In de tijd van de Romeinen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     258 Views     Leave your thoughts  

De oprukkende Romeinen zorgen voor heel wat volksverhuizingen van dat zootje aan stammen. Ik weet het, beste lezer; allemaal ingewikkelde toestanden met moeilijke namen. Ik probeer ook nog de bomen doorheen het bos te zien en deze materie te transformeren tot een min of meer verstaanbare tekst. Tijdens de eerste eeuwen van de Romeinse dominantie in West-Europa rukken de Istyaeones verder op naar het westen en dat verklaart meteen de druk van de Germanen in de tijd van Caesar. Die heeft het in zijn geschriften over al die onderlinge verhuizingen. Ik beperk me tot de gebeurtenissen in de buurt van het Belgisch grondgebied. Onder de verdreven volkeren bevinden zich de Ubii, de Menapii, de Texuandri, de Chatti en de Batavi. Caesar laat de Ubii toe in de streek van Keulen nadat ze hun Germaanse nationaliteit hebben afgezworen.

Dat geldt ook voor de Menapii die verhuizen naar de regio van Brabant. Ze krijgen er een korte tijd later ook het gezelschap van de Texuandri. Plinius de Oudere situeert de Menapii al ten westen van de Schelde. Rond -13 verhuist een tak van de Chatti uit Hessen naar onze regio. De Chatti beloven aan de Romeinen als tegenprestatie om voortaan hun bondgenoten te zijn. Ik denk meteen aan de Catsberg, Cadzand en de kattenstoet van Ieper die op vandaag nog altijd herinneren aan de komst van die Chatti meer dan tweeduizend jaar geleden. In de Betuwe (Gelderland in de oosten van Nederland) komen de Batavi zich vestigen. Nog voor het jaar nul wordt ook de komst van de Usipetes, Tencteri en Sugambri gesignaleerd.

Tijdens het bestuur van Caesar bezitten de Nervii gebieden tot aan de Schelde. In het westen wonen hun buren, de Morini. Na de komst van de Menapiërs, de Usipetes en de Batavieren wonen die laatsten tot aan de toenmalige monding van de Oosterschelde. De Menapii zitten geprangd tussen de Nerviërs en de Morinen waardoor de Morinen noodgedwongen verhuizen naar West-Vlaanderen.

In die tijd zitten de Romeinen stevig in het zadel en zijn ze er in geslaagd hun bestuurlijke indeling op te leggen aan de bevolking. Het ‘Gallia’ van de Romeinen raakt zo ingedeeld in verschillende Romeinse provincies. Aquitania, twee Galliae, Belgica (ten noorden van de Seine) en twee Germaniae. Die twee Germaanse gebieden zijn Germaniae Superior met grote gebieden van het latere Frankrijk en Zwitserland. Germaniae Inferior bevat het latere Duitsland, de Ardennen en het oosten van Nederland tot in Nijmegen. In de loop van de Romeinse dominantie zal de oorspronkelijke indeling verder verfijnd worden en zal het Gallia van Caesar ingedeeld worden in zeventien provincies samen met de zeven van Hispania en de vijf van Brittannia. Ze zullen allen in één grote prefectuur samensmelten met Trier als hoofdstad die daardoor zal uitgroeien tot de grootste stad boven de Alpen. In de negenentwintig provincies voeren duces (hertogen) en comites (graven) het bevel.

In dat grote noordelijke gebied wordt met verloop van tijd het Christendom ingevoerd. Met rond het jaar 300 al bisschoppen te Trier en Keulen. In 350 sticht Servatius het bisdom Tongeren. Die stad blijft door de Romeinen bezet tot in de vijfde eeuw wanneer ze dan zonder slag of stoot achtergelaten wordt. Van Es maakt van de gelegenheid gebruik om zich te focussen op het vertrek van de Romeinen. Veel historici situeren het afscheid rond het voor hen catastrofale jaar 406 wanneer de Germaanse stammen in massa over de Rijn trekken terwijl ze zelf opgejaagd worden door de Hunnen. De voorbije eeuwen is er altijd wel trammelant geweest tussen de Germanen en de Romeinen waarbij de Italianen gewoonlijk aan het langste eind trokken. Al die info komt van de Romeinse schrijvers. Maar zijn die niet bevooroordeeld geweest in hun teksten?.

Veldheren en keizers in spe hebben lauweren nodig en ze zorgen er zelf wel voor dat er positief geschreven wordt over hun bestuur en hun krijgsprestaties. Wie kan per slot van rekening precies weten wat waar of niet waar is? Niemand kan nagaan wat er zich in de realiteit afspeelt aan de grenzen. De overwinningen waarover ze schrijven; wat zijn die waard? Zelfs de machtige Caesar ziet zich al vroeg verplicht om opdringerige Germanen toe te laten op zijn grondgebied. Hij legt ze misschien wel voorwaarden op. Maar laat veel van die zogezegde overwinningen maar voor wat ze waard zijn. Tijdens de daaropvolgende drie, vier eeuwen zien we voortdurend nieuwe stammen die toegelaten worden, zelfs nadat ze verslagen werden.

Na duidelijke en afdoende overwinningen worden er veel mannen gedood, tot slaaf gemaakt en voor de wilde dieren geworpen. Maar ik mag niet vergeten dat Rome zware belastingen eist doorheen zijn hele grondgebied. Taksen die de provincies uitputten en die in Gallië op veel plekken zorgen voor ontvolking. Dat is op zich al een reden om vreemdelingen op het grondgebied toe te laten. Volkeren die verslagen zijn, ‘laeti’, Laten, zeg maar horigen die hier moeten komen werken op de akkers. De immigranten worden verplicht om de versterkingen aan de grenzen te onderhouden en te herstellen waar nodig.

Zo gemakkelijk gaat het allemaal niet voor de Romeinen. Het pas veroverde Westfalen zijn ze al weer kwijt in het jaar -9. Hetzelfde geldt voor Friesland in het jaar 58. en er volgen nog veel andere voorbeelden. Het verslag heeft het ook over het westen van Vlaanderen en Nederland. Het hele gebied is zo lek als een zeef en haast oncontroleerbaar voor de Romeinse bezetter. Plinius de Oudere heeft het over twee duineneilanden enkele kilometer ver in zee. Hij heeft het over Flevum en Helinium, twee meren tussen opgehoopte duinen ergens in de Noordzee ten noordwesten van Frankrijk. Die eilanden zorgen er voor dat Brittannië min of meer in de buurt van onze contreien blijft. Boulogne wordt in die tijd omschreven als Gesoriacus. Caesar maakt er melding van. Hij heeft het over de Morini die kort voor zijn tijd nog uitgeweken zijn naar Brittannië en later teruggekeerd zijn onder de naam van Brittanni. Later zal Gesoriacus zich afscheiden van het grondgebied van de Morini.

Het blijft een komen en gaan van Germanen in de Romeinse provincies. De Sugumbri in de buurt van de Rijn, de Saksen tussen Westfalen en Twente. Die doen mijn schrijver denken aan de Merovingers en hun koning Merovech. En wat te denken van Clovis die bij zijn doop de naam Sigamber meekrijgt? Hoewel in die tijd de algemene naam van de Franken gebruikelijk is geworden? Waarom gaan de namen van de afzonderlijke Germaanse stammen over op de algemene naam ‘Franken’? De verklaring is vrij simpel. Door het verval in Rome komen veel vrije Germanen zich vestigen in Gallië, naast de bestaande horige rasgenoten die hier een ondergeschikte rol spelen ten dienste van de Romeinen. De enen zijn dus vrij en de anderen feitelijk slaven. De naam ‘Frank’ onderscheidt de vrije Germanen van de Laeti.

Van Es geeft enkele prima voorbeelden. De naam ‘franchise’ betekent ‘vrijstelling’, vrijdom van belasting. De vrije stad Valenciennes staat ook bekend als ‘Frankeville’. De Vrijlaten van het Brugse Vrije staan in het Latijn omschreven als ‘franco natus’, zeg maar vrijgeboren. Er is ook nog het verschil in haardracht tussen de Franken en de Laten. De onderworpen Germanen zien zich verplicht om hun haar kort te knippen. Zo kan er op het eerste zich al een onderscheid gemaakt worden met hun vrije rasgenoten. De term ‘Franken’ wordt voort nog omschreven als ‘Francigenus’ die vermoedelijk kan omschreven worden als ‘vrijgeborene’.

De naam ‘Franken’ wordt voor het eerst genoemd naar aanleiding van een aanval op het legioen ‘Sexta Gallicana’ te Mainz. De datum staat niet helemaal vast maar zeker niet vroeger dan het jaar 241. De aanval komt er na een hele periode van rondzwerven in Gallië. In het jaar 277 komt de naam ‘Franken’ al frequent voor aan de Neder-Rijn. Vermoedelijk is de naam ontstaan in de buurt van Keulen. Deze grote grensstad is in het bezit van de Romeinen en die laten de lokale Germanen mits enkele voorwaarden toe om de markt in Keulen te bezoeken. Zo moeten ze ongewapend zijn, dienen ze hun toegang te betalen en zich laten begeleiden door een gewapende Romeinse begeleider.

Een mix van Germaanse stammen wordt er door de Saksen verdreven en verhuist naar het eiland van de Bataven waar ze na het nodige bloedvergieten hun thuis vinden. Dat gebeurt allemaal tussen de jaren 280 en 310. Met dat eiland van de Bataven worden grote delen van Nederland bedoeld en onbewust moet ik denken aan de dialectische omschrijving van ‘vechten’ als zijnde ‘batavieren’. De Franken en de Saksen werken in latere tijden naar verluidt goed samen en deze wetenschap mag niet onderschat worden. Tussen 252 en 260 plunderen de Franken de Gallische kusten tot in Spanje en Afrika. Tarragona kan er van meespreken.

Van een stabiel Romeins rijk is er dan al lang geen sprake meer. Postumus, de keizer van Gallië, streeft tussen 258 en 268 naar een onafhankelijk Gallo-Germaans keizerrijk. In zijn strijd krijgt hij de hulp van de Franken. Dat Postumus zelf een zuivere Germaan is en zijn carrière opgebouwd heeft in het Romeins leger, toont aan dat de zogezegde Romeinen dan al een amalgaam zijn van diverse rassen en zeker niet alleen maar Italianen. Na Postumus’ dood ontstaat er een grote wanorde in Gallië. In 275-276 komt er een grote inval van Germanen. Gallië valt zo goed als helemaal in Duitse handen. Nog voor het jaar 280 herovert keizer Probus de 60 civitates van Gallië, doodt daarbij 40.000 Germanen en wordt de rest tot aan de overkant van de Neckar en de Elbe verjaagd. Achteraf bezetten de Romeinen Keulen, Tongeren en Maastricht als strategische plaatsen.

Vreemd genoeg zijn hun eigen legioenen daar niet echt te betrouwen. Zowat alle vroegere Germaanse volkeren hebben hun plaats gevonden in het machtig Romeins leger. Velen van hen hebben het tot officier geschopt. De tienduizenden gesneuvelde Germanen hebben dat feitelijk te danken aan hun rasgenoten. Tot aan de jaren 300 blijft het gemengde Romeinse leger geplaagd met de oorspronkelijke Franken. De lijst van veldslagen is eindeloos, de gevechten strekken zich uit van het westen tot het oosten en van het zuiden tot het noorden.

De aanhoudende strijd tegen de Franken zorgt ervoor dat veel inwijkelingen er de dupe van worden en hun vrije status verliezen. Dat is het geval in Trier waar keizer Maximianus tijdens het jaar 293 de lokaal gevestigde Franken gevangen zet. Rond 343 doet zich hetzelfde scenario voor in het gebied van de Serviërs. Keizer Constantius degradeert de lokale Germanen tot de horige status. Dat geschiedt in Amiens, Beauvais, Troyes en Langres. Tezelfdertijd worden er Alamannen, Longobarden en vooral Sarmaten aangevoerd om de ontvolking tegen te gaan. Druppels op een hete plaat. Tegen dan is het zogezegd ‘Romeinse’ rijk volledig geïnfiltreerd door Germaanse kolonies en winnen die zowat elke dag aan invloed in het grote ‘rijk’.

Rond het jaar 300 reikt Germania Superior tot aan Lyon. Germania Inferior heeft al heel wat aan territorium ingeboet en probeert dat verlies in te boeten door overnames in het zuiden. De Franken in het latere Nederland hebben zich via een staatsgreep meester gemaakt van het noorden en beschouwen zich daar al als een onafhankelijke Frankische staat. En de druk op de Romeinse ketel blijft aanhouden. Keizer Constantijn krijgt in 306 te maken met plunderende Franken aan de kust van Spanje en Gallië waar ook de Saksen zich in mengen. In 370 worden Saksische zeerovers die Brittannia bedreigen verslagen door keizer Theodosius. Toch zijn alle militaire overwinningen en consolidaties door de Romeinen altijd van tijdelijke aard en blijven de aanvalsgolven aan de kusten en de Rijn maar doorgaan.

De noordelijke verdedigingslinie van de Romeinen in Gallië loopt in 297 al over Bonen, Cassel, Doornik, Bavay en Tongeren. Het is de tijd van Diocletianus. Meteen een schoon bewijs dat alles ten noorden al niet langer Romeins grondgebied is. De streek van het latere Vlaanderen en Nederland is dan al bewoond door de ‘verbondenen’, zoals de Frankische vorsten te Xanten en Nijmegen. Belgica I en zijn hoofdstad Trier bestrijken dan het gebied van de Moezel en Boven-Maas. Belgica II met hoofdstad Reims omvatten dan o.a. de gebieden van de Remi, Suessiones, Veromandui, Atrebates, de Nervii, de Tornaconses, de Belvaci, Morini, Bononensis en de Menapii.

De Morinen en de Menapiërs zijn natuurlijk van belang voor de Westhoek. Ook de regio’s van Boulogne en Doornik spelen hun rol. Met een grens die loopt van Boulogne en Cassel tot Doornik lijkt het duidelijk dat er noordelijk van dit gebied al geen Menapiërs meer wonen. Historicus Claerebout ziet daarvan een bewijs bij de herinrichting van de bisdommen in de jaren 400. De vroegere pagi en volksgrenzen zijn niet meer zoals ze vroeger waren. De oude civitas Tornacensium (Doornik), het gebied van de Menapiërs, omvatte al sinds jaar en dag vijf gouwen. Vier daarvan; Tornacensis (Doornik), Cortoriacensis (Kortrijk), Flandrensis (Vlaanderen) en Gandensis (Gent) hangen voortaan af van het bisdom van Noyon. Terwijl de vijfde gouw, de pagus Mempiscus nu afhangt van Terwaan en van de Morinen.

Ik vind het best boeiende geschiedenis. Oude middeleeuwse akten leren me nog wat meer. Onze contreien moeten ingedeeld geweest zijn in twee gebieden met hun eigen bevolkingsgroepen. De ‘pago Mempisco sive Gandense’ laat veronderstellen dat het gebied tot aan Gent nog in handen is van de Menapiërs. Daarnaast is er sprake van de ‘pagus Terwanense infra Mempiscam’ die dus slaat op het gedeelte dat door Terwaan gecontroleerd wordt. Er wordt hierbij ook gesproken van de ‘pagus Flandrensis’ die hier voorgesteld wordt als een smal kustgebied dat loopt van Brugge tot Duinkerke. Het gebied ten noorden van Brugge is dan in de handen van de Friezen gevallen en ressorteert daardoor nu onder het bisdom van Utrecht. De pagus Flandrensis kan op dat moment in de tijd het oude grondgebied van de Marsacii zijn waarover Plinius het enkele eeuwen geleden had. De Marcacii heten voor ons de Marezaten. De Latijnse naam Mosa laat een link vermoeden met de streek van de Moezel.

Nog even het frame van de tijd preciseren. Keizer Constantijn is de man die in 313 een einde maakt aan de Romeinse vervolgingen en er voor zorgt dat de nieuwe christelijke religie nu ongestoord zijn intrede doet in al zijn gebieden. Door zijn toedoen wordt Gallië heringedeeld conform de nieuwe toestand. Gallië is voortaan een prefectuur met 17 provincies. Constantijn kan zich twee decennia lang alleenheerser noemen van het grote Romeinse rijk. Na zijn dood zal de macht gedeeld worden door zijn zoon Constantinus en zijn jongere broer Constans die het westelijke rijk vanaf 333 gaat besturen.

Bij de Romeinen is het vet duidelijk van de soep. In het jaar 349 volgt er een coup wanneer Constans’ opperbevelhebber de macht grijpt in Gallië. Ik heb het over de Frank Magnus Magnentius. Hij laat Constans om het leven brengen, roept Amiens uit tot nieuwe hoofdstad en laat hierbij nieuwe munten slaan. De machtsgreep slaagt dank zij de hulp van de Franken en de Saksen. Lang duurt het verhaal van Magnentius niet. Oom Constantinus grijpt in, krijgt de assistentie van de Barbaren en verslaat Magnus Magnentius al in het jaar 351. De Franken laten het niet aan hun hart komen en plaatsen in 355 een nieuwe tegenkeizer aan het bewind. Zijn naam is Silvanus en zijn verkiezing wordt geregeld vanuit Keulen. De nieuwe is ook geen lang leven beschoren en wordt op zijn beurt verraderlijk vermoord. Als punten bij paaltje komt eindigt de hele reeks van machtsgrepen in 356 wanneer Constantius en de Frankische koningen van Keulen een verdrag sluiten.

Uit een bericht van de winter 367-368 blijkt dat de Romeinen een hele reeks kleinere versterkingen hebben opgegeven zodat zeshonderd Franken kunnen doordringen tot in Maastricht waar ze alsnog verslagen worden door Julianus. Ondertussen worden de Gallische kusten geplaagd door plunderende Frankische en Saksische zeerovers. En ook rond de Rijn wordt er weer strijd geleverd. Het is allemaal een beetje te veel van het goede. Drie decennia gestook en bloedverlies loodsen me naar het begin van de jaren 400.

In 406 volgt een invasie zoals ik die nog niet beleefd heb. De Alanen, Sueben en de Vandalen steken de Rijn over en stormen Gallië binnen. Mainz, Spiers, Worms, Amiens, Atrecht en Doornik worden veroverd en vernield. Trier, Keulen, Maastricht en Tongeren worden niet verwoest. Vermoedelijk zijn die op dat moment al in handen van de Franken. Ook in Rome verandert de hele politieke constellatie. Op enkele jaren tijd is er zo een heel nieuwe situatie ontstaan in Gallië. De notities van die dagen, de ‘Notitia Galliarum’ krijgen hun vorm tussen 390 en 410. Van de Menapiërs is er geen sprake meer. Ze hebben waarschijnlijk al vanaf 297 hun thuisland bij Cassel moeten verlaten richting Doornik waar ze nu onderdanen geworden zijn van de civitas Tornacensium. Precies zoals dat het geval is voor de Nerviërs die zich moeten schikken naar de Camaracensus van Kamerijk of Cambrai. Het gebied boven Cassel is dus al rond 400 opgegeven.

De Nerviërs blijven niet lang in Kamerijk. De ‘Notitia Dignitatum’ vermeldt eveneens grote volksverhuizingen in het zuiden van Belgica II. De tekst ‘Tractus Armoricanus et Nervicanus’ duidt er op dat de Nerviërs niet lang blijven in Kamerijk en Bavay maar verder trekken naar het zuidwesten, tot zelfs beneden de Seine en tot aan de kust. Ook op andere plaatsen in Gallië is er sprake van verhuizende stammen.

De ‘Notitia Dignitatum’ zorgt voor wat meer onderscheid tussen de diverse bevolkingsgroepen in het noordwesten van Gallië rond de jaren 400. Er is sprake van de ‘Comes litoris Saxonici per Brittaniam’. Zeg maar de graaf van de Saksische kusten in Brittannia die daar beschikt over een aantal vestingen zoals bijvoorbeeld die van Hastings en Dover. In die tijd krijgt het eiland aan de overkant van de Noordzee zijn naam ‘Brittannië’. Aan onze kant van het Kanaal wordt er gesproken van een hertog van Belgica II in de buurt van Mark bij Kales of Merkise bij Bonen (Boulogne) aan de ‘litore Saxonico’. Het valt uit deze tekst niet uit te maken of de kust hier in handen is van de Saksen of al dan niet verdedigd wordt tegen de Saksen van de overzijde van het kanaal.

In de ‘Tractus Armoricanus et Nervicanus’, dus beneden de Seine, wordt Granno(n) genoemd ‘in litore Saxonico’. Vermoedelijk een haven in de Calvados. De Saksen zijn hier dus wel prominent aanwezig. Vermoedelijk gaat het hier over Bayeux of Cherbourg. Later zullen Gregorius van Tours en graaf Karel de Kale het nog hebben over de gouw ‘Ottingua Saxonica’. Van Es zoekt nog uit wanneer de bewuste Saksen hier gearriveerd zijn en komt tot de conclusie dat het zeker voor het jaar 408 moet geweest zijn. Uit zijn studie blijkt dat de onophoudelijke invallen van de Germanen ervoor gezorgd hebben dat nogal wat bevolkingsgroepen in Noord-Gallië de tijd rijp zagen om het Romeins bestuur bij hen af te schaffen en hun eigen regeringen te installeren.

Bij die aanvallen worden de Romeinse villa’s in het bos van Mormal, zowat 40 km ten zuiden van Bergen, achtergelaten en dat is waarschijnlijk het geval voor alle villae in het huidige België en Picardië. In de regio van Terwaan gaat het christendom verloren. De Romeinen behouden hun castella van Keulen, Heerlen en Maastricht tot in 437. Keizer Honorius geeft in 412 de toelating aan de West-Goten om zich in Aquitanië te gaan vestigen op voorwaarde dat ze er de Romeinse maatschappij zullen handhaven en het gebied zouden beschermen tegen de binnendringende Germanen.

In het jaar 430 is er voor het eerst sprake van een zekere Chlogio of Chlodio die de scepter zwaait in Dispargum. Schrijver Van Es vermoedt dat dit in Brabant is, maar als ik er het internet op napluis zal dat vermoedelijk wel in Duisburg aan de Rijn zijn. Korte tijd later zetelt Chlodio in Doornik. Deze Frankische vorst heerst er als een bondgenoot van de Romeinen over het gebied tot aan de Somme. De Romeinen zelf hebben zich teruggetrokken tot onder de Somme. De gebieden rond Kamerijk, Atrecht en Terwaan worden ondertussen bestuurd door andere Frankische vorsten. Een situatie die zal aanhouden tot in 511.

In 445 heeft Chlogio zijn zetel in Doornik omgewisseld voor die van Amiens. Ten zuiden van de Somme heerst er op dat moment een Germaan uit Pannonië, een zekere Aetius die zich opstelt als een Romeins bevelhebber. Aquitanië en zijn hoofdstad Toulouse worden onder controle gehouden door de West-Goten die er in 451 in slagen om een inval van de Hunnen van Attila in de buurt van Orléans te verijdelen. Er volgt een nieuwe veldslag tegen de bewuste Attila. Chlogio en Aetius en de West-Goten bundelen hun krachten en slagen er in om de Hunnen neer te slaan in Châlons-sur-Marne. De toestand in het toenmalige Frankrijk moet turbulent zijn. Aetius wordt vermoord in 454. Chlogio sterft in 457. Merovech, de voogd van Chlogio’s zonen profiteert ervan om zijn eigen zoon Hilderik op de troon te brengen.

Na heel wat geharrewar en geweld kan Hilderik zijn machtspositie consolideren. Hiervoor moet hij onder andere de Romeinen van Aegidius verslaan. Rond die tijd is er ook sprake van de verwoesting van de Saksische eilanden aan de monding van de Loire. Clovis (eigenlijk heet hij Chlodovech), de zoon van Hilderik slaagt er in 486 in om de Romein Syagrius (de zoon van Aegidius) te verslaan. Die laatste was er in geslaagd om een onafhankelijk rijk te vestigen tussen de Loire en de Somme. Clovis rijgt de overwinningen aan elkaar en zorgt daardoor voor een gevoelige uitbreiding van zijn Frankenrijk. Ik noteer een overwinning op de Alamannen te Tolbiac in 496, tegen de Bourgondiërs in Dijon (500), de West-Goten te Vouillé in 507. Hij laat de onafhankelijke Germaanse vorsten van Keulen en Kamerijk vermoorden. Hararic de vorst van Terwaan ondergaat hetzelfde lot in 511. De Ripuarische vorst van Tongeren onderwerpt zich eveneens aan Clovis.

Dit is een tekstfragment uit het pas verschenen deel 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>