Hugo Bekemans en zijn bakstenen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     378 Views     Leave your thoughts  

De grote havenwerken van 1280
Gwijde van Dampierre laat in 1280 grote havenwerken uitvoeren. De stad is er met rasse schreden op vooruit gegaan. De uitbreiding van de stad is niet meer tegen te houden. In 1240 situeert de haven zich tussen de stad en Groenendijk. Van daar volgt de havengeul haar weg naar zee. Recht door de duinen. De havenmond bevindt zich ongeveer anderhalve kilometer ten westen als degene die we op vandaag kennen. Ze staat bekend als het Vloedgad.

Het is hier dat de kruisvaarders van Veurne-Ambacht in 1248 inschepen. Langs de havengeul tussen Nieuwpoort en Groenendijk is er in 1240 sprake van scheepswerven en loskaaien. De havengeul is in kwestie de bedding van de Onie, een tak van de Ijzer die komt aangestroomd vanuit de Lenspolder via Groenendijk naar de zee. De voornaamste tak van de Ijzer volgt een andere richting. Ze vloeit via Westende ten noorden van Lombardsijde via het huidige ‘Geleide’ naar Groenendijk waar ze aansluit met de Onie om dan samen via het Vloedgad naar de zee te stromen. Tussen het Geleide en de zee ligt een kreek die ongeschikt is voor de zeevaart.

Zoals verteld, gaat het Vloedgad rond het jaar 1270 verzanden. Het water van de Onie, Langelis, Venepe en Beveric en de Ijzer moet een andere uitweg zien te vinden naar de zee. Plots wordt de onbeduidende kreek van Nieuwpoort-Bad overspoeld door het water dat eigenlijk bestemd was voor het Vloedgad. Door het groot volume aan water wordt de kreek dieper en wordt ze geleidelijk aan geschikt voor scheepvaart. Al het water van het hinterland zal voortaan zijn weg zoeken naar zee via de nieuwe waterweg van Nieuwpoort-Bad! De vaargeul tussen Groenendijk en de Ijzer moet echter voorzien worden van dijken om een aanvaardbare diepte te kunnen aanhouden.

Maar voor 1270 is zo goed als alles eigenlijk het werk van de natuur geweest. De vaargeul naar zee wordt echter spijtig genoeg gehinderd door twee scherpe draaipunten die zich situeren in Groenendijk en op de plaats waar de Ijzer aansluit op de geul (recht tegenover de huidige Victorlaan). Er zullen radicale middelen moeten ingezet worden om die technische problemen uit de wereld te helpen: er dient een rechtstreekse verbinding te komen tussen Nieuwpoort en de zee. Er moet een nieuwe vaargeul uitgegraven worden tussen de stad en het Geleide en dat zal de havengeul zijn die we tot op vandaag kennen. De grote havenwerken dienen zich dus aan in het jaar 1280. Het is een onderneming van ongekende omvang. Enerzijds moet de Onie afgedamd worden. Anderzijds moet de nieuwe vaargeul tussen Nieuwpoort en het Geleide uitgegraven worden. Daar waar het water via de kreek van Nieuwpoort-Bad in zee kan verdwijnen. De huidige Kaai wordt aanvankelijk ‘Dam’ genoemd. De hele infrastructuurwerken zullen ongetwijfeld jaren duren. Maar wie zal de kosten dragen?

De afdamming van de Onie in Nieuwpoort
Een bijzonder aandachtspunt is natuurlijk het behoud van de oude havengeul. Men kon moeilijk de bestaande scheepswerven en loskaaien aan hun lot overlaten. Het behoud van de oude havengeul is voor de vissers van Nieuwerijde een kwestie van leven of dood. Het water van de Langelis, de Venepe en de Beveric blijft doorstromen naar de oude havengeul, maar dat is op zich niet voldoende. Een gedeelte van het Oniewater is noodzakelijk. Om dit te realiseren wordt de afdamming van de Onie te Nieuwpoort zodanig aangelegd dat op een bepaald waterpeil het overtollige water er over kan stromen om zo de oude bedding te volgen.

Men bereikt dit doel door de dam tussen de huidige vismijn en het kattesas op te bouwen in steen. De stenen dam wordt al vrij snel bekend als de ‘Steenen beer’. De naam zal eeuwenlang blijven voortleven in Nieuwpoort en zal zelfs nog bekend blijven tot in het jaar 1900. Koken kost geld. Wie zal die gigantische infrastructuurwerken bekostigen? In het hinterland van Nieuwpoort is de voorbije eeuwen een bloeiende stad ontstaan aan de Ieperlee: Ieper. Het zijn ongetwijfeld de Ieperlingen die vragende partij zijn voor de havenwerken in Nieuwpoort. De Ieperse kooplieden die via Nieuwpoort handel drijven met Engeland en andere overzeese gebieden hebben in 1270 al grote waterwerken voltooid tussen Ieper en Merkem-Knokke. Ook de sluizen in Nieuwendamme zijn hersteld. Dit alles heeft de som van 4.600 pond gekost.

Op bevel van gravin Margaretha moeten de Wateringen van Veurne-Ambacht en van het Brugse Vrije die som terugbetalen aan de stad Ieper. De Ieperse waterwerken van 1270 verschaffen voordelen voor de handel en scheepvaart van Nieuwpoort en staan voor een stuk ook in het teken van de grote kruistocht naar Tunis aan de welke graaf Gwijde van Dampierre zal deelnemen. De stad Ieper verbindt zich tegenover Gwijde om hem en zijn kruistocht met alle mogelijke middelen te ondersteunen en te zorgen voor de nodige bevoorrading.

De Cleene Vierboete
De bevoorradingsschepen van Ieper, Brugge, Kadzand en Ijzendijke steunen op de haven van Nieuwpoort om de verbindingen tussen Vlaanderen en Tunis, Sicilië en Italië te kunnen voorzien. In 1269 trouwens zijn in dezelfde context al de waterlopen van Veurne-Ambacht aangepast en verbreed zodat de schepen die de Venepe, het Langelis en de Beveric gebruiken, gemakkelijker de haven van Nieuwpoort zouden kunnen bereiken. De ontgoocheling en verbijstering van de Ieperlingen is immens als blijkt dat, kort na de grote infrastructuurwerken van 1270, de verzanding van het Vloedgad aan het licht komt.

Er wordt zowat alles in het werk gesteld om die verzanding tijdelijk te stoppen, tot ten minste de kruistocht op zijn einde zou lopen. Maar de Ieperlingen moeten net zoals de Nieuwpoortenaars buigen voor de wetten van de natuur. De natuur die een nieuwe uitweg naar zee biedt, hoe ongerieflijk die ook mag wezen. Het is van groot belang voor Nieuwpoort, Ieper, Diksmuide en Sint-Omaars dat de scherpe draaipunten in de nieuwe vaargeul van Nieuwpoort verwijderd worden. Het zijn allemaal machtige vrienden die de nodige middelen ter beschikking stellen om de grote havenwerken van 1280 op te starten. Van zodra de werken zijn afgelopen, wordt het voor de vissers belangrijk om de nieuwe haven te voorzien van aangepaste vuurbakens. Die komen er in 1284. De bakens worden opgericht op zowat 350 m afstand van elkaar.

Ze worden de ‘grote vierboete’ en de ‘cleene vierboete’ genoemd die respectievelijk tegenover de haven van Lombardie, het Geleide, en tegenover de waterweg naar Niewerijde-Groenendijk, de Victorlaan, gebouwd worden. De grote vuurtoren is opgetrokken in baksteen. Zijn ligging is zo goed als perfect. De schepen die ’s nachts van de zee en voor de haven komen, kunnen regelrecht op het vuur van de toren varen. De kleine houten vuurtoren staat ongeveer 80 m van de havenoever. In 1413 zal de ‘cleene vierboete’ afbranden. Eén jaar later wordt de toren in steen heropgebouwd.

Het water van de Venepe, de Beveric en de Langelis
Die wederopbouw vergt 17.500 bakstenen. Er komt een nieuwe lantaarn om ‘met kersen te zeeward te lichtene’. De Oude Havengeul blijft dus nog verder bestaan na de grote werken van 1280. Men wil de gebruikers van de scheepsateliers en de loskaaien de tijd gunnen om zich aan te passen aan de nieuwe haveninfrastructuur. Op zowat 30 jaar tijd is dat gebeurd. In 1311 komt er een nieuwe sluis die het verenigde water van de Venepe, Beveric en Langelis moet opvangen.

Van de vroegere havengeul is er dan al geen sprake meer. Het water vloeit niet langer via Groenendijk naar zee maar wordt ergens in de buurt van het hedendaagse spoorwegstation afgedamd en via een nieuw kanaal naar de Ijzer geleid. De nieuwe sluis ‘lescluse mouvante’ biedt trouwens het voordeel dat de schepen die uit het westen komen die nieuwe vaart kunnen gebruiken om op zee te geraken. De ‘Lescluse mouvante’ zal later bekend worden als de Westsluis en soms ook als de sluis van Veurne-Ambacht. De vaart en de sluis zullen blijven voortbestaan tot in de 18de eeuw. De dam die was gebouwd om de oude havengeul van water te voorzien, heeft zijn nut verloren. De Steenen Beer wordt hoger gebouwd zodat het water er in het geheel niet meer over kan stromen.

De dam zal tot 1900 blijven voortleven als een performante muur tegen het krachtige water. De gestage groei van Nieuwpoort in de tweede helft van de 13de eeuw vergt het oprichten van een tweede parochiekerk. 100 jaar eerder bezat de stad drie kerken: Sint-Hilda, de parochiekerk in de westwijk, de hulpkerk van Sint-Laureins aan de oostkant en de centrale O.L.V.-kapel in Sandeshoved. Alle kerken werden bediend door de Sint-Niklaasabdij van Veurne. Alle begrafenissen gingen door in Sint-Hilda waar ook het kerkhof was gelegen. In 1213 zetten de Fransen de stad in vuur en vlam. De 3 kerken branden uit. Nadien wordt de voorkeur gegeven om de kapel in het centrum om te bouwen tot volwaardige O.L.V.-kerk. Het kerkhof verhuist mee naar het centrum. De Sint-Hildakerk die er al stond vanaf het jaar 690, wordt definitief opgegeven. Tot ontgoocheling van de Nieuwpoortenaars. Alleen de naam van de weg, de Sint-Hildastraat, die er naar toe leidde, zal blijven bestaan. De Sint-Laureinskerk, of tenminste de heropbouw ervan, moet noodgedwongen wachten op betere tijden.

De heropbouw van de Sint-Laureinskerk in 1281
Na de aanhechting van Broekburg en een beduidende aanwas van de bevolking, wordt het tijd om de Sint-Laureinskerk opnieuw op te bouwen. De betere tijden zijn dus werkelijkheid geworden. In 1272 zijn er voldoende geldmiddelen ter beschikking om de bouw te realiseren. Sint-Laureins wordt opnieuw als hulpkerk ingesteld, zonder echter de rechten om er te dopen of te begraven. In 1281 wordt een upgrade uitgevoerd wanneer de kerk het statuut krijgt van een volwaardige parochiekerk. In mei 1292 stelt het stadsbestuur, met toestemming van Sint-Niklaas, opnieuw een kapelaan aan.

De schepenen en raadsheren regelen een jaarlijkse rente van 19 Parijse ponden te betalen aan de nieuwe kapelaan: de helft met kerstmis, de andere helft tegen Sint-Jansdag. In 1296 wordt in de O.L.V.-kerk het officie ingesteld dat bekend staat als ‘De Zeven Getijden’ of ‘Canonieke Uren’. Voortaan zal men dagelijks alle kerkelijke diensten in koor zingen. Gaande van de metten tot en met de vespers. Met elke dag een plechtige hoogmis als neusje van de zalm. Het akkoord wordt ondertekend op 20 juni 1296. Abt Lambertus, Prior Willem Buese en de paters Aegidus de Brubbuerch en Petrus de Slusa treden op voor de Sint-Niklaasabdij van Veurne. Voor de stad Nieuwpoort treden de ‘porte magistri’ op, burgemeester Robertus Vardeboud en eerste schepen Johannes Camerlynck.

Het organiseren van de ‘Zeven Getijden’ vergt de inzet van een reeks geestelijken en zangers (cantors) die allen dienen te worden gehuisvest. Er wordt een nieuw gebouw voorzien: de ‘Presbitie’. Hier zullen de seculiere priesters hun intrek nemen. Het gebouw staat aan de oostelijke kant van de kerk en is voorzien van een tuin. De pastoors en de kapelaans worden gehuisvest in het vlakbij gelegen ‘papenhuis’. De grootse plannen met de O.L.V.-kerk en haar ‘Zeven Getijden’ lopen vrij onverwacht af op een sisser. Nieuwpoort wordt in 1299 belegerd en ingenomen door een Frans leger onder leiding van Robert van Ath. Vermoedelijk wordt de kerk tijdens die gebeurtenis vernield. Het blijft onduidelijk wat er verder precies is voorgevallen.

De Disch van Jehan Schelewards
Het staat echter vast de ‘Presbitie’ in 1314 al lang niet meer bestaat. Het gebouw en de tuin zijn afgebroken. Het ‘papenhuus’ speelt geen enkele rol meer bij de uitoefening van erediensten. Het kerkhof is niet meer in gebruik. Het lijkt duidelijk dat de kerk en de Presbitie in 1299 zulke zware schade hebben opgelopen, dat ze tot in 1314 onbruikbaar zullen blijven om hun ambitieus project te kunnen uitvoeren. Kort na 1314 zal de kerk opnieuw opgebouwd worden en zullen de zeven getijden weer ingesteld worden. Naast de kerk is het onderwijs in de vroege Nieuwpoortse jaren een interessant punt.

Al in 1120 wordt het onderwijs, ‘de scole’, verstrekt door de monniken van Sint-Bertijns die ook ingeschakeld zijn in de parochie. Als de abdij van Sint-Niklaas van Veurne in 1185 de parochie overneemt, gebeurt dat ook met het onderwijs in Nieuwpoort. In de loop van de 13de eeuw zal hier vrij weinig aan veranderen. Hoe zou het eigenlijk zijn om te leven in het Nieuwpoort van de vroege middeleeuwen? Zijn er in Nieuwpoort sociale voorzieningen voor de behoeftige mensen? Er is sprake van de Disch, het Gasthuis, het Sint-Janshuis. Gezien de bloei van de stad worden er nog aalmoezenhuizen opgericht. De Disch van Jehan Schelewards almoezene huuze is gelegen in de Hoogstraat.

De Schelewards en de Langhemaries zijn grote en invloedrijke families in Nieuwpoort waar ze talrijke eigendommen bezitten. In de westwijk is er ook sprake van het ‘aelmoesenhuis dat Vrouwe Straenge deide maecken’. In de Hoogstraat ligt eveneens een begijnhof, ‘de Steide vanden Beghinen’. In het achterliggende Lo is er in 1226 sprake van een hospitaal dat onder de zorg staat van de ‘Zusters van Nieuwpoort’. Wellicht worden de zusters in de stad zelf omschreven als de ‘devote Vrauw personen’. In de kronieken van 1314 wordt er gesproken over ‘den abedissen huus van Petingheem’ vlakbij het kerkhof, in de buurt van de huidige OLV-straat.

De succesvolle haven van Nieuwpoort
De invoer van koopwaar bereikt vanaf de 13de eeuw recordhoogtes. Een groot scala aan goederen uit alle hoeken van de wereld wordt ingevoerd in de havens van Nieuwpoort, Damme en Grevelingen die dan ook functioneren als belangrijke distributiecentra voor heel Vlaanderen. Wol, lood, tin, kaas en steenkolen worden ingevoerd vanuit Engeland. Schotland en Ierland bezorgen ons wol, leder en kaas. Leder komt ook uit Noorwegen. Landen als Denemarken, Portugal, Mallorca en ook Noord-Afrikaanse regio’s leveren de meest uiteenlopende zaken die geproduceerd werden in Constantinopel, Jeruzalem, Egypte, Armenië, Turkije, Rusland, Polen, enz. De wijn komt niet enkel uit Frankrijk maar ook uit de Rijnstreken, uit Spanje en Gallicië. Portugal en Spanje bezorgen ons graan en fruit.

Suiker komt uit Noord-Afrika. Handelaars laten weten dat er in de hele wereld geen zo’n land bestaat waar een dermate diversiteit aan koopwaar voorhanden is. De commercanten uit de voornaamste handelssteden van Vlaanderen zijn natuurlijk altijd terug te vinden in de Vlaamse invoerhavens. Ze staan klaar om de goederen aan te kopen en te zorgen voor de distributie landinwaarts. In de 13de eeuw overvleugelt de haven van Damme die van Nieuwpoort. Maar de nabijheid van handelscentra als Ieper en Sint-Omaars legt geen windeieren voor de haven van Nieuwpoort. De Nieuwpoortenaars hoeven eigenlijk geen specifieke inspanningen te leveren betreffende de distributie en verkoop van de aangevoerde ladingen. Daar zorgen de vreemde handelaars wel voor.

Het Nieuwpoortse Tanhuus in de 13de eeuw
De mensen van Nieuwpoort vinden hun core business in het laden en lossen van de koopwaren, het overladen op binnenlanders of wagens, het bergen van goederen. Ze zorgen voor de bouw van schepen, stellen rederijen ter beschikking. En daar bovenop tiert de zeevisserij welig. De Nieuwpoortse zakenlieden investeren voortdurend in materiaal voor de scheepvaart. De vraag naar hout is immens. Ook de bouw en herstelling van schepen is een ‘booming business’. Op het einde van de 13de eeuw is er sprake van een houtmarkt in Nieuwpoort die we in onze hedendaagse tijd zouden terugvinden in de Willem Deroolaan. De invoer en de behandeling van leder blijkt een specialiteit van Nieuwpoort te zijn. Aan de westkant van de stad is er een ‘Tanhuus’, een atelier voor de verwerking van leder.

Het lokaal hotelwezen zal tot aan de 19de eeuw hoge pieken vertonen. Een groot aantal welingerichte en zeer gewaardeerde hotels en logementen zorgen voor eten, drinken en slapen. Maar ook voor lokalen waar kooplieden kunnen onderhandelen en bijeenkomsten kunnen organiseren. En er is natuurlijk tijd en ruimte voor muziek en vermaak. Een groep van kooplieden uit de uiteenlopende Vlaamse en Engelse steden starten een samenwerkingsverband die ze ‘Hanze’ noemen. Er is al sprake van die Hanze in de keure van Sint-Omaars van 1127. Ook de keure van Nieuwpoort heeft het over die hanzen die pas vanaf 1430 aan belang zullen verliezen. De meeste steden van Vlaanderen worden vernoemd als Hanzesteden. Nieuwpoort en Grevelingen maken er geen deel van uit. Hun situatie als invoer- en distributiecentrum is veel belangrijker. De stad leeft, net zoals in de Romeinse tijd, van de transithandel.

Hugo Bekemans en zijn bakstenen
En dan is er natuurlijk nog de uitvoer. Vooral in de export van bakstenen speelt Nieuwpoort een leidende rol. In 1278 zien we hiervan een mooi voorbeeld. De Londense Tower wordt gebouwd met Ieperse bakstenen. Maar liefst 202.500 ‘quarellorum de Flandria’, Vlaamse bakstenen, worden verkocht door een zekere John Bardoun van Ieper. De prijs bedraagt £ 20-4-0. Hugh Bekman van Nieuwpoort verzorgt de zeevracht voor £ 32-5-0. Vijf jaar later worden opnieuw 101.350 van die bakstenen verkocht. Ditmaal zullen ze gebruikt worden voor de bouw van de muur tussen de Tower en de stad van Londen.

De uitvoer van Vlaamse bakstenen kent in die periode een gestage groei en strekt zich uit over de verschillende havens van de oostkust van Engeland. De stenen worden verkocht in de maat van ‘the long hundred of six score’. Het betekent dat de Engelsen per 120 stenen die ze effectief krijgen ze er maar 100 van dienen te betalen. Hetzelfde gebeurt met de leveringen van dakpannen die vanaf het einde van de 12de eeuw hun weg weten te vinden van Vlaanderen naar Engeland. Pas vanaf 1325 beginnen de Engelsen zelf bakstenen te produceren maar toch zullen er de hele 14de eeuw verder bakstenen geëxporteerd worden naar het Engels continent.

Het vervoer van bakstenen legt Hugh Bekman natuurlijk geen windeieren. In Nieuwpoort staat de man bekend als Hugo Bekemans. In 1314 is de man al overleden, maar zijn welgestelde familie, vrouwe Lise en Joncvrouwe Griele Bekemans, heeft op dat moment al vier eigendommen in de stad, waarvan drie in de voornaamste straat van de stad: de Hoogstraat.

Donkere wolken boven de welstand van Vlaanderen
Een lichtpunt is zeker dat, naar het jaar 1300 toe, de spanningen die er bestaan tussen Veurne-Ambacht en Nieuwpoort betreffende het Vloedgad, Cuot, Orot en Koolhof, geregeld zullen worden. Gwijde van Dampierre zorgt er voor dat er een financiële regeling komt. Op 13 februari 1297 verklaart het stadsbestuur van Veurne-Ambacht dat ‘den landen dat die van Nieuport ghecreghen, ende gheconquereert hebben in Veuren Ambacht tooten daghe van hedent, ende eeuwelick voortan conqueren ende ghecryghen sullen’. Ondanks de bloeiende tijden voor de handel en nijverheid, hangen er donkere wolken die de welstand in Nieuwpoort en in Vlaanderen bedreigen.

De politieke situatie tussen Vlaanderen, Engeland en Frankrijk is volatiel en explosief. Frankrijk beschouwt Vlaanderen als haar leengebied en de Vlaamse graven streven meer en maar naar een eigen zelfstandigheid. Ze willen hun eigen politiek voeren los van Frankrijk. De politieke spanningen zorgen voor regelmatige storingen in de handel tussen Vlaanderen en Engeland. Devaluaties van de Vlaamse munt en heffingen op de export zorgen in toenemende mate voor allerlei moeilijkheden.

Nieuwpoort wordt, zoals de meeste Vlaamse steden, in twee kampen verdeeld: de leliaards, de geestelijken en de hoge adel die pro Frankrijk zijn en de klauwaards, de gewone mensen die hun graaf Gwijde steunen in zijn verzet tegen de Fransen. De bisschop van Terwaan, de abt van de Duinenabdij te Koksijde, de abt van Sint-Niklaas van Veurne en andere geestelijken doen alle moeite van de wereld om de gemeentenaren aan hun kant te krijgen. Dat lukt hen in Nieuwpoort, Diksmuide en Veurne-Ambacht.

.

Dit is een fragment uit boek 2 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>