Hoeveel Eddy’s werden er niet gekerstend?

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     386 Views     Leave your thoughts  

Gebruiken bij een geboorte
Toen een vrouw een kindje zou kopen, hoorde men volgende gezegden : Ze is in gezegende toestand, z’ is aan ‘t sparen ; er is iets op gang ; z’ is in blijde verwachting ; ze gaan verrijken. Zo de geboorte zou geschieden vóór de negen maanden na het huwelijk, dan hoorde men : “ze hebben een pintje voor de vespers gepakt” ; Z’ is verbrand”.

Vrouwen die aan ‘t sparen waren, mochten niet verschieten. Steeds moesten hun grilletjes en goestingen ingevolgd zo niet zou het kindje ervan de gevolgen dragen met een moedervlek (geboorteplek) : een aardbei, een tros druiven enz, kortom hetgeen haar werd geweigerd. Ze mocht met “verwaaien Zo heb ik een man gekend die twintig kilometer aflegde om een “stokvis te bemachtigen (om aan de gril van zijn vrouw te voldoen).

Ook werd er zeer veel geloof gehecht aan de invloed van demaan. Spreekt men niet van “manekind” ? Vele moeders gingen naar Roeselare of leper bij de paters om zich te laten belezen.
Daar kleintjes uit de kolen kwamen, werd er door de kinderen dikwijls gespeurd tussen rode- en savooikolen om een broertje of zusje te ontdekken.

Bij de geboorte werd een beroep gedaan op een vroedvrouw, rijke lieden op doktershulp. Naar ik mij herinner, waren er voor 1914 in Passendale twee wettelijke (gediplomeerde?) vroedvrouwen nl. Louise Cardoen en Mevr. Aloïs Honraedt, beiden uit de Molenstraat.

Zodra de moeder wist dat er “iets op gang was”, zorgde zij voor de kinderkorf waarin absoluut niets mocht ontbreken. Volgens het een jongetje of een meisje was dat moeder verwachtte, (lees: het liefst had), koos je roos of blauw kleur voor de versiering van de wieg.

Nu kwam het er op aan een peter en een meter te zoeken voor de dopeling. Die werden spoedig gevonden Niet altijd was men het van de eerste maal eens met de benaming van het kind. Niet zelden hadden peter of meter een andere naam voorgesteld dan de ouders Gewoonlijk is de eerste naam deze door de ouders aangeduid, gevolgd door de naam die peter of meter willen geven, en eindelijk werd een derde naam bijgevoegd nl. de naam van de heilige die in de parochie vereerd wordt, hier de H. Comelius. Na de eerste Wereldoorlog werd het eerste kindje in Passendale geboren in 1919, gedoopt als Korneel (Ledoux).

In vele namen is het tegenwoordig moeilijk de naam van een heilige terug te vinden. In die tijd noemde men “een kindje dopen” een kindje kersten doen – kerstenen – kristen maken ; vandaar de naam ‘kerstekindje’, ‘t Is eigenaardig, maar gedurende bepaalde perioden, kregen veel kinderen dezelfde voornaam. Wanneer men de ..conscriptielijsten nagaat, stelt men vast dat tussen 1700 en 1800 de kinderen het meest “kerstend werden onder de naam van Jacques, Jean, Pierre, Pierre Jacques, Pierre Jean, Louis, Joseph, Ignace en Philippe.

Van 1800 a 1900 waren het Kamiels, Jules, Bruno’s. Leo’s en Leopolds. T.jdens de oorlog 1914 waren het Alberts. Marie-Josées en Elisabeths. Nu zijn het de namen van filmsterren, sportfiguren, astronauten enz. die het halen boven de naam van een heilige.

Hoeveel Eddy’s werden in de laatste tijd niet gekerstend? Er is een tijd geweest dat de oudste zoon steeds dezelfde voornaam kreeg van de vader. Wanneer men de boeken van de burgerstand nagaat, stelt men vast dat een zelfde voornaam één- tot tweemaal in de zelfde eeuw terugkomt.

Zodra het kindje geboren was. moest de vader zijn nieuwe telg laten inschreven in het bevolkingsregister. In de pastorie of onderpastor” werden de doopplechtigheden geregeld. In Passendale was het doopuur rond de middag. Volgens de stand kwam heel de doopstoet dan ofwel te voet, ofwel per rijtuig naar de kerk

De veraf wonenden kwamen ook per sjees Het kerstekindje werd gedragen door de vroedvrouw, omringd door peter en meter Het kindje was gehuld in een doopmanteltje dat gewoonlijk een erf- en pronkstuk was van ouders en grootouders. Deze kleedjes werden altijd goed weggeborgen voor een volgende gelegenheid. (Ik denk niet dat ze toch nog dienstig geweest zijn voor de kleinkinderen van L.V. die zelf eenentwintig kinderen had.)

De onderpastoor en de koster stonden reeds bij de doopvont. Het trouwboekje werd aan de koster overhandigd en de ceremoniën begonnen. Wat een oneindig verschil bij nu! Na het doopsel werden peter en meter uitgenodigd in de sacristie om de doopakte te ondertekenen. Onderpastoor en koster ontvingen een fooi. Daarna verliet men de kerk en de man van de straat bracht een bezoek aan verscheidene herbergen waar peter en meter trakteerden.

Zodra de stoet weer thuis was, werd de moeder gelukgewenst met haar kerstekindje. Ze nam het kindje uit de handen van de vroedvrouw en gaf haar schat een kruiske. Rijke lieden reden van de kerk naar huis. Het doopmaal volgde. Gewoonlijk deed de moeder na negen dagen haar kerkgang. Onder het altaarkleed stak zij een fooi voor de priester. Zolang de vrouw haar kerkgang niet gedaan had, zou een priester het huis van de jonge moeder niet betreden hebben. Volgens de Oude Wet was zij nog onrein, en moest ze eerst gezuiverd worden.

Slechts na haar kerkgang nodigde de moeder de geburen uit om het kindje te komen bezichtigen, t Werd koffiebal met koekeboterhammen met al het gezwets van: “wat een schoon kindje”, “t is echt zijn moeder”, vader enz., kortom iedere vrouw prees en loofde om het meest de jonge telg.

“Doopsuiker” is maar van latere datum. Wanneer het kindje iets weg heeft van peter of meter, zegt men ? “de vonte heeft gesmet”. Is peter of meter belet, dan wordt een plaatsvervanger aangeduid, “pitje- of mitjelap” geheten. Bij de doop van een zevende zoon of dochter, aanvaardde de koning of de koningin het peter- of meterschap. Zij lieten zich altijd vervangen door de burgemeester of zijn vrouw.

In 1931 was dit hier ook het geval bij de doop van een zevende dochter van A.D., doch de ouders waren het niet eens met de aanduiding van de vrouw van de burgemeester H.D. en verkozen de vrouw van de dokter R.V. tot meter. De burgemeester sloot de deur van de klokzolder zodat er niemand de klokken kon luiden tijdens de doopplechtigheid. Het kindje werd Elisabeth gekerstend. Lang werd er over dit incident nagepraat.

Uit ‘Passendaalse herinneringen’ van G. Versavel uit 1973