Hongersnood in de middeleeuwen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     123 Views     Leave your thoughts  

Ontstaan van de hongersnood.

De mensen uit die tijd wisten, zowel als wij, dat regen en hagel, vorst en hitte, storm en overstroming de hongersnood voorafgingen en teweegbrachten, maar in hun geest van geloof speurden ze dieper in naar de hoogste oorzaak en zagen in die rampen het werk van Gods handen ; ze zegden en schreven: ‘Het zijn al straffen Gods. Het zweerd van Gods gramschap woedt allenthenen, de paleizen der rijken evenals de hutten der armen worden door de hongersnood getroffen. De Heer zond dus zijn gesels van hongersnood en sterfte over al die in ons land woonden’

Jan de Klerk in ‘Brabantsche Yeesten’ beschrijft de hongersnood van 1315 en besluit:

Dus wrac God onze Here
In ertrike des menschen zonden
Daer si met weelden in stonden

God nochtans sloeg niet onverhoeds. De mensen werden vooraf verwittigd door verschrikkelijke voortekenen en wondere luchtverschijnselen, ten einde tijdig boete te doen voor hun zonden, zo dachten ze.

Zo bijvoorbeeld de zonverduistering. We lezen bij Galbertus: ‘Maar vooraf behaagde het den Heer de mensen door schrikkelijke tekenen tot boetveerdigheid te roepen … Ten jare 1124 in de oogstmaand verscheen rond de noen een verduistering in de zon. En omdat de mensen, hetzij heren, hetzij dienstlieden, hun leven niet beterden, brak plotseling een hongersnood uit gevolgd door sterftes.’

‘Dit jaar, 1310, schrijft Li Muisis, was het zonverduistering de laatste dag van januari en ditzelfde jaar was er schaarscheid aan graan en wijn’.

Het zijn vooral de staartsterren die rampen voorspellen. ‘Daar verscheen een steertsterre en de hongersnood volgde’, lezen we in verscheidene jaarboeken op het jaar 941. De grote hongersnood van 1316 werd aangekondigd door een staartster: ‘Visa est stella comata’, aldus de jaarboeken van Park; en dan volgden pest, hongersnood en sterfte.

Voor ditzelfde jaar dicht Jan de Klerk in Brabanische Yeesten: over ‘die drie plaghen die God sende den menschen ieghen (te weten : regen, zware dure tijd en sterfte), en hij besluit;

Ende onlanghe, eer dit ghevel
Sachmen die cometen fel
In die lucht die hat den staert
Rechte staende Noord-West waert
Die van naturen altoes bedieden
Doot van princen ott plaghen van lieden.

Een ander wonderlijk verschijnsel, te weten het noorderlicht staat vermeld bij Baldwijn van Ninove: ‘Te dien jare (1192) zag men bij nachte een vier in in de lucht zodat iedereen dacht dat ‘t brandde in de nabijheid’. En een andere schrijver: “Den 18de van de kalenden van februari (15 januari) bij het vallen van de nacht, zagen velen een verschrikkelijk vuur, dat laaide over geheel ‘t aardrijk aan de noordkant’. En onmiddellijk daarop voegt Bald van Ninove er aan toe; ‘En daar volgde een hongersnood van ongeveer zeven Jaar.’

Die volksopvatting over de hogere redenen van het ontstaan van de hongersnood nu daargelaten, welke waren eigenlijk de werkelijke naaste oorzaken van den hongersnood? ‘In de bronnen uit die tijd vinden we, dat in de meeste gevallen de onmiddellijke oorzaak was: het mislukken van den oogst.

Daartoe werd veelal aanleiding gegeven door lange, harde winters. Een treffend voorbeeld daarvan is de winter die de grote hongersnood van 1125 voorafging. Reeds in 1124 vermeldt Anselm van Gembloux een buitengewoon strenge winter met schrikkelijk veel sneeuw .. ‘Daarop volgde gestadig slecht weder: overhands sneeuw, regen en vorst en dat duurde tot t’halven maart. ‘t En was maar in mei dat er bloei en wasdom te bespeuren was.’

In zulk geval kon het zaaien niet op zijn tijd geschieden zodat reeds van in het begin van het jaar de akkerbouw ten achteren stond. Was nu daarbij de zomer ongunstig of volgde daarop een nieuw slecht jaar, dan moesten de gevolgen onvermijdelijk noodlottig zijn. Hetgeen inderdaad dit jaar gebeurde. De regen die regelmatig iedere maand bij stortvlagen viel, verzwond om zo te zeggen het zaad in de grond, zodat de rogge en de haver bijna niets opbrachten.

Dit jaar reeds was er een algemene hongersnood. Deze toestand verergerde nog het volgende jaar, omdat de winter opnieuw streng en langdurig was. Geen wonder dat Walter van Terenburg, in het leven van Graaf Karel schreef; ‘Het was nu twee jaar dat dle grond onvruchtbaar was en de oogst uiterst gering, ook was er grote schaarscheid aan levensmiddelen.’ Voeg daarbij dat het vee, dat in de winter veel buiten bleef, toen eveneens erg te lijden had. Dit ook werkte noodlottig mee, vooral in onze streken, waar de veekweek zeer uitgebreid was en in ruime mate moest voorzien in het levensonderhoud van de bevolking.

Wat het meest nog slechte oogst en vervolgens hongersnood veroorzaakte, was het ongunstig weer tijdens de lente en de zomer: grote droogte, aanhoudende regen, herhaalde zware hagelvlagen.

Andere oorzaken zijn er die meer zelden voorkwamen en van wie de uitwerkselen doorgaans minder uitgebreid waren, zoals;

Stormen. De 30ste juni 1185, ontstond er een storm vergezeld van zware hagel, in de omstreken van Anchin. De oogst lag verwoest en er volgde hongersnood.

Overstromingen. Ten jare 1183, ten gevolge van den aanhoudende regen, ontstond er overstroming langs verscheidene watervlieten en was de oogst bedorven. In 1309, na een harde vorst overstroomde de Schelde en vernielde de vruchten in de omstreken van Doornik. In 1287, grote zeeoverstroming, die langs de kust grote schade aanrichtte.

Ziekte en sterfte onder het vee, al zijn ze op hun eigen niet rechtstreeks oorzaak van hongersnood, maar eerder het gevolg ervan, helpen er toe om de ramp te verergeren, daar het vee toendertijd een belangrijk levensmiddel was en een groot deel uitmaakte van de have van de landelijke bevolking.

Een heel bijzondere en buitengewone oorzaak vinden we eenmaal vermeld, te weten de verwoestingen aangericht door sprinkhanen. Bij gehele zwermen kwamen ze uit het oosten afgezakt al over Duitsland, Frankrijk. Alhier ook werden zo gezien en overal brachten ze grote schade teweeg. Het jaar daarna was er hongersnood. Hoe nauw echter het verband is tussen beiden kan men moeilijk uit de toenmalige schriften opmaken, te meer dat die verschijning voorafgegaan is door grote droogte en gevolgd door een harde winter.

Eindelijk dienen nog vermeld de menigvuldige oorlogen en rooftochten tijdens de hogere middeleeuwen. Dat de invallen van de Noormannen hongersnood tot gevolg hadden, valt niet te betwijfelen, omdat we weten hoe ze vee en vruchten roofden en de velden verwoestten; of nog hoe de bevolking weggevluycht of met vrees geslagen het land onbebouwd liet. Daarover evenwel hebben we weinig of geen berichten, immers in die woelige dagen werd weinig geschreven. Er zijn nochtans voorbeelden. Zo lezen we in de ‘Historiae van Richer van Reims’ hoe in 889, na een lange strijd de Noormannen verdreven werden en hoe dan een hongersnood ontstond omdat de aarde drie jaar lang onbewerkt was gebleven.

In 852 woedde aan den Neder-Rijn een plaatselijke hongersnood, ten gevolge van den inval der Noormannen. Mag men hetzelfde niet vermoeden alhier, na de invallen in 879-80?

Wat de kleine inlandse oorlogen aangaat en de rooftochten van de edelen onder elkaar tijdens de leenroerigheid, is het algemeen bekend hoe talrijk ze waren en hoe die strijdlustige lieden hun vetes bekoelden door onderling het vee te ontvoeren en de velden te verwoesten, zodat nogmaals de arme plattelandbewoners het meest te lijden hadden. Zelden nochtans vernemen we dat ze hongersnood veroorzaakten.

Het is wellicht dat, indien er nood was, deze op een kleine uitgestrektheid beperkt was en zich niet liet gevoelen in de nabijheid van de kloosters, waar de kroniekschrijvers leefden, en die van dergelijke aanvallen en stroperijen gevrijwaard bleven. Eenmaal lezen we hoe ten gevolge van inwendige oorlogen en verwoestingen ‘vastante passim cuncta raptore’, de mensen op vele plaatsen genoodzaakt waren aarde te eten, gemengd met wat meel en in vorm van brood gekneed.

Onder de gevallen die we in de bronnen uit die tijd aantreffen en die aangestipt zijn als min of meer aanleiding gevend tot hongersnood, zijn er die, zoals stormen, overstrorningen, oorlogen, minder sterk op hun ontstaan schijnen ingewerkt te hebben. Het is dat ze meer zelden voorkwamen en doorgaans geheel plaatselijk waren, zodat hun invloed zich in engere omvang en minder beduidend liet gevoelen.

De gewone, de voornaamste aanleiding was het ongunstig weer. In onze streken komt dat zo dikwijls voor en alleszins waren de gevolgen ervan noodlottig en uitgebreid; immers ze strekten zich uit over een heel grondgebied, waar grond- en luchtgesteldheid en levensaard dezelfde waren. Het onmiddellijk gevolg van het ongunstig weer en de rechtstreekse oorzaak, de eigenlijke oorzaak dus van den hongersnood was het mislukken van de oogst; het noodzakelijk gevolg hiervan was schaarsheid of volkomen gebrek aan wat het hoofdzakelijk bestanddeel uitmaakt in de voeding van de mens.

Uit ‘De Jongersnood in de Middeleeuwen’ van E. Van Cappel uit 1906

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>