Holde als een aalkarteel

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       7 months ago     259 Views     Leave your thoughts  

Oude Vleterse taalschat

Kinderen zijn altijd vraagstaarten geweest. Dat geldt voor onze kinderen, maar ook voor onszelf toen we klein waren. Af en toe maken we wel een keertje ruzie, vooral als ze met velen zijn. Het bewijs van mijn eigen vraagstaarterij en ruziemakerij vind ik terug in enkele rijmpjes die ik onthouden heb uit lang vervlogen dagen.

Wiene, Pietje Diene
Winne, een bollebinne,
Wuk, een bitje van de buk!!

In die volkse rijmelarij die volwassenen tegenover vraagstaartende kinderen gebruikten, vind je de drie vragende voornaamwoorden terug die ons dialect kent; wiene = wie en vraagt naar personen. Winne = wat en vraagt naar zaken. Wuk is precies hetzelfde als winne. Pietje Diene = Pietje Dinges; een bollebinne is een garenklos. Na zo een antwoord op onze vraagstaarterij kregen onze ouders de kans om voor een tijdje met hun werk voort te doen, want wij amuseerden ons dan met ergens in een hoekje dat gekke rijmpje tientallen keren na te zeggen. Pedagogisch gezien leek het dus nog zo slecht niet.

’t is kart voor ’t rabat, heft je hemd op en slaat op je gat.

’s Avonds moesten we altijd met de kippen gaan slapen en ’s morgens lagen we dan wakker voor dag en dauw. Tien keren en nog gingen we rechtop zitten in bed; de luisterden of er nog niemand op was. Kinderen hadden in die tijd nog geen wekker op hun kamer; dat was het voorrecht van vader en moeder.

Elke morgen riepen we twee, drie keer naar de voutekamer waar vader en moeder sliepen; meestal stond de deur op een kier en we hoorden de wekker luid tikken. ‘Hoe laat is het?’, riepen we. ‘Moeten we nog niet opstaan? Hoe laat is het?’ Na drie of vier keer vragen kregen we het bovenstaande antwoord en dat was een diplomatische manier om te zeggen; ‘slaapt voort en laat ons hoofd gerust.’

Wat is een rabat? Het was een mooi kleedje dat aan de hemel van een bed hing;

’t Kantje is voor Jantje,
’t sneetje is voor Dreetje
en ’t stuutje is voor rebuutje.

Elke week werd er destijds vers brood gebakken, zowel bij de boer als bij de kortwoner. Wat smaakten die knarstige korsten lekker! Toen de vader des huizes met een patriarchaal gebaar het eerste brood van de nieuwe ‘bakte’ aansneed, zaten de kinderen aan de lange tafel verlangend te wachten en ze maakten ruzie omdat ze allemaal liefst het korstje hadden gekregen. Maar de wijze papa sneed het korstje plechtig af, wachtte even en gooide het naar de jongste spruit met de woorden “’t Kantje is voor Jantje”.

Dan sneed hij de eerste kleine snede af, waaraan nog evenveel korst als brood zat, hij schoof die naar de tweede jongste met de woorden “’t Sneetje is voor Dreetje”. De derde jongste kreeg ook zijn beurt met de woorden “’t Stuutje is voor rebuutje”. Dan sneed hij gewoon verder zondig enige commentaar want van de anderen werd verondersteld dat ze groot genoeg waren om geen ruzie meer te maken voor een korst brood.

In deze bijdrage willen we het hebben over verdwenen of verdwijnende beeldspraak in ons dialect. De Vleterse taal wemelt van beelden en koddige zegswijzen. Sommige ervan zijn al verdwenen of zijn bezig met in de vergeethoek te geraken. De oorzaak is meestaldat hetgeen waarmee er vergelekn wordt in onbruik geraakte.

‘Je steekt het hele dagen in ’t gat van den uil’. Dat wordt gezegd las je iets na veel zoeken nog niet vindt. Het uilegat was een klein tochtgat in de schuren waar inderdaad soms de uilen kwamen slapen.

‘Hij heeft de moere en de buk van ’t geld’. Ik vind dat veel schilderachtiger dan het beter gekende ‘al het geld loopt naar de zee.’

“’t staat hekeldikte, ’t zit hekeldikte”. Dat wordt ondermeer gezegd van onkruid op het veld, van luizen of ander ongedierte, van puisten. Betekenis: dicht bijeen zoals de tanden van een vlashekel. Maar wie kent nu nog een vlashekel? De zegswijze is toch nog springlevend. Een variante op hekeldikte is trouwens ook ‘gruisdikte’.

‘Zo rap lik duivels derschen’. Derschen is het Vleters woord voor dorsen met de vlegel. De zegswijze suggereert ons dat de duivels rapper konden ‘derschen’ dan onze boeren.

‘Zot lik een driewielkarre’. Als je een keer wild en uitgelaten was, dan kreeg je dat compliment te horen. Het kleinere voorwiel van een driewielkar liep gemakkelijk van links naar rechts; een driewielkar had niet de vastheid van een wagen.

‘Taai lik welster’. Welster is zwijneleer. De boeren gebruikten destijds welsteren handschoenen om de afgehakte doorntakken van hun hagen op te binden; met die takken stookten ze hun ovens warm. Zo’n paar welsteren handschoenen ging een mensenleven mee.

“’t Is al de melk dtten geeft”. Dat was bedoeld als repliek op een lovens complimentje. Iemand zei bijvoorbeeld ‘je zoon kan al goed meehelpen’. Cynisch spottend antwoord: ’t is al melk datten geeft’.

‘Holde als een aalkarteel’. Een aalkarteel was een groot houten vat dat op het ‘snak’ van de driewielkar lag en waarmee de ‘aal’ (mestgier) naar het veld werd vervoerd. Als het leeg was klonk het vreselijk hol.

‘In een haai en een draai’. Betekenis: vliegensvlug. Een haai of haaihoek is de schuine kant van een veld. Het Vleters dielact kent het woord niet. We gebruiken het Nederlandse ‘geer’. Maar de uitdrukking is overbekend. Als je de geren of de haaihoek aan het ploegen was, moest je voortdurend draaien en keren met paard en ploeg. Vandaar ‘in een haai en een draai’. En het rijmt nog ook!

‘Je zijt nog een achttienmaander’. Ik zou wensen dat je het nog kon zeggen van mij; maar dit is helaas niet zo! Een achttienmaander was een jong paard. Pas op die leeftijd begon men het in te spannen om te helpen werken. Maar ik ben al lang ‘ingespannen’ en ‘uitgespannen’ ook.

‘Iets uitleggen met schluizen en schroon’. De schluizen waren de klokhuizen en de schroon de schillen van de appels. Beide woorden geraken in onbruik net zoals de zegswijze.

‘Tot tenden zijn strengen gaan’. Als ik eens een keer op school mijn best niet gedaan had, dan zeiden ze thuis dat ik tot tenden mijn strengen niet was gegaan. Ze dachten aan een paard dat tussen strak gespannen strengen een zware vracht voorttrok. Als een paard een lege kar moest trekken hingen zijn strengen slap.

Paarden blijken in de Vleterse taalschat een belangrijke rol gespeeld te hebben. Van een koppigaard zegt men; ‘hij is kwaad van trekke of slecht van trekke’. Van iemand die veel miserie heeft bij een of ander werk en het herhaaldelijk moet overdoen, luidt het ‘hij vernestelt in zijn strengen.’

‘Een dikbalg, een groot balg’. Ik ben benieuwd hoeveel lezers van Vlietmara het verschil kennen tussen die twee. Balg is een plat voor voor buik. (bouwg). Dikbalg is een spottende benaming voor een dikzak. Grootbalg is een verwijtende naam voor gulzigaard. Het werd van dieren gezegd, ook van mensen, van deze laatste ook in figuurlijke betekenis. Ik heb het tussen pot en pint eens horen gebruiken in verband met en boer die al de grond van zijn buren opkocht.

Ik heb nog een hele resem dergelijke Vleterse zegswijzen. Maar ik stop en ik troost me met de allerlaatste; ‘je kunt het niet al hebben, vette mesens en veel butter’. Betekenis: je mag niet te veel willen. Boter karnen en ze beren en kneden in een laag kuipje (de botermiene) was het werk van de boerenmeid. Ze wordt er hier van verdacht dat ze tijdens haar werk veel van dat lekkere goedje naar binnen zat te likken. Zou je geen lust voelen om het ook te doen? Smakelijk!!

Julien Peperstraete in ‘Vlietmara’ van 1985

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>