schatten van wijsheden. En dan schrijft ·Andragon· Op uithangborden dragen zij witte klompen. Dit terwijl zij, evenals andere luchtgeesten, geen voeten hebben. Om ze op heksen te doen lijken, kreeg ieder van hen een bezem in de hand gedrukt. Bezems hebben de Wíeven zich nochtans nooit als attribuut toegeeigend. Wèl dragen zij van oudsher een hoppestaak, die gebruiken zij als ‘werktuig van correctie’. Op een hoppestaak wordt hop, een moerbijachtige klimplant, gebonden om de uiterst lichte, vrouwelijke vruchtkegels te laten gedeien. Deze vruchtkegels geven aan bier de welbekende bittere aromatische smaak.

Daarom is het niet raar of vreemd dat men in Poperinge eertijds, gedurende de pluk, wanneer iemand moe door de geur van de hop, indommelde, zei dat hij den ‘witten’ had. Hij werd dan immers bezocht door de Witte wuven die hem meenamen naar een schat van wijsheid.

Hymele of humele.

Het was in het jaar 645 dat er in Sint-Omer, nu Frans-Vlaanderen, een klooster gesticht werd. 15 jaar later, in 660 werd niet ver daar vandaan – een kleine 80 kilometer – nog een klooster gesticht; de abdij van Corbie. Dit laatste was aan de Somme gelegen, op enkele kilometers van Amiens, en werd door de koningin Bathilde en haar zoon Clotarius III gefinancierd. Beide kloosters volgden de regel van de heilige Columbaan; en dus ook zijn bierregels. Beide kloosters zullen veel belang aan hun kruidentuin geschonken hebben. Beide kloosters hadden hun scriptorium en kopieerden ijverig hun kruidenboeken.

Het bijzonderste kruidenboek was dat wat we nu de ‘Apuleius’ noemen. De oudste versie van dit kruidenboek, dateert men in de vierde eeuw maar het werd gedurende de ganse middeleeuwen telkens overgeschreven. De ‘Apuleius’ is één van de oudste kruidenboeken die bewaard gebleven zijn. Het dateert uit de 11de eeuw. Het boek werd gemaakt in de St.-Augustijn abdij van Canterbury, een zusterabdij van Sint-Omaars. Het boek is te vinden in de Bodleian Library van de Oxford University en staat integraal op het internet. In dit boek staat de tekening van de papaver en de ‘ynantes’. Eigenaardig genoeg wordt de ‘Ynantes’ geïdentificeerd met de ‘dropwort’ wat het Engels is voor Knolspirea. Volgens mij is er hier een fout begaan. De afgebeelde klimplant met zijn harige bladeren heeft duidelijk enkele ‘hopbellen’ aan de rank.

Inantes heeft blijkbaar dezelfde stam als het Engelse woord ‘inanity’ wat enerzijds ‘onnozelheid’ en anderzijds ‘leegte’ – of dus ‘ijdelheid’ betekent. Wat we zien is dus het kruid van de ijdelheid en de onnozelheid, een betekenis waaraan de hoppeplant in zijn Saksisch-religieuse betekenis volledig aan voldoet. We nemen echter aan dat het woord ‘hommel’ van Frankische oorsprong is. Volgens het etymologisch woordenboek van DeVries komt het woord ‘hommel’ van ‘humele’ en ‘humele’ van ‘himile’.

In het Oost-Frankische gebed ‘Onze Vader’ uit 830 lezen we het volgende: Fater unser, thu thar bist in himile, si gheilagot thin namo, queme thin rihhi, si thin uuillo, so her in himile ist so si her in erdu, unsar brot taglihhaz gib uns hiutu, inti furlaz uns unsara sculdi, so uuir furlazemes unsaran sculdigon, inti ni gileitest unsih in costunga, uzouh arlose unsih fon ubile. Daarbij constateren we dat ‘himile’ niets anders dan hemel betekent, wat een perfecte naam is voor deze plant die als geen ander naar de hemel klimt.

Maar misschien zit hier ook meer achter. Wolfram die de geschiedenis van de Gothen onderzocht, het volk waaruit vele ander volkeren ontstaan zijn, vertelt immers dat ‘Humli’ – wat we als ‘de hemelse’ zouden kunnen vertalen, de stamvader was van de Denen, een volk dat uit de Gothen is voort gekomen. Eigenlijk was Humli één van hun goden. En een kruid dat naar één van de heidense goden werd genoemd, de himile, dat zal ook wel gebruikt geworden zijn om in hemelse sferen te geraken.

Hymele werd niet zoveel later humele en nog wat later hommele. Nu noemen we dat kruid gewoonweg hommel. De Saksen lazen ook hun Onze Vader maar dan in het Saksisch. Thu ure faether, the eart on heofonum, Sy thin nama gehalgod Cume thin rice, Sy thin wylla on eorthan swaswa on heofonum Syle us todaeg urne daeghwamlican hlaf And forgyf us ure gyltas swaswa we forgyfath thampe with us agyltath And ne lae thu na us on costnunge, oc alys us fram yfele. Daar kwam dus het woord ‘hymele’ niet in voor.

De Saksische hemel was ‘heofonum’. Daar komt dus het Engelse’ heaven’ van. Maar daar komt ook ons simpeler werkwoord ‘heffen’ van. Dat betekent dan weer rijzen of groeien. Van ‘heffen’ komt dan weer ‘hof’; de plaats waar de planten zich omhoog heffen. Maar van het Saksische ‘heofonum’ komt blijkbaar ook het woord ‘hopfen’. De snelst groeiende plant van de wereld, die zich sprongsgewijs ten hemel richt. Daar zijn we dan weer bij de hop.

De pinten van de heilige Vedastus

Om achter de geschiedenis van de hommel te komen, moeten we achter de geschiedenis van het bier zien te komen. Beiden zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als we de vroegste geschiedenis van het bier, hier in de streek, in Vlaanderen, willen nagaan, moeten we naar de vroegste geschreven bronnen gaan: de heiligenlevens. Zo’n levensverhaal, noemt men een ‘vita’. Het gebruik maken van een dergelijke ‘vita’, heeft ook het voordeel dat we zeker mogen zijn dat wat hier in staat, waarachtig en echt gebeurd is, want die vrome monniken die dit opschreven mochten niet liegen.

De eerste heilige waarbij we te biechten gaan, is de heilige Vedastus ook wel Vaast genoemd. De man was in West-Frankrijk geboren rond 453 en hij was een godsvruchtig man. Het was Vedastus die Clovis, koning der Franken, zijn opleiding gaf, voordat hij gedoopt werd. Toen Clovis eenmaal bekeerd was, diende zijn volk, de Franken, ook nog tot het ware geloof geroepen te worden, wat niet van een leien dakje ging. Vedastus werd midden in dit gebied, rond het jaar 500, bisschop van Arras gewijd.

Alcuin die de vita van Vedastus samenstelde; schrijft daar over: Inderdaad, de man van God, gesteund door het volk, dwaalde door de verlaten plaatsen, zoekend tussen de ruïnes, naar een teken van een kerk. Hij wist immers dat in vroegere tijden, de godsdienst van zijn heilig geloof, op deze plaatsen gefloreerd had, maar omwille van de zonden van de inwoners van dit land, door de verborgen rechtvaardigheid van God, waren deze dorpen verwoest door Attila, de gemene heidense koning van de Hunnen.

Door de onrust in zijn hart gebood Attila dat er geen genade zou getoond worden voor de priesters of de kerken en zijn troepen kwamen als een zware storm, met vuur en zwaard, over het land. Daarna kwamen de Gothen en ook aan hun handen kleefde het bloed van de heilige dienaren van God. En Vedastus verzuchtte: ‘O Heer, dit allemaal kwam over ons, omdat we zondigden.’ Alcuin schrijft verder: De voetstappen van Christus volgend, ontweek hij de grootse banketten van de machtigen niet, niet omwille van het voedsel of de drank, maar omwille van het feit dat hij hier kon prediken. Zo kon hij met familiariteit makkelijker het hart van de feestvierders raken met het woord van God.

En zo kwam het dat er een zekere Frank van edele geboorte, bekend voor zijn macht, Ocinus genoemd, Clothar uitnodigde, de zoon van koning Clovis, die toen de scepter over zijn koninkrijk zwaaide. Hij gaf met grote pomperijen, een uitgebreide maaltijd waarop ook Vedastus uitgenodigd was. Binnen komend, op zijn eigen manier, stak hij zijn rechterhand uit en groette iedereen met het banier van het heilig kruis. Enkele glazen vol met bier, stonden daar, maar omwille van het kwade gemoed van de edellieden, was dit bier gevuld met duivelse betoveringen. Meteen, door de kracht van Gods macht, vlogen de glazen in scherven en liep het vocht weg over de vloer.

Verschrikt vroegen de prins en de edelen aan de bisschop naar de reden van dit wonder. De heilige bisschop antwoordde: Omwille van zekere betoveringen van kwaaddoeners, lag de duivelse kracht in deze drank om in de zielen van deze die aan dit banket zitten, binnen te sluipen. Maar nu, verschrikt door de macht van het kruis van Christus, vluchten deze duivelse krachten weg. Dit wonder hielp bij de redding van velen; omdat bevrijd van de verborgen kluisters van de duivel, zij ook de waanzin van de voorspellingen verwierpen, hun tradities en betoveringen achter zich latend, samen kwamen in de kudde van het ware geloof. Blijkbaar had het bier een belangrijke positie bij de heidense rituelen.

Als men maar genoeg op had, kon men zelfs de toekomst voorspellen! En bier werd gemaakt met duivelse betoveringen en ingrediënten. Dat was niet zonder gevaar. De Lex Salica, de wetgeving van de Franken, was streng voor de heksen, tovenaars en kruidenbrouwsters. Het hoofdstuk 46 zegt hierover: Hij die een magische vloek uitspreekt over een andere man of hem een kruidenaftreksel te drinken geeft zodat hij sterft, en dit is bewezen, dan zal hij 8.000 denari dienen te betalen. Indien een man een kruidenmengsel geeft aan een andere man of hem betoverd, terwijl deze man echter niet sterft, en dit is bewezen, dan zal hij 2.500 denari dienen te betalen.

In het hoofdstuk 64 gaat de wet hier nog verder op in. Hij die een andere man een kruidenmenger (een herburgrium) noemt, dat is een ‘strioportio’ of van iemand zegt dat hij een koperen ketel met zich meedraagt waarin heksen brouwen en hij is niet in staat om dit te bewijzen, dan zal hij 2.500 denari dienen te betalen. Hij die een vrije vrouw een heks noemt, en dit niet kan bewijzen, zal 2.500 denari dienen te betalen. En heren let op! Volgens mij is deze wet nooit afgeschaft geworden! Die eerste brouwers hadden dus wel een heel gevaarlijk beroep.

Als we het scheppingsverhaal van de hop mogen geloven, was dit kruid zo heidens als het maar kan. Volgens Vedastus maakten de Franken hun bier met heidense kruiden en de nodige bezweringen. Het is dus best mogelijk dat zij reeds hommel als brouwkruid gebruikten. Het wonder van Vedastus had alleszins als gevolg dat de Frankische edelen, en die hadden de macht, heel wat minder vlug geneigd waren om hun eigen brouwsel te maken. De broeders en paters echter, van de verschillende kloosters, specialiseerden zich in de brouwerskunst. Ze hadden echter nog wel een paar mirakels nodig om een monopolie te verkrijgen. Van den heiligen Columbanus en zijn bierkan Een andere heilige waarbij we te biechten gaan, een tijdsgenoot van Sint-Vedastus is Sint Columbanus. Deze man was in 543 in Ierland geboren en stierf op de 21ste november 615 in Bobbio in Italië. Hij werd dus 72 jaar oud.

Jonas, die het levensverhaal van Columbanus schreef, vertelt dat Columbanus van kindsheid af, goed opgeleid werd. En dat het een knappe man werd. Door dit laatste werd hij bloot gesteld aan de verleidingen van verschillende vrouwen. In plaats van hier op in te gaan, ging onze Columbaan naar een religieuze vrouw, die haar zelf als voorbeeld stelde. ‘Twaalf jaar geleden’ zei ze hem, ‘ben ik weggevlucht van de wereld en heb mezelf hier in een cel opgesloten. Ben je vergeten hoe Samson, David en Salomon, allen door een vrouw verleid werden en in het verderf vielen? Er is geen veilig onderkomen voor jou, jonge man, dan in de vlucht!’ 1072

En Columbaan ging het klooster in. Toen hij 42 jaar oud was, in het jaar 585, ging Columbaan met 12 van zijn gezellen, naar Frankrijk, om de wereld te bekeren. Onder andere te Luxeuil stichtte hij daar een klooster en waarschijnlijk was het daar dat er het volgende wonder gebeurde. We laten Jonas, zijn biograaf aan het woord. Een ander mirakel dat ik zal neerschrijven, werd door Sint Columbaan en zijn keldermeester verricht. Wanneer de tijd van de maaltijd kwam, was de keldermeester bezig om het bier, (dat gekookt werd uit het sap van koren of gerst, en dat de voorkeur genoot op andere dranken, door alle volkeren in de wereld – met uitzondering van de Schotten en Barbaren die de oceaan bewonen – dat zijn diegenen die wonen in Gallië, Brittannië, Ierland, Duitsland en andere landen die niet afwijken van dit gebruik) in een grote kan, die een ‘tybrum’ genoemd werd, te gaan halen.

Hij plaatste deze kan voor het biervat en trok de plug uit het vat zodat het vocht in de kan liep. Toen opeens kwam een andere broeder in opdracht van Sint Columbaan, hem roepen. De keldermeester, brandend met het vuur van de gehoorzaamheid, vergat de plug terug te steken, maar haastte zich naar de heilige man. Nadat hij gedaan had wat deze hem vroeg, ging hij terug zijn kelder in terwijl hij besefte dat hij zijn vat niet gesloten had. Groot was zijn verbazing toen hij zag dat de kan, tweemaal zo groot als eerst, vol bier klaar stond. Geen enkele druppel was op de vloer verkwist.

Groot was de verdienste van Sint Columbaan en groot was de verdienste van de keldermeester die zo gehoorzaam was geweest, zodat God niet wilde dat zij verdriet zouden hebben omwille van verloren en verspild bier, het zo noodzakelijke voedsel voor de broeders. En dit oprechte verhaal leert ons dat in pakweg het jaar 600, het bier, reeds als een godsgeschenk werd gezien. En zo werd Sint Columbanus, de patroon van de Ierse brouwers. Wintershoven en de hoemeleberg Luc Machiels weet te vertellen dat de heilige Amandus, in Noord-Frankrijk een inheems Keltisch heiligdom rond bronnen aan de oever van de Elnone kerstende, door er een klooster te stichten met de veelzeggende naam St. -Amand-les-Eaux.

Tijdens zijn verdere omzwervingen kwam hij in Haspengouw terecht en sloot er vriendschap met de plaatselijke edelman Bavo. Deze schonk Amandus het landgoed Wintershoven als basis voor zijn kersteningswerk. Amandus stationeerde er een groepje volgelingen dat zich van hieruit met de bekering van de streek kon bezighouden. De heiligen van Wintershoven waren Adeltrudis, Landrada, Vintiana, Amantius, Adrianus, Julianus en Landoaldus. Net als Amandus, lieten verschillende van deze heiligen bronnen ontspringen of tenminste ‘vuil’ water in zuiver water veranderen of wijden. Wintershoven zelf heeft een Lambertus en een Landoaldusbron.

Sint Amandus zoals hij nog te Wintershoven staat Verder schrijft Luc dat de oudst bekende vorm van Wintershoven ‘Wintreshovo’ is en uit 976 stamt. Tot dus verre, schrijft hij, hebben onderzoekers nog geen betere verklaring gevonden dan dat het een ‘hofa’ (een domein) is dat genoemd is naar een veronderstelde bezitter met de naam ‘Winidahari’. Dit opgevoerde personage is zuiver fictief. Er is geen enkel document met betrekking tot Wintershoven dat melding maakt van een ‘Winidahari’. Ik lees – zo schrijft Luc verder – in de naam ‘Wintreshovo’ een ander verhaal, namelijk het volgende.

Ik voer het Keltische woord ‘vind’ aan (in de Gallo-Romeinse talen en in het Latijn wordt een V als een W uitgesproken), dus ‘Wind’. Dit betekent ‘Wit, helder’. Dit woord ligt onder meer aan de oorsprong van ons woord ‘winter’, het witte jaargetijde. Dit ‘wind’ vormde in de Keltische en de Gallo-Romeinse tijd een eretitel van de luchtgod Lug. Men noemde hem Windonnus Lug, of korter Windo Lug, hetgeen ‘de helderheilige Lug’ betekent.’ Wintershoven was dus een cultusplaats voor de god Lug waar ook de nodige bronwonderen gebeurd zijn. Het is voor ons niet zo moeilijk om in deze god Lug, de later duivel ‘Lucifer’ te zien, die zoals we weten, de hop geschapen heeft.

Windo Lug, schrijft Luc verder, werd in de Keltische en de Gallo-Romeinse tijd bij uitstek vereerd tijdens het hoogfeest van Lugnasa van 1 tot circa 10 augustus. Lug-nasa betekent het ‘huwelijk’ van Lug. Men vierde dan inderdaad het mythologische, en vruchtbare, huwelijk van Lug met de graangodin; een soort oogstfeest. We zijn er van overtuigd dat dit huwelijk met het ‘heilige’ bier overgoten zal geweest zijn.

De graangodin gecombineerd met het nodige vuur en wind, geeft immers bier. Verder schrijft Luc nog het volgende: in het huidige Wintershoven treffen wij nog enkele plaatsnamen aan die teruggaan op een Keltisch en/of Gallo-Romeins verleden. Zo hebben wij er de ‘Hoemeleberg’ en het ‘Hoemelebuis’ (buis=bos). Voor ons lijkt de betekenis van deze namen duidelijk. Hier is er sprake van hoemele of humule of hommelberg en -bos. Luc denkt echter dat het afleidingen zijn van ‘toemeleberg’, van het Latijnse woord tumulus, dat grafheuvel betekent. Gaat hij dan uit van de onderstelling dat ‘tumulus’ misschien eerst ‘t Humulus’ was?

Hij schrijft dat in de onmiddellijke buurt van deze plaatsnamen funderingen gevonden werden van Gallo-Romeinse boerenhoven (villae), alsook gebruiksvoorwerpen, mantelspelden en munten uit dezelfde periode. Heel eigenaardig is dat op een totaal andere plaats in Vlaanderen, sprake is van een ‘Humberg’. Ik heb immers gelezen dat de heilige Berlindis (+690) aan de abdij van Nijvel immers gaf: Assche, een slot Humberg en Meerbeek,’ die aan haar ouders toebehoorden. Dus er was ergens kort bij Asse een Humberg. En Meerbeek heeft een speciale doopvont, wie zien we hier met de god Smertrios op die de hop schept.

Blijkbaar hoorde de hoppeplant, als attribuut, bij deze heidenen bij de god Lug, die als een witte wind, de boodschapper tussen de aarde en de hemel – of moeten we hier helle of holle zeggen – was. In die zin was deze snelgroeiende, hemelwaarts gerichte plant ook het Germaanse symbool van de dood of van het leven. Of van de weg naar de hemel. Het was de antipode van de creatieve lentegod Smertrios · de stormwind · de hopduvel. En ‘t is deze hopduvel die hier in Asse nog steeds rondwaart. En we besluiten dit nummer van Doos Gazette met nog een mop met een baard: Uit de Ieperse krant ‘De Toekomst’van de 22ste juli 1866:

De monark De gek van ·t hof zat eens in de eerezaal op ‘s konings troon te geeuwen maal op maal. Doch, zie toevallig komt de Vorst bij hem gevolgd door zijne kamerheeren; ·Wat doet ge daar?· vroeg hij met barse stem, Och, sprak de gek, ‘K ben bezig met regeeren·.

Uit Doos Gazette nummer 51 van 2006

met dank aan Guido Vandermarliere

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>