Hoeveel inwoners telde Ieper ooit?

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     405 Views     Leave your thoughts  

Waar de Ieperse magistraat bericht dat er in 1247 wel 200.000 inwoners te Ieper gevestigd waren, en in 1485, in een verslag over de materiële toestand aan de Grote Raad van Mechelen, beweert dat er omstreeks 1408 nog 3 à 4.000 weefgetouwen in werking waren, dienen we beide gegevens als fantastisch en volkomen onjuist te verwerpen. Volgens een opgave van Sanderus in zijn ‘Flandria illustrata’ en een rapport van de Ieperse magistraat, in 1435 tot het Parlement van Parijs gericht, waren er in de bloeitijd van de Ieperse draperie ongeveer 2.000 getouwen in bedrijf.

Hoewel het genoegzaam bekend is dat Ieper niet alleen de meest typische draperiestad uit de Vlaamse Middeleeuwen, met een vrij hoog procent wevers en Iakenbewerkers, maar ook de trouwste beoefenaar – tot zelfs in de 17de eeuw – van de oude weefnijverheid geweest is, dient dit hoge cijfer nauwkeurig getoetst aan de lakenafzet en het aantal inwoners. Dan enkel lijkt het ons verantwoord het hoog cijfer weefgetouwen tot de aanvang van de 14de eeuw te behouden.

Uit de lakenverhandelingen en de bouw van de majestatische lakenhalle tijdens de 13de eeuw blijkt het welk sterk levensritme leper in de Middeleeuwse bloeiperiode bezat. Een grafiek van de Middeleeuwse lakenproductie te Ieper is ons echter niet bekend. Wel heeft H. Laurent gepoogd het aantal geweven lakens jaarlijks te berekenen. Hoe misleidend en onbetrouwbaar zijn productiecijfers waren, is gebleken uit de merkwaardige studie van H. Van Werveke.

De omvang en de varieteit van de Ieperse afzet zijn nochtans verbijsterend geweest. Reeds op 23 Januari 1233 verwierf onze stad een bevoorrechte plaats in Engeland : hare kooplui genoten immers in het Engelse rijk koninklijke bescherming en handelsvrijheid, en konden bij een eventuele oorlog alleen wegens eigen schulden of delicten tegen de koning en zijn onderdanen aangehouden worden

Door een privilegie van 1193 werden de Ieperlingen in Frankrijk onder bescherming van Filips-August genomen; in geval een geschil tussen suzerein en graaf oprees kregen ze veertig dagen tijd om het land te verlaten, werden ze toch aangehouden door Franse agenten dan genoten ze dezelfde behandeling als de burgers van Parijs.

In het Italiaanse schiereiland was de afzet bijzonder hoog tijdens het laatste kwart der xue en de eerste helft der 13de eeuw. Na 1250 vertegenwoordigde de uitvoer van lakens naar Spanje een belangrijk deel van de Ieperse handelt. Tenslotte, de afzet te Nowgorod (Ilmenmeer) klimt zeer vroeg op : tussen 1130-1136 zijn de Ieperse weefsels er bij de hoofdvoorwerpen der verhandelingen op de jaarmarkt.

Volgens de vermaardheid van de Ieperse lakenproductie in de vreemde lijkt het bijgevolg waarschijnlijk dat het cijfer 2.000 getouwen niet buiten de perken van de mogelijkheid gelegen was. Evenwel blijft het gewenst steviger bewijzen, zo mogelijk hevolkingscijfers of statistische gegevens te verzamelen – hoe ontgoochelend het materiaal voor Ieper sinds 1918 ook moge wezen!

Tot nog toe werd er geen aandacht besteed aan de bul van Paus Alexander IV (1254-1261) van 9 januari 1258, gericht tot de bisschop van Atrecht, waarin melding wordt gemaakt dat de proost en het kapittel van St-Maartenskerk te Ieper de bevolking op ongeveer 40.000 zielen ramen. Het lijkt ons vrij waarschijnlijk dat dit cijfer niet zo ver van de waarheid verwijderd is, vooral dat hier stellig de stad in haar meest ruimtelijke omvang bedoeld wordt d. w. z. niet het bewoonde gedeelte binnen de stadsmuren maar wel geheel het Iepers schependom tot aan de ‘kruisen’.

Men mag dus concluderen dat ook de volkrijke buitenkwartieren in dit hoog cijfer inbegrepen zijn. Een reden tot opzettelijke overdrijving is hier blijkbaar uitgesloten, omdat de inkomsten van de clerus geraamd werden volgens het aantal inwoners. Dat een vergissing of misrekening vermoedelijk niet tot de mogelijkheden behoren, moge blijken uit volgende beschouwingen.

Voor de 15de eeuw beschikt men voor Ieper over gedeeltelijke tellingen van de hand van H. Pirenne voor de jaren 1412, 1431, 1437, 1491 en 1506; de cijfers waren respectievelijk 10.736, 10.523, 9.390, 7.626 en 9.563. Ongetwijfeld benadert die optelling dicht de werkelijkheid, hoewel Pirenne niet verduidelijkt heeft of die cijfers ook de bevolking buiten de tweede omheining omvatten.

In de 13de eeuw was het aantal inwoners merkelijk hoger. Afgezien van de democratische woelingen en de geleidelijke ondergang der Vlaamse draperie, was de 14de eeuw toch een ware ongelukseeuw voor Ieper. Verschillende gebeurtenissen van catastrofale aard hebben hare bevolking geweldig doen slinken. Weliswaar vergde de Cokerulle – de dernocratische omwenteling in 1280 – weinig slachtoffers, maar des te erger waren de belegering en de verwoesting door de Fransen in de jaren 1296-1298, waardoor de voorwijken van Ieper met de grond gelijk gemaakt werden; een Artesisch versje verhaalt ons de ramp:

tous les forbors ardirent
et li moulin a vent.
Trestout autour la ville
ne demoura noient

Op economisch gebied moest deze vernietiging van haast even groot belang geweest zijn als de vernieling van 1383 door de Engelsen en Gentenaren. De verwoestingen door de pest aangericht, waren ontzaglijk. De epidemie van 1316 (vóór Mei tot October) eiste, volgens de niet altijd betrouwbare gegevens van J. A. Diegerick, niet minder dan 3.012 doden; ook het volgend jaar, of beter van Allerheiligen 1316 tot Allerheiligen 1317, zouden er wekelijks 8 à 20 personen gestorven zijn – in de derde week van Januari 1317 wel 31 – waardoor het totaal begraven pestlijders van 1316- 1317 op ruim 4.000 mag geraamd worden (2).

Na de nederlaag van Zannekin bij Kassel (23 Augustus 1328) was Ieper verplicht aanvankelijk 1.000, achteraf 815 handswerklieden uit de draperie (waaronder 437 wevers) voor drie jaar naar Frankrijk te verbannen; het jaar daarop keerden er weliswaar 253 terug, maar het is niet onwaarschijnlijk dat de overige 562 in Frankrijk zijn gevestigd gebleven.

Hoeveel sterfgevallen de Zwarte Dood (1349-1351) veroorzaakt heeft, is ons niet bekend. Het lijdt evenwel geen twijfel dat het aantal pestlijders toen vrij hoog is geweest: A. Van den Peereboom, vermoedelijk steunend op kronijken, houdt staan dat 1/3 der stadsbevolking door de ‘Gaeudoot’ weggerukt werd; meer weet hij echter niet te vertellen.

Dezelfde auteur maakt nog gewag van twee pestepidemiën, de eerste in 1359 en de tweede in 1365 : het aantal gestorven pestlijders zou alsdan successievelijk 4.000 en 7.000 bedragen hebben. Het hoeft niet gezegd dat die laatste cijfers de grenzen van de waarheid ver te buiten gaan. Nochtans blijft de mogelijkheid open dat de verschrikkelijke plaag van 1349 evenveel slachtoffers opeiste als de pest van 1316-1317.

Een echte ramp ook was de belegering van 1383 door de Engelsen van de bisschop van Norwich en de Gentenaren : de dichtbevolkte buitenwijken werden nogmaals verwoest; sindsdien heeft men ze niet meer heropgebouwd. Uit dit alles blijkt dat weliswaar de bevolkingsaangifte van het jaar 1258 in een niet precies te bepalen mate licht overdreven moet worden geacht, maar anderzijds dat, in het licht van de gegevens betreffende het aantal inwoners, de raming van 2.000 weefgetouwen voor de tweede helft der 13de eeuw geenszins overdreven is.

De vraag is echter of Ieper wel genoeg wevers telde om de vereiste bewerkingen aan een zo groot aantal getouwen uit te voeren! Veronderstelt het geraamde aantal getouwen niet de aanwezigheid van een aanzienlijk, ja onmogelijk cijfer handwerkers? Omtrent 1345 waren er te Gent ongeveer 4.000 wevers en 2.000 andere lakenbewerkers, of, in verhouding tot de bevolking van 12 jaren later, ongeveer 7% wevers op de gehele stadsbevolking.

Welk procent van de totale bevolking vertegenwoordigden nu de wevers in het 13de eeuwse Ieper? De voorhanden zijnde gegevens laten ons niet toe directe inlichtingen te verschaffen. Zonder aarzeling nochtans mogen we voor Ieper ca. 1260 een sterker percentage dan voor Gent ca. 1350 aanvaarden; nemen we aan dat het op ongeveer 10% mag geraamd, dan betekent dit nagenoeg 4.000 wevers op een bevolking van 40.000 inwoners.

Daar het opgegeven bevolkingscijfer in een niet te bepalen mate ons overdreven toeschijnt, dient ook het aantal wevers lichtjes gewijzigd: het approximatief aantal van 3 à 3.500 mag echter niet als te hoog bestempeld worden. Welnu, overwogen dat het stadsbestuur niet meer dan twee getouwen per wever toeliet, kan het geschatte aantal weefgetouwen nl. 2.000, als betrekkelijk geloofwaardig geacht worden voor de bloeitijd in de 13de eeuw: trouwens vele wevers verhuurden zich als knapen, waren bijwijlen werkloos, en waren niet noodzakelijk in het bezit van het toegelaten maximum getouwen.

Het is echter geraden aan te nemen dat de bevolking, het aantal wevers en getouwen in de aanvang van de 14de eeuw geslonken zijn, vooral door de crisis in de Vlaamse draperie sinds 1270-1274 en de verwoesting van 1296-1298. H. Van Werveke heeft voor de jaren 1311-1312 tot een cijfer van hoogstens 28.000 geconcludeerd, dat de werkelijkheid wel benadert, doch onzes inziens, in het licht van bovenstaande beschouwingen, lichtjes dient verhoogd.

Kan het probleem dan niet opgelost worden door een onderzoek van een ander standpunt uit? Kan de statistiek van de aangekochte loodjes ons niet helpen bij de berekening van het aantal wevers of vollers, om dan ook de bevolkingsdichtheid op te maken? Dat men elke nauwkeurige berekening dient te verzaken om zich met een ruwe schatting tevreden te stellen, moge blijken uit volgende beschouwingen. De lengte der Ieperse lakens was verschillend volgens de lakensoorten: halve lakens maten doorgaans 20 ellen, gehele 36, 38, 40 of 41 ellen.

Welnu, voor het jaar 1311-1312 werden ± 90.000 loodjes gebruikt om de lakens te zegelen : zelfs in de veronderstelling dat ieder loodje één laken vertegenwoordigde, weten we nog geenszins hoeveel ellen Ieper jaarlijks kon produceren. Met het oog op een ruwe schatting zijn we verplicht genoegen te nemen met een gemiddelde approximatieve lengte van 35 ellen, omdat ook de vele halve lakens een zegel ontvingen.

Over de duur van de weefarbeid aan een Iepers laken, is ons niets bekend. Een nuttige aanwijzing verschaft ons een reglement voor de wevers van St-Omaars, die amper vier dagen besteedden aan een weefsel van 42 ellen. Veronderstellen we nu dat de arbeidsvoorwaarden en de -duur te Ieper op weinig na dezelfde waren als te St-Ornaars, en dat de Ieperse wever ook vier dagen nodig had voor de fabricatie van 42 ellen laken, dan zou een dagelijkse productie van 10,5 ellen de normale werkprestatie geweest zijn.

Volgens een berekening van H. Van Werveke mogen wc het aantal effectieve werkdagen in de meeste Vlaamse steden der Middeleeuwen op ongeveer 240 rekenen. Aldus bereiken we: 240 x 10,5 = 2520 ellen of 2520:35 = 72 lakens per jaar voor ieder actief wever te Ieper. Op een eventuele productie van ongeveer 90.000 stuks in de jaren 1311-1312 veronderstelt dat de aanwezigheid van 90.000:72 = 1250 wevers, afgezien natuurlijk van een kleine hoeveelheid werkloze weversknapen, die zich bijwijlen niet konden verhuren.

Overwogen dat Gent ca. 1345 nog 4.000 wevers telde en dat er te Ieper ca. 1536-1538 op ongeveer 10.000 zielen nog wel 800 wevers waren, lijkt het ons niet onwaarschijnlijk dat er ca. 1311-1312 te Ieper – toen het aantal inwoners nog wel ongeveer 30.000 bedroeg – minstens 2.000 wevers met 1.200 à 1.500 getouwen in de draperie werkzaam waren.

Volgens de optelling van H. Van Werveke bedroeg de gemiddelde duur van het vollen van een laken 3,5 dagen : aldus zou de Ieperse voller jaarlijks (op 240 werkdagen) 240:3,5 = 68,5 lakens bewerkt hebben. In de veronderstelling dat 90.000 loodjes evenveel lakens vertegenwoordigden ca. 1311, zouden er niet minder dan 90.000:68,5 = 1314 vollers te Ieper gewerkt hebben.

De uitkomsten van de twee berekeningen brengen ons niet dichter bij de oplossing van het vraagstuk: er zijn hier trouwens meer vollers dan wevers! Ook vindt de gezaghebbende Gentse historicus het aantal vollers volgens zijn berekeningen vrij hoog in verhouding tot de Ieperse bevolking en in vergelijking met de 1208 weerbare vollers te Gent in het jaar 1357, alsdan een stad van nagenoeg 58.000 inwoners.

Niettegenstaande het bevolkingsaantal en het uitzonderlijk hoog procent wevers en vollers, geloven we inderdaad dat het berekende aantal vollers dient verlaagd. Evenwel zijn we van oordeel dat de vollers te Ieper toch ongeveer de helft van de weversmassa bereikten.

Ten andere, we vragen ons af of die 1208 weerbare Gentse vollers van 1357 – hoewel de weerbaarheid tot de uiterste grens was opgevoerd – niet moeten aangevuld worden met nog enkele tientallen thuisgebleven vollers, ongeschikten, of om bepaalde redenen niet opgeroepenen! Er blijft nochtans een ernstig bezwaar tegen onze veronderstelling. In 1533 wordt er melding gemaakt van 2 à 300 vollers in het ambacht, een tijdstip waarop er misschien nagenoeg 800 wevers te Ieper gevestigd waren.

De uitkomst van onze becijferingen schijnt dus niet te kloppen met de gegevens van de 16de eeuw: volgens onze gissing zijn er ca. 1311 omtrent 2000 wevers d. i. meer dan het dubbel van ca. 1533, en nagenoeg een duizendtal vollers, of ruim drie- bijna viermaal zoveel als in 1533.

Vooreerst merken we op dat slechts een ‘relatief’ aantal vollers in de 16de eeuw wordt aangestipt. Bovendien zijn er redenen om aan te nemen dat de Ieperse vollers in de 15de-16de eeuw veel vlugger geslonken zijn dan de wevers. Belangrijke oorzaken van dit verschijnsel vindt men ongetwijfeld in het gebruik de lakens in vreemde steden te laten vollen, in de lage lonen die aan de Ieperse vollers werden uitbetaald en in de algemene verbreiding van volmolens in Zuid-West-Vlaanderen.

Ook voor de aanvang van de 14de eeuw moeten we bijgevolg genoegen nemen met een reeks benaderingen, en gedeeltelijk ook met gissingen, die steeds voor herziening vatbaar blijven bij aanwending van nieuwe elementen of verworvenheden .

Tegenover een approximatieve bevolking van nagenoeg 30.000 inwoners omstreeks 1311-1312, kan Ieper een eeuw later slechts 10.736 en in 1491 nog 7626 inwoners plaatsen. De oorzaken hiervan werden hoger reeds aangewezen. Uit het verslag van de Ieperse magistraat over de algemene toestand der stad in maart 1485 aan de Grote Raad van Mechelen, blijkt eens te meer hoe behoedzaam men de documenten dient te onderzoeken.

Volgens dit rapport was Ieper in 1408 nog een bloeiende stad van 80 à 100.000 inwoners met 3 à 4.000 getouwen, in 1485 daarentegen was de bevolking er op 5 à 6.000 inwoners en het aantal getouwen op 25 à 30 geslonken. Dat zulke aangiften onbetrouwbaar en misleidend zijn, en telkens een verkeerd beeld ophangen, spreekt reeds uit de overdreven gradatie der cijfers voor 1408: 20.000 voor de bevolking en 1.000 voor de getouwen. In werkelijkheid telde de stad in 1412 nog 10.736 en in 1491 amper 7.626 zielen.

Dient men nu elke nauwkeurige berekening van het aantal getouwen te verzaken ? Of beschikken we toch over de nodige gegevens om te kunnen schatten met hoeveel getouwen Ieper in de 15de en 16de eeuw gewerkt heeft? We weten helaas niet hoe we uit de tegenstrijdigheid der gegevens en de fantastische cijfers een benaderend aantal kunnen opzoeken.

In de meeste gevallen moeten we genoegen nemen met een gissing. Gegevens ontbreken nochtans niet. In de aanvang van 1443 brengt Karel VII, koning van Frankrijk, het Parijse parlement ter kennis dat de verzwakte Ieperse draperie over niet meer dan 150 getouwen beschikt; veertig jaar later beweert de Ieperse magistraat, in een rekwest tot Maximiliaan van Oostenrijk, dat er amper 16 à 20 getouwen in zijn stad gebruikt worden.

Niettemin deelt een verslag van de magistraat in 1511 mede dat Ieper niet minder dan 2.000 getouwen telde ten jare 1488, doch de sententie van de Grote Raad over de twist tussen Ieper en de weversdorpen in 1502 maakt gewag van amper 100 weefgetouwen. Volgens een ander getuigenis van 1545 bezat de stad in 1517 wel 600 getouwen ; zes jaar vroeger, in 1511, werkte de Ieperse weefnijverheid volgens de magistraat met 3 à 400 getouwen.

Vergelijken we de documenten en plaatsen we even de getallen bij elkaar :

1443 : 150 getouwen
1483 : 16 à 20 getouwen
1485 : 25 à 30 getouwen
1488: 2.000 getouwen
1502 : 100 getouwen
1511 : 3 à 400 getouwen
1517 : 600 getouwen.

De eerste drie vermeldingen stroken stellig niet met de waarheid. Het lag immers vooral in de bedoeling van de magistraat medelijden op te wekken met zijn stad, een privilegie of zelfs vermindering in het ‘transport van Vlaanderen’ te verkrijgen.

En daartoe diende het verval zó schrijnend mogelijk beschreven ! Geheel verzonnen is de opgave van 1488, die alleszins niet in overeenstemming staat met de export en de productie van Ieper te dien tijde : bekende tactiek trouwens om uit de roem van het verleden het hedendaagse leed aan te tonen en steun te bekomen.

De raming van de Grote Raad in 1502 lijkt ons te klein; ten andere, het geldt hier een cijfer dat door de magistraat van Ieper verstrekt werd. Van grote waarde is het verslag over de materiele toestand van de stad, in 1511 naar Maximiliaan gestuurd, ten einde vermindering in het ‘transport van Vlaanderen’ te verkrijgen: hierin meldt het Iepers stadsbestuur dat er nog 3 à 400 getouwen in werking zijn.

Het doel van het rapport in overweging genomen, mogen we aannemen dat het maximum nl. 400 het dichtst bij de waarheid staat. Of er een zestal jaren later ongeveer 600 weefgetouwen gebruikt werden laten we hier in ’t midden, omdat het weer een laattijdig getuigenis (1545) betreft. We hopen de werkelijkheid niet al te veel geweld aan te doen met een 500 tal getouwen te aanvaarden in de aanvang van de 16de eeuw, d. w. z. het gemiddelde tussen de twee meest waarschijnlijke gegevens.

Vermoedelijk was er in de eerste jaren van de 16de eeuw een lichte verbetering in de Ieperse draperie ingetreden. In 1502 had de stad toestemming van Filips de Schone verkregen om haar draperiekeure, die sedert 1428 ongewijzigd was gebleven, aan de noodwendigheden van de 16de eeuw aan te passen; jammer genoeg is de inhoud ons niet bekend.

Het is niet onwaarschijnlijk dat die heropbloei – hoe gering ook – een lichte stijging der bevolking, vooral door immigratie, verwekt heeft: van 7.626 inwoners in 1491 steeg het aantal tot 9.563 in 1506.

De 28 September 1545 vestigen de vicarissen-generaal van het bisdom Terwaan, die te Ieper vertoefden, de aandacht op de economische toestand der stad. Na eerst verzekerd te hebben dat ze ingelicht zijn door registers, brieven en persoonlijke vaststellingen, zetten de proost van de St-Maartenskerk te leper, de proost van Voormezele en de abt van Zonnebeke, vicarissen-generaal, hun bevindingen uiteen.

Volgens hun uitvoerig verslag hebben de wegen, de riolen en het kanaal van de Ieperleet dringend herstellingen nodig ; de zes kerken, de vier bedelorden en de 2.800 dompelaars vergen veel geld van een arme bevolking, die nog voor de 2/3 van de kwijnende draperie moet leven. Vele wevers, ca. 1536-1538 nog ten getale van 800, waren genoodzaakt de bedelstaf op te nemen en hun weefgetouwen te verlaten; in stede van 600, zoals dit enkele jaren vroeger nog het geval was, telt de weefnijverheid nog ongeveer 100 getouwen (volgens de tekst ‘100 of daaromtrent’).

En de geestelijkheid besluit met een oproep tot de regering om een einde te stellen aan de landelijke draperie. Hoewel we heel goed weten dat de belangstelling van de vreemde kooplieden voor de Ieperse lakens zo goed als geheel verdwenen was, is toch een zeker voorbehoud geboden voor de 100 getouwen ‘of daaromtrent’.

Het is inderdaad zeer waarschijnlijk dat er meer getouwen in werking waren, aangezien nog een vrij hoog procent van de bevolking aangewezen was op de draperie. Trouwens omstreeks 1560 waren er 33 en twintig jaar later 29 meesters-saaienwevers te Ieper werkzaam. Het lijdt geen twijfel dat er nog altijd verscheidene tientallen Ieperlingen doeken en fijne lakens volgens de oude werkmethode vervaardigden.

Weliswaar kan men inbrengen dat Gent te dien tijde niet meer dan 25 getouwen telde, doch de linnenindustrie, die Ieper nooit gekend heeft, was er ook reeds bloeiend. Daarenboven mogen we zonder aarzeling aanvaarden dat het cijfer voor Gent niet met de waarheid strookt en merkelijk dient verhoogd.

Het enig materiaal dat tot onze beschikking staat voor de raming van de bevolking in de xv1e eeuw zijn de cijfers van 1491 en 1682, namelijk 7.626 en 12.378. Vermoedelijk benaderen deze getallen de schommelingen in de densiteit te Ieper tijdens de 16de eeuw, want een merkwaardige heropbloei of erge catastrofe is ons niet bekend. Onbetrouwbaar is de opgave van Sanderus, in ‘Flandria illustrata’, waar hij beweert dat Ieper in zijn tijd, ca. 1640, slechts een tiental getouwen in werking kon houden.

Dat dit cijfer voor verbetering vatbaar is, blijkt uit:
1. de organisatie der draperiearbeiders, waarvan de scheerders en de ‘warandeerders’ nog met een keure begiftigd werden in 1608 en 1636.

2. de keuren en ordonnanties die gedurende de xvue eeuw uitgevaardigd werden.

3. het bestaan van een wevers- en een saaienweversambacht in 1631.
Pas op het einde der 17de eeuw bezitten we juiste gegevens nopens de bevolkingssterkte van Ieper. In 1682 bedroeg het aantal inwoners er 12.378, twee jaar later l l.819, in 1689 reeds 13.247 – een tijdstip waarop de Gentse bevolking ongeveer 52.000 zielen bedroeg, in 1699 nog 11.900. In de aanvang van het jaar 1680 waren er ongeveer 70 meesters in het saaienambacht ingeschreven; uit een ander document van 1693 (of mogelijks ook van 1680) blijkt het dat er 48 saaienwevers met 85 getouwen (waarvan één met 5 en vier met 4 getouwen) te Ieper woonachtig waren.

Blijkbaar nam het verval snel toe in de laatste jaren van de 17de eeuw, in 1699 waren er nog slechts 12 getouwen in gebruik genomen. Vermoedelijk in de aanvang van de 18de eeuw zijn de laatste overblijfselen van de draperie verdwenen of althans ten enen male zonder commerciële en industricle betekenis geworden.

Het mag bijgevolg wel gezegd dat de verschillende pogingen tot acclimatisering van b.v. de Hondschootse saaienweverij en de Lichte Draperiën o.m. nog in 1689 door immigratie van Hollandse wevers. nooit de verhoopte resultaten hebben opgeleverd.

Samenvattend bereiken we dus volgende echter meestendeels geen absolute cijfers zijn, enkel benaderingen, die nochtans kunnen volstaan voor de rechtvaardiging van de Ieperse productiekracht

ca. 1260 40.000 inwoners? 2.000 getouwen
1311-12 30.000? 1.500?
1412 10.736
1491 7.626
1511 10.000? 500?
1682 12.378 minimum 85
1699 11.900 12.

J. Demey ‘Proeve tot raming van de Bevolking en de weefgetouwen te Ieper van de 12de tot de 17de eeuw’ uit 1950.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>