Illegale drankpraktijken in Ieper

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     405 Views     Leave your thoughts  

De gevolgen van de onrust in Frankrijk de voorbije jaren, zijn ook zichtbaar geworden in en rond Ieper. Verbannen Fransen en opraapsel van de straten is komen afgezakt naar de stad. Het moet om redelijk veel volk gaan, want er is sprake van een reeks illegale herbergen die door de inwijkelingen open gehouden worden. Maar dat is zeer tegen de zin van de bestaande café-uitbaters die verwijzen naar een reglement dat er in de hele ruime omgeving van Ieper geen nieuwe tavernes mogen worden geopend tenzij de overnames van de bestaande.

1413: een geschil tussen Ieper en Waasten
Ze verzoeken aan Loonis van Moerkerke, de Ieperse hoogbaljuw, om het privilege dat ze gekregen hebben van de graaf er op na te kijken ‘up tgond dat men gheene taverne up de mile houden moeste zonder ten vryen plaetsen, twelke hy deide.’ Dat blijkt inderdaad het geval. Als de cafébazen niet meewillen, zal de baljuw ingrijpen. En dat gebeurt ook. ‘Hy verantworde dat hy al ghereet was als men met hem trecken wilde, twelke men deide stappans ende trac up alle straten daer men vant wyn of bier, dat deide de bailliu den boden in slaen.’ De bier- en wijnvaten worden vernietigd en alle overtredingen worden bestraft met een boete van 10 Parijse ponden.

Dat die van Ieper stad de wet laten respecteren in de buitenwijken van Ieper, is erg tegen de zin van de kasselrij van Ieper die hevig protesteert, maar die er uiteindelijk niet veel kan tegen uitrichten. De kronieken hebben het ook over een geschil dat ontstaan is tussen Waasten en Ieper in het jaar 1413. De Ieperse poorter Roelant van de Woestine verwondt de Waastenaar Jan Lodinvoet bij een gevecht dat trouwens plaatsvindt in Waasten. Hijzelf komt ongedeerd terug naar Ieper, maar Lodinvoet dient klacht in bij de ‘stede van Waesten’ die daarop eist dat ‘van de Woestine van deisen faite up ghebannen te zine uuten lande van Vlaendre up zyn hooft.’

Roelant wordt opgeroepen om te verschijnen voor de Ieperse schepenkamer waar hij te horen krijgt dat ‘hy te Waestene berucht was van faitte omme twelk hy hem begherde te leghene ter purge, nader vryheit van der stede.’ In plaats van een verbanning uit Vlaanderen, verkiezen de Ieperse wethouders om Roelant gevangen te zetten en in de ijzers te slaan en die straf bekend te maken aan de wetgevers in Waasten. ‘Item de bailliu ende twee scepenen trocken stappans te Waestene ende deden de certificatie voor de vulle wet van Waestene.’ Maar dat is niet naar de zin van die van Waasten ‘de welke niet wilden obedieren maer ghinghen voort ende daden noch eene daghinghe ter preiudicie van de stede van Ypre.’

De Ieperlingen willen hun poorter niet uitleveren
De Ieperlingen weigeren hun poorter uit te leveren omdat zij de jurisdictie claimen over hun eigen burgers, maar de Waastenaars houden voet bij stuk om recht te kunnen spreken over misdaden die gepleegd worden op hun grondgebied en dat Roelant van de Woestine voor hen verbannen moet worden uit Vlaanderen. ‘Ach zit dat zo’, denkt de Ieperse voogd, ‘dan maar een koekje van eigen deeg’. ‘Als de wet tYpre dit hoorde, zo ghinc de vooghd van Ypre ten eersten dinghedaghe’, wat een prachtig Vlaams woord dat staat voor de dag waarop rechtszittingen plaatsvinden, ‘ende deide so vele wettelichheden up den bailliu ende der wet van Waestene.’

Alle Waastense poorters die er van verdacht worden om onwettelijkheden gedaan te hebben binnen de stad Ieper worden op hun beurt zwaar gestraft. Ieper laat dus niets meer blauw blauw. Roelant blijft nog drie ‘viertiennachten’ gevangen in afwachting van zijn verschijning voor de vierschaar. In Ieper willen ze nu definitief de spons vegen over zijn misdaden. Maar Waasten wijkt niet, wat de Ieperlingen verplicht om naar de graaf te trekken.

‘Bin desen zo quam myn heere te Ryssele, daer zo voeren die van Ypre tot hem ende gaven hem te kennene de foortse ende tonrecht, het geweld en het onrecht, dat die van Waestene ghedaen hadden up haren poorter, contrarie der vryheit van der steide van Ypre.’ Nu mogen die van Waasten het komen uitleggen bij Jan zonder Vrees. Met wat hij aan zijn hoofd heeft, kan hij dergelijke ruzies tussen Vlaamse steden ongetwijfeld missen als kiespijn. Voor hem zijn alle steden in principe gelijk, maar de Ieperlingen denken dat zij meer te zeggen hebben dan die van Waasten.

De zaak van Roelant van de Woestijne escaleert
Het is in elk geval dat wat Olivier van Dixmude neerpent over die ontmoeting met de graaf. ‘Ze verhalen over de fondacie van der stede van Ypre, van zo ouden tyden al eer Waestene yet was.’ Ieper was er eerst dus. En dan staan ze te zwaaien met hun privileges, vrijheden, hun ‘coustumen en hun usagen’, allemaal gekregen van de graaf en zijn voorgangers. Zijn die dan niets meer waard? Jan zonder Vrees schuift de hete aardappel voorzichtig door naar de Raad van Vlaanderen die uitspraak zal doen. Enkele weken later komt de kanselier van Vlaanderen in Ieper waar ook die van Waasten zijn uitgenodigd. De vergadering gaat door ‘in de vastene int jaer 13’. 1413.

Beide partijen krijgen nog eens hun specifieke rechten en vrijheden bevestigd. Die van Waasten beweren bij hoog en bij laag dat ze geen vijandschap of onrecht wilden aandoen tegenover die van Ieper, maar enkel en alleen die Roelant van de Woestijne wilden straffen voor zijn misdaad en zweren op hun communiezieltje om dat in de toekomst niet meer te doen ‘en de goede steide’ van Ieper voortaan te zullen respecteren. Ieper en Roelant van de Woestijne trekken aan langste eind. ‘Ende so waren die van Waestene ghewyst der stede van Ypre te betaelne twee hondert croonen over hare kosten, ende den vorseiden Roelant van de Woestene hondert croonen, ende boven dese waren die van Waestene ghewyst ende ghecondempneert ewelike in een mudde corens ypresche mate alle jare nieudaghe te bringhene ende dat daer der wet presenteren by twee wethouders of meer, ende dat voor de stegher van der halle, up vier deniers de beste.’

Jean-Jacques Lambin legt het nog even uit: dit vonnis wordt uitgesproken op 5 december van het jaar 1414. De mudde koren, 6 zakken graan, moet aan de armen uitgedeeld worden. In de herfst van 1414 ontstaat er weer ruzie in de bestuursmiddens, ‘so was gheschil tYpre onder de upperste der stede, by de eenighe van den goede lieden altoos in de wet waren ende andre niet.’ Een jaarlijkse herverkiezing van het schepencollege zal inderdaad wel geen evidentie zijn.

Kliekvorming en de jacht op postjes
Ze gaan klagen bij de graaf en bij de kanselier dat er onterechte afspraken gemaakt worden tussen een aantal aan het roer zijnde schepenen. Kliekvorming, waarbij de postjes beurtelings van jaar tot jaar afwisselen. Voorganger als opvolger en opvolger als voorganger. En wie in het bestuur wil, kan er alleen maar naar kijken hoe de zetels door dergelijke praktijken zo goed als onbereikbaar zijn. Ze wijzen met een beschuldigende vinger naar Michiel Van Schoten, Joris Belle, Jan van Provyn, Claeis Belle, onze kroniekschrijver Pieter van Dixmude en Andries Paeldynck die nu al meer dan 10 opeenvolgende jaren in wisselende volgorde aangesteld zijn als voogd, schepen of lid van de raad.

‘Ook in Brugge hadden van ghelycx en zijn ook gaan klagen bij hun heere.’ De kanselier duikt op in Ieper om te praten over een mogelijke aanpassing van de verkiezingsprocedure. Wie voogd is, kan de twee volgende jaren volledig buiten het college blijven. Wie schepen is moet daarna minstens één jaar aan de kant gaan staan. Voogd en schepenen moeten geboren zijn in Ieper en de andere schepenen dienen minstens drie jaar poorter geweest te zijn van de stad en er binnen die periode effectief hebben gewoond. Op 1 oktober 1414 wordt de wijziging in de wet via een open brief gepubliceerd.

Na het akkoord van 4 september 1414, blijven de zenuwen in Frankrijk gespannen. De kroonprins had in elk geval het gelijk aan zijn kant met zijn vrees dat Jan zonder Vrees een alliantie zou aangaan met de Engelsen. In Frankrijk beseffen ze maar al te goed dat Engeland en Vlaanderen een handelsakkoord hebben dat onder grote druk van de Vlaamse Raad tot stand is gekomen. Tijdens de opmars van de Armagnacs in mei, is er al sprake van een contactname via de toenadering van Roeland de Meester, de proost van de Brugse Sint-Donaassproosdij, met vertegenwoordigers van de Engelse monarchie in Leicester. In augustus 1414, nog tijdens het beleg van Arras, vatten de onderhandelingen aan met een uitgebreide delegatie Engelsen. De gesprekken over een alliantie gaan door in Ieper en worden door Jan zonder Vrees persoonlijk meegevolgd.

…..

Tijdens diezelfde zomer van het jaar 1415 wil Gilles Walins, de Ieperse baljuw, nog maar eens paal en perk stellen aan de wildgroei van herbergen en alcohol rond de stad. Zy hadden hemlieden alle ghemeenlike gheinformeert dat men tapte up alle straten, contrarie haren previlege. Sinds 3 april 1410 hebben de Ieperlingen het voorrecht verworven dat er niemand dranken mag verkopen in de uitgestrektheid van een mijl (5 km) van de stad. ‘Twelke hij ommegaens dede ende daer yemant was de contrarie doende, daer was tvat den bodem in ghesleghen ende de boete gheinnet van tiene ponden paresise.’ Vaten vernietigen en boetes opleggen, zijn zowat de gebruikelijke maatregelen tegen illegale drankslijterijen. Maar de baljuw riskeert zich deerlijk als hij zich op het grondgebied begeeft van de proosdij van Sint-Maarten. ‘So verre dat hy quam up de Tempelstrate, up een heerscip dat mynheere de proost van Sinte-Maertins daer heift.’

1415: heibel tussen het stadsbestuur en Sint-Maartens
Walins bevindt zich daar op het grondgebied ‘Upstal’ dat al sinds 1110 in handen is van de kerkgemeenschap. ‘Omme twelke de proost Nicolaus Zondelin groote clachte deide an myn heere de vooghd ende an den bailliu.’ De kronieken van Olivier van Dixmude wijden er zowat één bladzijde aan om te vertellen dat het er bovenarms opzit tussen de kerkelijke en de wereldlijke macht te Ieper. Inbreken in de rechten van de kerk is ‘not done’.

Vooral er al sinds 1217 een verdrag bestaat dat de stad het klooster van Sint-Maarten vrij zal houden van belastingen. Het stadsbestuur is blijkbaar niet in het bezit van de documenten die dat moeten bewijzen en ze geloven niet in het bestaan ervan. ‘Ende wilden zy dat niet ghelooven, men zoude hemlieden tooghen toriginale ghezeghelde previlege die zo notabelike ghegheven waren van opnsen gheduchten heere ende zinen voorders.’ De ruzie escaleert. Het stadsbestuur van Ieper kent dit soort aanvaringen natuurlijk. Voor de wethouders in de stad is het al eeuwen verre van evident dat de mensen die wonen op kerkelijk goed niet onderhevig zijn aan de stedelijke wetgeving.

In 1415 durven de schepenen en de voogd het aan om zich openlijk te verzetten tegen de macht van Sint-Maartens. Proost Zondelin dreigt er mee zijn gelijk te halen voor de Raad van Vlaanderen. Zulke vrijheden kunnen niet eeuwig blijven bestaan zeggen ze in het stadsbestuur. ‘En zo deide men een ghebod ter halle uut dat gheen poorter van Ypre moeste van Bamesse, 1 oktober, voordan onder den proost wonen. Item dat niement die ervelike rente sculdich was der kerke en dat gheen poorter daer drinken moeste of wyn doen halen, up zeiker boeten. Item dat men voorder al de ghone die onder den proost woonde, panden zoude up tpoortgerechte.’

Dit is een fragment uit ‘De Franse strijd van hertog Jan’, te lezen in deel 4 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>