In de schijn van de gewijde kaars

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     259 Views     Leave your thoughts  

Had Filips de Schone niet honderden, ja duizenden Tempeliers en Joden de dood en de ellende ingejaagd ? Had hij niet de galgen van Montfaucon opgericht, die de hemel uitdaagden? Had hij niet de Vlaamse lakenhandelaars te Parijs naar de bedelstaf verwezen? Had zijn zoon niet onmiddellijk Vlaanderen van de kaart en uit het geheugen van de Fransen willen wissen?

God straft de koningen, maar het volk boet ervoor! Weg met deze dwaze oorlog, gromden de Franse boeren, wij hebben niets tegen de Vlamingen, ze zijn eerlijker dan de Joden en hun koopwaar is niet op woeker berekend. Laat de hoge heren dit spel van haat onder mekaar uitspelen!

Wij, derde stand, wij, vrijen en lijfeigenen, reiken de hand aan de zogenaamde barbaren en Saracenen van het Noorden, het woord ‘honden’ zullen wij niet in de mond nemen. Sedert enkele jaren spotten wij met het kat- en muisspel tussen Vlaanderen en Frankrijk, of beter gezegd, tussen de Franse adel en clerus en de Vlaamse.

Graven, prelaten, baronnen en ridders maken grote sier, tafelen uren aan een stuk en gaan dan naar bed met onze maagden en dienstmeiden. En zijn de bisschoppen soms beter? Zij dobbelen om een abdij, een klooster, een kerk met landerijen en boerenhoven. Zij leven in simonie en hoererij. Onze parochiepapen geven ons gelijk. Wij, boeren en neringdoeners, hebben hun verbitterde stem op de kansel horen donderen, niet tegen ons, maar tegen de hoge heren en prelaten.

Waarvan leven onze dorpspapen ? Theoretisch van onze tienden; praktisch van onze aalmoezen, want de tienden gaan naar de kas van de prelaten, zoals de onze naar de kas van de baron. Wij weten dat menig paap stiekem wijn en bier tapt, zoals wij onze veldvruchten verkopen op de zwarte markt. Onze dorpspapen zijn de armsten onder de armen, de Jezussen van Nazareth in de tempel van Avignon. God straft de minores samen met de majores.

Hoewel de honger het gevolg is van de overstromingen, bestaat er een groot verschil tussen hongers- en watersnood. De laatste, hoe verschrikkelijk ook, neemt geleidelijk af, de eerste neemt geleidelijk toe en drijft dieren en mensen in de grijparmen van de dood.

Pas nadat de rivieren braafjes in hun beddingen waren teruggekeerd, beseften de bewoners van Vlaanderen en Isle de France dat het hout van hun karige bossen slechts kon gebruikt worden om er doodkisten van te maken. De zoutweiden van de kuststreek waren er nog het best aan toe.

De vloed had weliswaar duizenden schapen tot krengen gemaakt en als aas aan vossen en ratten gegeven, maar de zoutweiden hadden minder geleden dan de polder. Wolven uit de Vogezen werden gesignaleerd in de polders, venen en terpen, want ook daar hadden de bergen het water in de schoot van de valleien uitgestort, en de wolven trokken zoals de mensen op strooptocht.

Ter Duinen, Ter Doest en de andere abdijen zorgden voor het oprichten van een verse schaperie, maar intussen lagen de zoutweiden en de polder braak. Op initiatief van de Sint-Pieters- en Sint-Baafsabdijen, trokken honderden boetepelgrims van Gent naar Sint-Lievenshoutem, andere groepen trokken barrevoets naar Notre Dame Flamenge te Doornik.

Uit Frans-Vlaanderen van Oosterband tot Marken-land aan de Somme togen andere processies in de richting van leper en Brugge. Die van Vermandland en Sint-Kwintens kwamen samen in de abdij van Sint-Rikiers en wilden boete doen voor het schrijn van Jezus’ Bloed te Brugge.

Sommige pelgrims waren door het water en de ratten uit hun woningen verdreven, anderen door werkloosheid; sommigen handelden uit wanhoop, anderen uit geloof en bijgeloof; maar al deze dolende stumperds hadden slechts een doel voor ogen: sterven in de schijn van een gewijde kaars en in de schaduw van een vermaard heiligdom.

Voor de vredelievende processies stonden de grenzen open. Een kruis, om beurten gedragen door vrome monniken en tientallen boetelingen, die van dag tot dag meer op skeletten begonnen te lijken, sloeg overal bressen van berouw. Psalmen vervingen strijdliederen, brandende kaarsen verjaagden lansen en stormbijlen, maliënkolders en harnassen maakten plaats voor harige boetekleren.

Ieder bad in zijn taal, en door het gebed verstonden vrienden en vijanden mekaar. De abdijen, de monniken, de papen hadden hun doel bereikt: de middeleeuwse mens werd de nomade van geloof en heiligheid, van schuld en boete, van vertwijfeling en hoop; de middeleeuwse mens pelgrimeerde, plantte kruisen, plaatste een Mariabeeld tegen een eik, dronk helend en zalvend water, zag wonderen gebeuren, binnen en buiten zichzelf, voelde zich tot een nieuwe Abraham groeien met de hoop op een vruchtbaar Kanaan.

Onderweg verloor deze mens zijn zonden en vet. In de plaats daarvan verzamelde hij in de lege schuur van zijn verdoemenis de zeven gaven van de Heilige Geest. En hoe meer de voeten vertraagden en maagzweren krampen en bloedloop veroorzaakten, hoe meer noodheiligen, engelen, maagden, belijders en martelaren het koor van monniken aanriep. Want de hemel bezat een oneindig aantal voorsprekers en bemiddelaars. Er waren heiligen voor alle kwalen, van hoofdpijn en abcessen op de tanden tot zweetvoeten, hoornhuid en eksterogen; kwestie van geloof en vertrouwen, zegden de monniken.

Met holle buiken vol extatisch geloof zong dit volk zijn lange reeksen litanieën, en naarmate dood en uitputting hun prikkel verloren, bleven de doolaards langs de wegen achter en bliezen de adem uit op de ictus van de Gregoriaanse zangen.

De heiligdommen stonken naar kaarsvet en buikloop. In de herbergen was er alleen plaats tegen baar geld. De hoeren schraapten de laatste druppel vet uit de mannen, die liever een vrouw in bed hadden dan een stuk brood in hun lichaam. Ook deze mannen stierven op de tonen van het Gregoriaans.

De door papen en monniken goedbedoelde boeteprocessies en bedevaarten ontaardden allengs in afperserij en strooptochten. De processiewegen waren overbekend, en langs deze wegen stapelden boeren en uitzuigers hun geheime voorraden op. Graan, meel, boter, eieren en gedroogd vlees werden tegen de laatste duit versjacherd.

Honger kent niets meer, noch God noch gebod, honger maakt wetten en grenzen gelijk met de bodem, honger is zoveel als de dood en de dood is de zeis van alles wat rechtstaat. Het gebed kon de mens tot in de derde hemel verheffen, maar de honger smakte zijn vlees en gebeente tegen de aarde. Eerst versjacherden de pelgrims hun meegesleepte armzaligheden, dan hun metalen exvoto’s en relieken, hun ringen en kostbare edelstenen, later de mannen hun vrouwen, nog later de vrouwen hun huwbare dochters en zelfs hun kleine meisjes. Niets bleef gespaard in de molen van de honger en onder de zeis van de dood.

…..

Een beeld van Vlaanderen rond 1320 – uit ‘Zannekin’ van Armand Boni uit 1967

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>