Is Remitje thuis?

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     479 Views     Leave your thoughts  

‘t Zag er droevig uit in ‘t huisje. Vader was zoo even binnen gekomen al kuchelend, gepakt van den smoor, die zoo dik hing, dat men hem met een mes kon snijden en nu fokte hij, hijchelend en huggelend, bij de stove. Voor ‘t leege venster zat een jong, frisch meisje te spellewerken, nevens moeder, die oude vodden lapte en, in ‘t hoekje van den heerd, thoope gekruld in een wissen zetel, tjonkte een oud, oud-versleten vrouwtje.

Vader kuchelde van langs om meer; hij stond recht, nam de kan van de stove en schonk een potje tizane, die hij met lange teugen uitdronk; dan zette hij voorzichtig de ijle kom weer op de kan en morde luidop, al neerzittend:
– Die vervloekte spa-hoeste!

Moeder en dochter, diep over hun werk gebogen en weg met hun gedachten, verschoten en ontwaakten uit die lange, eenige stilte, waarin ze lijk overstroomd zaten.
Grootmoeder roerde in haar hoekje, ze rechtte haar grijs kopje op, sloeg haar verdoofde blikken rond en vroeg, onnoozelweg:
– Is Remitje thuis?

Niemand antwoordde. Grootmoeders hoofd viel op de borst en ze zat er weer roerloos, ‘lijk een beeld.

– Meetje zal nog geheel kindsch worden, fluisterde liet meisje.

Hoe stil het gezeid werd, toch had het vader gehoord en hij hijchelde tusschen twee kuchen:
_ ‘t Is de schuld van dien slechterik!

Moeder verzuchtte; ze sloeg haar oogen, al boven ‘t kasje tegen den muur, op ‘t portret van een jong snel manneke, van rond de twintig, dat in een verkoperde belijning, onder den voet van het kruisbeeld hing; vandaar liet ze haar blikken zweven rond heel het keukentje, naar de borden op de kavebank, de koperen alaamtjes in de hoeken van den heerd, de nette stoelen en de wit-blinkende tafel en dan ook vluchtig, naar den zieken man, die met het hoofd op de stoveroede rustte en naar het oud grootmoedertje, dat weer te druilen zat.

– We waren te gelukkig, nokte ze stil en ze vaagde, met een brokke oude kleers, de tranen uit haar oogen.

Ja, ze waren gelukkig, door-gelukkig, maar hoe was alles toch veranderd in korten tijd.

Kortgeleden was het doeningje nog, als een vogelnest, vol gezang en geklang, en nu was de ziekte en ‘t verdriet in huis gekomen en de armoede naderde dreigend. Vader zat er geheele dagen, twee-dubbel, te hoesten dat hij openscheurde, en dikwijls kwam uit zijn bezwaard gemoed de klachte:

– Wij waren rijk in onzen jongenskweek, en nu ze groot zijn…

Soms ook, toen de korteresse dreigde de zulle te overschrijden, kwam hij in opstand en grolde:

– Waar heb ik dat verdiend! Altijd heb ik voor mijne ouders gezorgd; moeder is nog op de eereplaats en onze eigene kinders verlaten ons.
t Was waar. hij had altijd voor zijne ouders gezorgd. Hij trouwde aan zes-en-twintig jaar cn bleef met zijn vrouwtje inwonen bij zijn vader en moeder, in hetzelfde huisje, waar ze nog woonden en dat men het ” Puidenestje ” noemde, omdat het, hukske-tegen-d’eerde, al den eenen kant nevens een bosselke stond, vol groote, zware populieren, die met hun dik-gekateilde kruinen een net spanden boven de taalje en, al den anderen kant, nevens eenen grooten waterput, met belischde boorden, waarin de puiden geheele nachten concert gaven, met het kleuren der eerste kersen af.

Er was vrede en vreugde in dat huis. De oude vader Fernand Braem beging het land en Pier, de jonge man, kocht alle jaren een zwijtje vlas, wrocht hier en daar bij de boeren, ‘s zomers, en zwingelde ‘s winters zijn eigen koopwaar uit.

De kleintjes kwamen talrijk in ‘t jong huishouden; doch er bleef toch altijd zaad in ‘t bakje en vreugde rond den heerd.
– Er is geen levende ziel, die een Braem heeft weten naar het oudemanhuis gaan en ‘t zal zoo blijven – zegden de gebuurs soms onder malkaar.
En ‘t bleef alzoo, ja. Vader Fernand was kloek en struisen, ‘lijk een boombul, spijts de jaren en hij savelde nog de pikke door ‘t koorn en de zeisen door ‘t. gras, erger dan een jonkheid ; Pier mocht gerust zijn daghuur winnen in de buurt, alles was opgepast thuis. Meetje Barbara, de grootmoeder, zorgde voor het huishouden, wijl Lisa, de jonge moeder, met haar kussen zat, en zoo hielden ze de kinne boven water.

Maar toen ze nu juist hun jongste kind indeden, hun Remietje, een arme, deerlijke rutsem, werd vader Fernand, op het stuk voor de deur, door een beroerte getroffen en viel er, nevens zijn alaam, plat te gronde, lijk een gevelde boom. Hij leefde nog vier maanden, lam en doodellendig; ze moesten hem bezorgen lijk een kind, en toch weenden ze bitterlijk, als hij op een nacht, met een kort gegrol den geeft gaf.

‘t Was een groot verlies voor die menschen, Pier moest nu zijn eigen doeningje oppassen en deed het daghuur-werk uit den boek. Grootmoeder deed voort het huishouden draaien en paste de kinderen op, vooral het jongste.

‘t Was een ellendig schaap, dat wel honderd keers lag om den aam uit te gaan; maar Meetje waakte en vocht met de dreigende dood. ‘t Was meetjes kind. Meetjes Remitje, en als het jongentje aan zijn twee jaar begon alleen te loopen en, uit al zijn kripsiën en miseriën verlost, met zijn blinkende kijkers naar grootmoeder opzag en loech, dat er putjes in zijn roode kaken kwamen, dan nam meetje het driftig in de armen, versmachtte het onder de kussen en ruide : – -Mijn poentje! zonder mij waart ge allang vergeten.

‘t Stak de jonge moeder soms tegen, dat haar jongste kind meer van meetje hield, dan van haar, doch ze moest toch immer, na wat einzegreinzen, bekennen, dat meetje mirakels gedaan had, met die kriepe van ‘nen tetting.

Met een jaar teenegaar werden de kinders groot en kwam de weelde in huis.
Wat een prachtig huisgezin, zegden de gebuurs. Inderdaad, drie groote knechtejongens dienden als boever of knaap bij de boeren, en Remi en Lena wrochten in daghuur bij den eigenaar van ‘t Puidenestje en bezorgden hun eigen doening, wijl de vader te wippen stond in ‘t zwingelkot. Er kwam alle maanden een ronke ponk in huis en daar ze geen volk-van-smeer op waren, vergaarden ze geld.

– Ware ‘t niet van die vervloekte wereld, ruttelde moeder soms. Maar dan schudde meetje haar oud grijs hoofd en streed:
– G’hebt ook van de wereld geproefd.

Tegen zulke gezonde redens was er niet op te staan en toen, in twee jaar tijds, de drie oudste zoons een vrouwtje opdeden, was moeder wel gedwongen, met meetje te bekennen, dat het toch zoo de gewone gang van de wereld is. ‘t Was toch lastig in zoo korten tijd drie broodwinners te verliezen; nu bleven ze maar huns gevijven meer; ‘t was zoo verijdeld in ‘t Puidenestje. Leentje was nu een prachtig jong van twee-en-twintig jaar en Remi, met zijn licht-blozende kaken, zijn streelende oogen en glimmende-zwart stekkers-haar, de liefste twintigjarige jongen van geheel de parochie Stroombeke, en moeder zuchtte immer voort:

– Die vervloekte wereld! Dat vervloekt uitloopen!
– Tut! tut! tut! knulde meetje, ‘t Zijn nog twee jongens, laat ze maar roekeloeren; dat en is al nog geen meening en Remitje zal wel voor ons zorgen.
– Ge hebt uw Remitje ingezwolgen! – ruttelde moeder dan – maar al dat loopen en briesschen deugt niet; we zullen op ‘t einde alleen zitten en vader valt zoo zeer af.
‘t Was waar, Pier eerselde. De dokter had hem ‘t zwingelkot verboden ; ‘t was daar – beweerde hij – dat de man lijn spa-hoeste opgedaan had; maar Pier was doof ul dat oor, en toen de dokter met nog meer nadruk, dreigend sprak :
– Ge moet absoluut uitscheiden met zwingelen!

– En met eten ook, zeker?… snakte Pier. Gelukkig dat ze nog een appeltje hadden tegen den dorst, doch de landsche menschcn laten dat zoo geerne onaangeroerd.

Meetje, die nu niets meer kon verrichten en veel tijd had om na te denken, was ook in den grond ongerust en dikwijls, als ze de gelegenheid vond om niet Remi alleen te spreken, kortvlerkte en vermaande ze hem:
– Manneke, niet te veel loopen! Ge moet op uw huis peinzen en vader laten rusten ; hij heeft het doodnoodig.
Als het niemand zag, dan nam hij meetjes hoofd tusschen zijn handen, keek haar schalks in de oogen, en zottebolde:

– Grootmoedertje, ik zie u liever dan al de menschcn van de wereld, en ik zal voor u en vader en moeder zorgen, zoolang ik asem heb.
Ze streelde dan, met haar verfrommelde handjes, langt zijn gloeiende kaken en loech, met heel haar tandeloos mondje open.
Lena, die veel min van zegs en uiting was dan Remi, stilde moeder met weinig woorden:

– Moeder, sprak ze kort en goed, wij zijn hier zeker nog, ik en Remi?
– Ja -ruttelde zij – vogels-op-takken!

Zoo stonden de zaken in ‘t Puidenest. Vader verslechtte stilaan, vastgegrepen door een slepende borstziekte, die hem langzaam ten gronde trok. Met den winter was hij merkelijk achteruit gegaan en moest door de groote hoeveelheid van kloekte opgeholpen worden, ‘t Zou beteren met den uitkomen – meende hij – maar den uitkomen was er, en Pier ondervond dat hij tenden gesponnen was.

Op een zondag na-noen, wen ze allen in ‘t Puidenestje rond den heerd zaten, kwam Pol D’Haene, een jongen van Remi’s jaar, die in ‘t Fransche wrocht, het huisje binnen; hij werd er gul onthaald en bleef er lang en veel gezeten, aan ‘t vertellen van dat aardig, verre land, waar de menschen zoo schrikkelijk veel geld winnen en zoo prinselijk gevoed worden en tegen-avond vroeg hij Remi mede naar Stroombeekplaats, om een potje te drinken.

– ‘k Heb ze thoope! zwetste hij, al op zijn zak slaande, waarin de vijffrankenaars rinkelden.
Remi trok mede, overladen met aanbevelingen en vermaningen.
– Tijlij thuis! Niet te drinken! Geen twist en duizend en nog.

‘t Was heel laat dien avond als hij inkwam en toch vond hij ze nog allen rond den heerd, buiten vader. Hij had de gewoonte niet lang uit te blijven en veel te drinken en, in hunne ongerustheid, waren ze opgebleven. Hij kwam ontredderd binnen, met de klok op ‘t één oor, al lachend, lijk een zot.

– Jongen! jongen, streed moeder, ge zijt van brouwers hondje gebeten!…
Remi sprak er niet op, maar hij greep zijn moeder in de leen en hefte ze op.
– Zotte jongen ! kuulde ze.

Meetje loech, dat ze kraaide; de jongen greep ‘t vrouwtje bij den kop en gaf haar twee klinkende piepers.

– Zeere! zeere! streed Lena, naar uw bedde groot kind!
– Zoo haastig, zeker! morde Remi… de zult het niet dikwijls meer moeten bevelen.

Al is ‘t, dat broeder en zuster wel overeen kwamen, – toch maakte het verschil van karakter, dat ze niet innig aan malkaar waren ; Remi botste meermaals met zijn uitbundigheid, op het gelaten meisje, lijk op een geslotene deur, en meesttijds eindigde zijn wildheid met pruilen en halfvinnige woorden.

Dien avond raapten de vrouwen de bedreiging niet op, besloten in de jongens woorden : – Ge zult het niet dikwijls meer moeten bevelen, – te meer, daar hij een steke los was; maar ‘s anderendaags stond hij zoo verborsteld en mistroostig op, dat heel zijn uiterlijk zielsdruk verraadde en, uit afleiding, schoot de bedreiging van gisterenavond moeder te binnen; wijl ze hem den morgenzegen gaf, keek ze hem diep in de oogen en vroeg:

– Remi, wat beteekenen uwe woorden van gister? Hij werd rood en verlegen, hij sloeg zijne oogen neer en wrikkelde met de teenen; maar na een stond, rechtte hij den kop, zag zijne moeder in ‘t aangezicht en antwoordde:

– Moeder, ik ga naar ‘t Fransche, overmorgen.
– Naar Frankrijk!… kropte ze en greep de tafel vast om niet te vallen.
– Ja, moeder, zegde hij nu vast. Ja, ik ga mee met Pol D’Haene; ‘t is effen; klappen kan niet helpen.

Moeder wist bij ondervinding, dat er geen zeggen aan hielp; hoe meer hij tegengegaan was, hoe koppiger hij werd. Meetje had hem, als klein kind, betroetelt en bedorven, en al zijn grillen ingevolgd, en, nis bij later-tijde spartelde en danste van grilligheid, om zijn zin te hebben, gaf Meetje toe, spijts vader en moeder, en zoo was de jongen opgegroeid, uitermate open, vroolijk en lieftallig, maar eigenzinnig en koppig.
– Remi, vroeg moeder weenend, wat gaat er u tegen thuis?
– Niéts, moeder, antwoordde hij, maar ik ben moede van voor niet te werken bij de boeren; al ons slaven telt voor zero; wij winnen niet genoeg om vader kloek te te bezorgen.
– Jongen, jongen! zuchtte ze, g’hebt u laten opwinden door D’Haene’s losbol.

Hij schudde het hoofd en stribbelde tegen, koppig al:
– Neen, ik ben oud genoeg om te weten wat er mij te doen staat. Al wat Franschman is spotte gisterenavond met mij, omdat ik hier moorsch gelijk een voermanspeerd, voor hongerloonen, zoodat er zelfs niets overschiet om ‘s Zondags met de vrienden uit te zetten.’Pol D’Haene geeft alle jaren vijfhonderd frank aan zijne ouders, en hij heeft nog genoeg over om leute te maken.

– Zoo dat ge geen geld noch leute genoeg hebt bij ons, kind?
Hij kleurde, want ja, hij had uit ‘s herten grond gesproken en zijn eigen verraden. Pol D’Haene en zijn maten hadden, benevens de groote winning, ook de vrijheid en de wilde leute afgeschilderd, ginder in ‘t verre vreemde land.

Remi had dien avond, meer dan ooit, dien luchtkring van lijden, verdriet en eentonigheid, die thuis heerschte, op zijn jong, zot, leutig herte voelen wogen, en hij hunkerde naar de wijde, vrije, opene wereld. Hij was in den grond goed; toen hij hem liet overhalen gisterenavond en plechtig beloofde mee te gaan naar Frankrijk, was het toch om aan de knorre te geraken, – om vader de noodige kloekte te bezorgen en gansch het huisgezin uit den nood te helpen; maar toch speelde ‘t vooruitzicht van meer vrijheid en leute, een groote rol, in zijn verraadsch besluit. Hij voelde hem te zeer vernepen in dat eng kotje, bij dien zieken vader, dat oud Meetje, die steeds mistroostige moeder en die serieuze zuster, die hem altijd tegenwrocht, bij de minste uitbersting van zijn jong, leutig herte.

Lena was bijgekomen en vroeg wat er scheelde.
– Remi die naar ‘t Fransche gaat. snikte moeder.
– Toe! prulleman ! steek dat uit uw zot-hoofd, morde ze.
Maar hij rechtte den kop en beet :
– Om u genoegen te doen, zeker? En voor al de voldoeningen die ge mij aandoet? ‘t Is te veel dat ik een deuntje zing.
Ze sprak niet meer, maar stapte Meetjes slaapkamer binnen en vertelde haar het nieuws.
– Och, Heere toch! – kermde ‘t vrouwtje. Och, Heere toch ! mijn jongentje!
Maar Remi kwam zelf Meetjes kamer in en zette hem op een stoel nevens het bed; Meetje nam zijn hand en keek hem zwijgend aan, met dien openen, diepen blik, waarin de oude menschen gansch hun ziele leggen.
Grootmoedertje, niet kijven, hé! schertste hij. Ik moet weg of ‘k ben een lafaard; ‘k wil den nood hier in ‘t huis niet laten komen.
– Mijn jongentje! kreesch Meetje, ‘t zal hier zoo triestig zijn zonder u; wie zal er ons nog doen lachen?

Hij moest zijn eigen geweld aandoen, om zelf niet te weenen, want, dat oud lief dingetje vond altijd den rechten weg naar zijn hert. Hij zocht en vond woorden, die Meetje gerust stelden; hij liet voor haren geest de stukken-van-vijf-frank dansen, die hij van ginder zou afzenden en deed het oud vrouwtje waterbekken, bij het blijde vooruitzicht zijner thuiskomst te Bamis, dan, wanneer hij vreugde en beslaan voor gansch het huisgezin zou medebrengen.

Ondertusschen was Pier opgestaan en had het nieuws uit moeders mond vernomen; hij bekeef zijn vrouwe, die maar altijd voort storme kreesch :
– Ze ‘n eten daar niemand op zeker, in ‘t Fransche: pruttelde hij. De jongen heeft gelijk; ‘t is dat er een hert in zit en hij doet het voor ons; ja, hij heeft gelijk, ‘k zegge gelijk.

Remi was verwonderd er zoo goedkoop van af te komen. Hij had gevreesd met vader in stokke te geraken en zie, vader was juist de eenige, die hem goedkeurde en aanmoedigde; dat was een groote distel uit zijn vingers.

In den grond maakte er Pier werk in, dat zijn Remitje vertrok, maar, nood dwingt, en, alles wel overdacht en overlegd, ‘t was de eenige kanse van redding, en hij bewonderde den jongen.
– Ge hebt een hert in ‘t lijf, jongen, bofte hij. ga maar uw gang, ‘k weet dat ge uw steke kunt staan en voor niemand duimtje moet leggen; dat zit in ‘t ras. Ga maar, jongen, schart ze thoope.Wi hebben het noodig, ik ben een kostelijke kerel en ‘t ware best…

– Zwijg! vader, smeekte Remi. die de woorden raadde, nog in vaders mond… Zwijg, g’ hebt genoeg gewrocht en geslaafd voor ons; ge kunt nu rusten, wij zullen voor u werken.
‘t Was dus vast, Remi zou meegaan, met Pol D’Haene, naar het Fransche.

‘s Anderendaags had moeder werk tot over het hoofd, om heel zijn bundel op te maken en in de splinternieuwe bezat se van kafzakgoed te steken ; ze peisde op alles en weende slagwater, wen ze in den overleg zijner baailijven een gewijde medalje naaide, buiten Remi’s weet. Dien dag slabbakte Remi; hij ook had nog veel weg en weer te loonen, en goen-dag en goen-avond te wenschen aan vrienden en kennissen.

Als de jongen nu tegen avond zijn huizekotje weer naderde, overviel hem plots, met een enkelen slag, een geweldige weemoed ; zijn harte kromp ineen ; zijn krop oelde toe en de tranen sprongen uit zijn oogen. Daar voor hem. stond het arm, doch dierbaar hutje, met zijn eenlijk groen-bemoste dak. Van waar hij stond, scheen het enkel een kap op den blooten grond, want langs achter was de euzie gedoken door de doornhaag en al zijds, door liet droge riet, dat den put behoorde en tot boven den oorboom van den gevel wuifde.

Al den noordkant schoten de ranke populieren, dicht tegen het doeningje, recht ten hemel : ze staken hun ranke spillen al over de kave en de daking van het kort woonst je, dat ze schenen te beschermen; al de overzijde gaven ze den arm aan dc andere boomen en alzoo van reek tot reek, zoodat ze allen gearmd en gesnoerd, te dansen stonden, in den knijzenden, tinsenden lentewind.

Daar stond de jongen boom-slag-stil, heel het doeningje op te vatten, zooals het er stond en lag, in zijn klare algeheele aanschouwelijkheid en dan ook, in al zijn afzonderlijke deelen. In dat klein bosselke, waar de wind zoo moorschte te wintertijde en waar het zoo aardig donker in was, bij zomertijde, daar had hij in geleefd, gedretst, gekerpent en gekasjouwd, door de mozige dijken, in de dichte taalje en tot bovenup de hoogste boomen.

Nu nog, zou hij blindelings tot in ‘t hert van het bosselke gaan en de braamhutten opentrekken, waaruit hij, in zijn kinderjaren, de hagerutjes en de rietmusschen roofde; hij zoo blindelinge de kopwulge vinden, langs het rootputje, waaruit hij alle jaren de boschuil jongen haalde en hij zou het bul kunnen grijpen, waar hij over drie jaar van afgletste en wel een kwart van zijn zelven lag.

Ginder, al den zuidkant van ‘t huisje, lag de put, waarin de puiden kermis hielden en waar de zwartekobbe zoo schoon zong, al flodderend van riet tot riet, naar heur nestje, dat ver-aan in den put, boven ‘t water hing te wiegewagen.

En daar, boven ‘t dak, kijkt! de kave rookte : een witte rook van blaren en rijshout kroop de pijp uit, golvend lijk een peerdemane en vloog een eindje sleep-horizontaal den westen in en zottebolde voort, door den wind in honderdduizend slimpen geslegen.

Zijn gedachten vielen op vader en moeder, op meetje en ook op Lena, die spijts haar koud en zoo wat barseh uiterlijk, toch een zorgvuldig jong en een door-goed herte was. Hij dacht vooral aan moeder die zoo veel van haar jongens hield, die ze zotgeerne rond haar wist en voelde, en die nu zoo veel werk in hem maakte.

Hij dacht ook veel aan meetje en hij zag ze daar voor zijn geest, ‘lijk te nuchtend. toen die groote tranen langs haar diep ingevallen wangen rolden. O! ‘t deerde hem zoo. Hadde hij zijn woord niet verpand, hij zou niet meegegaan zijn, maar nu kon hij niet verder; ze zouden met hem lachen en hem voor asschevijster uitgeven. Neen, hij wilde hem niet geven, hij moest mee.

Wanneer moeder hem ‘s avonds, na veel vermaningen vroeg, of het hem niet speet, antwoordde hij vastberaden:
– ‘t Deert me, moeder, u te verlaten, maar vier maanden is geene eeuwigheid en Frankrijk is tenden de wereld niet.
– En ge zult u wel gedragen ginder en alle dagen een weinig bidden en ‘s Zondags misse hooren?… vroeg ze.
– Ja, ja, zeker, moeder; wees gerust. Juist zooals hier, – verzekerde hij.
– Och ! moeder, met al uw sermoenen, grolde vader… Gij weet wel hoe hij opgebracht is; de menschen blijven zooals ze zijn.

Moeder verzuchtte diep.
‘t Was tijd van te rusten en, even als alle avonden, na den zegen van vader en moeder ontvangen te hebben, vroeg Remi dien ook aan Meetje. Ze duwde zoo hard van avond, met haar stijve vingers, op zijn effen, melkwit voorhoofd en ze neuzelde:

– Jongentje, niet weggaan morgenuchtend, zonder bij mij te komen.
Ze trokken vroeg ter ruste, want morgen moest Remi weg, met den eersten trein. En als moeder, na een slapeloozen nacht, de koffie gemaakt en Remi geroepen had, bemerkte ze wel dat de jongen ook weinig geslapen had en zijn oogen opgezwollen waren, doch ze gebaarde van niets en verkropte haar eigen leed.

Volgens belofte bezocht de jongen Meetje te bedde. Ze greep zijn hand en nokte:
– Remitje, wacht niet te lang van weer te keeren, ik zou er zot van worden!
Hij troostte haar, overwel en overkwalijk, zottebolde voor den vorm, al kriepend en kroppend en verliet haar, met bloedend hert; nu slechts gevoelde hij, hoe zeer hij zijn huis en huisgenooten beminde.

‘t Uur van vertrekken was er; vader en moeder gaven hun zegen en de jongen vertrok, zonder nog een woord te spreken, met de bezatse op den eenen schouder en de pikke met strooi bewonden op den anderen.

Hij stapte lijk een peerd, zonder ommezien, zwaaiend met den pikhaak, op welks scherp uiteinde een kork vastgesteken zat, en hij ging, maar altijd gaan, al weenend, zonder zijn oogen te durven afvagen, om zijn lijden niet te verraden.

En daar stonden ze aan ‘t poortje van Puidenest, en ze zagen hem gaan, alleen, mensch-alleen, door den duisteren, tot aan den draai van de straat, bij de woonste van Crepeele’s , en dan was het uit en gedaan, Remi was weg naar ‘t Fransche. Ze trakelden in huis en weenden lang en veel.

Alle avonden baden ze nu een kruisgebed voor den uitwijkeling en ze spraken den dag door van hem Nog geen veertien dagen was hij weg, ze ontvingen al een briefje… ‘t Was kort en goed !

Lieve ouders, meetje en zuster,
Ik laat u weten den staat van mijne gezondheid en verhoop van u hetzelfde.
Ge zoudt uwe oogen openzetten ‘lijk bollanteerens, moest ge hier zijn. Wel, wel! daar zal kappen aan zijn, aan die dertig hectaren beeten, al één brokke ; daar zal savelen aan zijn, aan die veertig hectaren terwe; doch geld schept moed.

We smijten nu vette, Pol en ik, geheele dagen en verdienen hard de munte, maar dat is nog niets, hij hetgene we zullen verdienen in den beeten-braak. Wacht maar! ze zullen komen afgedokkerd.

Zorgt ge wel voor mijn vinke? Is de grauwe keunemoere al gejongd? Schuifelt de meerlaar al in ‘t bosselke?
Lena, niet vergeten een kanariejong te bespreken aan Fons, Ge weet wel zeker aan welken Fons?

Vader, moeder en meetje, uwe benedictie, als ‘t u belieft.
Ik zie u allen toch zoo geerne; ik lees alle dagen een klein beetje, ‘s morgens en ‘s avonds, en ‘k loop alle zondagen misse in de kerk van Gonesse, voor om allen, opdat vader zou mogen genezen, opdat meetje, mijn sporrewaan van ‘n meetje, nog duizend jaar kloek en gezond zou mogen blijven, opdat Lena niet meer zou strijden, als ik haar met Fons plaag; nu ik peis op alles en op allen.

Dag, Vader en Moeder, dag, Meetje en Lena.
Ik verwacht een briefje weder.

Uw Remi

O! ‘t was kermis in ‘t huisje : moeder en Meetje loechen en weenden overhands of door malkaar en vader was lijk genezen. Geregeld alle drie weken ontvingen ze nieuws van hunnen uitwijkeling, en rond St-Pietersdag zond hij tweehonderd frank af. ‘t Was het eerste geld. O! dat gezegend geld, hoe kwam het van pas!
– Ja, verzekerde vader; ons Remitje zal de armoede den kop inslaan.
Maar van dan af vertraagde Remi’s schrijven ; zijn brieven verkortten, en hij was zoo begeerig niet meer om nieuws te ontvangen. Na Oogst zond hij nog honderd frank, met de belofte, op den winterkant, met geheel het murwenest af te zakken. Ondertusschen liep de u campagne ten einde; de uitwijkelingen kwamen al bij heele bressen, en Braem stond alle avonden buiten, tot een gat in den nacht, op de waak naar Remi.

Maar Remi kwam niet en liet niet van hem hooren. De onrust en de angst overvielen het Puidenest. Ze schreven en herschreven naar ‘Monsieur Durenne, à Gonesse, puur Remi Braem’, doch geen antwoord. Bamis daagde up, met zijn korte dagen en dikken smoor, en nog nooit een woordje nieuws.

Wat al angst hadden de menschen doorstaan in ‘t Puidenest: niemand, niemand, van die menigte uitwijkelingen, die nu thuis waren, wist een woordje te reppen over Remi Braem; ze hadden hem gezien te Fontenay-en-Parisis, rond oogst, toen K. H. Denys, pastoor der uitwijkelingen, er zijn jaarlijksche vergadering hield, en sedertdien hadden ze van hem niets meer vernomen.

In de eerste dagen van October belde moeder Braem aan de pastorij te Stroombeke en ze smeekte mijnheer pastors tusschenkomst af. De goede man reisde naar Roeselare, bezocht pastor Denys en had hem de zaak te willen onderzoeken. Deze schreef naar Monsieur Durenne, Remi’s patroon, en drie dagen later meldde die heer hem in zijn schrijven, dat Remi Braem, met het einde van September, zijn dienst verlaten had en dat noch hij, noch zijn Vlaamsche dienstknecht D’Haene, wisten waar hij gedoold was.

‘t Was de godsklop voor de arme menschen in ‘t arme Puidenestje…

Ondertusschcn begonnen er alle slag van aardige geruchten om te loopen en Fons Crepeele vertelde in ‘t duikertje aan Lena, dat hij van vader D’Haene vernomen had, dat Remi voort op Gonesse wrocht, en dronkaard en zwijn was geworden. Om moeder gerust te stellen, die Remi vermoord en gedolven dacht, vertelde ‘t meisje thuis wat ze van Fons vernomen had en ze weenden bitterlijk.
Binst den volgenden winter, geraakte het gespaarde geld verre toegezet: het geleende geld, waarmede Pier in zijnen tijd handel dreef, hadden ze vooraf aan den geldschieter teruggeschonken, om de bekoring te ontgaan er aan te roeren en ze zagen de armoede naderen, met heur lange, magere armen en ze beefden voor haar grepe. Vader kon niets meer verrichten; ‘t kon jaren aanslepen, zegde de dokter; moeder was opgemijterd van angst en slapeloosheid en Meetje sufte.

Dat begon met de terugkomst der eerste uitwijkelingen na Oogst; aan alwie ze zag Melde ze de vraag : – Hebt ge Remitje gezien? Binst den winter, wanneer ze te druilen zat, halfwakend, half-slapend, ruide ze wel twintig keeren daags:
– Is Remitje thuis?

Soms, al etende ‘s noens, sloeg ze haar oude verdoofde oogen naar de ijle plaats, waar de jongen placht te zitten, legde de vorke neer en prevelde:
– Remitje!…

Als Lena streed en grootmoeder aanzette om voort te eten, keek ‘t oud vrouwtje verbauwereerd op en vroeg :
– Is Remitje thuis?…
‘t Was een bitterlijk schouwspel, dat arm, uitgemergeld grootmoedertje in haar doening na te gaan, hoe ze soms, na urensdurende, verstandige houding, tot de kindschheid verviel, met die eeuwige
en ervige vraag:
– Is Remitje thuis?…

En zoo was de lente aangekomen, maar ze bracht geen blijdschap in ‘t Puidenest.
De boomen hongen nog met hun naakte spillen over het huisje ; de vogelzangen klonken nog niet in de taalje en in het kortwoonstje was het zoo stil en droevig, en vader buggelde en hoestte en morde
– ‘k Was rijk in mijn jongenskweek, en nu…? Meetje zat in haar wissen zetel te druilen en soms zoo eenlijk hertsnijdend te vragen :
– Is Remitje thuis?…

Uit ‘Zantingen’ van Edward Vermeulen

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>