Hoe het Vlaams uit Frankrijk verdween

Wanneer de Romeinen West-Europa binnenvallen komen ze in aanraking met allerhande Germaanse & Gallische stammen. Van een ééngemaakt Gallië is er geen sprake. Maar de Franken slaan terug. Rond 457 veroveren ze Parijs. In noordwest Europa ontstaat zo een Germaans land met een eigen taal. Het oud Vlaams houdt echter geen stand tegen een nieuw brabbeltaaltje dat later het officieel ‘Frans’ zal blijken te zijn.

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

De stedelijke oudheidkundige commissie van Wervik bezit een berg schatten en geschriften over de eigen regio. Sinds mijn eerste bezoek zowat anderhalf jaar geleden ben ik er vaste klant geworden. Ik heb er kennis gemaakt met een fijne vriendenkring die altijd klaar staat om me te helpen. Het is alsof ik er telkens thuiskom in de geschiedenis. Neem nu de archieven die geschonken werden door Jozef Roelandt, een historicus die zowat een kast vol getypte teksten geschiedenis geschonken heeft aan de ‘Stoc’. Roelandt heeft zijn leven besteed om geschiedenis te verzamelen en die op zijn manier te bewaren. In zijn collectie stoot ik haast onmiddellijk op een door hem getypte tekst over de teleurgang van het oude Vlaams in Frankrijk. Ik preciseer even: ‘De ondergang van het Diets in Frankrijk na de Saksisch-Frankisch-Friese Nederzetting’. Ooit geschreven door W.J.L. Van Es, in 1940 verschenen in ‘De Nieuwe Gids’ en door Roelandt verder aangevuld.

De tekst is voor wat mij betreft een heuse openbaring. De tijd van de Franken is nog altijd een zwart gat in onze kennis over de geschiedenis en wat ik hier in deze tekst lees komt over als een bijzonder waardevolle toevoeging. Dit wil en mag ik de lezers van mijn kronieken niet ontzeggen. Ik beslis om er anno 2017 nu eindelijk eens werk van te maken om het werk van Van Es en Roelandt om te toveren in mijn eigen woorden. Ik tuur even naar mijn kalender. Ik ben net begonnen aan de ochtend van 10 augustus. Het regent dat het giet, de lucht ziet er grijs en zwart uit. Maar met die teksten voor me heerst zeker en vast lente in mijn hoofd. Hoog tijd om van start te gaan met deze nieuwe uitdaging.

Vlaams en Diets zijn in wezen dezelfde taal en zijn uitlopers van het Germaans. Ik hoop dat jullie het me niet kwalijk nemen dat ik de term ‘Diets’ zoveel mogelijk zal vervangen door ‘Vlaams’. Voor wat mij betreft een grootmoeder van mijn eigen taal. Dichte familie van het Duits. Het Frans vindt zijn oorsprong in de Gallo-Romaanse taal zoals bijvoorbeeld het Latijn. De schrijver stelt zich tot doel te weten te komen waarom het Germaans verdwenen is uit het westelijk deel van dat ooit zo omvangrijk Frankenrijk. Ik stel de vraag op een andere manier. Waarom spreken we in Vlaanderen Vlaams, en waarom spreken de Walen en de Fransen Frans? Boeiende materie waar ik wel wat meer wil over weten.

De meeste geschiedschrijvers zijn ervan overtuigd dat de Romanisering in West-Frankrijk er pas op een laat tijdstip gekomen is. Ze hebben het over de streek tot aan de Kwinte (de Canche) en zelfs verder tot aan de Somme die absoluut sterk Germaans moet geweest zijn. Van Es zit met een pak vragen. Hij vindt het merkwaardig dat Vlaanderen, oorspronkelijk een klein gebied tussen Brugge en Duinkerke zich op termijn zal uitbreiden tot over de Somme. Dit gebeurt door de expansiepolitiek van zijn eerste graven. De Franse koningen zullen achteraf de kwijt gespeelde gebieden voor een deel weer recupereren. In de praktijk komt het er op neer dat Picardië zich zal uitbreiden tot de noordelijke regio van de Somme. De grenslijn tussen het Vlaams en het Frans bevindt zich toen dus in het hartje van Picardië.

Maar laat me toch maar beginnen bij het begin. Met de komst van de Germanen naar Gallië. Eerst en vooral is er natuurlijk de naam van Gallië zelf. Caesar geeft volledig onterecht de naam van ‘Galliërs’ aan al de mensen die wonen in het gebied tussen de Pyreneeën, de Atlantische oceaan tot aan het noorden. Een algemeenheid die ferm van de pot gerukt is. In het zuiden van het latere Frankrijk leven de Aquitani, in het centrum de Galli. Ten noorden van de Seine zijn het de Belgen. Drie volkeren met hun eigen taal, wetten en zeden. Daarnaast blijkt dat er al Germanen (onder hen ook de Kimbren) leven in de Elzas, in de Ardennen, Brabant en Limburg. Die moeten er al leven een eeuw voor het begin van de nieuwe tijdrekening. Het jaar -100. In die regio leven er geen Galliërs. Dat alles ten westen en noordwesten van de Po geïdentificeerd kan worden als één groot Gallië is doodgewoon een verzinsel van Julius Caesar.

Ik richt me op de Belgen. Die leven in de tijd van de Romeinen boven de Seine en later – dankzij de expansiedrang van onze eerste graven – schuift die grens naar het zuiden, tot aan de Loire. De Belgen zijn grotendeels afstammelingen van de Germanen. Ze leven hier trouwens ook samen met echte Germanen. Zoals de achterhoede van de Kimbren en de Teutonen die hier de voorraden bewaken wanneer hun legers naar Verceil en Aix trekken waar ze in het jaar -100 een nederlaag aan hun broek gesmeerd krijgen van de Romeinen. Achteraf zullen diezelfde Kimbren en Teutonen zich voorgoed vestigen in het gebied waar later Tongeren zal ontstaan.

Er leven nog andere Germaanse stammen in de regio van de Belgen. De Paëmani, Eburones, Condrusi, Segni. De Nervi en de Treviri bestempelen zichzelf ook als Germanen. Veel geschiedkundigen zijn van mening dat de Germanen al rond -500 het dal van de Rijn bereikten. Tot in Koblenz zaten ze al. En dat is ook het geval met het dal van de Maas tot aan Maastricht en verder tot aan de Schelde in Antwerpen. Vandaar ook hun conclusie dat de Belgen voor een flink deel afstammen van de Germanen. De bewering van Caesar dat de Belgen de dapperste van de Galliërs waren houdt dan ook geen steek. De Belgen zijn in die dagen gewoonweg geen Galliërs. Spijtig genoeg neemt onze vaderlandse geschiedenis die gefantaseerde bewering klakkeloos over. De strijders hier zullen ongetwijfeld indruk gemaakt hebben maar waren wel geen Galliërs.

Naast de Galliërs en de Belgen zijn er de Liguren of de Liguriërs. Een Indo-Europees volk die zich volgens Wikipedia al heeft gekoloniseerd in een groot deel van West-Europa.

Het is opnieuw een bevestiging dat er tussen 2000 en 1000 voor de nieuwe jaartelling ooit één gemeenschappelijk taalgebied ontstaan is over heel West-Europa, Groot-Brittannië incluis. De massa aan plaatsen, plaatsen aan het water bezitten hier nog altijd één gemeenschappelijk kenmerk: een dubbele ‘l’ in de naam. Ik denk aan ‘Bruxelles’, ‘Lille’, ‘Kemille’, ‘Ijsel’, ‘Hilleveld’, ‘Gullegem’ en duizenden anderen.

Van Es heeft het dus over mijn fameuze Indo-Europeanen. De Liguren. Hij plaatst hun komst rond -1500. Een algemene volksverhuizing vanuit Klein-Azië waarbij de Liguren via de Balkan de Rijn en Engeland bereiken. Ze gaan zich settelen tot in Nederland. Vijfhonderd jaar later worden ze door de Kelten uit noordwest Europa verdreven en gaan zich daarna noodgedwongen vestigen in de buurt van Marseille en in de Ligurische Alpen. De dubbele ‘l’ in Marseille zal dus ook hier geen toeval zijn.

De vernoemde Kelten worden rond -1000 aangetroffen ten zuiden van de Pyreneeën waar ze bekend staan als Zee-Kelten. Ze onderscheiden zich van de Galliërs die in feite toen nog hun bovenburen zijn. Van de Liguren is bekend dat ze klein van stuk zijn, rondhoofdig, met donkere haren, donkere ogen en een donkere huidskleur. Ik herken er mezelf in. Ze worden omschreven als zijnde van het Alpine ras, genoemd naar de Alpen. En van de Liguren is ooit geschreven dat de Alpinen uit Klein-Azië waren. De latere Fransen omschrijven de Alpinen onterecht als zijnde een Keltisch ras. Zijzelf stammen af van de Galliërs. De lichaamsbouw van de Alpinen komt vooral voor in het zuidwesten en dat laat de Fransen veronderstellen dat ze gelinkt kunnen worden aan de Spaanse (zeg maar Keltische) bevolking daar.

En dan zijn er natuurlijk de Germanen. In de tijd van Caesar leven ze vooral in Duitsland en in Nederland. In België worden ze ook al opgemerkt. Er is hier onder meer sprake van de Nemetes en de Triboci, in de Elzas leven er Vangiones. De Romeinse historicus Tacitus beweert rond het jaar 100 bij hoog en bij laag dat de Germanen afstammen van de godin der aarde ‘Twisto’ of ‘Tuïsto’ (vandaar trouwens het woord twisten of ruzie maken). Die Twisto zou volgens hem trouwens ook ‘Mannus’ gebaard hebben. Die bewuste Mannus zou de eerste Germaan geweest zijn. Oorspronkelijk zou de term ‘Mannus’ synoniem staan met ‘mens’, maar later zullen het Engelse en Nederlandse ‘man’ en het Duitse ‘Mann’ naar Mannus verwijzen. Mijn mannetje zorgt voor drie zonen. De afstammelingen van die zonen zullen met verloop van tijd zorgen voor drie bevolkingsgroepen. Germaanse stammen met de voor mij onbekende namen als de Ingaevonen. de Herminonen en de Istaevonen. Ze leven respectievelijk aan de kust, in het centrum en in het oosten. Later zullen jongere stammen zoals de Marsi, de Gambrivi, Suevi en Vandali zich ook gaan beschouwen als nazaten van Mannus.

Van Es gelooft dat Tacitus de oudste overlevering en de spelling van de stammen vrij correct heeft neergeschreven. Een andere Romeinse letterkundige, Plinius de Oudere, heeft ondertussen al een andere indeling van de Germanen klaar. Hij verdeelt ze in vijf groepen. De Vandali (Burgudiones, Harini, Charini, Gutones) die vermoedelijk in het oosten leven. De tweede groep zijn de Ingaevonen (Cimbri, Teutones, Chauci) gekend als volkeren die aan de kust wonen. De derde groep Germanen; de Istyaeones (Sigambri) wonen aan de Rijn. Centraal vindt men de Hermiones (Suebi, Hermunduri, Chatti, Cheruaci) en ook de Peucini-Bastarni.

De oprukkende Romeinen zorgen voor heel wat volksverhuizingen van dat zootje aan stammen. Ik weet het, beste lezer; allemaal ingewikkelde toestanden met moeilijke namen. Ik probeer ook nog de bomen doorheen het bos te zien en deze materie te transformeren tot een min of meer verstaanbare tekst. Tijdens de eerste eeuwen van de Romeinse dominantie in West-Europa rukken de Istyaeones verder op naar het westen en dat verklaart meteen de druk van de Germanen in de tijd van Caesar. Die heeft het in zijn geschriften over al die onderlinge verhuizingen. Ik beperk me tot de gebeurtenissen in de buurt van het Belgisch grondgebied. Onder de verdreven volkeren bevinden zich de Ubii, de Menapii, de Texuandri, de Chatti en de Batavi.

Caesar laat de Ubii toe in de streek van Keulen nadat ze hun Germaanse nationaliteit hebben afgezworen. Dat geldt ook voor de Menapii die verhuizen naar de regio van Brabant. Ze krijgen er een korte tijd later ook het gezelschap van de Texuandri. Plinius de Oudere situeert de Menapii al ten westen van de Schelde. Rond -13 verhuist een tak van de Chatti uit Hessen naar onze regio. De Chatti beloven aan de Romeinen als tegenprestatie om voortaan hun bondgenoten te zijn. Ik denk meteen aan de Catsberg, Cadzand en de kattenstoet van Ieper die op vandaag nog altijd herinneren aan de komst van die Chatti meer dan tweeduizend jaar geleden. In de Betuwe (Gelderland in de oosten van Nederland) komen de Batavi zich vestigen. Nog voor het jaar nul wordt ook de komst van de Usipetes, Tencteri en Sugambri gesignaleerd.
Tijdens het bestuur van Caesar bezitten de Nervii gebieden tot aan de Schelde. In het westen wonen hun buren, de Morini. Na de komst van de Menapiërs, de Usipetes en de Batavieren wonen die laatsten tot aan de toenmalige monding van de Oosterschelde. De Menapii zitten geprangd tussen de Nerviërs en de Morinen waardoor de Morinen noodgedwongen verhuizen naar West-Vlaanderen.

In die tijd zitten de Romeinen stevig in het zadel en zijn ze er in geslaagd hun bestuurlijke indeling op te leggen aan de bevolking. Het ‘Gallia’ van de Romeinen raakt zo ingedeeld in verschillende Romeinse provincies. Aquitania, twee Galliae, Belgica (ten noorden van de Seine) en twee Germaniae. Die twee Germaanse gebieden zijn Germaniae Superior met grote gebieden van het latere Frankrijk en Zwitserland. Germaniae Inferior bevat het latere Duitsland, de Ardennen en het oosten van Nederland tot in Nijmegen. In de loop van de Romeinse dominantie zal de oorspronkelijke indeling verder verfijnd worden en zal het Gallia van Caesar ingedeeld worden in zeventien provincies samen met de zeven van Hispania en de vijf van Brittannia. Ze zullen allen in één grote prefectuur samensmelten met Trier als hoofdstad die daardoor zal uitgroeien tot de grootste stad boven de Alpen. In de negenentwintig provincies voeren duces (hertogen) en comites (graven) het bevel.

In dat grote noordelijke gebied wordt met verloop van tijd het Christendom ingevoerd. Met rond het jaar 300 al bisschoppen te Trier en Keulen. In 350 sticht Servatius het bisdom Tongeren. Die stad blijft door de Romeinen bezet tot in de vijfde eeuw wanneer ze dan zonder slag of stoot achtergelaten wordt. Van Es maakt van de gelegenheid gebruik om zich te focussen op het vertrek van de Romeinen. Veel historici situeren het afscheid rond het voor hen catastrofale jaar 406 wanneer de Germaanse stammen in massa over de Rijn trekken terwijl ze zelf opgejaagd worden door de Hunnen. De voorbije eeuwen is er altijd wel trammelant geweest tussen de Germanen en de Romeinen waarbij de Italianen gewoonlijk aan het langste eind trokken. Al die info komt van de Romeinse schrijvers. Maar zijn die niet bevooroordeeld geweest in hun teksten?.

Veldheren en keizers in spe hebben lauweren nodig en ze zorgen er zelf wel voor dat er positief geschreven wordt over hun bestuur en hun krijgsprestaties. Wie kan per slot van rekening precies weten wat waar of niet waar is? Niemand kan nagaan wat er zich in de realiteit afspeelt aan de grenzen. De overwinningen waarover ze schrijven; wat zijn die waard? Zelfs de machtige Caesar ziet zich al vroeg verplicht om opdringerige Germanen toe te laten op zijn grondgebied. Hij legt ze misschien wel voorwaarden op. Maar laat veel van die zogezegde overwinningen maar voor wat ze waard zijn. Tijdens de daaropvolgende drie, vier eeuwen zien we voortdurend nieuwe stammen die toegelaten worden, zelfs nadat ze verslagen werden.

Na duidelijke en afdoende overwinningen worden er veel mannen gedood, tot slaaf gemaakt en voor de wilde dieren geworpen. Maar ik mag niet vergeten dat Rome zware belastingen eist doorheen zijn hele grondgebied. Taksen die de provincies uitputten en die in Gallië op veel plekken zorgen voor ontvolking. Dat is op zich al een reden om vreemdelingen op het grondgebied toe te laten. Volkeren die verslagen zijn, ‘laeti’, Laten, zeg maar horigen die hier moeten komen werken op de akkers. De immigranten worden verplicht om de versterkingen aan de grenzen te onderhouden en te herstellen waar nodig.

Zo gemakkelijk gaat het allemaal niet voor de Romeinen. Het pas veroverde Westfalen zijn ze al weer kwijt in het jaar -9. Hetzelfde geldt voor Friesland in het jaar 58. en er volgen nog veel andere voorbeelden. Het verslag heeft het ook over het westen van Vlaanderen en Nederland. Het hele gebied is zo lek als een zeef en haast oncontroleerbaar voor de Romeinse bezetter. Plinius de Oudere heeft het over twee duineneilanden enkele kilometer ver in zee. Hij heeft het over Flevum en Helinium, twee meren tussen opgehoopte duinen ergens in de Noordzee ten noordwesten van Frankrijk. Die eilanden zorgen er voor dat Brittannië min of meer in de buurt van onze contreien blijft. Boulogne wordt in die tijd omschreven als Gesoriacus. Caesar maakt er melding van. Hij heeft het over de Morini die kort voor zijn tijd nog uitgeweken zijn naar Brittannië en later teruggekeerd zijn onder de naam van Brittanni. Later zal Gesoriacus zich afscheiden van het grondgebied van de Morini.

Het blijft een komen en gaan van Germanen in de Romeinse provincies. De Sugumbri in de buurt van de Rijn, de Saksen tussen Westfalen en Twente. Die doen mijn schrijver denken aan de Merovingers en hun koning Merovech. En wat te denken van Clovis die bij zijn doop de naam Sigamber meekrijgt? Hoewel in die tijd de algemene naam van de Franken gebruikelijk is geworden? Waarom gaan de namen van de afzonderlijke Germaanse stammen over op de algemene naam ‘Franken’? De verklaring is vrij simpel. Door het verval in Rome komen veel vrije Germanen zich vestigen in Gallië, naast de bestaande horige rasgenoten die hier een ondergeschikte rol spelen ten dienste van de Romeinen. De enen zijn dus vrij en de anderen feitelijk slaven. De naam ‘Frank’ onderscheidt de vrije Germanen van de Laeti.

Van Es geeft enkele prima voorbeelden. De naam ‘franchise’ betekent ‘vrijstelling’, vrijdom van belasting. De vrije stad Valenciennes staat ook bekend als ‘Frankeville’. De Vrijlaten van het Brugse Vrije staan in het Latijn omschreven als ‘franco natus’, zeg maar vrijgeboren. Er is ook nog het verschil in haardracht tussen de Franken en de Laten. De onderworpen Germanen zien zich verplicht om hun haar kort te knippen. Zo kan er op het eerste zich al een onderscheid gemaakt worden met hun vrije rasgenoten. De term ‘Franken’ wordt voort nog omschreven als ‘Francigenus’ die vermoedelijk kan omschreven worden als ‘vrijgeborene’.

De naam ‘Franken’ wordt voor het eerst genoemd naar aanleiding van een aanval op het legioen ‘Sexta Gallicana’ te Mainz. De datum staat niet helemaal vast maar zeker niet vroeger dan het jaar 241. De aanval komt er na een hele periode van rondzwerven in Gallië. In het jaar 277 komt de naam ‘Franken’ al frequent voor aan de Neder-Rijn. Vermoedelijk is de naam ontstaan in de buurt van Keulen. Deze grote grensstad is in het bezit van de Romeinen en die laten de lokale Germanen mits enkele voorwaarden toe om de markt in Keulen te bezoeken. Zo moeten ze ongewapend zijn, dienen ze hun toegang te betalen en zich laten begeleiden door een gewapende Romeinse begeleider.

Een mix van Germaanse stammen wordt er door de Saksen verdreven en verhuist naar het eiland van de Bataven waar ze na het nodige bloedvergieten hun thuis vinden. Dat gebeurt allemaal tussen de jaren 280 en 310. Met dat eiland van de Bataven worden grote delen van Nederland bedoeld en onbewust moet ik denken aan de dialectische omschrijving van ‘vechten’ als zijnde ‘batavieren’. De Franken en de Saksen werken in latere tijden naar verluidt goed samen en deze wetenschap mag niet onderschat worden. Tussen 252 en 260 plunderen de Franken de Gallische kusten tot in Spanje en Afrika. Tarragona kan er van meespreken.

Van een stabiel Romeins rijk is er dan al lang geen sprake meer. Postumus, de keizer van Gallië, streeft tussen 258 en 268 naar een onafhankelijk Gallo-Germaans keizerrijk. In zijn strijd krijgt hij de hulp van de Franken. Dat Postumus zelf een zuivere Germaan is en zijn carrière opgebouwd heeft in het Romeins leger, toont aan dat de zogezegde Romeinen dan al een amalgaam zijn van diverse rassen en zeker niet alleen maar Italianen. Na Postumus’ dood ontstaat er een grote wanorde in Gallië. In 275-276 komt er een grote inval van Germanen. Gallië valt zo goed als helemaal in Duitse handen. Nog voor het jaar 280 herovert keizer Probus de 60 civitates van Gallië, doodt daarbij 40.000 Germanen en wordt de rest tot aan de overkant van de Neckar en de Elbe verjaagd. Achteraf bezetten de Romeinen Keulen, Tongeren en Maastricht als strategische plaatsen.

Vreemd genoeg zijn hun eigen legioenen daar niet echt te betrouwen. Zowat alle vroegere Germaanse volkeren hebben hun plaats gevonden in het machtig Romeins leger. Velen van hen hebben het tot officier geschopt. De tienduizenden gesneuvelde Germanen hebben dat feitelijk te danken aan hun rasgenoten. Tot aan de jaren 300 blijft het gemengde Romeinse leger geplaagd met de oorspronkelijke Franken. De lijst van veldslagen is eindeloos, de gevechten strekken zich uit van het westen tot het oosten en van het zuiden tot het noorden.

De aanhoudende strijd tegen de Franken zorgt ervoor dat veel inwijkelingen er de dupe van worden en hun vrije status verliezen. Dat is het geval in Trier waar keizer Maximianus tijdens het jaar 293 de lokaal gevestigde Franken gevangen zet. Rond 343 doet zich hetzelfde scenario voor in het gebied van de Serviërs. Keizer Constantius degradeert de lokale Germanen tot de horige status. Dat geschiedt in Amiens, Beauvais, Troyes en Langres. Tezelfdertijd worden er Alamannen, Longobarden en vooral Sarmaten aangevoerd om de ontvolking tegen te gaan. Druppels op een hete plaat. Tegen dan is het zogezegd ‘Romeinse’ rijk volledig geïnfiltreerd door Germaanse kolonies en winnen die zowat elke dag aan invloed in het grote ‘rijk’.

Rond het jaar 300 reikt Germania Superior tot aan Lyon. Germania Inferior heeft al heel wat aan territorium ingeboet en probeert dat verlies in te boeten door overnames in het zuiden. De Franken in het latere Nederland hebben zich via een staatsgreep meester gemaakt van het noorden en beschouwen zich daar al als een onafhankelijke Frankische staat. En de druk op de Romeinse ketel blijft aanhouden. Keizer Constantijn krijgt in 306 te maken met plunderende Franken aan de kust van Spanje en Gallië waar ook de Saksen zich in mengen. In 370 worden Saksische zeerovers die Brittannia bedreigen verslagen door keizer Theodosius. Toch zijn alle militaire overwinningen en consolidaties door de Romeinen altijd van tijdelijke aard en blijven de aanvalsgolven aan de kusten en de Rijn maar doorgaan.

De noordelijke verdedigingslinie van de Romeinen in Gallië loopt in 297 al over Bonen, Cassel, Doornik, Bavay en Tongeren. Het is de tijd van Diocletianus. Meteen een schoon bewijs dat alles ten noorden al niet langer Romeins grondgebied is. De streek van het latere Vlaanderen en Nederland is dan al bewoond door de ‘verbondenen’, zoals de Frankische vorsten te Xanten en Nijmegen. Belgica I en zijn hoofdstad Trier bestrijken dan het gebied van de Moezel en Boven-Maas. Belgica II met hoofdstad Reims omvatten dan o.a. de gebieden van de Remi, Suessiones, Veromandui, Atrebates, de Nervii, de Tornaconses, de Belvaci, Morini, Bononensis en de Menapii.

De Morinen en de Menapiërs zijn natuurlijk van belang voor de Westhoek. Ook de regio’s van Boulogne en Doornik spelen hun rol. Met een grens die loopt van Boulogne en Cassel tot Doornik lijkt het duidelijk dat er noordelijk van dit gebied al geen Menapiërs meer wonen. Historicus Claerebout ziet daarvan een bewijs bij de herinrichting van de bisdommen in de jaren 400. De vroegere pagi en volksgrenzen zijn niet meer zoals ze vroeger waren. De oude civitas Tornacensium (Doornik), het gebied van de Menapiërs, omvatte al sinds jaar en dag vijf gouwen. Vier daarvan; Tornacensis (Doornik), Cortoriacensis (Kortrijk), Flandrensis (Vlaanderen) en Gandensis (Gent) hangen voortaan af van het bisdom van Noyon. Terwijl de vijfde gouw, de pagus Mempiscus nu afhangt van Terwaan en van de Morinen.

Ik vind het best boeiende geschiedenis. Oude middeleeuwse akten leren me nog wat meer. Onze contreien moeten ingedeeld geweest zijn in twee gebieden met hun eigen bevolkingsgroepen. De ‘pago Mempisco sive Gandense’ laat veronderstellen dat het gebied tot aan Gent nog in handen is van de Menapiërs. Daarnaast is er sprake van de ‘pagus Terwanense infra Mempiscam’ die dus slaat op het gedeelte dat door Terwaan gecontroleerd wordt. Er wordt hierbij ook gesproken van de ‘pagus Flandrensis’ die hier voorgesteld wordt als een smal kustgebied dat loopt van Brugge tot Duinkerke. Het gebied ten noorden van Brugge is dan in de handen van de Friezen gevallen en ressorteert daardoor nu onder het bisdom van Utrecht. De pagus Flandrensis kan op dat moment in de tijd het oude grondgebied van de Marsacii zijn waarover Plinius het enkele eeuwen geleden had. De Marcacii heten voor ons de Marezaten. De Latijnse naam Mosa laat een link vermoeden met de streek van de Moezel.

Nog even het frame van de tijd preciseren. Keizer Constantijn is de man die in 313 een einde maakt aan de Romeinse vervolgingen en er voor zorgt dat de nieuwe christelijke religie nu ongestoord zijn intrede doet in al zijn gebieden. Door zijn toedoen wordt Gallië heringedeeld conform de nieuwe toestand. Gallië is voortaan een prefectuur met 17 provincies. Constantijn kan zich twee decennia lang alleenheerser noemen van het grote Romeinse rijk. Na zijn dood zal de macht gedeeld worden door zijn zoon Constantinus en zijn jongere broer Constans die het westelijke rijk vanaf 333 gaat besturen.

Bij de Romeinen is het vet duidelijk van de soep. In het jaar 349 volgt er een coup wanneer Constans’ opperbevelhebber de macht grijpt in Gallië. Ik heb het over de Frank Magnus Magnentius. Hij laat Constans om het leven brengen, roept Amiens uit tot nieuwe hoofdstad en laat hierbij nieuwe munten slaan. De machtsgreep slaagt dank zij de hulp van de Franken en de Saksen. Lang duurt het verhaal van Magnentius niet. Oom Constantinus grijpt in, krijgt de assistentie van de Barbaren en verslaat Magnus Magnentius al in het jaar 351. De Franken laten het niet aan hun hart komen en plaatsen in 355 een nieuwe tegenkeizer aan het bewind. Zijn naam is Silvanus en zijn verkiezing wordt geregeld vanuit Keulen. De nieuwe is ook geen lang leven beschoren en wordt op zijn beurt verraderlijk vermoord. Als punten bij paaltje komt eindigt de hele reeks van machtsgrepen in 356 wanneer Constantius en de Frankische koningen van Keulen een verdrag sluiten.

Uit een bericht van de winter 367-368 blijkt dat de Romeinen een hele reeks kleinere versterkingen hebben opgegeven zodat zeshonderd Franken kunnen doordringen tot in Maastricht waar ze alsnog verslagen worden door Julianus. Ondertussen worden de Gallische kusten geplaagd door plunderende Frankische en Saksische zeerovers. En ook rond de Rijn wordt er weer strijd geleverd. Het is allemaal een beetje te veel van het goede. Drie decennia gestook en bloedverlies loodsen me naar het begin van de jaren 400.

In 406 volgt een invasie zoals ik die nog niet beleefd heb. De Alanen, Sueben en de Vandalen steken de Rijn over en stormen Gallië binnen. Mainz, Spiers, Worms, Amiens, Atrecht en Doornik worden veroverd en vernield. Trier, Keulen, Maastricht en Tongeren worden niet verwoest. Vermoedelijk zijn die op dat moment al in handen van de Franken. Ook in Rome verandert de hele politieke constellatie. Op enkele jaren tijd is er zo een heel nieuwe situatie ontstaan in Gallië. De notities van die dagen, de ‘Notitia Galliarum’ krijgen hun vorm tussen 390 en 410. Van de Menapiërs is er geen sprake meer. Ze hebben waarschijnlijk al vanaf 297 hun thuisland bij Cassel moeten verlaten richting Doornik waar ze nu onderdanen geworden zijn van de civitas Tornacensium. Precies zoals dat het geval is voor de Nerviërs die zich moeten schikken naar de Camaracensus van Kamerijk of Cambrai. Het gebied boven Cassel is dus al rond 400 opgegeven.

De Nerviërs blijven niet lang in Kamerijk. De ‘Notitia Dignitatum’ vermeldt eveneens grote volksverhuizingen in het zuiden van Belgica II. De tekst ‘Tractus Armoricanus et Nervicanus’ duidt er op dat de Nerviërs niet lang blijven in Kamerijk en Bavay maar verder trekken naar het zuidwesten, tot zelfs beneden de Seine en tot aan de kust. Ook op andere plaatsen in Gallië is er sprake van verhuizende stammen.

De ‘Notitia Dignitatum’ zorgt voor wat meer onderscheid tussen de diverse bevolkingsgroepen in het noordwesten van Gallië rond de jaren 400. Er is sprake van de ‘Comes litoris Saxonici per Brittaniam’. Zeg maar de graaf van de Saksische kusten in Brittannia die daar beschikt over een aantal vestingen zoals bijvoorbeeld die van Hastings en Dover. In die tijd krijgt het eiland aan de overkant van de Noordzee zijn naam ‘Brittannië’. Aan onze kant van het Kanaal wordt er gesproken van een hertog van Belgica II in de buurt van Mark bij Kales of Merkise bij Bonen (Boulogne) aan de ‘litore Saxonico’. Het valt uit deze tekst niet uit te maken of de kust hier in handen is van de Saksen of al dan niet verdedigd wordt tegen de Saksen van de overzijde van het kanaal.

In de ‘Tractus Armoricanus et Nervicanus’, dus beneden de Seine, wordt Granno(n) genoemd ‘in litore Saxonico’. Vermoedelijk een haven in de Calvados. De Saksen zijn hier dus wel prominent aanwezig. Vermoedelijk gaat het hier over Bayeux of Cherbourg. Later zullen Gregorius van Tours en graaf Karel de Kale het nog hebben over de gouw ‘Ottingua Saxonica’. Van Es zoekt nog uit wanneer de bewuste Saksen hier gearriveerd zijn en komt tot de conclusie dat het zeker voor het jaar 408 moet geweest zijn. Uit zijn studie blijkt dat de onophoudelijke invallen van de Germanen ervoor gezorgd hebben dat nogal wat bevolkingsgroepen in Noord-Gallië de tijd rijp zagen om het Romeins bestuur bij hen af te schaffen en hun eigen regeringen te installeren.

Bij die aanvallen worden de Romeinse villa’s in het bos van Mormal, zowat 40 km ten zuiden van Bergen, achtergelaten en dat is waarschijnlijk het geval voor alle villae in het huidige België en Picardië. In de regio van Terwaan gaat het christendom verloren. De Romeinen behouden hun castella van Keulen, Heerlen en Maastricht tot in 437. Keizer Honorius geeft in 412 de toelating aan de West-Goten om zich in Aquitanië te gaan vestigen op voorwaarde dat ze er de Romeinse maatschappij zullen handhaven en het gebied zouden beschermen tegen de binnendringende Germanen.

In het jaar 430 is er voor het eerst sprake van een zekere Chlogio of Chlodio die de scepter zwaait in Dispargum. Schrijver Van Es vermoedt dat dit in Brabant is, maar als ik er het internet op napluis zal dat vermoedelijk wel in Duisburg aan de Rijn zijn. Korte tijd later zetelt Chlodio in Doornik. Deze Frankische vorst heerst er als een bondgenoot van de Romeinen over het gebied tot aan de Somme. De Romeinen zelf hebben zich teruggetrokken tot onder de Somme. De gebieden rond Kamerijk, Atrecht en Terwaan worden ondertussen bestuurd door andere Frankische vorsten. Een situatie die zal aanhouden tot in 511.

In 445 heeft Chlogio zijn zetel in Doornik omgewisseld voor die van Amiens. Ten zuiden van de Somme heerst er op dat moment een Germaan uit Pannonië, een zekere Aetius die zich opstelt als een Romeins bevelhebber. Aquitanië en zijn hoofdstad Toulouse worden onder controle gehouden door de West-Goten die er in 451 in slagen om een inval van de Hunnen van Attila in de buurt van Orléans te verijdelen. Er volgt een nieuwe veldslag tegen de bewuste Attila. Chlogio en Aetius en de West-Goten bundelen hun krachten en slagen er in om de Hunnen neer te slaan in Châlons-sur-Marne. De toestand in het toenmalige Frankrijk moet turbulent zijn. Aetius wordt vermoord in 454. Chlogio sterft in 457. Merovech, de voogd van Chlogio’s zonen profiteert ervan om zijn eigen zoon Hilderik op de troon te brengen.

Na heel wat geharrewar en geweld kan Hilderik zijn machtspositie consolideren. Hiervoor moet hij onder andere de Romeinen van Aegidius verslaan. Rond die tijd is er ook sprake van de verwoesting van de Saksische eilanden aan de monding van de Loire. Clovis (eigenlijk heet hij Chlodovech), de zoon van Hilderik slaagt er in 486 in om de Romein Syagrius (de zoon van Aegidius) te verslaan. Die laatste was er in geslaagd om een onafhankelijk rijk te vestigen tussen de Loire en de Somme. Clovis rijgt de overwinningen aan elkaar en zorgt daardoor voor een gevoelige uitbreiding van zijn Frankenrijk. Ik noteer een overwinning op de Alamannen te Tolbiac in 496, tegen de Bourgondiërs in Dijon (500), de West-Goten te Vouillé in 507. Hij laat de onafhankelijke Germaanse vorsten van Keulen en Kamerijk vermoorden. Hararic de vorst van Terwaan ondergaat hetzelfde lot in 511. De Ripuarische vorst van Tongeren onderwerpt zich eveneens aan Clovis.

Clovis krijgt van keizer Honorius de titel van ‘patriciër’ en laat zich tot christen dopen. Bij die doopplechtigheid wordt hij aangesproken als ‘Sicamber’, het schoonste bewijs dat de term ‘Frank’ niet de naam van een stam kan zijn. Na de dood van Clovis in 511 wordt zijn rijk verdeeld onder zijn vier zonen Theuderik (Metz), Childebert I (Parijs), Chlodomer (Orléans), Chlotarius (Soissons). De zoontjes vechten de nodige onderlinge strijd waarbij moord en geweld de hoofdrol spelen. De slachtpartijen houden ook aan bij de kleinkinderen van Clovis, maar uiteindelijk ontstaat er weer eenheid in het Frankenrijk. De Frankische staat wordt daarbij uitgebreid tot in Nederland en Duitsland. In het jaar 800 bereikt één van hun opvolgers de keizerlijke waardigheid. Ik heb het over Karel de Grote.

Al eeuwen lang vindt een moeizame versmelting van invloeden plaats. Best te vergelijken met de politiek van vandaag. Veel meningen kanaliseren zich uiteindelijk tot compromissen. Zo komen er definities voor het Frankisch koningschap. De koning wordt verkozen en indien nodig afgezet. Hij voert het leger aan. Zijn soldaten zijn mannen van de verschillende stammen die zich als ‘leudes in feudum’ begeven. Hierbij ontstaat dus het feodaal stelsel. Belangrijk voor de Frankische koningen is dat ze als het ware de Romeinsrechtelijke waardigheid uitstralen. Hoewel de Romeinen volledig vertrokken zijn, lijkt het er wel op dat de Franken het land in pacht krijgen van Rome en dat hun koningen daarvoor officieel de autoriteit krijgen.

Gaandeweg worden de feodale principes en de officiële Romeinse autoriteit uitgebreid om het koningschap te versterken en de rechten van het volk in te krimpen. De erfbaarheid van feodale rechten zorgt op zijn beurt voor een grote versnippering van gebieden en leenmannen waardoor de invoering van het Romeins recht noodzakelijk wordt, samen met de zucht naar een absoluut koningschap. Met de verdeling van het grote Frankische rijk in een oostelijk en een westelijk deel ontstaan er verstrekkende keuzes waar men de blauwdruk van het Europa van vandaag nog altijd in terugvindt.

In het oosten (het Germaanse rijk) wordt de keuze gemaakt voor een keizerlijke waardigheid. Terwijl het West-Frankisch rijk (het Frankische rijk) blijft steunen op het koningschap. Bij de Germanen wordt de keizer verkozen en samen met de verbrokkeling van de feodale rechten op het land ontstaat er hier een grote verwarrende mix van kleine gebieden. Het geheel zorgt voor een verzwakking van Germanië. In Frankrijk komen koningen met absolute macht tevoorschijn waardoor het land eerst tot grote bloei zal komen tot het koningschap daar zal stranden tijdens de Franse revolutie. In Engeland is dat niet het geval omdat het absolutisme van de koning daar minder uitgesproken is door de gescheiden ligging los van Europa.

Van Es focust zich op Frankrijk. Hij bekijkt de oorspronkelijke keuze voor het erfelijk koningschap met centrale vorsten die zich de volgende duizend jaar zullen beroepen op hun Romeinse autoriteit in het Romaanse gedeelte. Aanvankelijk krijgt het Frankisch koningschap voet aan de grond in het zuidelijk deel van Gallië. Ten zuiden van de Loire waar het Romeinse bestuursstelsel en de Romeinse manieren kant-en-klaar gekopieerd worden vanuit het noordelijk deel van Germanië.
Dat ‘kant-en-klaar’ kan je het best opmerken in de officiële bestuurstaal: het Latijn. Kerk en staat gebruiken het Latijn voor hun interne werking. Akten en contracten worden standaard in de Romeinse taal gebezigd. De dominantie van het Latijn zal in stand blijven tot diep in de middeleeuwen. In het Germaanse noorden bekijkt de bevolking van hoofdzakelijk landbouwers en krijgers vooral met minachting neer op de pen en het schrijven. Er is hier aanvankelijk geen ‘officiële’ taal. Niet moeilijk dus dat de Romanen met hun Romaanse taal hier als een mes door de boter snijden.

Dat laat zich al vroeg in de geschiedenis opmerken. Aan het hof van koning Chilperik van Neustrië (het gebied tussen de Loire, de Maas en de Noordzee) speelt bisschop Gregorius van Tours tussen 540 en 594 een belangrijke rol. Bij Chilperiks broer Sigebert in de regio van Metz (beiden zijn trouwens kleinzonen van Clovis) oefent de Romeinse dichter Venantios Fortunatus rond 566 er zijn Latijnse invloeden uit. De Romaanse standing van de klerken zal er toe leiden dat ze al gauw de Germanen zullen Romaniseren. Het koninkrijk moet en zal Romaans spreken. Hetzelfde gebeurt bij de kerk en in het hoger onderwijs en op termijn zal het hele staatsbestuur draaien op de Latijns-Romaanse taal.

Bij de scheiding tussen het Oost- en West-Frankenrijk wordt ongetwijfeld nog geen rekening gehouden met het fenomeen dat het geromaniseerde deel in het westen met de Germanen in de minderheid zich zal afscheiden van de gebieden waar de Germaanse taal van de stammen en de vroegere hertogen niet verdreven werd door het Latijn. In Frankrijk moeten er regio’s bestaan hebben waar het Germaans een identieke rol speelde. Historicus Van Es haalt enkele voorbeelden aan uit vroegere tijden. Het hertogdom Francia is er zo een, gelegen tussen de Seine en de Loire. Geprangd tussen het Romaanse zuiden en het Germaanse noorden. Noordwestelijk bevindt zich ‘Francia Maritima seu Pontica’ later bekend geworden als het graafschap van Pontheu.

Het is niet bekend hoever de Germanisering in Francia is doorgedrongen. Er leeft in elk geval een overwegend Germaanse bevolking ten noorden van de Somme. En dat is nog meer het geval boven de Kwinte, de Canche. Dat zijn de gebieden noordelijk van Arras en Douai. Die gebieden zijn zuiver Germaans en zullen op termijn omschreven worden als ‘Vlaanderen’, dat ondanks het verschil in taal toch onder het gezag zal komen van de Frankische koning en zijn Romaanse bestuurstaal. Eigenlijk zit de bron van de ontvoogdingsstrijd van Vlaanderen nu al diep ingebakken in de situatie. Zo zal de grote strijd tussen het Germaanse deel van ons land en het Franse koningschap ontstaan, conflicten waarbij de volksrechten en de taal van de mensen op het spel zullen staan. Als een gevolg van die eeuwige strijd en de koninklijke politiek zal het begrip ‘Picardië’ ontstaan.

Schrijver-historicus Van Es spitst zich nu toe op het ontstaan van de talen in Gallië. Wat de man allemaal te vertellen heeft is ongemeen boeiend. Wanneer een volk uit een ander gebied arriveert en de lokale bevolking uit zijn vertrouwde gebied verdrijft, blijven hoe dan ook de oude plaatsnamen verder leven. Enfin; meestal toch. Kijk maar naar de Verenigde Staten waar de vroegere Indiaanse plaatsnamen zijn blijven voortleven. Zo is de naam van de Seine (Sequanaw – Sekoanos) geen Gallische naam maar waarschijnlijk Ligurisch van origine. Een Gallische stam geeft er tijdens zijn verblijf aan de kanten van de Seine zelf zijn eigen naam aan: de ‘Sequani’. Wanneer Caesar Gallië binnenvalt zijn de Sequani dan al weggetrokken uit centraal Frankrijk en wonen ze al in de Jura. Die verhuis heeft vermoedelijk te maken met de binnenvallende Belgen die toen al de tot aan de Seine waren doorgedrongen.

Het is plausibel dat de oude Gallische plaatsnamen in Noord-Frankrijk, België en de Nederlanden zijn blijven bestaan nadat de Galliërs door de Belgen werden verjaagd en die Belgen later in de tijd door de Germanen werden weggeduwd. Plaatsnamen die eindigen met -acum of -iacum zijn Gallisch. Dat betekent geenszins dat die daarom ontstaan zijn voor de komst van de Romeinen. Dat kan ook gebeurd zijn tijdens de Romeinse overheersing wanneer de Galliërs in het bezit waren gekomen van het Romeinse burgerschap en in hun dienst gingen werken. Zo verwerven ze rijkdom en komen zo in het bezit van eigen villae die vaak hun eigen naam krijgen met de uitgang ‘-acum. De Romeinen nemen deze uitgangen over. Zo bijvoorbeeld de plaatsnaam van Gulik die in hun tijd nog de vesting Juliacum heet. Ik denk ook aan Viroviacum, de oude naam van Wervik die ik al eerder kon identificeren als ‘stad van de mannen’.

Maar welke taal spreken de oude Belgen eigenlijk? Gallisch, beweren de meeste historici. Ze leiden dat af uit een reeks van bestaande plaatsnamen die onmogelijk uit het Germaans kunnen afgeleid worden. Terwijl die plaatsen zowel in Germaanse als Romaanse gebieden terug te vinden zijn. Er zit veel kaf tussen het koren. Veel hedendaagse plaatsnamen zijn een soort nep-Gallisch. Mijn schrijver omschrijft ze als pseudo-Gallisch. Een fenomeen dat allerlei redenen heeft. Verkeerde interpretaties, politiek, fantasie van de etymologen in hun zoektocht naar al dan niet vermeende Gallische wortels.

Zo bijvoorbeeld de plaatsnamen die eindigen op -ik (Vlaams) of -y en -ey (Romaans). Maar er is vooral het toeval en persoonlijke motieven die plaatsnamen doen veranderen. De mutatie van een hoeve in Frans-Vlaanderen spreekt boekdelen. De naam ‘Ter Belle’ verandert in de loop van de eeuwen via een aantal tussenstappen naar Bellincourt. Dat gebeurt via Belhof, Bellehof, Bellenhove, Bellinckhove en Belincort tot finaal Bellincourt. Het toeval beslist uiteindelijk hoe Germaanse namen kristalliseren in het Romaans. Veel oude Germaanse namen raken zo verminkt. De ‘heim’ of ‘hem’ of -inge uitgangen veranderen in -et, -hez of -eye. Uphem wordt Huppaye. Mareshem verandert in Maret.

Tussen Doornik en Atrecht zijn er nogal wat plaatsnamen die eindigen op -ignies. In enkele van die plaatsen kan men nog altijd ontwaren dat ze oorspronkelijk -ingen waren. Naar mijn kennis betekent een inge trouwens een plaats die ontstaan is na het rooien van een bos. Inge wordt trouwens vaak gevolgd door ‘heim’ of ‘hem’; perfect verklaarbaar als ‘mijn thuis in de bossen.’ Guignies wordt in 1108 omschreven als Guenchem. Ollignies was ooit Woelingen en Uulenghem. De fantasie van de klerken lijkt wel eindeloos. Je kan dat ook merken in het geval van de gemeente Durtal in het arrondissement van de Maine & Loire. De oorspronkelijke naam ‘Dorestalle’ is dan al gelatiniseerd als ‘Duristallus’. Een klerk vertelt later – in 1096 – dat de locatie ‘vulgariter Durum Staller’ wordt genoemd. Die ‘vulgariter’ betekent dat het op die manier in de volksmond uitgesproken wordt.

Dergelijke ambtenaren proberen waar mogelijk de Middelnederlandse taal, toen nog het Diets genoemd, te weren en te romaniseren. In hun Latijnse of Romaanse akten weigeren ze doodleuk ‘barbaarse’ namen op te nemen. Zo wordt Gentbrugge plots Gampont, Ingelmunster wordt veranderd in Englemoutier en Maldegem wordt verkracht tot Maudenghien. ’s Hertogenbos transformeert zich in Bois-le-Duc. Het lijkt er sterk op dat de hele administratie van die tijd zich aan diezelfde fouten bezondigt. Het gekke aan die systematische Romanisering door de klerken is dat die helemaal niet past in een ontdietsing van de streek door de overheid. Die zal pas eeuwen later plaatsvinden. Weten de inwoners in de tijd veel dat hun steden en gemeenten anders genoteerd staan in de officiële documenten?

In 12de eeuw spreekt de bevolking van de regio ten noorden van de lijn Boulogne-Arras (toen nog Bonen en Atrecht) nog hun oud-Vlaamse taal. De verfransing doet zich pas heel veel later voor. Pas in de 18de en de 19de eeuw. In Ouderwijk (nu Audruicq) spreekt men officieel het Vlaams tot in 1790 en vermoedelijk nog later. Terwijl de klerken van 600 jaar voordien al aan het prutsen zijn met de naam van het plaatsje Ouderwijk. Ze maken er dan al Auderwic van. De eerste stap van de transformatie is gezet. Veel eeuwen later is het kinderspel om Auderwyc nog verder te doen vervellen naar het Frans klinkende Audruicq. Van Es is er zeker van: tijdens de 11de en de 12de eeuw wordt het systeem van de ‘valse’ gallicismen op grote schaal toegepast om te passen in de taal van de officiële akten.

Het is best wel moeilijke materie. Niet eenvoudig om de bomen te zien door het bos van de plaatsnamen in Noord-Frankrijk, Vlaanderen en Wallonië. Ze lijken wel te zweven tussen het Germaans en het Romaans. En toch zijn ze allemaal ontstaan door toedoen van de oude Germaanse bevolking. De Fransen proberen kost wat kost hun Gallo-Romaanse oorsprong te verklaren, maar hun uitleg lijkt nergens op. Doornik was ooit ‘Thornike’ en ‘Dorneke’. Bisschop Gregorius van Tours maakt er in het Latijn ‘Thornicum’ van en maakt daarmee ongewild de bocht naar het latere ‘Tournai’.

Merville is een leuk voorbeeld. Lijkt een perfect Romaanse naam te zijn. Maar is dat helemaal niet. De plaatsnaam was ooit Menarighem, een stad waar er Menapiërs woonden, later gegermaniseerd tot Menreghem en Merghem. Tot de Fransen de naam verkrachten in Merville. Idem dito met de naam van de stad Thérouanne, het oude Tarvanna. De Franse etymologen vertellen een pak nonsens door daar het Gallische ‘tarbos, tarvos of stier’ in te zien. Terwijl er in de buurt van Luik een plaatsje bestaat met de naam Terwagne en die hier perfect verklaard kan worden van Germaanse oorsprong te zijn en verwijzend naar een ligging tussen bos en bomen. Iets wat ook het geval is met Terwaan.

En dan is er nog de naam van Atrecht-Arras. Zijn oudste naam schijnt ‘Nemetacum’ te zijn, verwijzend naar de vroegere Germaanse stam van de Nemetes. De Fransen zien het anders: men ziet er de Atrabetes in de naam van Arras. Net zoals bij Artois en Artesië. Een bewering waarbij ze ook nog het Ierse ‘atrebad’ (bezitten en wonen) bij sleuren. En dit alles terwijl Atrecht perfect op Germaanse wijze te verklaren is. De parallellen met Utrecht, Maastricht zijn duidelijk. ‘Trecht’ en ‘dracht’ wijzen op de aanwezigheid van sluizen om schepen naar een hoger waterpeil te versassen. Zoals de vroegere ‘overdraghe’ of overdrachten op de oude Ieperlee tussen Ieper en Nieuwpoort. Zo bijvoorbeeld Drachten in Friesland, een plaats waar voor de uitvinding van de schutsluizen over de dijk ‘gedragen’ werden.

En dan is er ook nog het Ingawoens. Ik hoor het haast donderen in Keulen. Ook voor mij is het Ingawoens een grote onbekende. Naar verluidt heeft men met zekerheid kunnen vaststellen dat er nog voor het Frankisch bewind al sprake is geweest van een dialect dat gesproken werd over een ruim gebied. Van Noord-Holland over Vlaanderen, Frans-Vlaanderen tot over de Kwinte en zelfs in de Eifel tot aan de Hunsrück. Een taal die naar de Ingaevonen genoemd wordt. Het Ingaevoons of het Ingavoons. Tot de Ingaevonen behoorden de Friezen, de Angelen, Juten en eveneens de Saksen waardoor het Fries, het Saksisch en het Angelsaksisch verwant zijn aan het Ingawoens.

Het Frankisch ‘aa’, ‘ee’, ‘ie’, ‘y’ blijkt afgeleid van het Ingawoense ‘aha’. ‘O’ komt van ‘au’. Hedendaagse woorden als put, stuk, brug komen uit dat oude dialect als pit, stik, en brig. Ik vind deze info best pikant. Als een landbouwer hier naar zijn land gaat kijken heeft hij het hier in de Westhoek als ‘ik goan noar mijn stik’, en spreekt hij zo ongewild het dialect van de Ingaevonen. In Nederland verandert het woord ‘muide’ in ‘mond’. Waar het hier in de Westhoek Diksmuide is blijkt dat noordelijker Roermond.

De Ingawoense invloeden komen nergens sterker naar voor dan in de regio tussen de Aa tot voorbije de Loire. Dat moet blijken uit de officiële akten tot circa 1400. Daarna is het Frankisch er troef. De locatie Ganspète, Ganspette te Sperleke bij Gravelines is er een voorbeeld van. Te Watten bij St.-Omer treft men vier Ingaewonismen aan. Watene was oorspronkelijk ‘Waten-ee’. Er bevond zich een ‘Pagart’ (een boomgaard), de ‘Brigghebilk’ en een ‘Bardenbrigghe’. Er zijn meer voorbeelden te vinden in de oude akten. Bengaardskerke, Boongaardskerke de vroegere naam van Koksijde. De Bogharthouc, Adinkerke die afwisselt met Odenkerke. Van Es vergelijkt die laatste met de verandering van odebaar of adebaar naar ooievaar. Ik weet meteen waarom de lokale bevolking in Adinkerke hun eigen gemeente uitspreekt als ‘ooienkerke”. Vladslo is ontstaan uit het oude ‘Frareds-la’.

Zo komen we bij de ‘-la’-namen terecht. Bij Beveren aan de Leie bevindt zich rond het jaar 964 het Methelabos die zal blijven voortleven in het geslacht van Medele. In de buurt van Veurne en Oostvleteren vinden we Berkel, ooit nog omschreven als Bircla en Bercla. De ‘ela’ en ‘ila’ uitgangen waarvan sprake zijn voor wat mij betreft gewoon bevestigingen dat deze namen inderdaad ‘waternamen’ zijn van de Indo-Europeanen waar ik het al zo vaak heb over gehad. Die bewuste Ingawoense invloeden kunnen een verdere verfijning zijn dan de algemene term ‘Indo-Europeanen’. De Indo-Europese ‘ille’ invloeden over heel noordwest Europa passen perfect in de omschreven regio waar de Ingaewonen hun invloeden lieten gelden. Mijn schrijver heeft het voor de komst van de Franken. Hier zorg ik zelf voor meer precisie en positioneer ik het tijdstip rond -1000.

De bevolking van toen moest wel aan de waterkant wonen om zich te verplaatsen in een land zonder wegen. De illa en ella namen getuigen daarvan. Zuivere waternamen. En dat is ook het geval voor de term ‘bron’ of ‘born’ die voor wat mij betreft van latere tijd en Saksisch zijn. Beborna bij Vleteren. Hetzelfde fenomeen doet zich voor tot diep in Frankrijk. Bereborna is nu Bellebrune. Hellebourne, le Bourneau, Borny en veel anderen. Ook ‘barne’ heeft een identieke oorsprong. La Calbarne, Barnicourt, Le Barnewael.

Schrijver Van Es laat zich schamper uit over de etymologen. Ik citeer hem even: ‘de meeste “deskundigen”, zowel Romanologen als zelfs de meeste Germanologen hielden bij hun verklaringen weinig rekening met het oude Ingawoense element, dat vooral aan de kust optreedt, vanaf Noord-Holland tot diep in Frankrijk’. Hij neemt daarmee de kritiek over die ik al eerder in sommige van mijn kronieken geopperd heb. Lees maar: ‘de toponymie beperkt zich in de meeste gevallen tot een erg plaatselijke verklaring van de plaatsnaam. Vreemd genoeg kijken onze plaatsnaamkundigen niet naar het macro-perspectief van wat er zich op het Europese platteland door de eeuwen heen aan plaatsnamen allerhande heeft gevormd en ontwikkeld.’

Met één pennentrek, in hun zucht om plaatsnamen te Romaniseren, heeft men geprobeerd de sporen uit te wissen van hun oorspronkelijk Germaans karakter. En dat allemaal op basis van oude akten waar de klerken er met hun pet naar hebben gegooid. Gallische plaatsnamen die eindigen op -i, -y, ignies, -ques zijn met de grove borstel verkrachte Germaanse uitgangen -g, -ingen, -ike. Ook al komen de oude -acum en -iacum er in voor. De ‘klerken-methode’ zorgt daarbij voor een grote eentonigheid en doodt de rijkdom van de vroegere Germaanse namen. Het gebruik van -ville is er een mooi voorbeeld van. Badenhausen wordt Badonville, Buckinheim verandert in Bouconville. Heselsdorf transformeert in Hesselonisvilla, Eginweil wordt verkracht in Einville, en zo verder nog Bingen (Bouinville), Fremblingen (Frémontville) en Didenhofen (Thionville). Hetzelfde verhaal speelt ook bij de -court uitgangen. Brittendorf = Burtoncourt, Bassenheim = Bassoncourt, Reishoven = Ragecourt, Gisolvingo = Gilloncourt en Rösig = Rachecourt.

In het hartje van de Westhoek vervelt Belle zich tot Bailleul. Bel-la is volgens mij een absolute waternaam met zijn -ille of -ella. Een locatie in het woud en nabij de grens van het water. Biljo en Bilja zijn zuivere Frankische namen die verwijzen naar boomstammen. De Romaanse vertaling van Belle gebeurt trouwens op basis van een stom misverstand. Bij Hollevoorde is er een Frankische plaats met de naam Baljeloo die rond 1200 vertaald werd in Balliolum. Bel-la of Belle bij ons wordt door de ambtenaren van toen over dezelfde kam geschoren als Baljeloo en wordt zo onterecht gewijzigd in Bailleul.

Er valt nog heel wat meer te vertellen over de Romanisering van Gallië. In het ‘Leerboek der Vaderlandse Geschiedenis’ uit 1917 wordt het volgende beweerd: ‘Spoedig namen de Galliërs de taal en de gewoonten van de Romeinen over en binnen één eeuw waren zij geromaniseerd.’ Die bewering is faliekant onjuist. Sidonius Appolinarius, een Laat-Romeinse schrijver die leeft tussen 430 en 489, beweert in die periode dat de Arvernische adel, dus grenzend aan de Provincia Transalpina, Latijn begon te leren en daarmee zijn eigen taal prijs gaf. Hij heeft het dus over een zuidelijk gebied en dan nog enkel over de adel. De bewering dat Noord-Frankrijk en België al geromaniseerd zijn wanneer de Franken uit Brabant in het jaar 457 hun veroveringstocht naar het midden van Frankrijk hebben volbracht slaat nergens op.

En toch is die zogezegd vroege Romanisering algemeen aanvaard als argument om te verklaren hoe de taalgrens in België ontstaan is. De historici nemen klakkeloos aan dat de taalgrens die parallel loopt met de oude Romeinse heerweg Bonen-Keulen ontstaan is omdat de toenmalige Romaanse bevolking ten noorden van die lijn de invallen van de Germanen niet overleefde terwijl er in het zuiden al een dichtbevolkte Romaanse bevolking bestond waar de overwinnaars in opgegaan zijn. Die stelling krijgt in 1937 tegenwind van Franz Petri. Een studie die voor wat mij betreft op zoek is om Hitler een alibi te geven om wat later in de tijd Frankrijk opnieuw op te nemen in zijn nieuw ‘Frankenrijk’, nu wel onder de noemer van Nazi-Duitsland. Ik maak dus zelf enig voorbehoud rond deze bron in opdracht van de Duitse politiek van toen.

Van Es is veel minder sceptisch. Petri heeft op goede gronden duidelijk gemaakt dat de taalgrens het gevolg is van een latere botsing. Een crash tussen twee stromen in een gemengd grensgebied van Germanen en Romanen en waar achteraf een scheidingslijn tussen beide talen is ontstaan. Maar als deze stelling correct is, dan moeten er wel twee vragen gesteld worden. In hoeverre was dit grensgebied werkelijk gemengd? En welke waren de oorzaken van die Germanisering en Romanisering? Van het westelijk deel, het gebied langs de kust, is het algemeen erkend dat het gebied ten noorden van de lijn Bonen-Atrecht door en door Germaans was.

De Belgische historicus Karel De Flou heeft het over de Romanisering in de zuidelijke delen van dat gebied. De wetenschap dat de hoofdzetel van de bisdommen en kloosters in het geromaniseerde deel van Frankrijk lag, heeft een grote impact in deze evolutie. Zo vertelt hij dat het klooster van Andernes met Vlaamse monniken en Vlaamse onderhorigen altijd maar opnieuw opgezadeld werd met Romaanse oversten, ondanks het ongenoegen en het protest van de monniken. Die eisen dat de rechtspraak over de leken de kennis van het Vlaams vereist. Ook de Franse koning speelt dat spel mee. Telkens er een leen in de rechtstreeks van hem afhangende gebieden openvalt, geeft hij dit aan edelen uit het zuiden, vooral uit de regio van Anjou. Zo wordt het duidelijk dat vooral de hoogste standen het eerst geromaniseerd worden en dringt het Romaans er haast als vanzelf binnen. Wie dat oud Frans kan spreken en schrijven stijgt in aanzien. En wie probeert zich dat aanzien te verwerven? De adel en de geestelijkheid natuurlijk.

Wanneer de Franken in 457 Parijs bereiken zijn er in feite twee taalgebieden met de Loire als taalgrens en voornaamste scheidingslijn. Ten zuiden van deze rivier leeft er een Gallo-Aquitaanse oerbevolking die nog altijd zijn eigen taal spreekt. Ze hebben er het gezelschap van binnengedrongen Germanen, meestal Goten en ook nog van de laatste Romeinen die er tot op het laatste hebben standgehouden. Dat is in elk geval de bewering van Sidonius Apollinaris, een schrijver die het allemaal van nabij meemaakt.

Boven de Loire leeft een grote meerderheid van Belgen. De meeste inheemse Galliërs zijn er verdwenen richting zuiden. Een toestand die al bestaat sinds de periode van Strabo, een kleine eeuw na de inval van de Romeinen. Rond het jaar 0. Daarna komen er zich massaal Germaanse latenkolonies vestigen. Horigen die in feite dwangarbeid verrichten voor de Romeinen. Daarnaast spoelen er van zuid tot noord steeds maar meer vrij Germanen aan. En natuurlijk is er een ruime mix van Romeinen en geromaniseerde Galliërs. Ten noorden en ten zuiden van de Loire wordt de macht uitgedeeld door een elite van grootgrondbezitters, officieren, hoge beambten en de clerus die een soort van provinciaal Latijn spreken. Dit terwijl in heel Gallië, België, Germania I en II de lagere bevolking en de inheemse adel doodgewoon hun eigen vertrouwde taal blijven spreken.

Er kan niet ontkend worden dat op de plaatsen waar de Romeinse legioenen gelegerd zijn er een andere taal op komst lijkt te zijn. Eerst waren die krijgsmachten een exclusief domein van de Romeinen, maar beetje bij beetje raken de eenheden gevuld met soldaten van een andere landaard. Het is geweten dat de Romeinse troepen zich vaak verplaatsen waarbij de lokale legioenen dan aangevuld worden met plaatselijke rekruten. Honderden soorten volkeren worden zo onderdanen en medewerkers in het wereldrijk van de Romeinen. Ze worden soldaten, slaven, handelaars of ambtenaren in dienst waarbij ze een soort van hulptaal moeten gebruiken om elkaar te verstaan.

De Franse taalkundige Antoine Meillet komt rond 1900 voor de dag met een lijst van ongeveer vierhonderd gemeenschappelijke woorden die zowat overal in het Romeinse imperium gebruikt worden. Tot die groep behoren bijvoorbeeld de latere Franse woorden als ‘père’ en ‘mère’ die afkomstig zijn uit het Latijns ‘pater’ en ‘mater’. Mijn schrijver omschrijft de twee Franse woorden als ‘neolatinismen’ waaruit met verloop van tijden woorden als ‘patrie’ en ‘maternité’ geënt zullen worden. Uit dat brabbeltaaltje dat gangbaar is doorheen het Romeinse rijk, van Mesopotamië tot Germanië, een gevolg van de herhaalde troepenwisselingen, ontstaan zo de Romaanse talen.

Dat taaltje krijgt in Frankrijk zelf twee varianten. Ik zou ze twee hoofd-dialecten kunnen noemen: de ‘langue d’oïl’ met een Germaans accent boven de Loire en de ‘langue d’oc’ ten zuiden van die scheidingslijn welke gesproken wordt door de Gallo-Romaanse bevolking. Alle dialecten van de de ‘langue d’oïl’, zo ook het Waals, bewijzen geenszins een alibi dat die talen ook al door de bevolking zelf worden gebruikt. In deze nieuwe brabbeltaal komen er haast geen Gallische woorden in voor en als dat zo is komt dat omwille het feit dat de Romeinen die al eerder zelf hebben overgenomen. Zoals bijvoorbeeld het woord ‘kar’.

In het zuiden van de Loire is het eigenlijk niet anders. Buiten de kring van beambten, geestelijken, grootgrondbezitters, kolonisten en handelaars van Romeinse oorsprong is er nog geen Romaans sprekende bevolking aanwezig. Die Romeinen blijven hier leven onder een Frankisch bestuur of treden in dienst van de koning. Het is toen al een realiteit dat er in de zesde eeuw al aan de Frankische hoven Latijn aangeleerd wordt, maar van een werkelijke Romanisering is er zeker nog geen sprake. Het Frans stamt immers helemaal niet uit dat officieel Latijn welke tot op vandaag nog altijd zijn rol speelt in de universitaire wereld.

Van Es gelooft dus helemaal niet in een snelle Romanisering en zeker niet op het platteland boven de Loire. Met uitzondering van het administratief gefoefel van de ambtenaren. In de 13de eeuw worden er nog altijd akten geschreven die in het zuiverste Vlaams hebben over Belle en zijn heer Zegher van Belle, terwijl op datzelfde moment in de tijd toch in andere Latijnse akten al gesproken wordt van Sigerius de Balluel terwijl een Picardische akte het ook al heeft over Sohier de Bailleul. Toen is er dus al sprake van het aanpassen van de akten. Dat geldt trouwens net zo goed voor de namen van de eerste Frankische vorsten. Hlodwich verandert in Clovis, Merwich wordt Meroveus. In het latere Frans zullen deze namen achteraf verminkt blijven. En ook in onze Vlaamse geschiedenisboeken van vandaag zijn de namen van Clovis en Meroveus goed ingebakken.

De man in de straat en de landadel blijven in werkelijkheid de hele tijd hun eigen Germaanse taal spreken. Met hier en daar groepen die het Belgisch hanteren. Of deze taal nu Germaans of Gallisch is lijkt niet duidelijk. Een erg kleine maar belangrijke elite spreekt al van voor de komst van de Franken een soort provinciaals Latijn die ze ook na de komst van de Franken verder willen doen opdringen aan de rest van de bevolking. Een opzet waar ze niet in slagen. Integendeel zelf: De ‘barbaarse’ Germanen dringen hen hun eigen taal op waardoor het provinciaals Latijn ten onder gaat.

In de 9de eeuw spreken de Salische Franken in de buurt van Amiens en Corbie nog altijd hun eigen taal. Dat kan uitgemaakt worden uit de preken van Adalhard rond 825 die al wel het Latijn gebruikt voor liturgische redenen maar voor de rest de taal van de Saliërs spreekt om met hen in contact te treden. Het Vlaams dus. Terwijl er van Frans nog nooit sprake is geweest in de streek van Amiens. Het Frans zal er trouwens pas komen na een doortocht van de Picardische taal die behoorlijk afwijkt van het Frans. Maar ik laat de taalkundige verschillen tussen beide talen even buiten beschouwing.

Mijn schrijver concentreert zich nu op het ontstaan van Vlaanderen en van Picardië. Hij grijpt daarbij terug naar het werk van schrijver Robrecht van Roosbroeck, voor mij bekend als een beruchte collaborateur met de Duitsers. Wat hij hier schrijft kan ik in elk geval bestempelen als historisch correct en zeker niet van de pot gerukt omwille van zijn Duitsgezinde houding. Van mijn kant vind ik het wel opportuun om toch even te wijzen naar zijn SS-verleden. Maar goed; wat schrijft Robrecht van Roosbroeck dan wel over het ontstaan van Vlaanderen?
Onder de Franse koning Karel de Kale bestaat er al een ‘Flandria Comitatus’, onder het gezag van Ingelram die eveneens de scepter zwaait over Noyon, Vermandois, Artois, Kortrijk, een regio die perfect overeenkomt met het bisdom van Noyon. Nadat Boudewijn I diens dochter (zeer tegen de zin van haar vader) ontvoert en met haar in het huwelijk treedt, ontstaat er daarna een verzoening tussen hen. Dat gebeurt pas na Boudewijns dreigement om gemene zaak te maken met de Noormannen in het noorden. Dank zij die verzoening krijgt graaf Boudewijn I het leengebied van Brugge, Aardenburg en Oudenburg toegewezen. Dat gebeurt in 863. Niettemin schijnt zijn nieuw grondgebied maar een klein deel geweest te zijn van wat Ingelram ooit bestuurd had. In het graafschap Mempiscus heerst nu graaf Reginar en in Vlaanderen is er ook sprake van een ‘Missus domini Waltcaud’.

Volgens Wikipedia moet die Waltcaud een soort zendgraaf zijn, een afgevaardigde van de koning om de eigenlijke graaf onder controle te houden. Die Waltcaud moet dus controle uitoefenen in het oude gebied van de Morini dat later in het bezit kwam van de Menapii. Beiden zijn verdwenen rond het jaar 400 in de tijd dat Bonen tot Germania Inferior gaat behoren en het hele gebied rond de kust Saksisch moet geworden zijn. Hoewel een deel van de oude bevolking er zal blijven leven.

En die naam van Vlaanderen dan? Ik kijk met belangstelling uit wat Van Es over deze heikele kwestie te vertellen heeft. Hoe komt dat Saksisch gebied aan de naam van Vlaanderen en waarom krijgen zijn inwoners de naam van Vlamen of Vlamingen toegewezen? Historicus de Flou wijst in de richting van een synoniem of een afgeleide van ‘moeras’. Hij zit daarbij niet zo ver van mijn eigen overtuiging dat het pad boven het water; de vlonder om de ene moerassige plek met de andere te verbinden heel sterk verwijst naar ‘Vloanderen’ of Vlaanderen. Een woord dat trouwens afkomstig is uit Scandinavië zoals dat het geval is met Flamsdal in Noorwegen. De Noormannen hebben de Moeren en de Morini vermoedelijk vertaald in hun eigen taal.

Boudewijn I en zijn zoon, nummer II, schijnen de nodige eerzucht gehad te hebben om te gaan heersen over de hele stam van die Saksen of aanverwante Ingaevonen. Die laatsten laten hun aanwezigheid vermoeden in woorden als pit, stik, brig die zich vanuit Belgisch-Vlaanderen tot ver in het zuiden verspreidt. Beide graven verwerven daarna het hele vroegere gebied van de Morini. Ik heb het hier over de regio van Terwaan die zich tot aan de Kwinte en het graafschap Bonen uitstrekt. In de 10de eeuw beschrijft kroniekschrijver Richer van Reims de vorsten van dat gebied als ‘Princeps Morinorum’ in de plaats van graaf van Vlaanderen. En zelfs de Noorman Guillaume de Jumièges schrijft ‘Morini quos moderni Flandros appellent’, zeg maar ‘de Morini die men nu Vlaanderen noemt.’

Arnulf I is de zoon van graaf Boudewijn II. Tijdens zijn bewind heerst hij over Vlaanderen met daarbij de gouwen Mempiscus, Gent, Waas, Doornik, Bonen, Kortrijk, Melantois, Caribant. De graafschappen Bonen, Wijnen, Heusden (Hesdin), Saint-Pol en de heerlijkheid Béthune worden door zijn vazallen bestuurd. De eerzucht van die eerste Vlaamse graven is daarmee nog niet gestild. Ze proberen ook het graafschap Pontheu te bemachtigen en gaan daarbij in confrontatie met de hertogen van Normandië. Op het einde van het spel gaat de koning van Frankrijk lopen met het gebied omdat dit zijn enige uitweg naar de zee blijkt te zijn.

In 1164 wordt Vlaanderen uitgebreid na het huwelijk van graaf Filips van de Elzas met Elisabeth van Vermandois die Valois en Amièonois bestuurt. Het koppel probeert op goede voet te blijven met de Franse koning en probeert hem daarbij te paaien met het land ten zuidwesten van de Aa. Maar die laat zich niet beïnvloeden. Bij Elisabeths dood eist hij haar vroegere gebieden terug als zijnde vervallen lenen. Filips van de Elzas laat zich niet zo maar doen en slaagt er in om een deel van de Vermandois in te lijven bij Vlaanderen. Na zijn dood gaat Vlaanderen meer en meer achteruit. Tijdens het bewind van Filips de Stoute (1435-1477) reiken de Bourgondische Nederlanden opnieuw tot aan Beauvais met inbegrip van Picardië. Maar dan is dit gebied al volledig geromaniseerd.

Het is vrij goed bekend hoe de verfransing er gekomen is. Om te beginnen speelt de kerk zijn belangrijke invloed bij dit proces. De kerkelijke indelingen in het noorden hangen af van bisschoppen uit het zuiden. Ook de meeste kloosterorden krijgen hun orders van ginder. Vrouwen en mannen uit zuid en noord huwen met elkaar zodat de eerste generaties een mix van Romaans en Germaans gaan spreken. Dat is ook het geval met de lagere adel. Al van sinds de Frankische koningen heeft het Latijn zich als bestuurstaal gesetteld. De Romanen krijgen zo de voorkeur voor de postjes. De Germaan wordt beschouwd als zijnde een boer en een krijgsman. Erg moeilijk is het niet. Zowel op wereldlijk als op geestelijk gebied worden de touwtjes in handen gehouden door de Romanen van het zuiden. Komt daarbij nog het prestige van het Latijn in het onderwijs die er voor zorgt dat de verfransing verder gaat doordringen in het noorden van Frankrijk.

Schrijver Van Es is er verbolgen om. De flamingant heeft het over de bron van het kwaad. Die steekt volgens hem in de Latinisering van de klerkenstand sinds de samenvoeging van het Romaans en het Germaans gebied. De bisschoppen van Kamerijk laten zich inspireren door het Romaanse zuiden. Studenten trekken naar Chartres, Parijs of Laon. De Germaanse inwoners zien het niet zo graag gebeuren dat het Frans tot diep in Vlaanderen gepromoot wordt door de sterk verfranste vorsten. Men doet alle er pogingen om de eigen taal opnieuw te laten meetellen en als kanselarijtaal te laten gelden. Tot in de 20ste eeuw zullen de Vlamingen moeten strijden voor hun rechten.

Het is natuurlijk een proces van vallen en opstaan geweest. Op een bepaald moment in de tijd probeert met het Latijn als bestuurstaal af te schaffen. Iets wat niet lukt in de Germaanse gebieden die van de Franse koning afhangen. Die eist dat het Frans verder moet gebezigd worden en omdat in die tijd de gebieden ten zuiden van de Aa onder het bestuur van de ‘roi de France’ vallen gaat het Vlaams er systematisch op achteruit. Ook in Vlaanderen is het Frans de officiële bestuurstaal. Kijk maar naar Atrecht waar de bevolking al eeuwenlang zijn Vlaamse taal als een verworven recht beschouwt. Ze zullen er zelfs bij de paus een verzoek indienen om te mogen ingedeeld te worden bij een Vlaams bisdom. Toch wordt er algemeen beschouwd nog maar bitter weinig ondernomen om de ondergang van het Germaans beneden de huidige taalgrens nog te beletten.

Maar juist in dat gebied tot ver onder de Aa wordt er een onterechte ‘Gallo-Romaanse’ mythe opgebouwd alsof de hele regio wel van oudsher Romaans moet geweest zijn. Na de Franse Revolutie krijgen de heren van de ‘Midi’ massaal de politieke macht in handen en ze leveren alle inspanningen om de ‘Frankische’ roots te verduisteren. Iets wat zich afspeelt in het onderwijs van hoog tot laag. De Frank Arbogast wordt door de ‘Petit Larousse’ omschreven als de ‘Gaulois’, en Aétius zijnde ‘général Romain née en Moesie’. Ik krijg nieuwe voorbeelden op mijn bord. Met de Franse schrijver Albert Demangeon als boosdoener. Zijn werk in ‘La Picardie’ rond 1909 draagt flink bij tot deze mythe.

Demangeon heeft het daarbij over het stadje Poix ten zuiden van Amiens. Nu trouwens Poix-en-Picardie genoemd. ‘De naam van Picardië komt van Poix’, beweert hij zonder gêne. Rond 1100 heet het plaatsje nog Piceium. Toch is Poix van Germaanse origine. Mijn schrijver somt enkele redenen op. Behoorlijk ingewikkeld allemaal, ik probeer zoals altijd de complexe materie eenvoudig te omschrijven. Aan jullie lezers te oordelen of ik daar in slaag. Poix ligt in het gebied waar de Germanen zijn binnengedrongen. Tja, zal wel. Komt daarbij dat de inwoners zichzelf als Pohier of Pouhier betitelen. Die uitgang ‘-ier’ is zuiver Germaans en zal vroeger zoiets geweest zijn als ‘pikwarja’. Een erg karakteristieke Frankische naam. Zoals het geval is bij de stad Anglure waar de inwoners zichzelf Anglurier noemen. Pikwarja laat met zekerheid veronderstellen dat de bevolking er volledig Germaans is. De term ‘pikaard’ is ook al zo’n Germaanse term.

Algemeen gezien kunnen we uit de plaatsnamen onmiddellijk afleiden of die ontstaan zijn uit Romaanse of Germaanse stichters. Alles met -court of -chatel, -chateau, -ville zijn dubbele namen. Ze duiden aan dat de Romaanse vorm gebouwd is bovenop de oorspronkelijke Germaanse naam. Neuenburg verandert in Neufchateau, Neufchâtel. Diedenhofen in Thionville. Bellenhove wijzigt in Belincourt. De bevolking moet er dus overwegend Germaans geweest zijn. Moest Pollinkhove in Frankrijk gelegen hebben zou het nu Pollinkville genoemd zijn. Of Poulainville. Die systematische aanpassing van Germaanse plaatsnamen gebeurt niet spontaan door de bevolking zelf maar door de klerken die intelligent genoeg zijn om de oude termen voor hof en dorp systematisch te vertalen in court en ville.

Vreemd genoeg kan er niet zomaar een eeuw op geplaatst worden. Die vertalingen zullen doorgaan tot diep in de 19de eeuw. Een perfect voorbeeld hiervan is inderdaad de naam van het stadje Audruicq in de Pas-de-Calais. Ouderwijk is rond 1800 nog altijd Vlaams. Rond 1100 spreken de akten over Olderwic. Vandaar gaat het naar Ouderwich en in 1200 Audrewic en Alderwic. In de oude akten staan de uitgangen ‘-ignies’ of ‘-igny’ naast hun Germaanse voorlopers ‘-ingen’. Ik denk meteen aan Vlamertinge en Elverdinge. Of Reninge. De Franse klerken zouden er gegarandeerd Flamingnies, Elverny en Renignies van gemaakt hebben. Of iets dergelijks. Al die plaatsen, ontstaan te midden van de ontgonnen bossen hadden Germaanse stichters. Vandaar ook de inghem of ingheim. Mijn thuis in de bossen. Poperinge was ooit Poperingheim en zou door de Fransen Popignies herdoopt geworden zijn. Maar daar kregen ze de kans niet toe.

Het gebeurt al te vaak in het verleden dat die ‘-inghem’ in een eerste stap vertaald wordt in het Latijn als zijnde ‘-iniacum’. Er zijn waarlijk veel voorbeelden te vinden waarbij gelijklopende namen met verloop van tijd helemaal geromaniseerd raken. Tussen Halle en Ninove vinden we Bellingen. Tussen Bavay en Valenciennes ligt er ook een Bellingen. Alleen heet die hier Bellignies. Buizingen heet in de buurt van St.-Quentin doodleuk Bussigny. Guerbigny, Becquigny zijn allemaal voorbeelden die ooit ontstaan zijn met -inge in hun naam. De onderzoekers komen tot de vaststelling dan de toponymie van Westfalen en Noord-Frankrijk verrassend goed met elkaar overeenstemt. Men schrijft dat fenomeen toe aan de Franken, maar ook de Saksen hebben daar hun rol bij gespeeld.
De kwestie van Saksen of Franken brengt Van Es weer in Picardië en bij zijn inwoners Picards of Picaards. Die ‘-aard’ of ‘-aart’ is opvallend. Vormen als Klauwaert en Leliaert duiden de partijgangers aan van Vlaanderen en Frankrijk. Een Spanjaard of een Picaard duidt een soort volk aan. Ik denk aan de woorden lelijkaard, luiaard of de Vlaamse dialectnaam vuilaard. Die achterzetsels zijn duidelijk van West-Germaanse oorsprong. De Engelsen hebben het over Spaniard terwijl de Duitsers verwonderlijk genoeg over Spaniers hebben (uit -warja afkomstig).

Van Es komt nu opeens aandraven met zijn theorie over de Saksen die nog tijdens de era van de Romeinen zuidwaarts binnendringen in Gallië en zich gaan vestigen ten zuiden van de Somme. Onder hen een geslacht waar de naam ‘Pica’ veel moet voorkomen. Het stamhoofd gaat het bruggenhoofd Paquigny bezetten en wordt daarmee de voornaamste grootgrondbezitter van de streek. Hij is de voorloper van een reeks baronnen van Péquigny. Onder hen Vidane van Amiens en Avoué van de abdij te Corbie. Binnen hun bisdom blijft het Germaanse stamhoofd de machtigste van allen. Hij bezit het recht en oefent hier de rechtspraak uit. De abdij van Corbie wordt opzettelijk gesticht om Duitse monniken hier op missie te laten komen. In Westfalen hebben ze trouwens een gelijkaardige dochterabdij uit de grond gestampt. Ik heb het over de abdij van Corvey in Nordrhein-Westfalen. Die fameuze abdij zal lang het centrum blijven van de Germaanse cultuur in West-Europa.

Aan het hof van de bisschop van Amiens is de toestand helemaal anders. In de 12de eeuw is er al sprake van een ‘pont de la Bretesque’, een houten brug voorzien van planken. Oorspronkelijk ‘bendeke’ in het vroeg-Vlaams, een woord dat in het Picardisch als ‘bretèque’ zal voortleven. In heel Picardië komen woorden voor als ‘berge’ voor een hoge oever, ‘croc’ voor een heuveltje (zie ‘krook’ in het oud-Nederlands). In de buurt van Amiens vinden we de voorstad Hem (al bekend in 1125), te Amiens-Saint-Pierre is er sprake van ‘le Barabant’ (Brabant) die zijn naam geeft aan een zij-arm van de Somme: ‘rivière de Barabant’. Rond Corbie (Kor-Beek?) ontmoeten we Thiembronne en Séburne’.

Van Es vermoedt dat het Romaans hier in Amiens het eerst moet binnengedrongen zijn tot bij de stam van de Picingen en dat die door de bestaande Germaanse bevolking wat smalend hun spotnaam ‘Picaarden’ toegemeten kregen omdat ze zich hadden laten verfransen. Een beetje naar analogie van de verwijtwoorden ‘Franskiljon’ of ‘Leliaard’. De inburgering van ‘Picaard’ zal op termijn een Romaanse variante krijgen; ‘Picard’ natuurlijk en op zijn beurt zal Picardia de naam van het land worden. Het is duidelijk dat die naam er pas komt lang nadat daar een Germaanse bevolking de regio gekoloniseerd heeft. Ik kan het een beetje vergelijken met de naam van Wallonië die pas in de 19de eeuw ontstaat uit de naam ‘Wallon’ en pas dan zal doorgroeien tot een volksnaam en de naam van een land. Ik blijf maar nieuwe zaken opsteken. Ook in Brussel krijgen de eerste Franskiljons een spotnaam. In het toneelstuk ‘La fille de monsieur Beulemans’ (1913) krijgen ze de spotnaam ‘Beulemania’ toegemeten.

Maar voor wat het de naam ‘Picard’ betreft is het duidelijk, het woord moet vanuit Germaanse monden ontstaan zijn, het is een zuiver Germaanse naam die door de Germanen moet gegeven zijn aan hun medeburgers die zich lieten romaniseren. Zo is de Franskiljon zeker geen geboren Fransman of Waal, maar een Vlaming die ‘Franselaart’. Een Picaard is een geboren Dietser/Germaan die Romaniseert en op zijn eigen manier het Frans met zijn eigen dialect een specifiek karakter en taal zal geven. Picardië verschilt hoe dan ook grondig van Frankrijk. Etnisch en staatkundig helemaal anders. De koning mag hier dan wel het eerst begonnen zijn met operatie ‘verfransing’. Toch blijven hier nog veel Germaanse woorden opduiken. Vooral het verkleinwoord ‘-quin’ toont dat Picardië veel Germaanser is dan de Gallische ‘Ile de France’.

Dat de landgrenzen van Picardië en zijn etnische verbondenheid met het noorden met verloop van tijd verloren gaan ligt volgens Van Es aan de sterkte van de Franse dynastie waar hele generaties van koningen hier hun invloed hebben laten gelden. Terwijl de generaties graven in Vlaanderen telkens opnieuw ophouden met bestaan wanneer de mannelijke lijn uitsterft. De Picardische tussentaal blijft desondanks lange tijd geprangd tussen het Vlaams van de Westhoek en het Romaans van de ‘Ile de France’. Die taal moet wel degelijk ontstaan zijn ten zuiden van de Somme. Voor de Fransen is het Picardisch een zuiver dialect. Ze hebben natuurlijk gelijk omdat de volkstaal in Picardië sterk afwijkt van het Frans.

De bevolkingslaag van het gebied moet sterk afwijken van die van de ‘Ile de France’. Op basis van geschiedkundige aanduidingen en de aanwezigheid van Ingaewonismen kan er aangenomen worden dat de bevolking van Picardië tot dezelfde groep behoort als de groep die vanaf Nederland via de Vlaamse provincies tot aan de ‘Ile de France’ één ‘pre-Frankische’ laag uitmaakte. Het lijkt erop dat pas na het jaar 500 een Frankisch-Sicambrische volksstam de regio ten zuiden van de Somme onderwerpt. Dat kan afgeleid worden uit de aanwezigheid van Saksische ‘born’ namen gecombineerd met Frankische ‘bron’ namen. Zo bestaat er in Corbie een Thiembronne naast Seburne.

Het Sicambrisch-Frankische vorstengeslacht trekt in de loop van de 5de eeuw vanuit Dispargum (Duisburg) via Brabant naar Doornik. Vandaar gaat het naar Amiens en vervolgens naar Parijs die hun hoofdstad wordt. Het bestaan van een hertogdom Francia Maritima naast het eigenlijke hertogdom Francia duidt op een etnisch verschil tussen beide. Dat kan mogelijk zijn maar er mag niet uit het oog verloren worden dat de reeks Frankische stammen ook wel een allegaartje van dialecten met zich zal meedragen. Veel historici zijn van mening dat de Romanisering achteraf vrij snel gebeurd is. Van Es is overtuigd van het tegendeel. De verfransing is er mondjesmaat gekomen.

Om die snelle Romanisering te verklaren grijpen de geschiedkundigen terug naar de theorie dat er één gesloten Germaanse nederzetting heerste tot aan de Kwinte, zeg maar tot aan Calais. Tot aan de Somme is er sprake van verspreide kolonies Germanen en verderop naar het zuiden settelen Germaanse adelen zich als leenheer boven een mix van Gallo-Romaanse horigen. Het lijkt duidelijk dat als er sprake is van een taalverandering die voor het eerste zal plaatsvinden bij hooggeplaatste personen. Maar dat de Belgische horigen zomaar massaal van taal zouden veranderen is gewoonweg onmogelijk. Aan de Galliërs moet niet eens gedacht worden want die zitten in het jaar 100 al beneden de Loire. Verder valt het toch wel op dat er in de primitieve Franse taal van toen sprake is van ongeveer vijfhonderd woorden van Germaanse oorsprong terwijl er amper Gallische woorden overgenomen zijn.

De Franse taalkundige Antoine Meillet zet daartegenover dat het aantal Romaanse woorden in het ontbolsterend Frans gering is. Pakweg vierhonderd woorden afkomstig uit het dialect en de ‘sneltaal’ van de soldaten waaruit het Frans zich uiteindelijk zal ontwikkelen. Die vierhonderd waarvan sprake zullen niet alleen in het Frans achterblijven maar ook in het Spaans en het Roemeens hun sporen achterlaten. De rest van de Franse taalschat zal later ontstaan door toedoen van geleerden en taalkundigen. Wanneer ik nu terugkeer naar de Frankische tijden dan kan ik vaststellen dat er al vroeg een soort provinciaals Latijn gesproken wordt bij de hooggeplaatsten. Venantius Fortunatus, Sidonius Appolinarius en Gregorius van Tours bewijzen dit in hun geschriften. Het zijn zij die de opperlaag hebben gestuwd om hun voorbeeld te volgen. De lagere bevolking spreekt zijn moedertaal en als ze al een andere taal spraken zal die het soldatenjargon zijn.

Het Latijn ligt zeker niet aan de basis van het Frans. Die eer wordt toebedeeld aan dat soldatenjargon met zijn amper vierhonderd woorden. Vanuit dat brabbeltaaltje ontstaan alle Romaanse talen buiten Italië en de Provence. Hier en daar zal het Latijn wel zijn inbreng hebben met zogezegde neolatinismen die zich gaan enten op de nieuwe taal. Het zijn Germaanse monden die deze talen doen ontstaan in een ‘langue d’ oïl’ en een ‘langue d’Oc’ die op hun beurt verder zullen opgesplitst worden in diverse dialecten. Ik heb het hier over het Bourgondisch, het Frans, Normandisch, Picardisch en het Waals. In alle regio’s ten noorden van de Loire moet de meerderheid van de bevolking er Germaans geweest zijn.

De scheiding tussen het Frans en het Picardisch is altijd scherp merkbaar geweest. ‘Picardie’ heeft in de 14de eeuw niet alleen een geografische betekenis maar ook een politieke. Feitelijk kan dit land in de buurt van Amiens en Abbeville toen al beschouwd worden als een grenslijn van het front van de Romanen tegen de Vlamingen. Zeg maar een breuklijn tussen het Vlaams en het Frans of in die tijd nog het Romaans en het Diets. De taalgrens van toen. Met verloop van tijd zal de grens waar het Vlaams ophoudt te bestaan altijd maar verschuiven naar het noorden. De Romanisering voltrekt zich heel geleidelijk en begint altijd opnieuw bij de hogere burgerij. Net zoals dat het geval is in Belgisch Vlaanderen. Die verfransing wordt daarbij gestimuleerd door de kerk die onder Romaanse leiding staat en waarbij de meeste kloosterorden hun hoofdzetel in Romaans gebied hebben.

De Vlaamse geschiedkundige Karel De Flou ziet er een duidelijke strategie van de Franse koning in. Die heeft voldoende staatkundige redenen om eenheid van taal te ambiëren over het hele land. Een pak gebieden hangen natuurlijk rechtstreeks van hem af. Telkens er een van die leengebieden zonder opvolger komt te vallen zorgt hij er voor dat die in handen komt van zuivere Romaanse adel die dan nog bij voorkeur uit Anjou. De Romanisering wordt zo gedurende veel eeuwen met vereende krachten uitgevoerd. Zo wordt bijvoorbeeld nog in de 19de eeuw door de staat betaalde salarissen ingehouden voor wie Vlaams preekt of catechismuslessen in het Vlaams houdt. Dat er veel tijd over gaat blijkt bijvoorbeeld bij een aantal kloosters. Die van Corbie, St.-Riquier, Hasnon, St.-Amand en Maubeuge zijn in de 11de eeuw nog volledig Vlaams van aard. De Romanisering hier zal zeker driehonderd jaar aanslepen en is pas voltrokken in de 14de eeuw. De grote bevolkingscentra blijken daarentegen kernen van Romanisering geweest te zijn.

Van Es concentreert zich nu op de Walen. Van waar komen die opgedoken? Ik vraag het me af. Net als de inwoners van Picardië danken ze hun bijnaam aan de Germanen. Een Waal werd er oorspronkelijk als ‘Walah’ of ‘vreemdeling’ omschreven. De term ‘Walen’ houdt verband met zwerven of wentelen. Etnisch gezien zijn ze een mix die hier staat omschreven als ‘noords’ gemengd samen met een deel ‘alpine’ die absoluut niet van Keltische oorsprong is. Het Waals ontstaat net zoals het Frans en de diverse dialecten in Picardië, Normandië, Bourgondië uit het al voornoemde brabbeltaaltje van de oude soldaten die zich op het hele Gallo-Romeinse grondgebied moesten zien verstaanbaar te maken. Een taaltje met vooral een Germaanse inslag waarop de Latijns kennende ‘clerici’ neolatinismen hebben geënt.

Als ik kijk naar het Frans ontstaat deze taal in de mond van de Neder-Frankische stam die vanuit Westfalen over Salland, Betuwe, Brabant naar Doornik, Amiens en Parijs trok om zich later in de ‘Ile de France’ te vestigen, ten westen van de Oise. Het Waals heeft vermoedelijk een Middelfrankische (Ripuarische?) achtergrond. Franken die aan de oevers van de Rijn woonden. De Ripuariërs dringen via Tongeren verder het Maasdal in.

De studie loopt op zijn einde en van Es begint aan zijn nawoord. Een zeer vroege minachting voor de Germaanse vormen door de klerken en het gemis aan oude akten heeft hem parten gespeeld. Daar is hij zeker van. Er blijven een hoop vragen over. Het doordringen van het Romaans heeft nog meer Germaanse woorden doen verdwijnen dan aanvankelijk gedacht. Misschien is dat wel ‘wishful thinking’ van mijn Vlaamsgezinde schrijver. Of misschien niet. In zijn slot heeft hij het nog uitgebreid over woorden met -aken, -dale en -dalle, horizontale en verticale taalgrenzen. Ikzelf houd het voor bekeken. Ik heb een pak bijgeleerd over het verdwijnen van het oude Vlaams uit Frankrijk. Geschiedenis zoals ik die nog niet eerder beleefd heb!