Jaarboeken van Ieper 1301-1322

De Ieperse jaarboeken tussen 1301 en 1322 baseren zich op oude handschriften en vertellen het verhaal van die tijd vanuit het perspectief van de Ieperse poorters begin van de jaren 1300. Misschien niet altijd even even betrouwbaar, maar toch krijgen we verrassende inzichten in onze lokale geschiedenis.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Even ter informatie voor de lezer: de oud-Vlaamse spelling en zinsbouw uit de Ieperse jaarboeken werden vervangen door een hedendaagse variante, zonder echter te veel afbreuk te willen doen aan het verhalende effect van de kroniekschrijvers uit het verleden en daarmee de ziel uit die oude handschriften weg te halen. We stappen mee in de kronieken die verder gaan in het jaar 1301 en het verhaal vertellen uit de Ieperse volksmond van die dagen. Hier en daar permitteren we ons het gebruik van lang vergeten woorden en teloorgegane zinswendingen, maar die zijn nu eenmaal schitterend!

Anno 1301, de 18de maart arriveerde in Ieper, Willem, heer van Dendermonde, tweede zoon van de graaf Gwijde, alwaar hij de stad versterkte tegen Karel van Valois, broer van de koning van Frankrijk de welke met een grote macht naar Vlaanderen kwam met de intentie van Ieper te overweldigen. Maar door het tegenweer van de zelfde heer samen met de burgers, werd hij weggeslagen. Hij versterkte gedurig de stad maar ruïneerde daardoor de kasselrij.

De 8ste mei passeerde door de stad van Ieper de graaf Gwijde in het gezelschap van zijn zonen Lodewijk en Robrecht en met vele Vlaamse edelen, te weten de heren van Ghisselte, Hontschoote, Sotteghem, Haverskerke, Dadyselle en vijftig anderen. Ziende de grote macht van de vijand en dat hun eigen leger onder het commando van de zoon van graaf Robrecht verslagen was, zijn ze, op hoop van genade, bij Karel van Valois gekomen. Hij beloofde hun om hun voorspreker te zijn bij zijn broer de koning.

Maar als zij daar kwamen, heeft diezelfde van Valois hen met een escorte naar Parijs gestuurd. Bij de Franse koning. Deze gaf opdracht om de Vlaamse bezoekers met zijn allen in drie verschillende gevangenissen te bewaren en ondertussen trok deze Valois andermaal naar Ieper en de andere Vlaamse steden die hij binnen de twee dagen ingenomen heeft. En dan volgde geheel Vlaanderen.

Gwijde van Dampierre, zoon van de oude Willem, de drieëntwintigsteste graaf van Vlaanderen, was bij justitie gedwongen om te trouwen met de dochter van een advocaat van Bethune, waarbij hij gewonnen heeft vele kloeke en edelmoedige kinderen die grote daden van wapenen bedreven hebben. Te weten Robert van Nevers, die de Heilige Kerk groot voordeel gedaan heeft in een slag tegen de Sarazijnen, daar hij dood sloeg de felle vijand Meynfroot de welke met meer dan honderdduizend Sarazijnen gekomen was om het christendom te vernieten.

De tweede zoon, Willem van Nevele, een devote ridder, stierf jong en ligt begraven te Brugge bij de Broeders Recolletten. De 3de was een vroom en geleerde man en werd proost van de St.-Donaaskerk in Brugge, daarna van Sint-Pieters tot Rijsel, later bisschop van Metz in Lorreynen en uiteindelijk werd hij aangesteld als bisschop van Luik. De 4de zoon, Philippus, was een man van grote bekwaamheid en werd patriarch of kardinaal genaamd. Men kon in hun tijd van geen vromere mensen spreken. Gwijde van Dampierre en zijn advocatendochter wonnen ook vier dochters. De ene was getrouwd met de graaf van Holland en Zeeland, de andere hertogin van Brabant en de derde was hertogin van Luik. De vierde was gravin van Bullos.

Deze graaf Gwijde is zoals hier voor gezegd met de koning Lodewijk in Barbarije (Noord-Afrika) geweest waar hij zich vroom van zijn taak gekweten en gedragen heeft. Als hij met deze koning thuis kwam, stierf zijn huisvrouw Mathilde, de advocatendochter van Bethune, en met de toelating van zijn vrouw moeder en door de raad van koning Lodewijk, trouwde hij met Isabella, de dochter van de graaf van Luxemburg en kreeg daarmee het graafschap van Namen onder zijn hoede.

Het koppel won nog drie zonen, te weten Jan, Gwijde en Hendrik en drie dochters. De eerste werd koningin van Schotland, de tweede was vrouw van Fiennes en de jongste was besproken aan de oudste zoon van Engeland, de grote Edward. Ze was Philippa genoemd, een naam die ze had gekregen van de koning Philip le Bel die haar peter was. Deze koning was zeer verstoord op de graaf Gwijde omdat hij Philippa had toegezegd aan de koning van Engeland welke in oorlog was met Frankrijk.

Deze Philip le Bel had zelf een van zijn dochters toegezegd aan de koning van Engeland waardoor grote oorlogen en verwoestingen zijn voortgesproten in Vlaanderen en in Frankrijk, want Philip le Bel had drie zonen die alle drie na elkaar koning zijn geworden en stierven zonder zelf kinderen achter te laten. Als dan moest de kroon van Frankrijk van rechtswege naar zijn dochter moest komen die toen koningin van Engeland was en waar ze veel kinderen had waaronder haar oudste zoon die behoorde koning van Frankrijk te worden.

Door het bespreken van Gwijde zijn dochter aan de zoon van de koning van Engeland, bleef de gramschap van de Koninklijke familie op de graaf Gwijde bestaan, hoewel die alles deed om hen te verzoenen en menende het te gelieven, zond hij zijn dochter Philippa naar Parijs in het gezelschap van dertig kameniers of staatsjuffrouwen, samen met Robrecht zijn oudste zoon en met dertig oude ridders. In het paleis komende liet de koningin ze allemaal opsluiten in de gevangenis van de koning. Robrecht van Nevers vernemende dat zijn zuster Philippa in arrest genomen was, kwam naar Vlaanderen. Dat te kennen gevende aan zijn vader Gwijde, liet hij al zijn steden aanstonds versterken en verzamelde een groot leger dat hij verdeelde over Douai, Rijsel, Cassel, Veurne en andere steden.

De koning van Frankrijk had verstaan dat Gwijde bijstand gevraagd had aan Engeland en dat deze koning zelfs met meer van tienduizend mannen naar Vlaanderen was gekomen bij graaf Gwijde in Brugge. Wanneer de koning van Frankrijk en de koningin dit vernamen, waren ze zeer gestoord en hebben ze Philippa in haar gevangenis laten vergiftigen en de dertig kameniers laten wurgen. Hun lichamen werden in de rivier de Seine gesmeten en de ridders werden opgehangen.

De koning is kort daarna met twintigduizend mannen naar Vlaanderen gekomen. Hij belegerde en bestormde Rijsel meer dan drie maanden lang. Ondertussen zond de koning de graaf van Blois en andere heren met veertienduizend mannen naar Veurne in West-Vlaanderen om die kant te overwinnen en die landen te verwoesten. De graaf van Katsenellebogen met veel Duitse heren en Vlamingen zijn naar Veurne getrokken, waar tegen de Fransen zeer gevochten werd. De graaf van Blois met al die van Gwijde zijn daar dood gebleven. Men zegt ook dat er wel vierduizend Fransen in de slag zijn gebleven.

Deze voornoemde heren meenden de koning die voor Rijsel lag, de volgende dag te gaan bevechten. Het welk hen belet werd want de graaf van St.-Pol, oom van de koningin, kwam te hulp met veel volk. Daar werd andermaal zeer gevochten, dood blijvend veel treffelijke heren en ridders. Maar de Fransen werden meester van het slagveld en veroverden Veurne, Nieuwpoort, Bergen en Diksmuide.

Ondertussen was het meer dan de twaalfde week dat de koning voor Rijsel lag. Robrecht, commandant van de stad, hoorde dat West-Vlaanderen verloren was en dat hij van nergens nog hulp te verwachten had, en ook in het besef dat de levensmiddelen in Rijsel begonnen te ontbreken, verzocht de koning om een wapenstilstand voor acht dagen om zich te beraden over een eventuele overgave van de stad. De koning stemde in met het verzoek van Robrecht.

Ondertussen zond Robrecht een vraag om bijstand naar zijn vader Gwijde tot Gent, de welke orders gaf om Rijsel over te geven, met behoud van lijf en goed. Het welke geschiedde op de achtste dag. De koning beroofde de stad Rijsel en heel het land van Douai tot Ieper, Kortrijk en Roeselare. Men verbrandde huizen, kerken, hospitalen, kloosters en dorpen, onteerde vrouwen, dochters en religieuzen, smeten al dood die hen ontmoetten of tegenstand boden.

Zo is hij gekomen naar Brugge. Ze zijn hem tegemoet gegaan waarbij een wapenstilstand van twee jaar werd afgesloten voor graaf Gwijde en die van Gent. De koning hield voor zich Brugge, Kortrijk, Rijsel met de kasselrij en trok naar Parijs. Tijdens de wapenstilstand zond de koning zijn broer de hertog Karel van Valois naar Brugge om te regeren over Vlaanderen en om met volle autoriteit te doen en te laten wat hij nuttig achtte.

Hij werd er zeer eerlijk ontvangen. Hij veinsde hun zeer goedgunstig te zijn en dat hij een goede vrede tussen hen en de koning zou bevorderen. Die van Brugge vergezelden hem naar Gent waar de graaf Gwijde met zijn kinderen verbleef en waar hij hem zeer vriendelijk ontving en onderhandelde over vrede. De hertog van Valois beloofde aan de graaf dat hij en vijftig van zijn edellieden naar Parijs zou kunnen trekken om met zijn broer de koning te spreken over een favorabele vrede en zo opnieuw gratie te ontvangen. De graaf deed het, maar werd bedrogen en verraden want als hij met zijn edellieden aankwam in Parijs, werd hij met al zijn volk naar verschillende gevangenissen weggeleid, want de koning Philip, die in grote gramschap ontstoken was, wilde hen niet zien noch horen spreken.

Hij gaf opdracht om graaf Gwijde naar Compiègne te sturen, in het gevangenhuis en de ander heren naar verscheidene steden van Frankrijk met een streng gebod om over hen te waken. Deze, nu allen gevangen en van elkaar gescheiden, zodat ze geen communicatie meer met elkaar konden hebben, vooral door het verzoek van de koningin, die een grote haat droeg tegen de Vlamingen omdat haar grootvader en twee van haar ooms in Vlaanderen ooit opgesteld en onthoofd werden op een rad ergens aan de zeekant.

Karel van Valois al die dingen ziende, deed groot devoir aan zijn broer de koning en aan de raad om alles tot een vrede te bevorderen, te kennen gevende hoe eerlijk hij eerder in Vlaanderen was ontvangen en dat ze gekomen waren bij de koning met de bedoeling om een voetval te maken en hun te stellen in de vriendschap van de koning en met alle werken die hij deed, maar hij kon de koningin niet bewegen: ze verwierp al zijn voorstellen met grote passie.

Ja, het was haar leed dat de graaf Gwijde met allebei zijn zonen en de andere heren in gevangenissen buiten Parijs waren gezonden, want ze had ze liever zien hangen aan Parijse galgen. Karel van Valois, nu niet verder kunnende, heeft het zich erg gespeten omdat hij zijn ridderschap aan de graaf Gwijde had beloofd om deze vrede uit te voeren en hij is uit schaamte vertrokken van Parijs naar Italië waar hij in dienst is getreden van de paus Bonifatius.

De graaf Gwijde met al de zijnen bleef in de gevangenis en bezat niets meer. De koning Philip le Bel bezat nu heel Vlaanderen en visiteerde al de steden. Hij kwam met zijn koningin tot Ieper en tot Brugge, maar daar gekomen zijnde, speet het haar dat zij er, net als in Gent, vrouwvolk zag dat zo treffelijk versierd en gekleed was. In gramschap ontstoken zei ze: “Ik meende de enige koningin te zijn van Frankrijk. Ik zie er hier wel zeshonderd. Me dunkt dat die Vlamingen die in onze gevangenissen zitten in Frankrijk allemaal prinsen zijn, want hun vrouwen zijn gekleed als koninginnen en prinsessen”. Nota: ze hadden zich met zijn allen zo treffelijk opgezet om de koning en koningin te ontvangen.

De koning nu Vlaanderen doorgereisd te hebben, is terug naar Parijs vertrokken en heeft de oom van zijn koningin, met name Jacob, graaf van St. Pol aangesteld als gouverneur-generaal van Vlaanderen met het bevel al deze landen in vrede en goedentierelijk te regeren. Hij werd na korte tijd een tirannieke gouverneur die grote overlast bezorgde aan de gemeenten. Hij ordonneerde dat alle ambachtslieden de vierde penning moesten betalen en eiste dat ook van alle kooplieden in hun koophandel zo dat die Vlaanderen ontvluchtten. Bovendien ordonneerde hij pointingen en settingen en gabellen waar het volk helemaal niet onderuit kon. Wie die lasten niet kon geven en daartegen murmureerde, deed hij hangen of onthoofden. De drie steden van Vlaanderen protesteerden tegen deze tirannie en stuurden gedeputeerden naar Parijs tot de koning om zich daar te beklagen.

Waarop de koning gebood aan Jacob, graaf van St. Pol, zijn gouverneur, dat hij die van Vlaanderen opnieuw van hun privileges zou laten genieten die hij hen had afgenomen. Maar omdat hij daarna meer en meer de gemeente onderdrukte, duurde het omtrent de twee jaren tot eerst die van Brugge en daarna die van geheel Vlaanderen zich verzetten tegen zijn ordonnantiën en zijn schattingen niet langer en meer wilden betalen.

De graaf van St. Pol, te Kortrijk verblijvende, kwam naar Brugge met de intentie van de principaalste vleeshouwers en wollewevers te doen onthoofden als rebellen tegen de koning. Pieter de Konink, een wijze en vooruitziende man, kort van postuur en van goed beleid, hebbende maar één oog, was dan deken van de wollewevers, die hem achteraf wegens zijn vroomheid tot ridder gemaakt hebben. De komst van de graaf van St. Pol vernemende, vertrok Pieter de Konink uit Brugge en ging naar Aardenburg (Harburg) met een menigte ambachtslieden wel gewapend. Als ook van het gelijke deed Jean Breydel de vleeshouwer.

Hij ging tot Damme en naar Sluis en daarna naar Harburg, bij hem hebbende alle soorten van ambachtslieden. Het was alle dage feestdag want niemand en wilde werken en zij en wilden aan de dienaars van Jacob van St. Pol noch spijs noch drank verkopen en als men op het einde van de week kwam in de huizen om de vierde penning van hun werk, vond men daar geen mans meer thuis. Dit stoorde de graaf van St. Pol zeer dat hij deed tot Kortrijk gereed maken tonnen met koorden en stroppen om daarmee de principaalste ambachtslieden te doen ophangen aan de vensters van hun opperzolders.

Een Engelse schildknaap die van Jacob van St. Pol zeer bemind was, liet dit weten aan de waardin waar hij woonde die zei dat ze het stillekens te kennen zou geven aan de wevers en vleeshouwers. Jacob van St. Pol komende tot Brugge met zijn vaten en koorden, juist op de donderdag van de kruisweg, vond de meeste ambachtslieden gevlucht naar Sluis, Aardenburg en tot Damme.

Ze waren allen vergaderd bij Pieter de Konink en Jan Breydel en besloten van des anderendaags ‘s morgens voor het rijzen van de zon hun te bevinden voor de Sint-Kruiskerk buiten Brugge, wel voorzien van wapens en dat zij zich zouden verdelen in twee scharen en dat Pieter de Konink met de ene schare zou komen al de Kruispoorte en marcheren tot aan de markt en van daar tot aan de Vrijdagmarkt, met het krijgswoord (mot d’ ordre) “schild en vriend wat Waal is, is vals slaat al dood”. Die dit niet en kon zeggen, moesten ze zonder genade doodslaan.

Jean Breydel kwam ter Speypoorte binnen met de andere schare en trok naar Snaekaers brugge waar de graaf van St. Pol gelogeerd was. Met zijn andere troepen was hij wel boven de 4000 mannen sterk die alsdan van de Bruggelingen “snaekers” genoemd werden en ook deze naam behouden hebben. Gelijk Jan Breydel stillekens zijn vrienden ontboden had aan de Speypoorte, was zijn volk toegenomen tot 6000 mannen. Hij zond enige honderden mannen naar de brouwerij van St. Catherine bij de Gentse poorte om dat geen Fransen en zouden ontvluchten om daar dood te slaan. ‘t Smorgens ten 3 uren, kwam Jean Breydel met zijn volk aan de herberg bij Snaekaers brugge waar die Walen en Fransen gelogeerd waren, roepende “schild en vriend” en zo voorts hun krijgswoord, het welke een grote ontsteltenis bracht onder de Fransen, zo onverwacht liggende nog in hun slaap, zo dat men ze doodsloeg als kiekens.

Jean Breydel trok naar de Karniers brugge, roepende “Vlaanderen de leeuw, al die goede Vlamingen zijn, volgen mij, al dat Waal is, is vals, slaat al dood”. Komende naar het Gistelhof in de Vlamingstraat naar de markt waar Pieter de Konink zich ophield, trokken ze samen langs de Steenstraat naar de Vrijdagmarkt waar ook veel Walen en Fransen in de herberg gelogeerd waren en sloegen hen ook al dood zonder iemand te vangen. Jacob van St. Pol deed van benauwdheid kapelaankleren aan, trok met zijn paard achter de kerk van St. Clara naar de vesten omtrent de Smedepoorte, waar hij met zijn paard door de vesten zwom in groot gevaar van zijn leven want zijn principaalste lijfknecht is bij hem verdronken. Op welke vrijdag binnen Brugge verslagen waren meer dan vijfduizend Walen en Fransen en des anderendaags wezende zaterdag waren van zijn volk verslagen tot Gent wel tweeduizend. Dit geschiedde in 1302.

Jacob van St. Pol zo ontkomen zijnde, kwam te Parijs en kloeg aan de koning en aan zijn nicht de koningin op zijn schoonst. In die tijd hadden de Sarazijnen twee Christen steden ingenomen, te weten Majorca en Melidien en die twee koningen waren te Parijs gekomen om bijstand en hulp. De paus had ook gezonden aan de allerchristelijkste koning van Frankrijk, dat hij zou willen de Christelijke prinsen verzamelen om wederom de koninkrijken te helpen, waarop de koning schreef aan alle Christelijke prinsen, potentaten en ridders, dat zij zouden willen komen vergaderen tegen Sint-Jansdag tot Parijs en omtrent Sint-Pietersdag te vertrekken tegen de Sarazijnen. Daar vergaderde een menigte van edelheren, graven en prinsen elk met hun volk, te weten uit Duitsland, Engeland, Schotland, Holland, Gelderland, etcetera en alle andere natiën.

Al deze menigte van volk vergaderd zijnde, zo recommendeerde de koningin dat Robrecht, graaf van Artois en Jacob van St. Pol, haar oom beter zouden trekken naar Vlaanderen en van daar te schepen te gaan, vermits het zomer was. Ze zouden lichter te schepe reizen als over het land en zouden in Vlaanderen alle gereedschap vinden tot de reis naar de Sarazijnen. Maar zij beval aan haar oom dat men alle zeugen (dat waren de vrouwen) hun borsten zou afsnijden en dat men alle hun varkens (hun kinderen) zou doorsplijten en alle mannen die ze honden noemde, zonder genade zou vermoorden.

Ze wilde Vlaanderen vernietigen en door het vuur laten vergaan. Binnen deze tijd verscheen Jan, graaf van Namen, Willem van Gullik, de proost van Aken en de jonge Gwijde om bijstand te doen aan Vlaanderen want zonder hun komst ware het teniet gedaan. De koning Philip le Bel beval aan de graaf Robrecht van Artois om naar Sluis te gaan. Men zou daar zenden alle schepen en galleien van Normandië en Bretagne bij de Vlaamse schepen. Hij maakte zijn oom Robrecht generaal van de ganse armee en ze trokken naar Vlaanderen met vierentwintigduizend paarden.

Tot Rijsel komende, zei Robrecht tegen die twee verdreven koningen: “Ik vrees dat de Vlamingen, die erger zijn dan de Sarazijnen, ons de doortocht naar Sluis zullen willen beletten. We moeten hun te niet doen en verdelgen. Wij zullen er God zo’n grote dienst mee doen want het zijn versteende Christenen.”

Die van Brugge verstaande de aankomst van deze grote macht tot Rijsel met de bedoeling van met de voornaamste koningen naar Brugge te komen en Vlaanderen te ruïneren, geboden aan die van Gent en Ieper dat zij zouden trekken naar Kortrijk om er weerstand te bieden tegen de Fransen.

Gwijde van Vlaanderen, Jan van Namen, Willem van Gullik en de heer Jan van Renesse zouden hun kapiteins zijn. Die van Gent en wilden niet komen maar Jan Borluut trok uit Gent en kreeg onder hem, zo vrienden als andere, en die van Ieper zouden aan de graaf leveren een groep mannen ter hulpe van het beleg van Kortrijk. Anno 1302, op de twaalfde maart, vertrokken uit Ieper vijftienhonderd burgers, allemaal in het rood gekleed dat men de zelve buiten anderen zouden kennen, met standaard, vaandel, trommels, tombalen en trompetten, ten dienste van de graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre en onder het beleid van de heer Jan, graaf van Namen.

Met dit al zo kwamen de Fransen op met een grote menigte volk van verscheidene natiën. Die van Brugge trokken met die van de Vrije. Met Gwijde en andere heren, en Jan van Renesse met zijn vijfduizend mannen, waren de Vlamingen omtrent de zevenduizend. Maar helaas, wat mocht dat maken tegen zesendertig grote prinsen en heren met drieëndertigduizend mannen te paard om de Vlamingen te bevechten? Gwijde van Vlaanderen, Jan van Namen, Willem van Gullik en Jan van Renesse zijnde allen tot Kortrijk gekomen, lieten daar hun paarden en ordonneerden dat die van Ieper zouden letten op de gouverneur van Lens die op dat moment binnen het kasteel van Kortrijk was met zijn volk, dat zij er niet buiten zouden komen.

Gwijde met zesduizend mannen benevens Jan Borluuts volk deden veel grote en diepe putten graven tussen Kortrijk en het klooster van Groeninge en dekten die af met groene meyen en grasvodden en zij gingen allen in een grasbilk aan de zuid- en noordzijde, wel bedolven. Gwijde en Jan van Renesse zeiden tot hun volk: “Lieve vrienden, denk aan uw vrouw en kinderen. Neem goede moed, vecht vroom zodat wij ons lang mogen behouden. De victorie komt van God alleen en niet door de menigte van volk. Tracht altijd de paarden te treffen want eens ‘t paard verslagen is, is de man verloren. Dat men niemand en spare maar van de paarden vallende moet men die allemaal dood slaan, niemand gevangen nemen noch plunderen, noch niemand en laten vluchten, maar men zal hun terstond dood slaan”.

Dit was de 21ste maart te zeven ure. Als zij zagen dat de Vlamingen in zo een klein getale kwamen, wilden ze hun terstond bespringen, maar kort daarna kwam er een grote smoor op te rijzen dat zij malkanderen nauwelijks konden zien. Robrecht, graaf van Atrecht, met de twee koningen maakten de eerste aanval met achtduizend mannen en de graaf van Henegouwen maakte de andere ook met achtduizend mannen. De derde schare was Jacob van St. Pol wederom met zijn achtduizend zo dat ze verdeeld waren in vierentwintigduizend.

Jacob van St. Pol wende zijn paard en was graag de eerste geweest om de prijs over deze weinige Vlamingen te behalen. Zo zijn ze kloekmoedig aangekomen. De Vlamingen die ziende veinsden zich te retireren alsof ze wilden vluchten. De paarden, vol aankomend, verwarden zich in de meyen en zagen de putten niet en vielen daar in. De ene op de andere, malkander versmachtend wel tot vierduizend edelmannen. Dan kwamen de Vlamingen aan met hun lansen en doorstaken mensen en paarden en de smoor maakte het allemaal zo duister dat zij elkander niet en konden kennen en sloegen op malkanderen zo dat er van de drie scharen meer dan vijftienduizend van de treffelijkste edeldom dood bleven als ook hun paarden en uitgelezen volk.

De graaf van St. Pol, bemerkende dat deze drie heerkrachten meest al versmacht lagen in de putten die de Vlamingen gemaakt hadden en dat al hun vaandels geveld waren en dat hij alleen die van Vlaanderen zag wapperen, vluchtte met vijfduizend mannen naar Rijsel maar ze werden door de Vlamingen gevolgd tot voor de poorten en ze hebben nog meer dan tweeduizend van deze vluchtelingen verslagen. De kastelein van Lens, de welke in het kasteel van Kortrijk lag, meende dat de Vlamingen allemaal verslagen waren. Hij kwam met duizend van zijn volk uit het kasteel, maar ze werden allen door die van Ieper verslagen zo dat van deze grote macht van volk waarmee ze hadden getracht om Vlaanderen te niet te doen, er geen drieduizend mannen overgebleven zijn om naar Parijs de mare te doen.

De hoeveelheid wapens en buit die hier gevonden waren tussen Groeninge, Kortrijk en Rijsel was onbeschrijfelijk, want daar bleven twee koningen, hertogen, graven met drieëndertig in het getal en daar toe wel vierduizend vergulde sporen die in de kerk van Groeninge opgehangen zijn en hun lichamen in dezelfde kerk begraven zijn en de andere die men niet en kenden, werden begraven in grote putten. Men schat over de elfduizend edelen en tienduizend onedelen die dood gebleven zijn.

De Vlamingen de victorie bekomende hebben, trokken met de jonge Gwijde naar Rijsel, Douai en het hele land door. Men bracht hen alom de sleutels. Het klagen en jammeren dat door heel Frankrijk weerklonk wegens het groot verlies van al hun buit mag eenieder considereren. Op de 24ste maart kwamen de vijftienhonderd Ieperlingen in grote vreugde en onbeschadigd terug in hun stad. Ze hebben malkanderen bijgestaan gelijk broeders, zoals ze beloofd hadden voor hun vertrek. Ze hebben hun belofte van getrouwheid vernieuwd waar uit gevolgd is een broederschap of gilde van de handboog voor de patroon St. Sebastien.

De koning Philip ziende dat hij nog luttel edelmannen had om zich te wreken om deze nederlaag, beval door heel Frankrijk dat alle ambachtslieden de wapenen zouden oppakken en naar Parijs zouden komen. Er is zo een ontallijke menigte gekomen en de koning is zelf in persoon met deze macht gekomen tot Vitry om Vlaanderen deze maal wel te destrueren. Die van Vlaanderen vernamen dat de koning kwam met zulk een menigte van volk en dat hij zijn tenten en paviljoenen opsloeg omtrent Douai.

Maar Jan van Namen, Gwijde en Willem van Gullik, met alles wat ze konden bezitten, trokken op naar de koning om hem te weerstaan. De koning ziende de Vlamingen er aankwamen, zo wel gewapend en voorzien, besloot om zich terug te trekken omdat zijn volk, hoewel in grote menigte, al met al zeer slecht bewapend en voorzien was.

De Vlamingen die dit bemerkten zijn hen gevolgd, nemende al hun tenten, bagage, proviand van brood, vlees en wijn. Maar nu het herfstseizoen verschenen was en de winter aanstaande, werd alles gestaakt. De Vlamingen zijn victorieuselijk naar huis gekomen. Die van Holland en Zeeland deden Vlaanderen veel verdriet aan om dat hun graaf bij Kortrijk verslagen was. De jonge Gwijde dit ziende, trok met veel volk naar Walcheren en ruïneerde sommige dorpen.

Die van Holland hadden volk gezonden naar den Briel want zij kenden de macht van de jonge Gwijde dankzij hun spionnen. Ze kwamen wel met zesduizend om hem te bespringen maar Gwijde met Jan van Renesse en hun volk trokken hun tegen en versloegen de Hollanders. Dit geschiedde anno 1303. De koning van Frankrijk dit verstaande, zond zijn galleien met volk van Rouen te hulp naar de Zuiderzee. Gwijde, dit vernemende, kwam met veel volk naar de Zuiderzee waar zeer gevochten werd. Daar bleven veel Hollanders en Zeelanders met veel gevangenen. Gwijde de victorie bekomen hebbende, is met zijn buit naar Vlaanderen teruggekeerd, maar de Franse galleien zijn hem tegemoet gevaren en hebben hem met al de zijnen gevangen genomen en naar Parijs gevoerd.

De koning was hierover zeer verblijd en deed de jonge Gwijde gevangen leggen in het kasteel. Hij deed andermaal zijn volk samenbrengen en trok opnieuw met grote macht naar Vlaanderen. Hij kwam te Mons in Pevele en sloeg daar zijn tenten en paviljoenen op. Philip van Chieti, plaatsvervangende graaf van Vlaanderen, horende dat zijn broer Gwijde gevangen was, kwam naar Vlaanderen om het land te regeren en verzamelde veel volk met zijn neef Willem van Gullik. Ze trokken naar Mons in ‘t Pevel om de koning te bevechten, alwaar zeer gevochten was en daar werden wel vierhonderd Vlamingen met de edele heer Willem van Gullik dood gebleven en over de achthonderd Fransen. De koning vluchtte naar Hesdin. Philip van Vlaanderen trok naar Artois, Atrecht en Arie, rovende en verbrandende het hele land.

De koning ontbood de hertog van Bourgondië en Savoye bij zich te Parijs. Aangekomen bij de koning en de koningin, beklaagden de hertogen zich tot het uiterste over de grote wreedheid die ze wilden gebruiken tegen de graaf Gwijde en die van Vlaanderen. Te meer omdat de koningin graag gezien had dat men de graaf met al zijn edelen die ze gevangen gezet hadden, zouden opgehangen worden. Daarom zei de hertog van Bourgondië: “Het heeft God beliefd u de nederlaag te zenden. Om deze grote onrechtvaardigheid wordt Frankrijk terecht geplaagd om de grote zonden en wreedheid van uw koningin welke de edele maagd Philippa heeft laten vergiftigen en de dertig kameniers heeft laten wurgen en de andere edele heren heeft doen ophangen”.

Hij haalde nog aan dat zij haar oom, de graaf van St. Pol, aangeraden had om alle goede poorters van Brugge uit hun zolders te laten ophangen en alle verdere dreigementen aan de Vlaamse vrouwspersonen en hun kinderen, waarvoor de graaf van St. Pol uiteindelijk zijn verdiende straf van de dood in de bataille voor Kortrijk als loon ontvangen had. “Moest mijn majesteit de koning met zijn troepen en die van Gwijde samengebleven zijn om de Sarazijnen te bevechten, dan zouden we er geen van deze natie meer terugvinden!”. Deze woorden die de hertog van Bourgondië zo stoutmoedig uitsprak, verstoorden de koning en de koningin.

Op diezelfde dag kwam de tijding dat de graaf Philip het hele land van Artois verderfde. De koning beval daardoor andermaal dat allen die wapens konden dragen met hem te velde moesten trekken om Vlaanderen te bederven. Met hem kwam de hertog van Bourgondië meer om vrede te maken als om te vechten. Die van Vlaanderen dit verstaande, verzochten hun graaf Philip dat hij Rijsel wilde bewaren en dat Jan van Namen over Vlaanderen zou regeren. En als de koning zijn tenten zou neerslaan, dat men allen die stok of wapen konden dragen, zou ontbieden om weerstand te bieden tegen die koning.

De koning voor Rijsel komende, vroeg doorgang waarop de graaf Philip hem antwoordde: “Belieft zijne majesteit met tien van zijn volk binnen te komen en dat zij hem zouden ontvangen volgens zijn kwaliteit”. Dit heeft de koning zeer kwalijk genomen en hij sloeg terstond zijn tenten op voor de stad. De volgende dag kwam Jan van Namen met zijn Vlamingen aan de andere kant van de stad Rijsel waar hij ook zijn tenten opsloeg die allemaal bedekt waren met rood scharlaken. De koning die dit zag was verwonderd en zei “Me dunkt het dat het hier Vlamingen regent”, en hierop vertrok hij naar Parijs.

De 27ste maart heeft de gemeente van de stad Ieper de heren Pieter Paelding en Rogier van Loo gedeputeerd om naar Gent te gaan bij de graaf Gwijde en zijn zoon Willem die door het bevel van de koning en op hun woord van eer uit de gevangenis waren gekomen in de hoop om de Vlamingen tot de vrede te kunnen bewegen. Maar alles bleef zonder resultaat, want de gedeputeerden die daar van de andere steden vergaderd waren, zeiden eenparig om geen accijnzen te willen betalen gelijk de koning hun had gelast. De graaf Gwijde en zijn zoon die deze resolutie aanhoorden zijn daarna volgens hun woord terug vertrokken naar hun gevangenis.

Op de 11de april, zo trok een groot deel Ieperlingen, allen in het groen gekleed zodat men ze zou buiten andere zou herkennen, naar Sint-Omaars. Ze namen en verbrandden het kasteel van Arke. Bij hun vertrek van Arke werden ze betrapt door achthonderd ruiters die de Ieperlingen aanvielen. Ze waren genoodzaakt om op de vlucht te slaan, hierbij achterlatende zeshonderd van hun medegezellen. De rest kwam naar huis en volgde het voorbeeld van de broeders van de handboog, makende van de resterende groep een broederschap of een gilde met de heilige Barbara als patroonheilige.

Op deze tijd kwamen de hertogen van Bourgondië en van Savoye met de andere raadsheren binnen Ieper. Het was tijd om te spreken van vrede te maken, dat men de graaf Gwijde met alle andere gevangenen op vrije voeten zou zetten omdat zij niets misdaan en hadden. De hertog van Bourgondië zei: “Ik zal ontbieden onze neef Jan van Namen met zijn broer Philip” hetwelke de koning toestond. De ontbodenen kwamen terstond en men vroeg ze of ze de vrede begeerden. Ze antwoordden dat zij nooit anders geprobeerd hadden dat zij hun vrijheden en privileges verdedigd hadden.

Ze hadden zich verweerd tegen het groot ongelijk van de koning en dat zij hun edelen en burgers uit de gevangenissen wilden bevrijd zien. Hierop brak de koning zijn leger op en trok hij naar Doornik waar de vrede gesloten werd. Volgens één van de punten moest de koning de graaf Gwijde van Dampierre met zijn kinderen en alle gevangen prinsen loslaten, welke allemaal op vrije voeten naar Vlaanderen teruggekeerd zijn. Het is te verwonderen dat van al deze heren die daar nu twee jaren gevangen waren, niet één aldaar is gestorven. Als de graaf Gwijde wederkwam in Vlaanderen met zijn edelen was daar een grote vreugde als ook over de vrede.

Als de graaf Dampierre nu enige tijd thuis was gekomen, door zijn grote ouderdom werd hij ziekelijk zo dat hij een jaar daarna is komen te sterven op de twaalfde maart 1304. Hij werd begraven bij de gravin, zijn moeder Margaretha in het klooster van Flines. Hij was de drieëntwintigste graaf van Vlaanderen. Daarna arriveerde binnen Ieper Robrecht van Bethune de vierentwintigste graaf van Vlaanderen dewelke deed aan het volk kenbaar maken de vrede die hij met de koning gemaakt had.

Te weten tot zijn vrijlating en die van zijn broers er een groot rantsoen moest betaald worden en daarenboven tot de diensten aan de koning zeshonderd mannen zich moesten aanbieden om te leveren aan de koning. Vierduizend Bruggelingen zijn om dezelfde reden vertrokken en werden naar het goeddunken van de koning gestraft. Tweeduizend onder hen werden overzees gestuurd om te vechten tegen de ongelovigen in het Heilig Land en tweeduizend werden verbannen op zee.

Zo lang als het hem belieft dat zij verder op de kosten van het land, alle versterkingen van de steden Ieper, Brugge, Gent, Rijsel en Douai moesten afbreken en nooit meer heropbouwen en nog andere boeten en reparatieën (herstelbetalingen) de welke overal nog meer murmuratie veroorzaakte. Dan hebben die van Gent hun burggraaf met de voorschepen gezonden naar de graaf Robrecht om samen met de gedeputeerden van de andere steden van Vlaanderen te trekken naar Parijs bij de koning om de vredeartikelen die hij met de graaf Robrecht had gemaakt, te bevestigen zoals het in Rijsel afgesproken was met het zegel van de koning.

De schadelijke vrede die er nu aangeboden was, werd met grote dreigementen verstoten zo dat ze genoodzaakt waren om vruchteloos naar huis terug te keren. De twaalfde juni hebben de gemeenten andermaal, door toedoen van de graaf, hun belangrijkste gedeputeerden naar Parijs gezonden om de vrede te confirmeren en te onderhandelen waardoor de artikelen een weinig veranderd en verzacht werden en de vrede enigszins werd afgesproken.

De 29ste november wezende St. Andries avond, is binnen Ieper een schromelijke moord gebeurd door het bloedig en ongenadig doodsmijten van de negen heren van de wet. De enkele oorzake daarvan was dat de burgerij zich zeer vastelijk lieten vorenstaan dat de heren van de wet van Ieper Fransgezind waren en dat het magistraat de oorzaak er van was dat er in april laatstleden meer dan zeshonderd Ieperlingen door de Fransen verraden en doodgesmeten waren. Om daar over wraak te nemen is er een burgerlijke oproer opgestaan.

De burgerij wel wetende dat de heren van de wet vergaderd waren, zo zijn ze bijeen verzameld en furieuselijk naar het stadhuis gelopen waar zij met geweld de schepenkamer openbraken welke in die tijd op de eerste verdieping was van de hallentoren. En nu binnen zijnde, begonnen ze eenparig te verwijten aan de heren het verlies van hun medeburgers na het verbranden van het kasteel van Harine in het laatste gevecht bij Arke en hebben overluid geroepen: “Smijt dood! Smijt dood al die lelie gezind zijn”, en aanstonds hebben ze ongenadig de negen volgende heren doodgesmeten, te weten Andries Vanacker, voorschepen, Michiel Paelding, Franciscus de Beer, Michiel Vellemaeker, Jan Copsen, Jacob Baerdonk, Jan Peper, Barthelomeus Marin en Michiel van Loo, welke dode lichamen ze buiten de vensters gesmeten hebben, vallende voor de hallentoren onder de vaute.

Deze negen heren werden zijdelings de kleine kerkdeure van St. Maertens begraven nevens malkaar, behalve de voorschepen in ‘t midden boven welke lijken naderhand een grafschrift gegraveerd is op negen blauwe zerkstenen die door de langheid van de tijd zijn verdwenen. Voor hun zielenrust werd nog eeuwen lang een jaargetijde gehouden en op elke 29ste september werd een kandelaar met brandende kaars op elk graf geplaatst, wanneer de heren van het magistraat ten offer gingen en er telkens drie maal “komt offert mijne heren over die heren die eertijds heren waren” geroepen werd. De 2de december van ‘t zelfde jaar werd de wet vernieuwd door de raadgeving van enkele burgers deze volgende negen heren: Aernould van Marke, voorschepen, Aendries Paelding, Philip van Hove, Thomas van Loo, Pieter Peper, Michiel de Vynck, Rogier Gostin, etcetera.

Anno 1304, de 22ste van de louwmaand waren in de stad bevonden tweeënzeventig burgers schuldig in de dood van de bovenvermelde schepenen de welke alle ter dood veroordeeld zijn geweest ter ordonnantie van het gemene land met toestemming van de graaf Gwijde, na verscheidene tormenten geleden te hebben. Op de 23ste maart werd in de kerk van St.-Maerten een uitvaart gedaan ter gedachtenis van de graaf Gwijde van Dampierre die de twaalfde maart overleden is en begraven werd in de abdij van Flines, oud tachtig jaren. De 22ste mei trok Jan van Maninge, overste van het magistraat met een groot getal Ieperlingen in de slag tegen de Fransen bij Mont de Paulue tussen Rijsel en Douai, waar ze grote lof en eer hebben behaald door hun merkelijke en bijzondere daden.

Anno 1306 in de bloeimaand is er binnen Ieper een edel paar getrouwd welke in het kasteel van Elverdinge gevierd hebben hun bruiloftfeest. ‘s Anderendaags na het noenmaal zijn de genodigden op de wal met hun schuit gaan varen. In die wal waren er twee grote zwanen. Terwijl de bruiloftgasten daar met hun schuit laveerden, is er een vreemde oude zwaan in het water bij de andere twee zwanen gevlogen. Aanstonds begonnen ze al te samen te vechten. De bruiloftgasten dit ziende zijn fluks pijlen en bogen gaan halen en door dit middel hebben zij dan die vreemde zwaan dood geschoten. Deze nu geschoten zijnde en op het land liggende, werd er aan de kokkin geordonneerd deze spoedig te pluimen.

Deze bemerkte dat de zwaan een zeer schone gouden halsband aan had onder haar pluimen de welke twee duimen breed en zeer dik was waar op de volgende woorden gegraveerd waren in het Latijn: “Dit halssieraad is aangedaan geweest door Lodovicus de zesde koning van Frankrijk ten tijde van de dood van Karel de Goede binnen Ieper ten jare 1127”. Het was wanneer dat Lodovicus de zesde met zijn leger binnen Ieper overnachtte om naar Brugge te vertrekken om er de dood van Karel de Goede te wreken, waaruit men kan oordelen dat die zwaan meer dan honderdtachtig jaar oud was, mits het juist honderdtachtig jaren geleden was volgens het opschrift van de halsband.

Anno 1307 werd door het Franse gouvernement de uitroeiing der Tempeliers algemenelijk besloten en om dit vonnis zo gemakkelijk mogelijk te kunnen uitvoeren, werden naar alle plaatsen waar dat er zich dusdanige gezelschappen bevonden, geheime bevelen tot de autoriteiten gezonden, door welke aan deze uitdrukkelijk bevolen werd om op één en dezelfde dag deze alle zonder uitzondering om te brengen. Hoort nu hoe dit in de stad Ieper is uitgevoerd geweest. Op zekere dag wanneer nu alle de broeders zonder iets te vermoeden zich tot de rust begaven, werd naar gewoonte aan een novice bevolen van wel toe te zien of alle ingangen van het klooster wel gesloten waren, het welke deze volbrengende eindelijk zich aan de sprinkeldeur recht op de tempeldeur gevende bevond.

Met verwondering zag hij die vanzelf opengaan en een bende zwerende soldaten regelrecht het klooster optrekken al morrende, vloekende en in dreigementen uitbarstende. Deze novice, verbaasd en met schrik bevangen, ziende dat zij de deur insloegen, ging zich aanstonds verbergen op een verwijderd zolderke nevens een kamer waar twee buitengewone kokkinnen sliepen, welke die dag allerhande spijzen, gebak van wafels, taarten en veel andere lekkernij voor deze kloostergasten zeer kunstig en smakelijk hadden toebereid, waarmee deze hartelijk het buiksken opgetimmerd hadden zonder te vermoeden dat het helaas het laatste maal zou zijn.

De krijgslieden braken met een verschrikkelijk gedruis binnen in het klooster. Met het zwaard in de handen en met een afzichtelijke wreedheid brachten ze de ene tempelier na de andere om hals. Het jammerlijk gekerm van de ongelukkige slachtoffers was afgrijselijk en doorkliefde het hart van de met doodschrik bevangen novice die, bedenkende dat het hem om het leven ging, oordeelde dat het voor hem het beste zou zijn om zich stil en verdoken te houden totdat de slachting op zijn einde zou lopen. Maar ondertussen gaven angst en vrees wel duizend maal de doodssteek aan de arme man.

Het gejammer van de stervende broeders vermengde zich met het barbaars getier van de slachters welke met een afgrijselijk gevloek de smeekbeden van hun ongelukkige slachtoffers weghoonden. Het bitter gejammer van de tempeliers die, nadat ze de armen en benen gebroken werden en daarna botweg buiten de ramen werden gegooid om daar door de zich beneden bevindende beulen finaal afgemaakt te worden, doorboorde het hart van onze bevende verstekeling. Sommige broeders wilden zich alsnog door de vlucht redden, maar ze werden hiervoor met nog meer wreedheid van de buiten staande krijgsmannen om hals gebracht en onder de voeten van de paarden verpletterd.

Het hele klooster was door de ruiterij omsingeld en het gebouw werd verder doorzocht, een zoektocht naar verdere slachtoffers om hun onverzadigbare woede te koelen. Zo kwamen ze uiteindelijk in de kamer waar de twee kokkinnen lagen te slapen. Deze ontdekt hebbende, begonnen ze met hun zwaarden te zwaaien en ze sloegen de ene dood. De andere kokkin werd grotendeels gewond, was van haar zelf gevallen en werd voor dood achtergelaten. Maar nu haar krachten enigszins teruggekeerd waren, kon ze de pijn niet verdragen en begon ze jammerlijk te schreien en te zuchten, op welk gejammer de moordenaars teruggekeerd zijn. Ze zijn haar met nieuwe wreedheid op het lijf gevallen en na haar op de dertelijkste wijze mishandeld te hebben, hebben ze haar van het leven beroofd.

Ze doorzochten vruchteloos alle schuilhoeken en bergplaatsen. Met het blote zwaard in de hand, de dood voor zich uitdragend, merkten ze dat er geen slachtoffers aan hun woede ontsnapt waren. Geen spoor van compassie als ze de ongelukkige tempelbroeders zo deerlijk in hun bloed zagen liggen. Nu gingen ze het eten en drinken te keer, hun geest in de dartelheid van de wijn versmorend, schreeuwend en tierend dat men het van verre hoorde, tot dat ze ten lange leste door de dronkenschap overwonnen werden en finaal overvallen werden door de slaap.

Om vier uur, bij het krieken van de morgen, zijn ze wakker geworden en zijn ze met het openen van de stadspoorten uit de stad vertrokken. Allerhande kostbaarheden van goud en zilverwerk meedragend. Nu de tempeliers vermoord waren, kwam er een ander detachement het klooster bezetten. Bijna duizend burgers omringelden de wegen omtrent het klooster maar het was hun verboden op zekere distantie te naderen. ‘s Morgens ten tien uren werden al de gedode Tempeliers weggehaald en op het kerkhof van de Heilige Kruiskerke begraven.

In de namiddag kwamen enige commissarissen in het klooster om alles op te schrijven aangaande de meubels, zo van zilver, koper, tinwerk, lijnwaad, zelfs al hetgeen wat er in het klooster te vinden was om naderhand publiekelijk te verkopen. Na goed notitie genomen te hebben zijn de commissarissen vertrokken met al de sleutels van de kamers van het gewezen klooster. Ze lieten de novice van de tempeliers alleen in zijn schuilplaats op het zolderke.

Dan is de novice gevlucht bij de donkere avond. Zich verkledende in de kleedsels van een der vermoorde kokkinnen trok hij naar de voorstad van Onze-Lieve-Vrouwe te Brielen waar hij een nicht had die daar woonde met haar oude vader. Daar gekomen zijnde, klopte hij op de deur. De nicht, opgestaande zijnde en twijfelend of het iemand van haar vrienden of kennissen mocht zijn, wilde de deur niet openen, maar de vluchteling smeekte haar met dringende woorden, verzekerende dat hij haar geliefde kozijn was en dat zij niets moest vrezen.

Vervolgens waagde ze het om de deur te openen. Hoe groot was haar verbaasdheid als zij voor haar kozijn een vrouwspersoon zag staan. “Goede God”, riep ze, “wie mag dat zijn en wat doet gij hier?”. “Ach lieve nichte, laat mij toch binnen, ik ben uw kozijn”. Ze verwonderde zich dat hij nog leefde om reden dat de Fransen alle tempeliers vermoord hadden. Hij vertelde haar al wat hij doorstaan had, hoe hij gevlucht was en tot zijn geluk verborgen was gebleven en dat de moordenaars hem niet en hadden kunnen vinden.

Hij bleef enkele dagen bij zijn nicht wonen in vrouwkleedsels en begaf zich naar Brugge waar hij enige jaren gewoond heeft en hij is wederom naar Ieper gekeerd bij zijn nicht wiens vader ondertussen reeds overleden was. Ze hebben verzwegen dat ze vrienden waren en te samen getrouwd hebbende, hebben ze zeer deugdelijk geleefd. Maar nooit hebben ze iemand kenbaar gemaakt dat hij broeder tempelier was geweest uit vrees dat daar enig kwaad zou van voortkomen. Het verhaal van de geschiedenis van de moord op de tempeliers is gevonden geweest lange tijd na de dood van de voorgehouden novice.

De heer Thomas de Raeve, die de kronieken van Ieper heeft geschreven, zegt dat de bewuste novice getrouwd is met zijn nicht omtrent de vijfentwintig jaren en dat hij begraven is geweest in den ouderdom van tachtig jaren op Sint-Michielskerkhof buiten de Mesenpoort de vijftiende van de wijnmaand en dat hij drie zonen en twee dochters heeft achtergelaten.

Anno 1309, de 13de juli kwam binnen Ieper de prinses van Engeland in het gezelschap van vierenzestig edelmannen en veel edele vrouwen. Ze was gelogeerd bij onze graaf Robrecht van Bethune op zijn kasteel genaamd het Zaelhof. Ze bleef drie dagen en wandelde rond de stad om die zelf te bezichtigen en vertrok daarna naar Parijs bij de koning waar ze van de Franse edeldom wel onthaald was en met tournois spelen en veel andere rariteiten onderhouden was. Onder ander verwonderde zij zich dat er binnen Parijs zo veel duizend mensen waren, wonende met malkanderen zo vele menagien in een huis en dat er zo veel kerken en kloosters waren.

Anno 1310, de graaf van Bethune jeunde aan de gemeente van Ieper veel schone ordonnantiën aangaande de lakenweverij. Hij vernieuwde de wet en benoemde Arnout van Marke, Robert Vroude, Boudewijn Ruygevoet, etcetera.

Anno 1312, de 27ste, was er in de stad en op andere plaatsen onder het gemeen een groot oproer en murmuratie tegen de graaf Robrecht de Bethune en zijn zoon de graaf van Nevers waarvoor de gedeputeerden van het land naar de koning van Frankrijk trokken en waar ze de graaf van Nevers hebben beschuldigd van enige samenzwering tegenover het land. Maar aangezien dat de graaf van Nevers alleen in deze daad beschuldigd werd gevonden, zo werd hij gevangen en naar Parijs geleid en daarna is hij ontvlucht uit vrees van straffe waardoor hij door de edelen en het gemeen van het land onwaardig verklaard geweest werd om te regeren over het graafschap van Vlaanderen. De 24ste december, kerstnacht, was het een uitnemende koude het welke zulks nooit geweest is geweest en dat er alleen al binnen Ieper bevonden werden honderdvierenzestig mensen dood van de koude.

Anno 1313, de 16de mei, vertrok de graaf Robrecht van Bethune uit Ieper met een grote macht naar de stad Rijsel om die te belegeren, maar vernemende de komst van Karel, de graaf van Valois die naar hem toe kwam met een leger, zo heeft hij Rijsel verlaten en is hij andermaal in de stad Ieper gekomen die hij deed versterken. Dan maakten ze een wapenstilstand voor één jaar. De 15de augustus werd de wet vernieuwd en aangesteld Andries Paelding, Jacob Belle, Pieter Peper, etcetera.

Anno 1314 stierf de koning van Frankrijk Philip le Bel subiet zonder berecht te zijn. Lodewijk zijn oudste zoon werd koning gekroond in zijn plaats en genaamd Lodewijk Huliu. Kort daarna stierf Joanna de Navarre, weduwe van Philip le Bel. Deze wrede koningin welke door haar adviezen en wraakgierigheid haar koning Vlaanderen deed haten. In het eerste jaar van zijn regering kwam Lodewijk Huliu met drie heerkrachten naar Vlaanderen om het te vernielen.

De graaf Robrecht deed aan de koning vragen waarom hij de vrede kwam breken. De koning antwoordde dat Vlaanderen sinds de vrede ten achteren was om jaarlijks tienduizend ponden parisis te betalen en dat hij om deze reden Rijsel en Douai met hun kasselrijen als borg zou aanslaan. De graaf welke niets anders dan vriendschap begeerde, zegde dat hij volveerdig was hem manschap te doen volgens de conventie. Maar de koning, beïnvloed door zijn slechte raad, wilde de achterstellingen van tien jaar hebben samen met de twee steden Rijsel en Douai.

Daarom vielen ze ook van alle kanten Vlaanderen binnen, waar door er veel buitenlieden vluchtten in de stad uit vrees voor de koning Lodewijk die vergezeld van zijn broers Philip en Charles en de graven Karel van Valois en Louis de Vreux, zijn ooms, die met een grote macht gekomen zijn in Vlaanderen bij Kortrijk. Maar door het menigvuldig water dat dagelijks in de Leie viel, en konden zij niet overkomen waar tegen de graaf Robrecht met alle kracht de koning resisteerde voor Kortrijk en hem zo versloeg dat hij bij nachte de vlucht nam naar Parijs, achterlatende paviljoenen, bagage en levensmiddelen. De koning te Parijs komende, deed uit zijn rijk verbannen alle Vlamingen, zowel geestelijke als wereldlijke, geen uitzonderingen. Ja, zijn gramschap was zo groot dat hij deed verbranden alle de Vlaamse manufacturen van lakens die in Vlaanderen geweven waren de 18de oktober van dit jaar.

Anno 1316 was er een grote hongersnood veroorzaakt door de langdurige regens van het voorbije jaar. Een zak tarwe werd nu verkocht tegen de prijs tweeënveertig ponden lopende geld. De bedelaars stierven van de honger terwijl zij om aalmoezen vroegen aan de kerkdeuren en niemand hen kon helpen. De werklieden die naar hun werk gingen, vielen ter aarde van de flauwte en met zag de straten bestrooid met uitgehongerde dode lichamen en het grote aantal lijken gaf een grote stank vrij dat daar een zware ziekte op volgde. De ziekte spaarde bijna niemand zodat diegenen die de hongersnood hadden overleefd, nu sneuvelden door de pest. Men zag dagelijks zestig, zeventig of tachtig doden de stad uitvoeren, mensen die, sommigen zes dagen, anderen vier, anderen twee en ook enkelen nauwelijks een half uur en leefden nadat de brand van de pest bij hen was toegeslagen.

Anno 1320 als Robrecht van Bethune regeerde en woonde binnen Ieper, daar waren grote troebelen onenigheden en jaloezie opgerezen onder zijn twee zonen, rakende het graafschap van Vlaanderen waar door Robrecht van Kassel middelen zocht om de leiding over dit graafschap te kunnen overnemen. Te meer dat zijn vader tachtig jaar oud was en het hem veel leed deed dat hij van het graafschap ontzegd was, waarop hij valselijk het grafelijk zegel van zijn vader stal.

Daarna ontbood hij zijn broer Lodewijk naar Ieper om bij zijn vader te komen. Aangekomen in de Zael van ‘s gravenshof, welke nu het Zaelhof is, vroeg Lodewijk hoe het met de heer zijn vader ging. En Robrecht zei: “Onze heer vader rust nu en heeft mij deze brief doen maken en opdracht gegeven dat gij deze heimelijk moet brengen naar de kasteelheer van Rupelmonde, hem zeggende dat hij de beschreven orders aanstonds zou uitvoeren.”

De onnozele Lodewijk van Nevers is bij nacht aangekomen tot Rupelmonde, in de sneeuw en in de koude, zeggende “kastelein, ik kom van mijn vaders wege haastig naar u toegezonden met deze brief welke gij aanstonds moet uitvoeren. De kastelein was ten zeerste verbijsterd met wat hij las in de brief: “Geluk en groet zij u. Weet kastelein dat om zekere conspiratie die onze Lodewijk in Frankrijk begaan heeft tegen ons en tegen onze landen, zo zend ik u hem omdat ge hem heimelijk zou onthoofden.

Vertoeft het niet bij lijf en goed wel uit te werken en die bij hem zijn, zend ze tot mijn zoon Robertus. Nu blijft in vrede en volbreng wel ons slotvonnis, zo zult gij ons getrouw zijn”. De kastelein voorzichtig op de inhoud van de brief lettende, vroeg hem of het lang geleden was dat Lodewijk nog gesproken had met zijn vader en of hij niet op de hoogte was van de inhoud van zijn brief. Hij zei van neen en dat het wel 10 weken geleden was dat hij nog met zijn vader had gesproken, maar dat hij de brief van zijn broer had ontvangen omdat zijn vader nog aan het rusten was. Het was mijn broer die mij bevolen heeft om u deze brief in de naam van mijn vader aan u te overhandigen.

Dan zei de kastelein: “hetgeen in die brief staat, zal ik noch om goed, noch om leven uitvoeren. Neem de brief, waardige prins, en wees niet bevreesd, maar lees hem. Ik geloof nooit dat uw vader deze brief heeft doen zegelen”. Lodewijk, de brief lezende, was zeer ontsteld. De kastelein zei voorts: “Blijf bij mij in dit kasteel en wees blijmoedig. Ik zal zelf, als de winter voorbij is, bij de graaf Robrecht, uw vader, gaan”. Binnen deze tijd stierf koning Philip tot grote droefheid van die van Vlaanderen, want de jonge Lodewijk had de dochter van de koning getrouwd, die de oudste was en na de dood van de koning nu graaf van Poitou was. De graaf de la Marche, koning van Frankrijk, ontbood in alle vriendschap dat de graaf Robrecht zou willen komen naar Reims in de Champagne, waarop de graaf zich om zijn hoge ouderdom verontschuldigde.

Hij stuurde zijn zoon Robrecht van Kassel in zijn plaats, want zijn oudste zoon Lodewijk lag nog te Rupelmonde in zijn gevangenis. Robrecht, bij de koning komende, deed het zijn vaders excusie ter oorzaak van zijn tachtigjarige ouderdom. In deze onderhandeling bediende hij het offcie van zijn vader als graaf van Vlaanderen.

Ondertussen kwam de kastelein van Rupelmonde bij de graaf Robrecht. Onder andere reden van kavelinge, bracht hij het onderwerp van de door de graaf gezegelde brief die zijn zoon Lodewijk hem de voorbije winter had overhandigd. De graaf Robrecht van Bethune die de brief las, verklaarde: “Het is mijn zegel, maar van die brief weet in het minste niet”.

Na alles onderzocht te hebben, is bevonden alle valsheid, hoe dat Robrecht van Kassel, zijn jongste zoon er op stond om graaf van Vlaanderen te worden na de dood van zijn vader en dat hij deze brief had doen maken en zegelen met het gestolen zegel van zijn vader. Lodewijk werd terstond ontslagen uit zijn gevangenis en ging zijn bedevaart volbrengen naar de heilige moeder Gods van ‘s Hertogenbosch en Aardenburg, precies zoals hij beloofd had tijdens zijn gevangenschap.

De pelgrimatie voldaan hebbende, is hij daarna bij zijn vader gekomen tot Ieper, welke zeer verblijd was om zijn zoon terug te zien. Kort daarna, trok hij met goedkeuring van zijn vader, naar Parijs bij de koning Karel le Bel die de oom van het wijf van zijn zoon was. De graaf Lodewijk, daar enige tijd geweest zijnde uit schaamte en schande door wat zijn broer Robrecht hem had aangedaan, wilde niet meer terugkeren naar Vlaanderen en ontbood zijn zoon met zijn huisvrouw om te Parijs te blijven wonen, en daar elf weken gewoond hebbende, werd hij ziek.

Na ontvangen te hebben de H.H.-berechting, is hij overleden in het jaar 1321, de zesde van de hooimaand en aldaar begraven in de kerk van de Freren Mineurs, nalatend twee kinderen; Lodewijk van Nevers en Margaretha welke daarna trouwde met de graaf van Monfort. De graaf van Bethune, Robrecht, verstaan hebbende de dood van zijn oudste zoon Lodewijk, was zeer bedroefd en deed uitvoeren een solemnele uitvaart tot Kortrijk in de tegenwoordigheid van alle edelen, prelaten en andere geestelijken.

De graaf Robrecht van Bethune, zeer gekweld zijnde van het flerecijn (jicht) is zeer ziek geworden, ontving de H.H. sacramenten en stierf, versierd met rechtvaardigheid in het oordeel, medelijden met de armen en andere deugdelijke werken de 17de september anno 1322 en ligt begraven in het koor van de Sint-Maartenskerk tot Ieper. Na hem is geworden graaf van Vlaanderen, het kind van zijn kind, genaamd Lodewijk, vermits de voorwaarde daar van gemaakt was van de koning Philip als hij zijn dochter in huwelijk gaf.

Anno 1322, na de dood van Robrecht van Bethune werden uit Ieper, Brugge en Gent gedeputeerden gezonden naar Parijs om Lodewijk van Nevers te gaan halen als vijfentwintigste graaf van Vlaanderen in de plaats van zijn grootvader. In Ieper komende heeft hij alsdan een wet uitgegeven dat de bastaards, naast wettelijke erfgenamen, mogen meedelen van de goederen van de afgestorven ouders, met de bevestiging van het vorig gebruik van die goederen. Hij heeft daarenboven geordonneerd dat er in het bestrek van drie mijlen rondom de stad Ieper, geen lakenweverijen en mogen opgericht worden, op verbeurdverklaring van getouwen, de lakenen, het garen en alles wat tot de weverie dient.