Inleiding tot de geschiedenis van Moorslede

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     1087 Views     Leave your thoughts  

In het zuidelijke deel van West-Vlaanderen, tusschen Rousselare en Yper, ligt een volkrijk dorp, wiens naam en geschiedenis wel iets merkweerdigs voor den weetgierig-en vaderlandminnenden Vlaming kan aanbieden. Eigene liefhebberij van oudheden benevens een gedacht van zorgvuldigheid om de daadzaken,die voorheen op Moorslede geschiedden, niet in den slaap des tijds te laten verdwijnen, heeft mij doen besluiten al het merkweerdige in eenen bundel te verzamelen.

Bij het schrijven dezer bladzijden heb ik getracht het nuttige met het aangename te vermengen. Daarom heb ik zooveel mogelijk de bijzonderheden van Moorslede aan de algemeene historie van ons land vastgeknoopt, en aldus aan de leerende jeugd dezer gemeente het middel verschaft de groote gebeurtenissen der vaderlandsche geschiedenis gelijkerwijze te onthouden met de trekken, waarvan Moorslede’s annalen spreken.

Daarenboven bevat dit boek menige aanteekeningen betrekkelijk allerhande oudbeidskennissen. Jongelingen van verderen leeftijd kunnen er wel eens nattige schetsen aantreffen benevens het genot, hetwelk eene aangename lering gedurende de wintersche avonden hun zal opdoen. De ouderlingen, die zoo geerne van den goeden ouden lijd spreken, zullen er eene menigte bijzonderheden vinden, waar in de zeden hunner voorvaderen uitschijnen, alsook hunne gebruiken in de gewichtige daadzaken van ’t leven, hunne manier van bestieren en hunne verkleefdheid aan den godsdienst.

Weleens ontmoeten de Moorsledenaren den naam van eenen voorouder, die in het hert een waar gevoel van vaderlandschen eerbied en echte Vlaamsche liefde zal opwekken.
Mochten deze bladzijden bij iedereen welkom zijn en het nut bijbrengen dat ik er van verwacht! Dan ware mijn arbeid beloond!

De geschiedenis, beminde lezers, is eene der schoonste aller menschelijke wetenschappen, ’t Is zij die ons bekend maakt met de gebeurtenissen, welke vroeger op den vaderlijken grond zijn voorgevallen, ’t Is zij die den langzamen tred der beschaving volgt, die het vaderland, de streek, het geboortedorp eerst woest en onbebouwd voorstelt, en ons de herwording van moerassen en dorre heiden in rijke korenvelden, voor oogen legt.

’t Is de geschiedenis die ons aanleert hoe die landstreek het eerst door beschaafde menschen bewoond wierd, die landstreek zeg ik, welke nu eens door wreede barbaren als woonplaats genomen, naderhand door uitheemsche zeeschuimers geteisterd en verwoest en ja, door laffe verraders gestolen en geschaakt werd.

’t Is de geschiedenis die ons toont hoe de eerste bewoners van den grond dien wij betreden, uit de heidensche duisternissen zijn verlost geweest, door die helden van het christendom, die hun werk hebben willen vereeuwigen door het bouwen van kerken en kloosters, welke het begin van zooveel steden en dorpen zijn geweest. Met moed val ik dan aan den arbeid. God helpe mij , zegden de oude Vlamingen, toen zij een werk begonnen, en als Vlaming spreek ik dezelfde woorden uit.

Moorslede of liever het grondgebied waarop deze gemeente gevestigd werd, was ten tijde van Julius Cesar een deel van het land der Menapiers, een dappere volk., stam, tot wiens onderwerping de groote krijgsman welken twintig eeuwen bewonderen, zich veel moeite en opofferingen heeft moeten getroosten, ten einde zijne grootste plannen ten uitvoer te brengen. Weinig bijzonderheden zijn ons van dien tijd nagelaten, bijzonderlijk voor wat kleine omstandigheden betreft; nochtans vernemen wij van den vermaarden veroveraar zelf dat het land onzer voorvaderen zeer moerassig was, hetgeen wij met veel gemak gelooven kunnen, te meer omdat wij ten huidigen dage de sporen van uitgestrekte moerassen op onze gemeente aantreffen.

Daarbij was het land der Menapiers bedekt met uitgestrekte wouden, waarvan zeer veel plaatsen teenemaal onder water stonden. Diensvolgens kan men zonder heel veel moeite begrijpen dat die menschen den akkerbouw maar wéinig uitgebreidheid gaven, zooals het inderdaad het geval was; doch van den anderen kant ontbrak het hun niet aan huisdieren, zooals schapen, zwijnen en huisvogels. Om een staaltje van hunne kweekerij te geven, moet ik zeggen dat zij de zwijnen in bosschen en moerassen joegen, en na aldaar eenigen tijd geloopen te hebben, verschaften deze dieren lekkere hammen die overal in ’t ronde, ja tot zelfs te Rome toe zeer gezocht werden.

De bewoners van oud België waren merkweerdig om hunne lichamelijke krachten en hunne groote gestalte. Menschlievendheid, oprechtheid en vaste trouw waren hunne bijzonderste deugden, waarbij zij nog de herbergzaamheid én de geregeldheid van zeden voegden. Maar van den anderen kant waren zij twistziek en verslaafd aan het spel en den drank, bij zoo verre dat de geschillen, welke tusschen hen ontstonden zeer dikwijls maar door het bloed vereffend wierden.

De oude Belgen waren heidenen.die de geschapene wezens, als Zon, Maan en Sterren voor hunne goden aanzagen. Daarbij aanbaden zij de valsche godheden welke de Noordsche volkeren algemeen eerden, zooals Wodan, Thor, enz. Na de verovering dezer streek door den heldhaftigen Romein, Julius Cesar (omtrent eene halve eeuw vóór Jezus-Christus), werd haar uitzicht allengskens in een nieuw herschapen: nijverheid en koophandel verkregen weldra eenige uitgebreidheid, waarvan de gedurige onderhandeling met Rome als de voornaamste oorzaak mag aanzien worden. Het schijnt dat men van toen reeds de bewerking der wolle kende, en daarenboven dat de linnenweverij reeds een tak van den uitlandschen koophandel was.

Later, wanneer de Franken ons land overmeesterd hadden, kwamen alle slag van beschavende inrichtingen tot stand. In onderscheidene plaatsen werden kloosters gebouwd, die het machtig werktuig eener nieuwe en vreedzame verovering uitmieken. De kloosterlingen bebouwden den akker, onderwezen het volk en brachten niet weinig mede tot den vooruitgang der beschaving. De menschen kwamen in de nabijheid dier gestichten wonen en bouwden er burchten op, die zooals wij te voren zegden, de oorsprong van veel latere dorpen en steden mogen genoemd worden.

Bemerkt dat de dagen der week onder de aanroeping van van zooveel afgoden geplaatst werden; waarvan wjj thans nog de namen behouden hebben. In de week der Germanen waren de zeven goden Sunna, Mani, Tbyn, Wodan, Donar, Freya en Sater. In onze taal hebben wij de zon, de maan en de planeten Mars, Mercurius, Jupiter, Venus en Saturnus. Dezelfde namen vinden wij heden nog in onze talen.

Dank aan de geloofsverkondigers, die het goede zaad van het Christendom alhier kwamen uitwerpen, verloor het volk allengskens zijne heidensche en barbaarsche zeden. Dank aan eenen Clovis, dank aan eenen Karel den Groote werd de kanker der onwetendheid uitgeroeid en de geleerdheid won in eere. Daar werden kerken gebouwd, scholen opgericht en wetten verveerdigd, die orde in het bestier brachten en onze streke het eerste merkteeken van zijnen lateren voorspoed gaven. Zulke veranderingen had een tijd van bijna acht eeuwen medegebracht.

Vlaanderen, ziedaar de huidige benaming van het land, waarvan ik een deeltje beschrijf. Voor de eerste maal vinden wij dien naam in de geschiedenis van den heiligen Eligius, geschreven binnen de zevende eeuw. Vlaanderen omvatte te dien tijde alleenlijk Brugge en omstreken, maar later wierd denzelfden naam aan een meer uitgestrekt gebied geschonken, dat weleens als een machtig en bloeiend graafschap op den bodem van oud België te pralen stond.

Aangezien Vlaanderen reeds zooveel in de beschaving gewonnen had, aangezien de wildste aanblik kwam te verdwijnen en onze streken langzamerhand een matiger uitzicht verkregen, moesten er natuurlijk dorpen en steden oprijzen, te meer daar er zooveel plaatselijkheden bestonden, die als voorbeschikt schenen om een dorp of eene stad te zien geboren worden. In Vlaanderen gaven drie groote oorzaken gelegenheid tot de opkomst onzer dorpen.

Hier was het een klooster, in wiens nabijheid de menschen hunne woningen bouwden, om te beter verdediging te hebben tegen de aanvallen van Noordmannen en andere woeste Barbaren, die op sommige tijden in Vlaanderen vielen. Dit vinden wij te Thorhout, te St Omaers en elders. In andere plaatsen was het een kasteel, door zekeren heer bewoond, rond hetwelk de woningen zijner lijfeigenen stonden en de kooplieden zich kwamen vestigen. Daar was immers verdediging te vinden. Zulks zien wij te Gent, te Brugge, te Thorhout, enz.

Elders nog was het de nabijheid van eenen stroom.of eene rivier, die gelegenheid gaf aan het volk om er zijne woonste op te slaan. Waterloopen waren trouwens eene natuurlijke verdediging en daarbij nuttig tot te vervoeren van voorraad, hout uit de bosschen of andere bouwstoffen. Zulks is wederom het geval voor Gent, Kortrijk, Yper. enz….

Ziedaar een algemeen gedacht van den oorsprong der dorpen en steden in ons Vlaanderland. Voor wat den oorsprong van Moorslede betreft, kunnen mijne gezegden enkel op veronderstellingen steunen; aangezien ik nergens iets gevonden heb, dat van het ontstaan dezer gemeente gewag maakt. Toch meen ik zonder aarzelen te mogen verklaren dat zij, als dorp, haar begin verschuldigd is aan eenen burcht, door eenen machtigen heer bewoond; want ik verneem uit zeer geloofbare bronnen dat de heeren van Moorslede reeds in ’t jaar io85 hunnen eeretitel voerden aan het grafelijk hof van Vlaanderen.

Daarenboven zijn er nog redenen om te gelooven dat Moorslede reeds vroeger door eenen kasteelheer bewoond was; alhoewel het als dorp hoogst waarschijnlijk het jaar 800 niet voorafgaat, want in Vlaanderen, bestonden het meerendeel der dorpen niet, toen Boudewijn met den ijzeren arm leefde. Het grootste gedeelte, zeg ik, als willende daarvan uitzonderen Thorhout, Brugge, Yper, Oudenburg, Wervik, enz., die zeer oude plaatselijkheden zijn.

Van Boudewyn den eersten zijnen tijd zijn ons tamelijk veel benamingen van thans bestaande gemeenten overgebleven, die in de toenmalige taal geschreven zijn; alzoo leest men van Tiletun (Thielt), Ghistela (Ghistel), Ridevorda (Ruddervoorde), Esna (Eessen), Dekasmutha (Diksmuide), Longamarki (Langhemarck), Formesela (Voormezeele), Widisgatis (Wytschaete) Altaripa (Autryve), Viro-viacum (Wervik), Thoraaltum (Thourout) en meer andere; maar niets dat aan Moorslede denken doet.

Nogtans vertelt eene legende dat Boudewijn de eerste met zijne vrouw langs Moorslede kwam; doch geven wij daar geen acht op, immers wat kan eene legende ons al vertellen! Althans is het niet roekeloos te veronderstellen dat eene uitgestrektheid gronds, zooals Moorslede heden beslaat, te dien tijde wel op deze of zulke wijze benoemd wierd. Was zij alsdan onbebouwd, moerassig, en met bosschen overdekt, toch was het niet in de gebruiken van het toenmalige volk een zoo groote partij van den vadergrond zelfs geenen naam te geven. Alzoo kon deze streek gemakkelijk Moorslede genoemd worden.

Wat meer is, wij vinden in de grondbeteekenis van het woord een nieuw bewijs tot bevestiging van het gezegde. Het woord MOORSLEDE kan men in twee dealen ontleden: Moor en lede. Moor of moors beteekent moeras; zoo vindt men in ’t Vlaamsch meer andere woorden, die tot dezelfde familie behooren, zooals moer, moes, mos, moos, morsig. In ’t Engelsch heeft men ook moor en zelfs moorland, in ’t Duitsch ook moor en morast, in ’t Latijn mara en in ’t Fransch mare, marécage. Lede beteekent weg of passagie. Zoo kan men den oorsprong van Moorslede’s name in den toenmaligen aanblik dier streek vinden, die zou geweest zijn een weg hopende door de moerassen.

De burcht of het kasteel, waarvan ik zooeven sprak, was waarschijnlijk de eerste oorsprong van Moorslede niet, maar wel het begin van een dorp, want tot in de jaren 8 en 900 vond men hier en daar in de bosschen van oud Morinië geslachten van Saksische afkomst, die Karel de Groote zaliger alhier gevestigd had. Die menschen waren ten deele Heidenen, alhoewel er ook veel Christenen waren, want de geloofsverkondigers hadden sommige streken van Vlaanderen reeds druk bezocht.

Tc midden der dikke bosschen, waar Moorslede nu staat, op een moerassig plekje, vond men volgens alle waarschijnlijkheid reeds een troepje woonsten, met hout en leem samengetrokken en met riet en varmte gedekt. Deze huttekens mieken geen dorp uit, verre van daar, maar alleenlijk een arm en verlaten menschenverblijf dat weieens meer uitgestrektheid verkreeg, wanneer een machtige kasteelheer eenen sterken burcht kwam te bouwen en weldra ook eene kerk.

Het bestaan van die menschen was hun tijdverdrijf, ’t is te zeggen de jacht, de vogel- en vischvangst en iets van den landbouw. Lijfknape zijn in ’t kasteel, den heer op de jacht volgen, en de valken werpen in de vogelvangst was voor sommige onder hen ook het voortleven. Wanneer de heer ten strijde trok moesten zijne onderdanen hem volgen, en aangezien de oorlog te dien tijde grootendeels de bezigheid der edelen was, zoo moesten de kleinen meermalen aan ’t vechten gaan.

Voor de jaren 1200 bestonden er ook geene familienamen. Elk werd benoemd bij zijnen doop- of voornaam, die nu en dan van den naam des meesters gevolgd was. Alzoo zei men Jan van dezen heere, Pieter van dien heere, Simoen van zulken heere enz. Het is gemakkelijk te vatten dat zulke wijze van namen geven, in ’t midden der aangroeiende bevolking niet kon blijven toegepast worden, en dat men nu en dan wel eens begon te verdolen in de Jans, de Pieters en de Karels. Men begon dan bij den doopnaam eenen lapname te voegen, die bleef en met ter tijd den waren familienaam uitmiek.

Sommigen werden benaamd naar hun bedrijf, alzoo had men de Cuyper, de Smet, de Volder, de Visscher, Coopman, enz…., anderen kregen den name naar hunne gestalte, hun gelaat of hunne lichaamshoedanigheden, b. v. de Corte, de Langhe, Magherman, de Witte, de Gryse, Eenooghe, Liefooghe enz. Velen werden benoemd naar hunne geboorteplaats ot ook nog naar het dorp van waar zij afkomstig waren. Alzoo waren Vanden Berghe, Van Daele, Vander Beke, Verstraete, Vanden Weghe, enz. Ook Van Rolleghem, van Gheluwe, van Iseghem, Van Meenen, Van Becelaere, Van Heule. Die eene plaats of bediening uitoefenden of zekeren rang in de maatschappij bekleedden, kregen van daar hunnen familienaam: de Deken, Schepens, de Muynck, de Sodt, de Grave, d’Hertoghe, de Tollenaere, de Ceuninck, enz.

Namen van dieren gaf men ook veel aan de menschen, en waarom ? In die tijden waren er veel jagers, visschers en vogelvangers, en ’t wild was er in overvloed; ving iemand veel wolven hij heette de Wulf, had hij meer kans in ’t vossenjagen men noemde hem de Vos of Reynaert, was ’t een visscher, men heette hem Snoeck, Paelynck, Blieck of nog anders en ving hij vogels zoo noemde hij Valcke, Volckaert, de Rave, Cauwe, Vyncke, enz. Het gebeurde ook dat iemand naar den doopnaam van zijnen vader genoemd wierd. Zulke namen zijn Jansseune, Jansens, Florizoone, Coppieters of Jacob van Pieters, enz.

Een oneindig getal familienamen zijn uit doopnamen voortgesprooten , zulke zijn Pieters Peters (Pieter) Pauwels (Pauwel) Simoens (Simon) Huyghe (Hugo) Joostens, Joestens, Joos, Sevens enz. (Josef) Claeys (Niklaas) Cneut (Canutus) Ghysels (Gisleen) Roelens (Roeland) Willems (Willem) Naessens (Ignaas) Diericx, Dirckx (Diederik) Sanders (Alexander) Machiels, Michiels Chielens (Michiel) Loonis, Loontjes (Elooi) Saver (Xaveer) Docx (Judocus) Rubens (Ruben) Beernaert (Bernard) Maertens (Maarten) Toms, Maes enz (Thomas) en veel andere.

Ziedaar eenen korten uitleg over den oorsprong van Moorslede benevens eenige algemeenheden over de menschen die de eerste Moorsledenaren geweest zijn. Laat ons thans overgaan tot eene bondige plaatsbeschrijving van het dorp. Moorslede ligt te midden der groote vlakte van laag België. Zijne middelmatige hoogte boven den zeespiegel is slechts van 25 tot 30 meters. Het verhevenste punt vindt men nabij den molen van Jufvrouw Andries.

De landkaart van het krijgsbeheer bepaalt deze hoogte op 56 meters boven de lage zee, terwijl zij de laagste punten op 21 meters bepaalt. Deze laatste vindt men rond Slijps en den Dadizeelhoek. Gansch het gebied van Moorslede behoort tot de kom der Schelde; de Passchendaelebeken brengen hunne wateren naar de Heulebeke, die ze aldus naar de Leie zendt. De Paepelandbeke vloeit insgelijks naar de Heulebeke en de Rousselare- en Veldbeken gaan het noorden in, waar zij in de Mandel loopen.

De algemeene verdeeling van België in natuurlijke landbouwstreken stelt Moorslede binnen de Zandstreek, maar aangezien de scheidingslijn tusschen Zand- en Kleistreek maar weinig ten Zuid-westen van deze gemeente getrokken wordt, deelt haar grond zooveel van de tweede als van de eerste. Het zuid-oostelijke deel der gemeente, gelegen in de vlakte, die van den «Tuimelaere » langs Slyps en verder langs Dadizeele uitgaat, is eene zeer vruchtbare landstreek, waar men alle slag van gewassen kan opdoen, zooals tarwe, rogge, haver, aardappelen, vlas, suikerijen, beeten, koolzaad, tabak enz… Nogtans in ’t westen der gemeente, den kant van den « Droogenbroodhoek » en « Keiberg, » vindt men reeds veel zandakkers, en zelfs zulke die met ontelbare keien bezaaid zijn. Ook zijn deze gehuchten wat meer oneffen; zij zijn immers maar eene halve mijl of wat meer afgelegen van de waterscheidingslijn tusschen schelde- en Yzerkom, die te Passchendaele, nabij de herberg« De «Vos» loopt.

Moorslede heeft volgens de nieuwe landmaat, eene oppervlakte van 2951 hectaren, bijgevolg is het eene der landrijkste gemeenten van West-Vlaanderen. Sedert vele jaren heeft de gemeente geene verandering in hare grenzen ondergaan. Binnen den loop der zeventiende eeuw ontstonden er nu en dan oneenigheden, tusschen de bestierders van Moorslede en deze der naburige dorpen, nopens het «gescheet en de pointynghe van de prochien» en alsdan wierden er vaste grenzen bepaald die thans nog omtrent dezelfde zijn.

’t Jaar 1664 kwamen de bestierders van Ledeghem en Mijnheer Joris De Brouckere, onze baljuw, in processe om de wille van ’t scheiden der beide gemeenten, in de streke van ’t « bunderkruis, of tegenwoordig Beythem ». Er wierd vastgesteld dat «van nu voorts deselve prochien sauden scheeden van de Noortoosthouck van de voorscreven bundercruysbusch lancxst de helshaeghe tusschen het stick ghenaemd het bierkelandt en de voornomde cruisbilckstick tot op de straete hopende naar de hmdercruyce soo dat die van Ledeghem sullen geheel profyteeren het voornomde bundercruysbilck en sullen bovendien die van Ledeghem profyteren en de poincten als prochie een hondert vijftig lands op den suytoost-houck van het ghaelghestick tot op de leer straete en de reste van tselve ghaelghestick blyft onder de prochie van Moorslede.

In 165o gebeurde hetzelfde tusschen Moorslede en Rumbeke, en in 1615 stelde men de grenzen vast tusschen Passchendaele en Moorslede. Hier en daar, in de vastgestelde scheidingslijnen, wierd er eene linde geplant. In 1673 was het derde van Moorslede nog heide en bosch. Men telde er 214 huizen, 26 hofsteden van twee peerden, de puinen van een oud hospitaal «nommé bunder qui consiste seulement en une simple censse occupée passée cent ans par censsières dont les regligieuses se sont refusiés depuis ce même temps dans la ville d Ypre; daarenboven waren er 67 «censen» of pachthoeven die aan eenen cijns onderworpen waren en drie molens, te weten : de Moorsledemeulen, de Slijpsmeulen en de Watermeulen.

In ’t begin van de jaren 1700 rekende men de uitgestrektheid van Moorslede op 2200 bunders. In 7737 telde men rond de 1700 kommunikanten en ’t jaar 1780 waren er ongeveer twee duizend. De landen, bosschen, meerschen, grazingen en velderijen, die ten jare 1789 gepoinct wierden, beliepen tot 6029 gemeten en 60 roeden. Een tabelle, in 1765 opgemaakt, getuigt dat Moorslede alsdan 3400 zielen bevatte.

In 1806, ’t jaar van de verandering van ’t kerkhof, telde men er 4971 inwoners. Op 1 Januari 1830 bezat Moorslede 6304 inwoners, en 994 personen wierden opgenomen in de Burgerwacht.
’t Jaar 1837 waren er op onze gemeente 213 geboorten en 202 sterfgevallen. Men telde er 53 huwelijken en geene echtscheidingen, op 1 Januari 1838 beliep de bevolking van Moorslede tot 6397 zielen.

Hier volgt eene officieele tafel van 1846:

Sectiën. Huizen. Zielen.
Moorslede. 172, 963
Droogenbroodhoek. 169, 792
Koekuithoek. 157n 798
Kazernhoek. 5o, 173
Veldhoek. 212, 964
St-Achariushoek. 53, 238
Slypskapelle. 229, 1082
Strooiboomhoek. 43, 232
Tuymelarehoek. 105, 484
Waterdamhoek. 95, 485
Totaal: 1275, 6211

Op 1 Januari 1891 telde onze gemeente 7004 zielen. In 1889 is Beythem eene succursale geworden, waardoor Moorslede, als parochie, 421 zielen verloren heeft. Moorslede bezit thans veel schoone en welgebouwde gehuchten, die met menigvuldige straten en keiwegen aan elkander verbonden zijn.

Vroeger bestonden de steenwegen niet, die op onze dagen het dorp doorkruisen, en zoo kwam het dat de straten des winters bijna onbruikbaar waren. De steenen duikers, welke men aantreft langs de kalsijde naar Sint-Pieter, langs deze naar Passchendaele en langs de keiwegen naar Becelaere en Dadizeele, zijn maar rond de jaren 60 der verledene eeuw gemetst.

De kalsijde naar Passchendaele wierd gelegd in 1846. De Staat betaalde 10.000 frank in de onkosten, de provincie 31.000 fr. en de gemeente 28.275 fr. Het dorp is maar onregelmatig gebouwd: de straten, die van de Markt uitgaan, zijn in sommige plaatsen wat klimmende, terwijl zij in andere veel te rap neerschieten, daarenboven zijn ze hier en daar zeer nauw; de kerk staat zoo wat verdoken, zoodanig dat het eerste uitzicht van het dorp geene aangenaamheden oplevert.

De bijzonderste hoeken zijn : de Waterdam, Slyps, de Tuymelaere, de Koekuit, Strooiboome, de Veldhoek, de Kazernen, de Droogenbroodhoek, St-Acharius, de Keiberg, de Bloemhoek, de Spriethoek. De Waterdam is een welbewoond gehuchte, dat eertijds eene heerlijkheid was; verder is er eene uitgebreide geschiedenis van. Slyps wordt in een volgend hoofdstuk beschreven.
De Tuymelaere is het gehuchte ten Oosten van het dorp gelegen. Waarschijnlijk trekt het zijnen naam van de herberg «De Tuymelaere»; deze is trouwens zeer oud, aangezien er sprake van is in geschriften van 1652, aangaande een tiende van het Capittel van Doornik.

Benoorden den Tuymelaere vindt men het gehuchte «Koekuit», dat voormaals bijna gansch beboscht was; ook heeft het hedendaags nog zijn eerste uitzicht niet verloren, want men treft er nog groote partijen aan, die met sperren beplant zijn. Over eenige jaren bestond nog het «Bergbosch» waardoor nu de gravier naar het dorp loopt; en de «Terelingen» die ten grooten deele ontgonnen zijn, waren eertijds dikke bosschen, die langs de hedendaagsche «Vierkaven» en den «Zilverberg» uitstrekten.

Strooiboome, voormaals eene heerlijkheid met burgemeester en schepenen, is thans een klein gehuchte tusschen den Waterdam en Dadizeele gelegen. Van waar die naam, is onbekend.
De Veldhoek, een der uitgestrekste der gemeente, ligt ten Noorden der kerk. Men vindt er hier en daar nog eenige bosschen, maar de grootste deel der oppervlakte is thans in weiland en akkers herschapen.

De Kazernen zijn in eene noord-westelijke vlakte gelegen, en bestaan uit verscheidene groepen van kleine huizekens, tusschen welke men hier en daar eene pachthoeve aantreft. De Droogenbroodhoek, ten Westen van ’t dorp gelegen, is eene zeer schilderachtige streek. Schoone vlakten, waarop zich velden en bosschen afwisselen, maken er een aangenaam landschap uit.
De Keiberg draagt eenen goed verstaanbaren naam. Gelegen langs den gravier naar Becelaere, tusschen den Waterdam en den Droogenbroodhoek, heeft bij in sommige plaatsen nog wat goede akkers, alhoewel het grootste deel maar drooge zand- en keiachtige velden zijn.

Het Klijtbosch. waarin het onlangs nieuwgebouwd kasteeltje van Mr Capelle staat, ligt langs den gravier; en de Bokaalst (bocage), die eenige jaren geleden een schoon boschje was, is thans ontgonnen. Sint Achariushoek is een klein gehuchte dat slechts op 7 tot 8 minuten van de parochiekerk is gelegen. De lezer zal verder eene uitgebreide geschiedenis van dezen wijk aantreffen.
De Bloemhoek is gelegen tusschen Slyps en Moorslededorp.

De bijzonderste straten zijn deze die van de plaats uitgaan, te weten de Breulstraat, die thans gepaveid is en naar Ledeghem leidt; de Rousselaere- en Yperstraat, de Statiestraat en de Gentstraat, die verder eigentlijk de gravier naar ’t gehuchte «Koekuit» is. Deze laatste was waarlijk de straat langs welke men eertijds naar Gent ging; zij loopt naar Rumbeke, Iseghem, enz., en zelfs wierd de Rousselaerestraat, die in in deze laatste stad, tusschen het oude en het nieuwe kerkhof ligt, in de voorgaande eeuwen de Gentstraat genoemd.

Andere straten binnen Moorslede zijn de Zilverbergstraat, de Puitstraat, Stadendreve, Knaagreep. de Galgestraat, enz.

Uit ‘De Geschiedenis van Moorslede’ van dorpsonderwijzer Medard Van den Weghe uitgegeven in 1977 door drukkerij Callewaert-De Meulenaere. Wordt vervolgd….

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>