Hoe joeldag veranderde in kerstdag

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      9 months ago     278 Views     Leave your thoughts  

Uit Guido Gezelle’s prozawerken

Uittreksels uit ‘De ring van ’t kerkelijk jaar’, gehaald uit de ‘tweede vermeerderde uitgave’ uit 1925; een boek te vinden bij de boekhandel Albert Dewit, Koninklijke straat 53 te Brussel en gedrukt en uitgegeven bij Jules de Meester en zonen; drukkers-uitgevers te Wetteren. Guido Gezelle voorstellen is gelukkig niet nodig. Dat deze West-Vlaming echter naast zijn talrijke gedichten, ook heel wat ‘heemkundige’ bijdragen levert, is misschien minder bekend.

In dit boek – waarin Guido Gezelle de missen van het kerkelijk jaar volgt – zijn Gezelle’s bijdragen uit het tijdschrift ‘Rond de Heerd’ opgenomen en dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw. Gezelle was niet alleen een belezen polyglot maar had ook nog eens veel interesse en een directe voeling met het volkskundig erfgoed en is daardoor voor ons een bevoorrechte getuige. Op zijn manier – binnen zijn christelijke teksten – haalt hij heel wat volksgebruiken aan waarvan hij ook geregeld de oorsprong vermeldt. We zullen dan ook in onze ‘gazette’ geregeld eens citeren uit zijn nagelaten geschriften.

Een eerste uittreksel betreft hier de viering van Kerstdag. Waar is er nog zulk een feest, die, ondanks de duisterheid van het jaargetijde en de koude van het weer, het helderste en warmste feest van het jaar is voor het hart en het verstand van de mensen?

O heilige Kerstdag, troost van de winter, blijde tussenpauze in de lange nachten en de donkere avonden, blijde kerstnacht met kerstdag, en kerstmis, kerstblok en kerstboom, wees welkom rond de haard, wij zijn immers ook, in onze tijd, kerstenen gedaan en Christenen gemaakt geweest, van Hem die voor ons ook een kind werd.

Ja, bindt hem rond, de oude blok, de welgedroogde, bindt hem rond met negen banden, de zwaarwegende essentjok, besproei hem met water en zout, met wijn zo ge er hebt, en legt hem aan de haard: ’t is morgen Kerstdag!

Waar is dat stuk dat gij gespaard hebt, de splenter van de oude blok, de overjaarse, rakel de oude kolen ervan bijeen en steek vuur onder de Kerstblok. (het vuur diende dus eerst gedoofd te worden.)

Hij brandt… en zal niet uitgaan, en zo lang als er een sperk aan leeft zo’n zal geen arme mens de deur voorbij gaan, voorbij gaan zonder Godsdeel. (godsdeel = aalmoes.) Twaalf dagen zal hij branden en op Dertiendag – driekoningen – zal men de laatste ginster daarvan zien, rond de heerd, bij ’t vrolijk verdelen van de boonkoek en de briefkes van drie Koningen.

Twaalf maanden komen er in het jaar, twaalf heilige dagen komen er na Kerstdag; moge iedere dag, zalig en gelukkig, de voorpost zijn van twaalf gelukkige maanden, van een heel gelukkig jaar, ja van menige dozijnen jaren, bekroond met dertiendag bij de opperste koning van al, bij Hem en aan zijn maaltijd, waar geen wisselen is noch geen strijdigheid, geen dolen, noch geen misgreep, geen weeklacht noch geen traangeween, geen begin, geen einde noch enig gedaan zijn.

Aan allen een zalige Kerstdag. Kerstavond, als de sneeuw vliegt, als het buiten koud is en de wind in de kave zingt, en de kinderen aan de deur zingen van Jesus, dat zoet Kerstkindeke, kerstavond en vergeet men niet………. Kerstmesse, hoogdag ofte Kerstdag en winterzonnewende, als Christus, onze zaligmaker te Bethlehem geboren werd, in een arme stal.

Vandage staat de kerstboom in huis, beladen met alle slag van eetbare en ander goede dingen, voor de kinders, meest van al met goud- en orangeappels die die schone onsterflijkmakende vruchten van de Paradijsboom betekenen, die de eerste Adam met Eva verbeurde – en de tweede Adam, Christus, in zijne kinderlijke geboorte, ons wederwon met Maria. De nacht waaruit Kerstdag, met de zon, heden geboren wordt, heette bij de heidenen moedernacht; en ’t is vandage, zo ’t altijd geweest is, burgerlijk, niet geheel sterrekundig gesproken, het Solstitium Hibernale, of de winterzonnewende.

Dat is te zeggen dat de zon, na haar korste dag, Sint-Thomasdag, enige dagen schijnt op te houden van haar bezoeken te verkorten, en dan eindelijk met Kerstdag, wederom ‘opspringt’ zoals David zegt, ‘als een reus om haar baan af te lopen’ en de dagen van langs om langer te meten. ….. Aldus vertelt Procopius, de Bello Gothico II, 15, van de Thuliten, de noordelijkste van de hem bekende volkeren: ‘te Winterzonnewende is dat eiland veertig dagen zonder zon, als het volk dat vijf en dertig dagen uitgestaan heeft, zo zijn er die op de toppen van de bergen gaan, en zien ze daar een enkel priemke zonlicht, ze doen teken met vier aan die omlege zijn, dat binnen vijf dagen, de zon zal weer uitkomen, en dan houden ze leute bij donkerlinge, en dat is jaarlijks hun grootste feest van al.

De oude Engelse volkeren begonnen het jaar, zegt Venerabilis Beda, ‘acht dagen voor de eerste januari, wanneer wij nu de geboorte van Christi vieren, en die nacht, nu allerheiligst, heetten zij, met een heidens woord, modranecht, dat is moedernacht, ter oorzaak, meen ik, van de plechtigheden die zij wakend plachten te verrichten.

’t Is al wel voor ons bij de kachel of in bed een blijde Kerstdag verwachten, onzer voorouders leven en lijden, treuren en blij zijn, hing aan de natuur vastgeknoopt en als na lange dagen en weggaan, de zon weerom stilhield en terug kwam, ge kunt peinzen welke vreugde het was.

Het spoor van die vreugde en de oorsprong van dit feest hebt gij in uw taal, o Vlaming. Woelen, hoelen, woelstok, hoelstok, kent gij toch, en dat zou men eertijds ook hoel en joelen uitgesproken hebben; daarvan hebben de Fransen joli gemaakt en wij jolijt, dat is te zeggen blijdschap, in de oude taal.

Joelen dat is draaien, dan, het draaiende joel, woel of wiel, dan joel- of wielfeeste, dat is zonnefeeste, die ’t wiel van Vroo, de vreugdegod zijn wagen was, meenden de heidenen; en daarom heetten ze de winterzonnewende Joel, joeldag, zoals men het nu nog hedendaags op zijn Engels zegt.

Twaalf dagen was het open hof toen bij de voorouders ter ere van de twaalf komende maanden, geen deur en mocht toe, geen dis ongedekt blijven staan, de goden wandelden, onverkennlijk, en die er een herbergde ging wonderlijk beloond zijn, een gouden deurstijl of een zilveren kan, of wat weet ik nog al krijgen.

Verzucht uw hart niet uit compassie, gij die de natuur gevierd en de vader der natuur, de heiligmaker van de wereld Christus vergeten vindt bij de oude en nieuwe heidenen? Zo was ’t met de zendelingen die hier kwamen, en verre van de eenvoudige natuurfeesten die zij vonden af te schaffen, pasten zij zorgvuldig de heldere diamant van de waarheid in het goud en in het zilver dat het dolend heidendom hem bereid had en beide te samen werden dat prachtjuweel in de kerkelijke jaarkroon, de wonderlijke Kerstdag.

‘Nu dat gij vertrekt naar Engeland’ schrijft Paus Gregorius de grote naar Mellitus, zijn geloofszendeling ‘Gaat en zegt aan bisschop Augustijn, die daar is, dat de heidense tempels bij dat volk in ’t geheel niet en moeten gebroken worden. Breekt en verdoet de afgodsbeelden, maak wijwater, bespeert er de tempels mee, bouw altaren, doet er relikwieën in … en, omdat ze daar vele ossen plegen te slachten ter ere van de duivels, in die zaken zullen ze moeten hun jaarlijks feest wat veranderen.

Laat ze dan, op feestdagen tenten bouwen en takken rond die tempels, en in christelijke feesten, hun jaarlijkse blijdschap vieren, zodanig dat ze, met het uitwendig verzet niet ontzeid te worden, beter smaak vinden in de inwendige vrolijkheid van de harten.

Aldus is Joeldag hier en elders allengskens Kerstmisse geworden. ….. Daarom is ’t dat men in christen huisgezinnen de nacht en de koude uitsluit, met de lang aanliggende kerstblok, met de twaalf kaarsen over tafel, met de kerstboom, waarvan honderd lichten de beladen groene takken doortingelen, en de gouden oranje appels laten zien die de verloren vrucht verbeelden van het onsterfelijke leven.

Daarom nog snijdt men op Sint Lucia of Sint Barbaradag de tak van de appel of kerselaar en men zet hem rond en haard in een kruik water en men verblijdt als men er op kerstdag bloemen aan ziet, daarom nog, – waar is ’t einde der wonderen? – toonde men mij eertijds op kerstnacht de Jerichoroos of anastatica, dat oosters plantje dat droog en ineen gekrompen, in water of onder de adem weer ontluikt, openspreidt, en men zei mij dat de doornhaag waar Maria Christi luieren opdroogde zulke rozen heeft voortgebracht, die nog telkens met kerstnacht opengaan.

In die heilige nacht reunen de dieren op ’t stal van toekomende dingen, in menselijke taal, want zij hebben Christum beademd en menige ongeleerde Bortoen neemt de christen legende of dichtspraak voor tastelijke waarheid en ligt te luisteren in zijn stal op ’t slag van middelkerstnacht.

Het regent honing uit de hemel, al het water wordt wijn, brood buiten gestel en bederft niet meer, want die onder den schijn van brood rust is geboren te Bethlehem, het huis van het brood. Ja, de oude offeranden van eertijds en zijn nog niet geheel vergeten, maar nu hem gewijd die offerlam voor ons gewonnen en geboren is.

Mensen waren de eerste offeranden van de heidenen, dieren vervingen de mensen en het heidens woord ‘zende’ dat zwijnoffer beduidde, gebruiken wij hedendaags nog. Na de dieren, die natuurlijkerwijze schaarser en schaarser werden, offerde men nagemaakte dieren, zwijnen van gebakken eeg die men afbod Vol opdroeg, en zo heette men ze ‘Vollaards’.

Die hebben wij bewaard in Vlaanderen: hun eigen gedaante en naam zal men moeilijk anders uitleggen: ja, maar, zij zijn kersten gedaan, gelijk al ’t andere. Nu heet men ze Engel- of coquillekoeken, om de coquilles, de schelpen, de bonen, of het geld, die erin of erop gebakken zijn, en ’t kindeke verwacht dat de Engel van de boodschap ze hem zal op de peluw van zijn hoofdeinde leggen, als ’t is dat het kerstavond goed genoeg gebeden heeft:

Engeltje, engeltje Gabriel

brengt een koekske naar mijn kasteel.

Mijn kasteel in Spanje

Appeltjes van Oranje

Appeltjes van Condé, condé

Brengt er tiene of twaalve mee

Mijn kasteel alleene

Brengt me e koekske kleene

Brengt me e koekske groot

Legt het in Maria’s schoot

Jezuke zal ’t wel beuteren

En Jantje zal ’t wel sneukelen

Mijn kasteel in Spanjen! Gelukkige kastelen die de onnozele kinderen in de lucht, ja in den hogen hemel bouwen en waarin hunne onschuldigheid zo veel beter bewaard wordt als onder den verpestenden leerstoel van het nieuwerwets heidendom.

Onze heeren besnijdenis – 1ste januari

Heden krijgt men vollaards, engel-, kokille- of nieuwjaarskoeken die een overblijfsel zijn van de oud-heidense offeranden die den God van Lauwe, of januarius, dat is Satan, gedaan wierden. Zo Christus door het doopsel onze heidense zielen, zo heeft hij door het christendom onze heidense zeden en gebruiken christelijk en heilig gemaakt: de heidense vollaard is de Christelijke engelkoek geworden en het geschenk van het heilig Christuskind de goddelijke gift van de vader.

Eertijds gaf men allerhande geschenken, zoals handschoenen, spellen, enzovoort. Daarom weet men in Engeland nog van pin money, glove money, spellengeld, handschoengeld en in onze oude rekeningen, vindt men, op nieuwjaarsdag: Item zovele voor ‘coecghelde’. Weerklank uit oudere tijden is zeker ook een rijmke van:

‘k Wens u ’t nieuwe en ’t oude

een paar handschoenen voor de koude

en een perruque – pruik – met haar

‘k wens u een zalig nieuwe jaar.

Op vandaag letten nog altijd veel bijgelovige lieden op hun eerste gemoed, en willen daar, op heidense wijze, een voorteken in zien van de manier op dewelk de rest van ’t jaar voor hun gaat aflopen. De landslieden rond Hippo in Africa, zegt Sint Augustijn, plegen op nieuwjaarsnacht tafels vol etenswaren in huis te stellen, overtuigd dat het jaar gaat aflopen zo het met de eerste begonnen is.

Bij onze voorouders was ’t nu in de twaalf dagen, of in de midjaarfeest, de eerste van het jaar was eigenlijk dertiendag, die men nog hier en daar GROOTnieuwjaar pleegt te heten. Men placht ook de zegen van het jaar tijdens die twaalf dagen te verzoeken, te voorspellen en te verbeelden in allerlei gebak, bijzonderlijk met vruchten daarin, van daar is ’t dat de Engelsen hun plumpuddings of pruim- en rozijnpuddingen gehouden hebben en wij onze koeken waar oranje en amandels in gebakken zijn, zoetenkoek en speculatie.

Dit laatsen heten de Fransen nog, met den oud heidense naam, Martis Panis, marspain, of masse pain, zo de onverstandige daarvan gemaakt hebben. Al ’t Veurnse hebben ze ook nog een heidense naam behouden voor hun nieuwjaargebak, en ze zeggen aldaar: ‘een strine’.

‘Gaan strinen’ net zo als men voortijds te Rome koutte – sprak – van strenoe, strenarum estrennes zeiden de Fransen, etrennes zeggen ze nu, twee nieuwe namen zeker die van de zelfde zaak zijn – lukken en liefkoeken. Zo schijnt het dat al het koekgebak, zowel bij ons als bij andere volkeren, zijn oorsprong heeft in de religie, en in die algemene zeden waarbij alle volkeren hun mensofferanden door dierofferanden en de dierofferanden door gebakken offeranden vervangen hebben.

In Engeland heet de zevenste januari Spinrokdag, omdat men, op de eerste dag na de twaalf kerstdagen, het spinnewiel weer voor de dag haalt en – zeker weinig – spint.

Een tekst van Guido Gezelle opgevist door Guido Vandermarliere in ‘Doos Gazette’ nummer 8 van januari 2003

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>