In de bossen van Zonnebeke

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     588 Views     Leave your thoughts  

820: de regen valt met bakken uit de lucht
De Noordzee, de Ieperlee en de Leie vormen stilaan het toneel van een bloeiende handel. Aardewerk, glas, metaal, textiel. De haast onbeperkte aanwezigheid van water zorgt voor een stijgende welvaart. Maar die uitstraling van stijgende luxe werkt als een magneet op de ruwe volkeren die in Noord-Europa een onherbergzaam en armtierig leven leiden. De noorderse Vikingen kampen met overbevolking en voedseltekorten. Een overschot aan jonge mannen zorgt er voor dat die vanaf de 9de eeuw op zoek gaan naar betere oorden. Het valt sterk te betwijfelen of het jaar 820 een goed jaar is voor onze contreien. De regen is maandenlang met bakken uit de lucht gevallen. Beken en rivieren treden uit hun oevers. Het land is totaal onbruikbaar om er voedsel op te telen. Het vee en de mensen zijn ziek. En dan volgt er nog die eerste inval van de Noren.

De Romeinse steenstraten zijn perfect voor de Noormannen
Dertien Noorse schepen meren aan in de pagus Iseretius. Er wordt wat vee gestolen en enkele huizen in brand gestoken. Maar het is pas een begin. De eerste van een trieste reeks invallen. Via de Ijzer vinden de Vikingen gemakkelijke prooien. Een periode van plunderingen en onvoorstelbare gewelddaden breekt aan. De Romeinse stenen straten die ooit welvaart brachten, bieden de Vikingen nu een ideaal traject om hun ‘hit and run’ aanvallen uit te voeren in de Zonnebeekse heuvels en op andere plaatsen in de provincie. De houten kerken worden in brand gestoken. Bidden helpt niet.

In de Zonnebeekse bossen worden de met houten vlechtwerk omringde boerderijtjes samen met hun stallen eenvoudigweg in brand gestoken. Niets kan de drieste Noormannen tegenhouden. Aanvankelijk is er slechts sprake van benden zeerovers maar in 879 verschijnt een machtig leger van 300 schepen en 10.000 krijgers. Dat Noormannenleger gaat nu systematisch plunderen in heel Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Het wordt een echte invasie van barbaren. Terwaan wordt in de as gelegd. De streek ten westen van de Leie tot aan Gent wordt leeggeplunderd en verwoest. Het is een verschrikkelijke tijd. Ieder die kan vluchten doet het: armen, rijken, vrijen, lijfeigenen of geestelijken slaan noodgedwongen op de vlucht.

De invallers overwinteren in Gent van waaruit ze de valleien van de Schelde en de Leie beheersen. Na de winter verleggen duizenden Noormannen hun kamp naar Kortrijk. Een imposant leger gevaarlijk dichtbij! Er komen raids op Wervik, Komen, Waasten, Ieper. Het jaar 880 is er één om snel te vergeten. Niets lijkt te weerstaan aan de dolle woede van de Noormannen.

De eerste stenen burchten aan de Schelde
Vlaanderen blijkt onverdedigbaar en de Franse opperleenheer, koning Karloman, besluit om de verdedigingslinie en de noordelijke grens van zijn rijk achteruit te trekken tot aan de heuvels van Artois. Abt-graaf Rudolf van Ternois krijgt de opdracht om er militaire bolwerken op te trekken. De eerste stenen burchten worden gebouwd aan de Schelde en in de heuvels. De maatregelen helpen enigszins. Het wordt in elk geval moeilijker voor de Noormannen om door te stoten in het Franse binnenland. Alles wat zich ten noorden van de verdedigingsgordel bevindt is echter het kind van de rekening. Het aan zijn lot overgelaten Vlaanderen krijgt tot aan het einde van 883 de volle laag.

De abt van de Sint-Vaast abdij noteert het: ‘in alle straten ziet men lijken, zowel van geestelijken als van leken, edelen en gewone mensen, vrouwen, kinderen en zuigelingen. Er is geen weg of plaats te vinden waar geen doden liggen’. De in de Brugse bossen verscholen graaf Boudewijn kan na het vertrek van de Noormannen niets anders vaststellen dan dat onze streek totaal geruïneerd is. De akkers liggen er braak bij nadat ze vier jaar lang niet konden bebouwd worden. De veestapel is verdwenen. Het merendeel van de inwoners is weggevlucht en het zal nog jaren duren vooraleer de mensen durven terugkeren.

Want wie garandeert er hen dat de aanvallen niet zullen herbeginnen? De hele regio is failliet. De Franse koning heeft ons wel erg lelijk aan ons lot overgelaten! De Fransen lijken Vlaanderen op te geven en schenken de in de Franse heuvels gelegen abdijen van Sint-Bertijn en Sint-Vedast aan abt Rudolf. Door de uitgebreide landgoederen die ervan afhangen, en de rijke inkomsten die ermee gepaard gaan, is het bezit van deze abdijen ruimschoots dat van een graafschap waard! Het is al bij al een merkwaardig geschenk.

De bossen van Zonnebeke liggen voortaan in Vlaanderen
Het komt er op neer dat de Franse koning Karloman in het noorden van zijn rijk een marke opricht, en het bevel aan abt Rudolf toevertrouwt. Voor dotatie heeft deze laatste minstens de Sint-Bertijns en Sint-Vedast abdijen gekregen. Het leeggeplunderde en doodgemartelde Vlaanderen ligt voor het grijpen. De jonge Boudewijn II, de kleinzoon van Karloman, legt de hand op de gouwen Vlaanderen, Aardenburg, Gent, Waas, Mempiscus en Kortrijk. Hij sticht het vorstendom Vlaanderen. Karloman laat betijen. De geteisterde bossen en velden van Zonnebeke liggen voortaan in het vorstendom Vlaanderen. Daarmee is natuurlijk de dreiging van de Noormannen niet verdwenen.

Het bouwen van imposante stenen vestingen blijkt de enige remedie om zich te beschermen. Vanaf 884 gaat de bevolking overal cirkelvormige burchten bouwen waar de plattelandsbevolking samen met het vee kan vluchten als er gevaar dreigt. Op een tiental kilometer ligt de villa Ieper. Eigendom van de graaf. In 902 wordt de villa herbouwd en versterkt. Hier kunnen de inwoners van Zonnebeke naar toe als er gevaar dreigt. De lokale graven gaan trouwens ook hun eigen verblijven versterken. Stenen gebouwen omringd door slotgrachten moeten brandstichting voorkomen. De versterkingen worden opgetrokken op beboste hellingen in de nabijheid van beken en waterlopen. Het feodale tijdperk is nu pas echt begonnen. De gewone mensen krijgen bescherming van hun burchtheer. In ruil daarvoor worden ze zijn lijfeigenen.

De heerlijkheid van Rolleghem
In Zonnebeke is de belangrijkste heerlijkheid die van de adellijke familie van Rolleghem. Hun heerlijkheid bevindt zich pal in het centrum van een domein dat zich uitstrekt tot aan het ‘Lichterveld’, de voet van Ieper, Sint-Jan en Zillebeke waar zich op vandaag de danszaal ‘Canada’ bevindt. De heer woont in zijn motekasteel. Van hieruit heeft hij totale rechts- en bestuursmacht over zijn grondgebied. De mote heeft een doormeter van ongeveer 100 meter en wordt omringd door een berm van opgehoogde aarde. De gracht er rond is diep en breed genoeg zodat er geen mensen of dieren kunnen over springen en dank zij zijn aansluiting met de Alnebeek gevuld met water.

De scheiding tussen de berm en de gracht is versterkt met houten palen die vernuftig aan elkaar gemonteerd worden. Binnen de berm en de houten palissade zien we een opperhof en een neerhof. En waarschijnlijk ook een stenen gebouw met dito verdedigingstoren. Het motekasteel van de rijke van Rolleghem-clan wordt ook het Vroonhof genoemd. Het is feitelijk een versterkte hoeve met stallen, schuren en een verblijfplaats voor de ondergeschikte lijfeigenen. Het is het centrum van waaruit die lijfeigenen hun orders krijgen om het land van de heer te bewerken. Het strategisch gelegen Zonnebeekse vroonhof ligt precies op het kruispunt van de Alnebeek die de slotgracht dus van water voorziet en de weg tussen Iperen en Roslar.

Ter hoogte van het motekasteel vertrekt er een weg naar de versterkte burcht van Thicasmuda waar de familie de Bevere de plak zwaait. Met verloop van tijd zal er ook langs die weg een kapel gebouwd worden: de ‘Capelle ter Poel’. De landerijen van de familie van Rolleghem strekken zich trouwens uit tot Langemark, de nieuwe kapel wordt dan ook opgetrokken op eigen grondgebied. Bij het afsterven van abt-graaf Rudolf eigent Boudewijn II zich al dan niet terecht de bezittingen van zijn overleden neef toe. Sint-Vaast en Sint-Bertinus komen in grafelijke handen. En ook het strategisch belangrijke Terwaan dat eeuwen lang de scepter zal zwaaien over de Westhoek belandt bij zijn invloedssfeer.

Later zullen de Vlaamse graven de abdijen weer afstaan. Maar abten en graven verdelen voortaan samen de macht. Ze zorgen er voor dat de lokale boeren bossen rooien en veranderen in akkerland. De opbrengsten worden gedeeld. En ondertussen moeten de mensen dansen naar de pijpen van de christelijke leer. Midden in de bossen worden nieuwe wegen aangelegd tussen de bestaande bevolkingskernen die nu bestendig uitgebreid worden. Niet alleen in de regio van Zonnebeke, maar over de hele Westhoek zijn er veel handen nodig om het vele ontginningswerk uit te voeren.

De graaf bepaalt wie de bomen rooit in Zonnebeke
Het zeewater langs de Vlaamse kuststreken heeft zich terug getrokken. Waar ooit water stond, grazen nu Friese schapen die zorgen voor wol en werk in het ‘boomende’ Ieper. Vlaanderen wordt ingedeeld in kasselrijen, gebieden die zich concentreren rond de steden. Zonnebeke behoort tot de kasselrij Ieper. De abten organiseren de plattelandskernen in parochies die ze aanvankelijk ‘kerspelen’ noemen. In de kasselrij Ieper bevinden zich meer dan 30 van die kerspelen. Terwijl de welvaart in de steden piekt en veel vrije mensen zich vestigen in het nabijgelegen Ieper, blijven de lijfeigenen in de kerspelen arm en verweesd achter.

Het rooien van de bossen wordt bepaald door de graaf en de abt. De bossen van Zonnebeke zitten vol wild en zijn aanvankelijk voorbehouden voor de hobby van de graaf. Jagen! Van Poperinge tot in Roeselare is de bosontginning al volop aan de gang. Zonnebeke blijft lang een uitzondering. Pas vanaf 1050 wordt er ook systematisch werk gemaakt van het rooien van bomen in de Zonnebeekse ‘foreesten’. Waardevolle landbouwgrond komt mondjesmaat aan de oppervlakte. Tegen het jaar 1100 zijn de bossen al flink uitgedund en vervangen door vruchtbare landbouwgronden die meestal in handen zijn gevallen van de bestaande landheren.

De Godsvrede is een perfect scenario voor de graaf
Vlaanderen is veranderd. Na een eeuw vol chaos en het ontbreken van een centraal gezag die naam waardig hebben de lokale heren niet geaarzeld om zichzelf heerlijke rechten toe te kennen. De ene spreekt recht, de andere heft belastingen op de ingezetenen van zijn domein en nog anderen verplichten hun onderdanen om voor hen ten strijde te trekken. Elk gedraagt zich alsof hij de graaf van zijn rijk is. Zo gaat het natuurlijk ook met de heer van Rolleghem.

En waar blijft ondertussen het grafelijk gezag van Boudewijn IV die maar al te graag de zeggenschap zou willen veroveren over een homogeen rijk? Maar hoe kan hij daarin slagen? De oplossing komt aangewaaid vanuit het buitenland. Een aantal hooggeplaatste edelen en de clerus willen dat er meer rechten moeten komen voor de burgers en willen dat vrouwen en kinderen niet langer willoze slachtoffers kunnen worden van moord en oorlog. Het principe van de ‘godsvrede’. Maar welke sancties kunnen er worden toegepast als die godsvrede niet wordt nageleefd? De bevolking is nu wel systematisch gebrainwasht rond het christusgeloof.

Ook in de bossen van Zonnebeke. Maar de geestelijke straffen blijken toch nog onvoldoende om orde en reglement te stabiliseren onder de mensen. Een wereldlijke controle op het naleven van de godsvrede blijkt een gat in de markt voor graaf Boudewijn. Een geschenk uit de hemel. Door het uitvaardigen van de godsvrede in Vlaanderen in het jaar 1030 kan de graaf zijn machtspositie over Vlaanderen herstellen. De vazallen of inwoners die de godsvrede overtreden, maken zich nu meteen ook schuldig aan opstand tegen de graaf. De macht van de lokale adel kan eindelijk aan banden gelegd worden. Ook de vele monniken in de abdijen moeten zich schikken naar nieuwe regels van eenvoud en gebed. Er kan geen sprake meer zijn van sodomie en losbandig leven. De hogere kerkelijke overheid legt discipline op.

De komst van de abdij in Zonnebeke
Ook hier wordt het gezag van de graaf hersteld. De clerus en de graaf beseffen dat een hechte samenwerking tussen beiden een perfect alibi biedt om samen de lakens uit te delen in Vlaanderen. Om orde te scheppen doet Boudewijn V in 1063 beroep op bisschop Drogo van Terwaan. Samen kondigen zij de Pax Flandrica af. Het wordt nu verboden om nog oorlog te voeren of vetes uit te vechten vanaf de woensdagavond tot de maandagmorgen. De komst van een abdij in Zonnebeke is het rechtstreeks gevolg van die nieuwe godsvredepolitiek van de graven.

Zonnebeke is geen alleenstaand geval: In 1041 wordt het kapittel van Harelbeke gesticht door het gravenpaar en vooral onder druk van gravin Adela die eveneens de abdij van Mesen sticht waar ze na de dood van haar man zal verblijven en er zal sterven. In 1050 wordt Sint-Pieters van Lo opgericht door ene priester Thomas. De OLV-abdij van Voormezele wordt gesticht door een zekere Isaac van Voormezele.

Rijke grootgrondbezitters zijn zo slim om te beseffen dat een hechte samenwerking met graaf en bisschop hen geen windeieren legt. En dan die belofte van het eeuwig leven? Het afstaan van gronden en tienden aan nieuw op te richten abdijen wordt schering en inslag in Vlaanderen. Eén van de grootgrondbezitters die al eeuwen de macht hebben in de streek is de familie van Rolleghem (Rolinghem, Rolenchem). Anno 2012 kennen we Rollegem-Kapelle. Dit is de plek in Ledegem waar die familie trouwens een hele tijd later na die eerste abdij in Zonnebeke (1213) een kapel laat oprichten.

Het hoofdkwartier van de clan van Rolleghem
De van Rolleghems hebben zowat overal gronden en lenen. Zonnebeke bevindt zich in het hart van hun territorium. Ze bezitten zowat overal macht en invloed. In Ieper bezitten ze het hele noordelijke buitengebied van Ieper. Het ‘Rollegemse’ is een belangrijk leen dat grenst tot aan de oude stadsgrachten van de stad. De plek waar zich anno 2012 de Surmontstraat, de Henri Cartonstraat en de Diksmuidestraat bevinden, is in die tijd eigendom van de familie van Rolleghem. Wie in en uit de stad moet, wordt verplicht om tolgelden te betalen aan ‘Sint-Princens Rolleghem’. ‘Up de Hanguarchgracht, ol so men gaet ten Rolleweghe’.

In Passendale, Beselare en Ledegem hebben ze belangrijke leengoederen. In Zonnebeke bezitten ze de beste landbouwgronden. Sint-Jan, de bossen van Zonnebeke tot aan de voet van Ieper zijn hun eigendom. Gebieden in Ledegem, Reningelst, de Klytte. Gronden ter hoogte van Ardres bij St.-Omer. Hun bloedband met de steenrijke familie Halewin zal trouwens de naam geven aan Halluin bij Menen.

Het Rolleghemse, in het noorden, vóór de Diksmuidepoort gelegen, bestaat uit het ‘Princen-Rolleghem’, dat ten oosten van den Diksmuideweg aan de Goudinegracht ligt en het eigenlijke Rolleghemse, ten westen van de zelfde weg aan de Sceuvelgracht. Door het aanleggen van de versterking van 1214 zullen Princen-Rolleghem en het Rolleghemse deels door de stad ingelijfd worden. Het stadsgedeelte van dit laatste leen heet sindsdien Stede-Rolleghem en beslaat ruim 4 hectare terwijl het overige stuk grond met een oppervlakte van 7,92 hectare ‘St Jans-Rolleghem’ genoemd wordt, omdat het tot St. Jans parochie behoort.

Het heerschip van Rolleghem
Het heerschip van Rolleghem is trouwens op dit moment baas over het machtig geworden Ieper. Diederik (Theobald) van Ieper is benoemd als baljuw voor het leven. Hij is getrouwd met Ramburga. In 1070 wordt hij uit de weg geruimd op bevel van gravin Richilde van Henegouwen. Alles heeft te maken met de machtsoverdracht aan de nieuwe graaf Robrecht de Fries. Zijn weduwe Ramburga hertrouwt met (de Brugse) ridder Fulpold de Loppinis. Het kerkelijk landschap bevindt zich in die jaren in een diepe crisis. De misbruiken die zich vanaf de 9de eeuw op zowat alle niveaus van de kerk van het bisdom van Terwaan voordoen, zijn talrijk.

Een echte plaag is het. De paus wil paal en perk stellen aan die misbruiken en beveelt aan de bisschop van Terwaan om de boel te herstructureren. De invloed van de leken in de kapittels, parochies en kloosters wordt grondig teruggeschroefd. Een team van geestelijken onder leiding van Lambertus, de abt van Sint-Bertijns, zal zich de komende decennia concentreren op de stichting van nieuwe of de regularisatie van bestaande kapittels. De nieuwe stichtingsbeweging krijgt volop de steun van de graaf en zijn voornaamste vazallen. De herstructurering laat zich asap gevoelen met de stichting van het Ieperse kapittel.

De familie van Rolleghem springt op de kar van Terwaan. Is een kapittel in hun eigen streek – midden in de bossen van Zonnebeke – niet ideaal om structuur en controle te brengen in hun eigen heerlijkheden en domeinen? Is een eigen kapittel niet de gedroomde plaats om hun kinderen te laten genieten van een gepast inkomen? De opbrengsten (prebenden) verbonden aan een kanunnikplaats zijn uitermate attractief. En dat ze daarbovenop nog een officieel karakter hebben dank zij kerk en staat is al helemaal meegenomen! En de verzekering van het eeuwige zielenheil is natuurlijk een toemaatje van belang.

Fuldpold de Loppinis sticht het kapittel van Zonnebeke
Eerst en vooral is er een officiële structuur nodig. Een kapittel. Er wordt in 1072 een deal gesloten met bisschop Drogo van Terwaan. De afspraak wordt schriftelijk bevestigd in een oorkonde gericht aan Fulpold de Loppinis, burggraaf van Ieper. Voor het eerst wordt er effectief neergeschreven dat de parochie Sinnebecche met zijn eigen kerk en priester het recht krijgt om een kapittel op te richten. We spreken over het jaar 1072. In dat zelfde jaar is er volgens de kronieken sprake van aardbevingen, stormwinden, overstromingen en een grote sterfte onder de vissen. Ramburga heeft uit haar huwelijk met de vermoorde Theobald twee zonen: Theobald en Fromold.

De opvolging van het geslacht van Rolleghem verloopt verder via Theobald die vijf zonen nalaat: Fromold, Wulfric, Adam van Passendale, Lambert en Theobald. Het kan geen toeval zijn dat de zonen en kleinzonen de grootste weldoeners zijn om binnen de grenzen van hun kapittel een klooster te stichten. Ze kunnen er alleen maar bij winnen. De nieuw op te richten abdij zal gefinancierd worden dank zij de tienden van de heerlijkheden Beselare en Zonnebeke die overgedragen worden aan het nieuwe kapittel. De proost wordt een machtige grootgrondbezitter met veel pachtboerderijen, uitgestrekte bossen en een massa landerijen in eigendom.

Het nieuwe klooster zelf wordt geïnstalleerd in de onmiddellijke omgeving van de voornaamste heerlijkheid, het huis van de heer van Rolleghem. Er worden 24 gemeten grond (meer dan 10 hectare) vrijgemaakt in het oostelijke uiteinde van het Rumetra woud, vlak bij de open plek, en niet zo ver van het bestaande privékerkje van de Rolleghems van Zonnebeke dat nu de titel krijgt van officiële kapittelkerk. Drie kanunniken onder leiding van de proost betrekken het nieuwe klooster. De proost is trouwens niemand minder dan Fromold van Rolleghem, de broer van de kasteelheer. Er kan nu dag en nacht gebeden worden voor de zielzaligheid van de eigen gegoede familie.

Het bezit van tienden staat voor geld en macht
Proost Fromold houdt er een vriendschappelijke relatie op na met Karel De Goede, de graaf van Vlaanderen, die resideert in Brugge. De invloed van de toonaangevende familie van Rolleghem is duidelijk merkbaar op het beleid. De overdracht van die tienden aan het pas opgerichte kapittel is dan ook wel echt relevant te noemen. Het bezit van tienden staat voor geld. Macht. Het zijn de opbrengsten van de offerande en een belasting op de parochianen van 10% van hun oogst en inkomen.

De totale opbrengst (altare) wordt verdeeld in 3 delen: een derde voor het levensonderhoud van de pastoor, een derde voor het onderhoud van de kerk en de rest is bedoeld als steun voor de armen. De twee derden voor de kerk en de priester worden het ‘bodium’ genoemd. De mensen worden verplicht om hun tienden te betalen aan de kerk die gelegen is binnen de perfect afgebakende grenzen van de parochie. Ook de begrafeniskosten zijn erg belangrijke inkomsten voor de proost. Om in de hemel te raken moet er eerst afgedokt worden. De van Rolleghems spelen trouwens dezelfde truc op hun uitgebreide grondgebieden van Ardres, in de buurt van St.-Omer, waar ze in dezelfde periode eveneens een bescheiden kapittel oprichten langs de oude Romeinse heirbaan tussen Boulogne en Cassel.

In de heuvelachtige bossen langs de rivier de Hem. In diezelfde periode gunt diezelfde bisschop Drogo van Terwaan de oprichting van het kapittel en abdij van Voormezele. Isaac, de heer van Voormezele, heeft ook een succesvolle lobbywerking uitgevoerd. Het is trouwens wel merkwaardig dat bisschop Drogo gelijkaardige oorkonden geeft aan Ardres, Voormezele en Zonnebeke. Het gloednieuwe kapittel van Zonnebeke begint aan een steile opmars. Alles verloopt ongetwijfeld zoals gepland bij de stichting. Eén van de zonen van Theobald is priester. Lambertus (Lambrecht) wordt in 1087 aangesteld als kanunnik van het bisdom Noyon-Doornik die de lakens uitdeelt in de parochies Geluveld, Passendale, Zandvoorde en Hollebeke.

In 1113 wordt het nog gortiger
Ondertussen wisselen zijn broers Fromold en Wulfric elkaar af als burggraven in het machtige Ieper. Ook hier wint het Sint-Maartenskapittel voortdurend aan macht en invloed. In datzelfde jaar schenkt de bisschop van Lambertus het altare van Beselare aan het kapittel van Zonnebeke. In 1093 volgen de schenkingen van het altare van Roeselare en de heerlijkheid van Oostnieuwkerke. Het lijkt duidelijk dat Lambertus van Rolleghem bij al deze transacties nogal wat in de pap te brokken heeft.

Anno 1096 promoveert kanunnik Lambertus tot aartsdiaken van het bisdom Doornik. Vanaf 1110 bevestigt paus Paschalis Lambertus eveneens tot proost van het kapittel van zijn thuisbasis van Zonnebeke. Hij wordt er met andere woorden baas en grootgrondbezitter over de uitgestrekte gebieden die hij zich zelf liet schenken. In 1113 wordt het nog gortiger als hij het schopt tot bisschop van het bisdom Doornik. Amper één jaar later bevestigt hij de schenking van het altare Passendale aan het kapittel van Zonnebeke. Broer Adam is niet enkel de bezitter van de Passendaalse gronden.

Hij zwaait ook de scepter over gronden in Roeselare en Ieper. Ook die worden versast naar de moederholding; ‘het kapittel van Zonnebeke’. De transacties en de eigendommen van de holding worden ten persoonlijken titel bevestigd door niemand minder van graaf van Vlaanderen Boudewijn. Het is duidelijk dat éénzelfde familie al eeuwenlang de plak zwaait en zal blijven zwaaien over de hele regio tussen Ieper en Roeselare. Met de komst van het kapittel is er echter één zaak veranderd: de eigendommen zijn ditmaal officieel bevestigd door kerk en staat. De taksen en tienden op alle opbrengsten in de regio worden nu officieel naar de familie van Rolleghem gekanaliseerd. Onder het voorwendsel van het christelijk geloof en onder druk van de eeuwige verdoemenis in de hel.

De stichting van het Zonnebeekse kapittel in 1072
De heerlijkheid (en het kapittel) van Zonnebeke beschikt voortaan over een eigen rechtspraak en strekt zich uit over de ‘prochien van Sonnebeke, Becelaere, Langhemarcq, Zillebeke, Leinceele, Passchendaele, Nieukercke, Ghelevelt, Hooghelede, Gheyts en daerontrent mitsghaeders in Nederwaestene’. De stichting van het kapittel in 1072 en de bouw van een klooster in de bossen van Zonnebeke worden gevolgd door de stichting van een vrouwenklooster dat gebouwd zal worden in het zuidwestelijke uiteinde van de Rumetra.

In 1112 wordt de opstart van ‘een eiland van eenzaamheid’ bekend gemaakt; ‘Ego Joannes D.G. Morinorum epsicopus, notum esse volo quod ecclesiolam illam in solitudine nemoris quod Rumetra vocabatur, etc…’ De abdij van de Nonnenbossen, ‘Beata Maria de Buscho’, is geboren. De stichting van vrouwenabdijen is een vrij recent fenomeen in het Vlaamse landschap. De vrouwenkloosters schieten in het begin van de 12de eeuw als paddenstoelen uit de grond. De broers van Rolleghem hebben ongetwijfeld één of meerdere zussen. De geschiedenis brengt hierover geen uitsluitsel. Maar het is zeer plausibel dat de stichting van het klooster van de Nonnenbossen rechtstreeks verband houdt met de aanwezigheid van adellijke dames ten huize van het geslacht Rolleghem.

Beata Maria de Buscho wordt in 1113 plechtig ingewijd
De inspiratie is niet ver te zoeken. In de achtertuin van Zonnebeke, ten oosten van het eigen grondgebied Zandvoorde is er in de heerlijkheid van Mesen die zowat de hele zuidkant van Ieper in eigendom heeft (Mesen, Wijtschate, Voormezele, Zillebeke, Kemmel, ..) als sinds 1050 een Benedictinessenklooster gesticht door Adela, de echtgenote van Boudewijn, de graaf van Vlaanderen. Het vrouwenklooster is een exclusieve bedoening waar enkel plaats is voor adellijke dames. De hoogste adel van de streek – met inbegrip van de graaf en gravin – zorgen voor voldoende sponsoring. Adela staat er zelf aan het hoofd en regeert er als een prinses over de club.

Vanaf 1079 krijgt ze trouwens de volledige rechtspraak en burgerlijke bevoegdheid over de imposante heerlijkheid van Mesen. De weelderige bossen tussen het Hooghe en de heerlijkheid van Zonnebeke strekken zich uit als een doolhof van tientallen vierkante kilometer. Er wordt beslist om het nieuwe en exclusieve vrouwenklooster mét kerk te bouwen middenin het woud. Ter hoogte van de plek die de mensen nu ‘De Westhoek’ noemen. Goed bereikbaar vanuit Ieper via de Beaurewartstraete (de Bellewaerdestraat) en de Zandberg. Niet ver van de Oude Borneweg (nu de Waterstraat), de Frezenbergstraat en parallel met de Oude-Kortrijkstraat.

‘Er gaan nonnen wonen in onze bossen’!! De mensen spreken al snel over de ‘Nonnenbossen’. Officiële middeleeuwse documenten omschrijven de cella als ‘de Onze-Lieve-Vrouwe-abdij van Nonnenbossche’. In 1113 worden kerk en klooster plechtig ingewijd. Het schoon volk is er massaal aanwezig. Niemand minder dan Jan van Waasten, de bisschop van Terwaan leidt de openingsceremonie.

De hele ‘état-major’ is natuurlijk ook van de partij. Lambertus, de Zonnebekenaar en aartsdiaken van het bisdom Doornik en zijn broer Fromold, de burggraaf van Ieper, zitten op de eerste rij. Net zoals de proosten van de kapittels van Voormezele en Ieper (Abbold en Gerardus). De eerste kerk van 1112 zal trouwens in 1197 vervangen worden door een groter exemplaar. Beata Maria de Buscho krijgt van bij de start de heerlijkheid Zonnebeke in haar bezit. Er is sprake van een onvoorwaardelijke overdracht van het kapittel naar het adellijke vrouwenklooster.

Het kapittel wordt een machtig concern
Het kapittel van Zonnebeke met het mannen- en vrouwenklooster wordt één machtig concern. Het Nonnenbossenklooster gaat van start met zowat 50% van alle Zonnebeekse gronden in portefeuille. Technisch gezien kan het nieuwe vrouwenklooster opgevat worden als een priorij, een tweede huis van een bestaand klooster. De priorij wordt in zijn beginjaren beduidend gesteund door de graaf Karel de Goede en later door graaf Diederik van den Elzas. In de hoogdagen van de kruistochten en de algemene christelijke verdwazing denkt de adel dat de hemel kan verdiend worden door het afstaan van wereldlijk goed.

In de eerste jaren na de stichting wedijveren graven en edellieden met elkaar in werken van geloof en liefdadigheid. De giften aan het klooster stromen binnen. Stilte en een contemplatieve beleving met aandacht voor God en een sobere levensstijl. Zo stellen we ons nu het vrouwenklooster van de Nonnebossen voor. Die indruk zal ook wel opgewekt worden bij de boeren en pachters van Zonnebeke in de 12de en 13de eeuw. De plek waar het klooster gebouwd staat is nu niet bepaald de meest vruchtbare van de streek. Dat versterkt alleen maar de indruk van ‘arme zusters’. Vermoedelijk is deze impressie slechts schijn. Armoede en ontzegging zijn van korte duur of zelfs helemaal niet aan de orde. Het is beslist een leven vol regelmaat.

Een rustig en eenvoudig bestaan met de zekerheid van voldoende veiligheid, warmte, eten en drinken is ongetwijfeld een luxe die in die tijden enkel kloosters en abdijen kunnen bieden. Binnen de muren van het Nonnenbossenklooster gaat het er exclusief aan toe. De kloosterorde is enkel toegankelijk voor dames met blauw bloed die hun entree moeten betalen in de vorm van onroerende goederen en financiële middelen voor de priorij. Het Nonnenbossenconcern krijgt in 1123 van Karel de Goede de titel van ‘heerlijkheid en graafschap van de Nonnenbossen’. Het graafschap strekt zich uit over alle gebieden ten noorden en ten zuiden van de lijn tussen Bellewaerde en de kerk van Geluveld. Met inbegrip van onder meer Zandvoorde en Beselare.

Een eigen rechtspraak in Zonnebeke
Het concern bezit een eigen rechtspraak. Zowel de hoge als de lage justitie. Er is sprake van een baljuw, 7 schepenen, een griffier en een amman. Er worden tienden geheven over 15 parochies. De mensen van Zonnebeke, Beselare en Geluveld mogen gerust onderdanen genoemd worden van de ‘Nonnenbossen’. Naast het heffen van tienden binnen de grenzen van het kapittel van Zonnebeke heeft het klooster zowat 150 hectare in volle eigendom.

Een reeks van hofsteden met in totaal 55 hectare landbouwgrond. Zowat 30 hectare bos (Maerle, Jansstuk, West- en Oostcouter, Conventebos, Quaetbosselken, Danckaert en het Nonnestuk) wisselen af met 25 hectare wei- en labeurland. Zowat 40 hectare heideland wisselen zich af met moerasland (zo bijvoorbeeld de ‘Hoogeblooten’). Het contrast tussen de twee Zonnebeekse kloosters groeit met de dag. In het oosten van het bos, aan de rand van het dorp, leven en ploeteren eenvoudige hardwerkende en vaak primitieve monniken van het St.-Augustinus klooster. Er is amper tijd voor een contemplatief leven.

Ze rooien bomen, ontginnen bossen, werken op het land. Kloosterlingen en bewoners werken samen aan de uitbouw van het dorp Zonnebeke. De handen moeten uit de mouwen gestoken worden! Aan de westkant van het bos ligt de focus van de O.L.V. vrouwenpriorij op een verborgen en exclusief leven van een trits ‘klassedames’ uit de hogere klassen. De giften en renten aan de priorij blijven toestromen en maken het contrast met de buren alleen maar meer uitgesproken.

Van priorij tot abdij
Het valt helemaal niet te verwonderen dat er conflicten ontstaan tussen de priorin en de proost van de respectieve kloosters. Meestal gaan de ruzies over de eigendomstitel over stukken pas ontginde grond. Nieuwland. Telkens opnieuw moet de bisschop van Terwaan het pleit beslechten in het voordeel van één van beiden. Jaloezie zal natuurlijk ook wel zijn rol spelen. Het zal de monniken wel hoog zitten dat het groot volk de priorij meer en maar als verblijfplaats gaat gebruiken bij hun bezoeken aan het nabijgelegen Ieper. Het klooster van de Nonnenbossen overklast en overschaduwt de mannenabdij in alle facetten.

In juni 1200 wordt de priorij Nonnenbossche door paus Innocentius III tot abdij verheven. Op dit moment is de katholieke kerk zelf aangekomen op haar kerkelijk hoogtepunt. Ava, de overste van de nieuwbakken abdij draagt voortaan de titel van ‘abdis en gravin van de Nonnenbossen’. Eenentwintig opeenvolgende abdissen zullen de volgende eeuwen de plak zwaaien over de abdij van de Nonnenbossen. Tot 6 juni van het jaar 1567 blijft de abdij verscholen in de Zonnebeekse bossen. Daarna verhuizen de zusters definitief naar een kloostergebouw binnen de beschermende stadsmuren van Ieper.

Dit is een fragment uit ‘De Eerste Jaren van Zonnebeke’ uit deel 1 van De Kronieken van de Westhoek