Jaarboeken van Ieper 1324-1380

Dit keer handelen de Ieperse jaarboeken over de periode tussen 1324 en 1380. Het bloeiende Vlaanderen verandert stilaan in een onderling verscheurd land. Daar is de grote oorlog tussen Frankrijk en Engeland zeker schuldig aan. Vooral nu die van Gent de kant kiezen van de Engelsen terwijl de poorters van Ieper de band met Frankrijk maar moeilijk kunnen doorknippen.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Anno 1324 vertrok de graaf Lodewijk van Nevers naar Parijs naast Matheus van Lorreynen, heer van St.-Auban, welke ook pretendeerde deel te hebben aan het graafschap van Vlaanderen van wegen zijn huisvrouw. Daar gebeurden veel twisten en bezwaarlijke toestanden, waardoor de beslissing uiteindelijk door de gedeputeerden van Frankrijk moest worden genomen dat Lodewijk toch de graaf zou worden. Daarna deed de graaf Lodewijk, graaf van Vlaanderen en van Nevers, zijn manschap aan zijn koning en is hij teruggekeerd naar Brugge.

Bij hem is gekomen zijn andere oom, de graaf Jan van Namen, heer van de stad Sluis. Hij verzocht van zijn neef Lodewijk die nog jong was aan de ouderdom van twintig jaren, het baljuwschap van de wateren en dat het zelf mocht een aanhangsel zijn van de sluizen, welke hem toegestaan werd door middel van verzegelde brieven. Daardoor zijn er grote beroerten en verwoestingen voorgevallen tussen die van Brugge en die van Sluis.

De graaf van Namen domineerde zijn neef de graaf en bestuurde al 25 jaar zijn stad Sluis naar persoonlijk believen. Hij stelde een nieuwe waterschout aan en gaf de functie aan een inwoner van Sluis, ingaande tegen de privileges van Brugge, want het moest altijd een inwoner van Brugge wezen. Daarom waren die van Brugge zeer gestoord en wilden ze hem afzetten. De graaf van Namen, nergens naar luisterende, zegde dat hij met zijn goed mocht doen wat hij wilde en deed daar een kraan (een grue) opstellen om goederen te laden en te lossen uit de schepen.

Daarom waren die van Brugge en Damme uiterst verstoord, gingen naar de graaf Lodewijk met de vraag om die beslissing omtrent het baljuwschap over de wateren te herroepen omdat die in het nadeel en in het verderf waren van zijn steden van Vlaanderen en voornamelijk van zijn hoofdstad van Brugge die de stapelplaats van alle koopmanschappen van het land was. De graaf Lodewijk sloeg er geen acht op, jong, liberaal en licht te overhalen, maar de graaf van Namen, dit wat beter ziende, trok naar Sluis en ontbood stillekens iedereen uit Gelderland die wapens kon dragen om te kunnen weerstaan aan een oploop van die van Brugge.

Die van Brugge ziende dagelijks hierdoor hun privileges en koopmanschap te niet gaan, resolveerden tezamen om dit met lijf en goed te beletten, trekkende met een grote macht van volk naar Sluis waar ze hun tenten en paviljoenen optrokken. De graaf van Namen, gouverneur van Sluis, afkomende met veel Duitse soldaten, begon te slaan op die van Brugge, de welke dit ziende, zouden terstond een expresse naar Brugge met de vraag dat al wat wapen kon dragen zou kunnen komen naar Sluis. De graaf Lodewijk dit verstaande kwam dadelijk mee met die van Brugge maar meer om zijn oom te beschermen als om die van Brugge te helpen.

De graaf van Namen, verstaande de komst van de Bruggelingen, kwam met alle macht en begon vreselijk op hen in te houwen en te kerven, maar hij zag voorders nog veel volk aankomen met de graaf Lodewijk, begon wat terug te wijken, het secours gewaar te worden.

Die van Brugge hebben hem vervolgd en er zijn veel Duitsers verdronken en verslagen. De gevangenen werden in een schip naar Brugge gevoerd. Daar werden veel van zijn edelen verslagen, tot 20 ridders. De graaf Lodewijk deed grote devoiren om zijn oom te verlossen, maar het mocht allemaal niet helpen. Ze begeerden dat hij afstand zou doen van zijn brieven met de zegels en er aan zou renonceren. Waarop de graaf zei: “Alhoewel ik gevangen ben, zo zou ik dat nooit doen” en dat die rechten bestemd waren voor zijn nakomelingen. Op deze weigering trokken die van Brugge weer naar Sluis en sloegen ze al dood die zich verweerde, plunderden de koopmanschappen en vernietigden de nieuwe kraan die daar gemaakt was. Ze staken het vuur in de stad die helemaal verwoest werd en zo zijn ze met alle buit teruggekeerd.

De graaf bleef lange tijd gevangen op het Steen tot dat hij ten leste door behendigheid en met de hulp van de heer Jean van Dooren bij nacht uit het Steen geraakte. Ze trokken allebei met de morgenstond via de Bouveriepoorte uit de stad en naar Parijs en daarna naar Namen waar hij het hele jaar zou verblijven.

De graaf Lodewijk, zeer jong en courageus zijnde, verteerde meer als zijn inkomen en verzocht aan de drie steden van Vlaanderen dat zij hem enige penningen zouden avanceren en hij trok naar zijn land van Nevers, latende zijn ontvanger, de heer van Aspremont als gouverneur van Vlaanderen, de welke een Fransman was. Door de grote en mateloze schattingen van tollen en lasten die hij deed opbrengen, kwam de haat van het gemeen zodat er een grote oorlog en onenigheid oprees tegen de heren pointers van het Brugse Vrije tot Gent en tot Ieper.

Ja, daar waren zo’n grote troebelen en verwoestingen als ooit in Vlaanderen te zien zijn geworden. De graaf Lodewijk dit vernemende, keerde terstond terug, hoorde de klachten van de gemeenten, heeft alles in vrede gesteld en trok weer naar Nevers.

Anno 1325, de 8ste mei was er in de stad van Ieper en in de andere steden van Vla anderen een grote murmuratie onder het gemeen tegen de handelswijze van de graaf van Nevers omdat hij van de gemeenten van het land veel geld had gelegd die ze schuldig waren aan de koning van Frankrijk volgens de artikelen van het laatste vredesverdrag. De graaf kon echter niet aantonen dat hij dezelfde penningen zou doorbetaald hebben aan de koning, die verzocht om dat geld te krijgen, wat de graaf beloofde om te doen.

Op Sint-Pieters en Sint-Paulusdag kwam Nikolaas Zannekin, kapitein van Brugge, met een grote menigte van gepeupel binnen de stad Ieper. Hij werd van de gemeente eerlijk ontvangen, maar de magistraat en enkele burgers die de kant kozen van de graaf, sloegen op de vlucht. Het oproer en de afkeer tegen de graaf was er gekomen door de grote tollen en lasten die door de Franse gouverneur het jaar te voren opgesteld waren.

Deze Zannekin deed de poorten van de stad afbreken en de vier voorsteden bij de stad voegen. De werken gebeurden met instemming van de inwoners die nu ook kwamen te wonen binnen de gordel van de stad. De vier voorsteden werden nu omringd door nieuwe muren, hoge wallen en negen poorten, te weten de Antwerppoorte, de Steendampoorte, de Mesenpoorte, de Tempelpoorte, de Boterpoorte, de Elverdingepoorte, de Boezingepoorte, de Diksmuidepoorte en de Torhoutpoorte.

Waar de poorten ooit stonden, staan nu de kruisen. Zo heeft Zannekin de stad Ieper vergroot, versterkt en merkelijk versierd, want het was zeer aangenaam om zien een grote stad, rond als een kleine wereld, met schone poorten, hoge wallen en daarboven verheven torens.

Maar de graaf Lodewijk al deze onenigheden verstaande, is naar Ieper gekomen en deed sommigen van hun bed afhalen. Enkelen werden opgehangen of heimelijk om het leven gebracht waardoor het gemeen zo verbitterd was op de graaf dat er een inlandse oorlog ontstond, met de inname van steden, kastelen en dorpen. De ene tegen de andere, de ene hield het met de graaf en de andere was tegen Lodewijk. Zo was het één en al moord, desolatie en bloedverlies door heel Vlaanderen.

De namen van de schepenen die in deze troebele tijden de stad bestuurden waren Boudewijn van Dixmuide, Jan Baerdonck, Pieter Peper, Ludovicus Paeldink, Philippus van Acker, Jan Ricaseys, Gillis van Goudtlandt, Hinderijck de Reuse, Jan Vergens, Willem Blijde, Paulus Vander Stichele en Jan de Groote.

Tijdens dezelfde maand deed graaf Lodewijk alle gedeputeerden van de steden binnen Kortrijk vergaderen om hetzelfde te aanhoren, maar de graaf werd in het ongelijk gesteld en resolveerde dat door op dezelfde dag de gedeputeerde heren te doden en hij gaf orders om de voorgeborchten van de stad Kortrijk in brand te steken. Als dit geschiedde, heeft een straffe wind de brand in de stad gebracht. De inwoners dit ziende, hebben de wapens opgenomen tegen het volk van de graaf waarvan er veel werden gedood.

De graaf die dit vernam, ontvluchtte de stad met nog omtrent 400 ruiters. Kort daarna zijn er wederom nog meerdere troebelen gerezen zo dat de graaf andermaal is teruggekeerd tot Kortrijk waar hij verscheidene heren van het Vrije ontbood om te weten wie de belhamels van deze troebelen te lande waren die de intentie hadden om zich meester te maken van de stad. Maar die van Kortrijk refuseerden hem binnen te laten, waarvan enkelen gevangen werden genomen en tot bij de graaf gebracht. Ze werden heimelijk gedood dank zij de kwade raad van zijn edelen. Die van Brugge zonden zes heren gedeputeerden naar de graaf omdat ze het ongelijk dat aangedaan was aan de heren van ’t Vrije niet en konden verdragen, want die waren door de mannen van de graaf van hun bed gelicht, onthoofd en bij nacht aan de galg opgehangen.

Als de zes gedeputeerden bij de graaf kwamen, werden ze door hem gevangen gezet. Die van Brugge trokken dadelijk met 5.000 mannen naar Kortrijk om ze te verlossen hetzij met geweld of gelijk welke andere manier. De graaf Lodewijk verstaande de aankomste van die van Brugge, deed die van Kortrijk zweren dat ze bij hem zouden blijven. Zijn edellieden zegden dat men de voorsteden in brand zouden steken om de nadering van die Bruggelingen te beletten het welke de graaf ’s morgens vroeg ordonneerde en waar hij zelf met geweld in de stad geraakte, vindende een grote resistentie, maar de wind keerde naar het noorden en het vuur is over de Leie geslagen zodat bijna de hele stad verbrandde.

De graaf nam de zes poorters bij zich en meende zo uit de stad te kunnen wegvluchten. Het gemeen en meest de vrouwen dit ziende, lieten het blussen staan en verlieten de brand, slaande op de paarden met stokken tegen de benen dat ze kreupel gingen en niet verder en konden. De edellieden die hun paarden zagen slaan, begonnen te vechten en op het volk te slaan, maar het gepeupel nam echter veel edelen gevangen, samen met de graaf en de zes Brugse poorters. Ze sloten de stadspoorten en lieten de vuurzee zijn gang gaan. Ze lieten de zes poorters los en leidden de graaf met zijn notabelste zes ridders in het kasteel.

De graaf van Namen die ook afgekomen was bij de graaf, vertrok stillekens naar de vesten en hield zich gedeinsd in het huizeken van een schildwacht en hij vertrok ’s anderendaags via die vesten naar Doornik. In dit gevecht zijn veel edelen van de graaf gebleven. De volgende dag kwamen die van Brugge binnen de stad aan dewelke die van Kortrijk de graaf met zijn zes ridders overleverden, hem stellende op een klein peerdeke en kwamen ze weder naar Brugge.

De graaf werd gelegd in de Kruidhalle voor zijn gevangenis. Hij recommandeerde, ja al biddende, zijn zes ridders dat men hen niet zou en misdoen maar het mocht allemaal niet helpen. Men bracht hen uit de gevangenis en men kapte ze allen in stukken. Ze bemerkten dat dezelfden waren die de graaf aangeraden hadden om de heren van het Vrije van hun bed te laten oppikken en te doen onthoofden. Zo namen die van Brugge Robrecht, zijn broer voor hun graaf uitgezonderd die van Gent die de wapens opnamen tegen die van Brugge ter verlossing van de graaf Lodewijk. Maar die van Brugge, uitkomende hebben gevochten tegen die van Gent die ze in de stad deden vluchten met een verlies van omtrent vierhonderd mannen.

De koning die dit vernam, verzocht aan die van Brugge de vrijlating van de graaf Lodewijk, maar dat was tevergeefs waardoor nog meer inlandse oorlogen voortsproten met de inname van steden, kastelen en dorpen en de steden die tegen malkander vochten. De ene hield het met de graaf en de ander met het gemeen, zo dat er grote desolatie, moorderie en ruïne geschiedde doorheen heel Vlaanderen.

Anno 1326, de 8ste februari, zo ontboden ze de heer Robrecht van Cassel dat hij zou willen graaf van Vlaanderen en gouverneur van Brugge wezen en het zelf te regeren. De koning van Frankrijk verstaan hebbende dat graaf Lodewijk, zijn neef tot Brugge gevangen lag, zond terstond enkele van zijn trouwe raadsheren naar Brugge om de vrede te maken en dat zij de graaf zouden los laten. Die van Brugge antwoordden dat zij dit niet zouden doen vooraleer enkele beloften te hebben ontvangen van de graaf. Ook wilden ze de wil hebben van die van Gent en van Oudenaarde.

De Bruggelingen bereidden een groot leger om die van Gent en Oudenaarde te bestormen. Robrecht van Vlaanderen met die van ’t Westvrije belegerden Oudenaarde en die van Brugge met die van ’t Noordvrije bleven te Deinze liggen, meer volk verwachtend om alzo Gent te gaan belegeren. Die van Gent verstaand hebbende dat er nog enkele Bruggelingen gebleven waren te Deinze, kwamen ’s nachts wel met 20 duizend mannen uitgevallen onder leiding van de reusachtige Willem Wenemaere en als ze kwamen in Nevele zeiden ze: “Laat ons hier rusten tot het krieken van de dag. We zullen de Bruggelingen dan in de slaap vinden en hun dan overvallen, ze kunnen ons niet ontlopen”.

Mijnheer Robrecht van Vlaanderen die voor Oudenaarde lag, verstaande dat de Gentenaars aan het rusten waren te Nevele, zond terstond de helft van zijn leger naar Deinze. Als de Gentenaars uiteindelijk aankwamen werd er zeer grauwelijk gevochten aan beide zijden. Na oneindig veel volk in de strijd gebleven te zijn, heeft Willem de reus en kapitein van de Gentenaars zijn leven gelaten en die van Gent zijn begonnen te vluchten.

Het was een zeer heet weer zo dat er veel verstikten van de dorst. De rest had zich geretireerd binnen Gent. Mijn heer Robrecht met die van Brugge kwamen nog binnen diezelfde week en ze belegerden Gent, maar de gedeputeerden van de koning van Frankrijk kwamen ook terstond binnen Gent en proposeerden middelen om tot een wederzijdse vrede te geraken. Op St. Lauwerentiusdag (10 augustus) was de graaf Lodewijk vermomd uit de kruidhalle weggegaan maar hij werd ’s anderendaags teruggevonden en wederom op de halle gelegd en daar werd dag en nacht wacht gehouden op de markt. ’s Woendags in de quatertemperweek (een week van bezinning) deden de gedeputeerden van de koning zo geweldig dat die van Gent en Aardenburg zouden zweren met die van Brugge binnen de 14 dagen de graaf Lodewijk moesten ontslaan uit zijn gevangenis en met deze tijd is alles hersteld geweest en is ieder met grote blijdschap naar huis vertrokken.

Anno 1328, op maandag de vierde dag van augustus, zijn er veel Ieperlingen bij Poperinge vermoord, of al vluchtend gedood wegens een zwaar geschil dat tussen deze twee plaatsen gerezen was aangaande de wolleweverie.

Daar en boven kwam er eveneens grote troebelen binnen Gent tegen de wevers waarvan men zei dat ze meer voor die van Brugge waren als van voor die van Gent en dat bracht een grote tweedracht. Jan, graaf van Namen, ziende dat die van Brugge de graaf nog bleven gevangen houden en hij nog een haat op hen hebbende, trok naar alle steden tussen de Schelde en de Leie om hen te bewilligen om te zweren voor de graaf Lodewijk te staan. Hij zond veel van zijn edelen naar Geraardsbergen waar veel wevers van Gent met hun kapiteins geretireerd waren.

De wachten die toegewijd waren aan die van Brugge, lieten hen binnen komen. Het merendeel van de edelen binnen zijnde, sloeg men de schoofhaken van de poorten neer, namen de principaalste edelen gevangen en smeten de rest al dood. De graaf Jan dit vernemende, trok dadelijk naar Gent, hen verwijtende dit affront het welke veroorzaakte binnen Gent een groot alarm en geruchte onder de gemeente dat zij malkanderen boven de 2.000 van hun eigen volk doodsloegen.

Mijnheer Robrecht met die van Brugge, dit horende, trok met veel volk voor Gent onder het beleid van Willem Radtgheer, zendende hun kapiteins Zeger Janszone en Pauwel Bockel met veel volk naar Kortrijk en nemende de kastelen tussen de Schelde en de Leie de welke de graaf Jan van Namen in bezetting had en overal waar ze enig goed vonden dat toebehoorde aan de Gentenaars, staken ze het al in brand. Die van Brugge braken hun leger op wegens de grote koude en trokken naar huis, maar Willem Radtgheer, Pauwel Bockel en Lamsen Bovijn bleven met hun volk te Eeklo.

De graaf van Namen die hoorde van het vertrek van de Bruggelingen voor Gent, zond Hector Vilain, een vrome ridder, met veel volk in ’t land van Waes, innemende wederom veel sloten en kastelen. Willem Radtgheer trok naar Oostende en stak het vuur in de stad. Hector Vilain trok derwaarts alwaar zeer gevochten werd en veel bloed werd vergoten van beide zijden. Willem Radtgheer en Pauwel Bockel bleven ter plaatse dood.

Die van het Vrije ziende dagelijks deze verwoesting, begeerden dat met de graaf Lodewijk vrede zou maken en hem zonder borg uit de gevangenis los te laten het welke men hem te kennen gaf, mits alles te vergeven wat te voren gepasseerd was. En dat de graaf de landen niet zou bezwaren met enige grote belastingen het welke hij zwoor van te doen en die van het land zworen hem ook getrouwheid en hij werd alzo van de gevangenis ontslagen tot een algemene blijdschap van de gemeente.

De graaf nu vrij wezende, trok naar Gent en vandaar naar Parijs bij de koning Karel die zeer verblijd was over zijn verlossing. Door dit werd de vrede gepubliceerd binnen de stad Ieper tussen de graaf en de rebelse Vlamingen, gesloten te Arques, waardoor de graaf werd verlost en waardoor al hun vorige privileges werden bevestigd.

Binnen de tijd dat de graaf te Parijs was, begonnen wederom te rebelleren Zeger Jansone met Lamsen Bovijn en alle die van het Westvrije en vele steden trokken aan hun zijde. De 18de augustus vertrok uit Ieper de kapitein Zeger Janszone met 3.200 mannen naar Kassel waar een generale vergadering van de rebelse Vlamingen was gesteld tegen de aankomst van de nieuwe koning Philip de Valois en de graaf Lodewijk en een groot aantal edelen met een leger van omtrent 40.000 mannen die afkwamen om dezelfde rebellen te brengen tot hun gehoorzaamheid.

De koning van Frankrijk, gekomen zijnde met een macht van volk, veel prinsen en graven deelde die in tien bataljons onder verscheidene marechals en ook enkele onder zijn broer, de hertog van Alençon. Ieder bataljon marcheerde met al haar vendels en bagage en ze hebben hun leger neergeslagen bij het klooster te Woestine, het welke per ongeluk verbrand is. De vierde dag kwam de koning aan bij het rivierke de Peene, een klein uurtje van Kassel waar zeer schromelijk werd gevochten zodat er boven de 1.100 Vlamingen ter plaatse dood gebleven zijn en Kassel werd geplunderd. Dit geschiedde op St.-Bartholomeusdag.

Dan kwamen die van Brugge, Ieper en andere steden en ze gaven zich over aan de koning en de graaf. De koning ziende de goedwilligheid van die van Brugge, van het Vrije en van de andere steden, vergaf hen wat ze misdaan hadden aan de graaf Lodewijk, maar hij wilde de opperste voorstelders van deze muiterij. Daar werd gevangen Lamsen Bovijn, kapitein van het Vrije, Jan van Dudzeele, ontvanger van de graaf en Joosen van Houdeghem, kapitein van Deinze met vele andere die allen levend geradbraakt zijn geweest.

Zeger Janszone vluchtte naar Zeeland maar na Onze Vrouwe Lichtemisse kwam hij tot Oostende met wel vijfhonderd kloeke gasten en deden ze die van Bredene met hun zweren en die zulks niet zou doen en wilden ze dood smijten, zo komende naar Oudenburg. De baljuw van Brugge dit horende, kwam daar naar toe om met hen af te rekenen en hij werd voor het klooster van St. Aernouts gevangen met zijn zoon en met 20 van zijn principaalste medeplichtigen en dan zijn ze naar Brugge gebracht waar hij met gloeiende ijzers gestoken is geweest en is hij gesleept tot aan de galg. De andere zijn geradbraakt geweest en daarna onthoofd, de lichamen onder de oksels gebonden met koorden aan nieuwe galgen en de hoofden op staken gesteld.

Hiermee kwam een einde aan deze muiterij welke zes jaren geduurd had. De 25ste augustus kwamen de resterende rebellen gevlucht in de stad Ieper die van hun vijanden verslagen waren voor Kassel bij de rivier de Peene, met verlies van hun kapitein Nikolaas Zannekin. Den 28ste kwam de koning met al zijn macht op één uur van Ieper met de bedoeling om ze zelf tot gehoorzaamheid te brengen en de rebellen te straffen.

Maar die van de stad Ieper hebben dadelijk hun voorschepen Robert vander Zijpe en Rogier van Belle tegemoet gezonden tot Vlamertinge en presenteerden de koning de sleutels van de stad. Ze leverden enkele belhamels uit die deelgenomen hadden aan de oproeren en die werden terstond gewurgd. Ze boden de koning aan om de grootste weerspannigen uit te leveren mits de genade van de koning voor hun privileges, wat de koning accordeerde.

Hij zond de graaf van Savoye en Gauthier de Castillon, zijn connestabel met 2.000 mannen in de stad, die dadelijk tweeëntwintig van de principaalste muitmakers hebben doen ophangen op de markt en met het bevel dat alle wevers en lakenvolders hun wapens moesten binnenbrengen, hetgeen ze deden. En dan moesten ze alle klokken afdoen die hingen in het belfort, tot de stormklokke toe en te ranconneren voor de som van 24.000 Vlaamse ponden.

Ze deden ook vernielen het huis van de graaf Robrecht van Bethune omdat de conspirateurs daar hun vergaderingen in hielden. Zij stelden ook een gouverneur aan over de stad, genaamd Jan van Belle met de nieuwe wethouders Robert vander Zijpe, Rogier van Dixmuide, Joris Belle, Outre Paeldink, Jan Ricaseys, Daneel van Casteele, Outre Gijselen, Andries Baer, Nicolaus de Vrede, Pieter Rijselinck, Willem Salemons, Charles Loonen en Jan vander Meersch.

De 25ste november beviel de gravin was in het kasteel van Male van haar eerste kind welk een zoon en genaamd Lodewijk gelijk zijn vader. Hij werd voorts geheten Lodewijk van Male omdat hij te Male geboren was en daar gedoopt door de bisschop van Doornik.

Anno 1330, op Sint-Vincentsdag heeft de graaf Lodewijk binnen Ieper aan alle geestelijkheid vrijdom van assisen gegeven. Hij heeft eveneens geordonneerd dat niemand zijn goederen, langs de vaart van Ieperleet, onderweg buiten de stad mocht lossen of hun schepen ontladen. Dat werd enkel toegelaten aan de kaai. Er werd een nieuwe kraan opgesteld op de Leet, naast de vaart, ter hoogte van de oostkant van de Boezingepoorte en rechtover de Kloosterpoorte.

Anno 1336, de 25ste februari trok Rogier Wauter van Provijs als gedeputeerde uit de stad naar Brugge waar graaf Lodewijk een landsdag had geordonneerd ten einde de Vlamingen te beletten om de geplande alliantie met Edward, de derde koning van Engeland, aan te gaan. Ondanks de vele redenen en smeekbeden kon hij hen echter niet bewegen tot zijn genegenheid. Hij heeft de heer Seghers Cortrai, een van de principaalste auteurs, doen grijpen en naar Rupelmonde laten voeren waar hij op bevel van de koning is onthoofd omdat hij reeds een grote som geld van de koning Edward ontvangen had.

Om dezelfde alliantie te verzekeren en af te sluiten onder malkanderen, deden die van Gent die van de andere steden bij hen vergaderen en werd er besloten verder te gaan met de alliantie met Engeland. Alsdan verkozen die van Gent voor hun kapitein een zekere Jacob van Artevelde (Hertvelde) welke regent was van Vlaanderen en die zeer stoutmoedig was en van groot begrip.

Hij was eerst brouwer geweest, dan trekkende ten oorlog onder de koning Lodewijk van Frankrijk, reisde hij met hem naar veel plaatsen en bracht het uiteindelijk tot zijn schenkmeester. Maar na de dood van de koning, viel hij uit de gratie van zijn zoon Philip welke hem van zijn officieën en goederen berovende, verbande uit Frankrijk waarna hij andermaal kwam wonen tot Gent van waar hij geboren was.

Hij trouwde aldaar met een mevrouw, sommigen beweren met de weduwe van de ridder Cortroisin. In de tijd van de negen jaar dat hij regent was van Vlaanderen, had hij altijd voor zijn raadsheren twaalf personen, te weten drie van Gent, drie van Brugge, drie van Ieper en drie van het Vrije. Hij verbood, op verbeurdverklaring van het leven, dat niemand zo stoutmoedig mocht zijn om hun koning van Frankrijk zou noemen als Philip de Valois. Het welke alom uitgeroepen werd en binnen Ieper op de 2de mei en daarna werd het gepubliceerd omdat de koning van Engeland met wie ze alliantie waren met de koning van Frankrijk in oorlog was met onze graaf Lodewijk aan zijn zijde.

Vlaanderen werd dan staatsgewijs geregeerd en het is sinds dan dat de vier leden van Vlaanderen in alle vergaderingen van Vlaanderen genoemd werden. Het eerste representeert de geestelijkheid, het tweede de adeldom, het derde de gemeenten van het land.

Anno 1337 werd binnen Ieper gefondeerd, door de zeer edele en waardige heer Passchael, het oude manhuis voor de weduwnaren, anders gezegd het Nazareth. Het getal was dertien, ter ere van Jezus van Nazareth en zijn twaalf apostelen.

Anno 1340 op Sint-Jansavond, heeft Edward, koning van Engeland met een groot deel Vlamingen uit Gent, Brugge en Ieper, omtrent Sluis, het leger van Philip, koning van Frankrijk verslagen. De edele heer Mauritius Ramaut, die als kapitein met zevenhonderd Ieperlingen had deelgenomen aan de slag bij Sluis, kwam met vreugde en in triomf weer binnen Ieper. Ter gedachtenis van deze victorie werd een Rederijker Guldenkamer gesticht op de parochie van Sint-Michiel. Ze stond onder de bescherming van de heilige Mauritius.

Anno 1342 werd binnen Ieper, naast de halle het stadhuis gebouwd, ofwel de conciergerie waar de concierge kwam wonen. In datzelfde jaar hebben de Ieperlingen een nieuwe storing voor de dag gebracht. Ze wilden dat die van Langemark en van Poperinge en de naburige parochies geen wol meer zouden verwerken. Maar de graaf Lodewijk wilde niet bemiddelen en geen beslissingen treffen en vertrok uit Vlaanderen.

Anno 1344 in het aankomen van de zomer, hebben de Ieperlingen de inwoners van Poperinge zwaar vervolgd omdat ze zich net zoals de Ieperlingen specialiseerden in de lakenweverij. Daarom hebben de wolwevers van Ieper een gewapende bende samengebracht onder het bevel van Jan van Houtkerke. Ze zijn naar Poperinge getrokken maar die van Poperinge hebben zich sterk verzet en daar gebeurde een grote bloedstortinge tot uiteindelijk de belegerden zich hebben moeten overgeven. De aanvoerder van de Poperingenaars, Jacob de Bets, werd gedood en veel anderen werden gevangen genomen en meegesleurd naar Ieper.

De victorie van de Ieperlingen bezorgde hen een uitstekend moraal en daarom hebben ze zich dan nog begeven naar Langemark waar de wolweverij werd geplunderd en in brand gestoken. Ook het kasteel van Reningelst moest het ontgelden. Het gebouw werd tot as herleid en het dorp van Reningelst werd totaal verwoest. De inwoners van beide plaatsen werden, omdat ze behulpzaam waren geweest met die van Poperinge, ten dele verjaagd en ten dele vermoord.

Anno 1345, de op de 14de augustus, is binnen Ieper gekomen met een grote magnificentie, Philippa de koningin van Engeland, met haar zuster Margaretha de keizerin. Ze werden met veel vreugdetekens ontvangen.

Anno 1346 gebeurde er iets waarom men de burgemeester van Ieper voortaan zou benoemen als “voogd”. De oorzaak vinden we op de 12de september wanneer de graaf Lodewijk van Male binnen Ieper arriveerde en hij de burgemeester Roeland van Poecke aangesteld had als voogd over zijn kind Lodewijk. De latere graaf Lodewijk zou voortaan de heer Roeland van Poecke aanspreken als “mijn voogd” en sedert die tijd is de eerste van de wet altijd voogd genoemd geweest.

1346. De koning van Frankrijk had ondertussen medelijden met zijn stad Calais die zich lange tijd gedefendeerd had tijdens een Engelse belegering. Hij zond zijn zoon Jean de Daulphin met een heerkracht van 60.000 mannen om de stad te ontzetten en de koning Edward te verdrijven. Maar de Daulphin met zijn senechal en de hertog van Normandië die aankomen in St. Omer en verstaan hebbend dat de Vlamingen alles geroofd en neergemaakt hadden tussen Arques en Bethune wilden dat de graaf Lodewijk manschap zou doen aan de graaf Edward van zijn graafschap.

Ze vonden het nodig om in St. Omer te blijven en de senechal naar Cassel te sturen met de intentie om er zonder weerstand te raken en er de Vlamingen dood te slaan en zo te komen naar Ieper en voorts heel Vlaanderen door, alles dood te slaan wat zij zouden vinden, denkende van geen weerstand te vinden en de koning van Engeland zou dan genoodzaakt zijn om Calais te verlaten en terug te trekken naar Engeland. Maar hun beschikking viel anders uit.

Die van Gent en van andere steden verstaan hebbende de komst van Fransen naar Vlaanderen zijn in alle haasten, onder leiding van hun kapiteins als mijnheren Zeghers Cortrosijn, Jan Beruage en van de Woistine met veel werklieden, metselaars, timmerlieden en delvers naar Cassel getrokken om het te defenderen en te versterken met borstweringen, lange balken hangende met koorden boven de vesten, zo dat op korte tijd Cassel in defensie werd gesteld. De senechal komende voor Cassel omtrent Sint-Jansdag deed een storm op de stad met 4000 mannen maar de Vlamingen weerstonden hen vromelijk, verslaande menige Fransen.

De Senechal vroeg of zij zich niet en wilden overgeven aan de koning van Frankrijk hun opperhoofd na zo veel stormen gedaan te hebben, maar mijnheer Zeghers Cortroisin antwoordde: “Hoe komt het dat gijl ons meer oploop doet, wij die uwe vrienden zijn, dan aan de Engelsen, uw vijanden die uw land verbranden en destrueren?”.

Zo antwoordde de heer Renty voor de senechal: “Gij vermaledijde Vlamingen, ge zijt altijd rebel en ontrouw aan uw koning, ge jaagt uw graaf uit het land en ge wilt dat hij aan onze vijand, de koning Edward manschap doet!”. Waarop de heer Zegher opnieuw antwoordde: “Wij zijn geen vermaledijde Vlamingen, maar gij Fransen die uw land niet eens kunnen beschermen tegen de Engelsen, uw vijanden. Maar wij staan voor onze jonge graaf Lodewijk van Male om zijn land te beschermen op dat gijl niet en berooft en verderft gelijk gijl voor deze nog hebt gedaan. Daarom, laat ons in vrede of wij zullen u alle vernielen!”.

De Fransen dit horende, hernamen hun furie en geweld en beklommen de Casselberg met alle kracht, kruipend over handen en voeten om toch maar binnen de vesten te komen. De Vlamingen sneden de koorden van de balken in stukken en lieten ze neerwaarts vallen op de Fransen zodat iedere balk wel zestig à tachtig mannen verpletterde en hals en benen braken. De welke de storm voortdurend hernemende duurde wel vierentwintig uren, met het verlies van veel edelen en soldaten.

De senechal beval dat allen die hem lief en getrouw waren hem zouden volgen en trok naar de casselrie van Ieper en probeerde via een van de krankste poorten binnen de stad te kunnen lopen. Maar die van het Vrije en van Gent deden zo’n grote tegenstand dat zij de Fransen daar uit deden vluchten en ze het beleg verlieten.

Deze werden gevolgd tot op de Leie waar er andermaal zeer werd gevochten, blijvende boven de 6.000 Fransen dood benevens de Senechal met de heer Renty en het merendeel van hun adeldom die met hen gekomen waren.

Een kapitein van de wevers van Gent, de genaamde Gillis Rijpegherst, vervolgde hun met zijn volk gedurig op de hielen omdat zij geen bruggenhoofd zouden kunnen maken, vluchtende met meer dan tweehonderd wagens met doden en gekwetsten. Jean de Daulphin ziende deze nederlaag was zeer bedroefd. Hij ontbood al het volk dat hij kon krijgen, wel tot 70.000 mannen, trekkende omtrent St. Venant en dan heel Vlaanderen door, rovende, vermoordende en brandende overal waar hij kon. Die van Ieper dit verstaan, vielen uit met allen die hun uit Vlaanderen te hulp gekomen waren en trokken op tegen de Fransen die probeerden met een grote menigte cavalerie Vlaanderen te overrompelen.

Maar de Vlamingen hielden hun rangen gesloten als muren, slaande de benen van de paarden in stukken zo dat hun meesters achterom vielen en van hun eigen paarden dood gesmeten waren en na een langdurig kampgevecht zijn er veel van hun volk dood gebleven. Jean de Daulphin ziende dat alles tevergeefs was, en de meesten van zijn volk verloren waren, trok met het overschot naar Parijs bij de koning van Frankrijk Philip die op zijn beurt opnieuw een grote macht van volk verzamelde en naar Calais kwam om zijn stad te ontzetten. De koning van Engeland die hoorde over de komst van de Fransen, ontbood die van Gent en de andere Vlamingen dat zij naar hem naar Calais te hulp zouden komen, wat ze deden. Ondertussen kwamen twee kardinalen in opdracht van zijne heiligheid de paus om deze twee koningen tot vrede te bewegen.

De koning van Engeland zei dat hij eerst Calais wilde hebben eer dat hij wilde spreken met de kardinalen. De Franse koning die hoorde dat Engeland niet wilde onderhandelen over vrede, kwam met zijn leger tot Marcq, een uur van Calais, maar ziende de grote macht van de Vlamingen die de koning van Engeland ter hulp gekomen waren, durfde de slag niet te wagen en trok zich stillekens terug naar Parijs.

Die van Calais dit horende, gaven zich over aan de Vlamingen onder de genade van de koning Edward. Maar de koning was zeer verstoord en wilde die van Calais geen genade geven. Integendeel: hij ordonneerde dat alles dat daar binnen was met het vuur en het zwaard moest verdelgd worden zonder enige vorm van mededogen. Die van binnen verstaan hebbende dat er onder de mensen zo een groot gejammer en gehuil was, dat de vrienden en de edelen van de koning, door medelijden bewogen waren en ze zijn gekomen bij de monarch vallende op hun knieën om genade te verwerven voor die arme verlaten inwoners.

Ze baden met wenende ogen dat hij zijn voornemen zou believen te veranderen, door welke gebeden de koning zei: ” Dat er 6 van de principaalste en rijkste burgers van de stad zich aan mij komen presenteren in hun lijnwaad, blootsvoets met de strop aan hun hals om opgehangen te worden en om te betalen voor de anderen of ik zal alles wat binnen de stad is, ten onder doen brengen met het zwaard. Ik laat het overpeinzen aan u”.

Wat een gekrijs en gehuil dat daar gehoord werd! De gouverneur kon niet ophouden met tranen te storten en verzamelde het magistraat om raad te vragen in deze zaak. Terstond richtte Custachius a Fano Petri zich op. Hij was de treffelijkste en de rijkste van heel de stad en presenteerde zich als eerste om met zijn dood te betalen voor zijn gemeente zo dat er niet veel zou verloren gaan. Hij zegde zeker te zijn dat hij hiervoor zijn loon van God zou ontvangen. Hierbij voegden zich ook Joannes Abaxiaco en Jacobus van Wissante, een man zeer machtig in goederen, zeggende dat hij zich wilde voegen bij zijn twee neven, voor het welvaren van zijn medeburgers.

Van gelijke deed zijn broer Petrus van Wissante. De vijfde en zesde naam zijn niet beschreven. Welke zes heren in hun hemd en elk met een strop aan de hals, blootsvoets met de sleutels van de stad in hun handen, met gebogen hoofden uit de stad trokken op weg naar de koning. De edelen zagen hen aankomen en baden de koning dat hij zijn victorie niet zou bevlekken met deze wreedheid en dat die 6 mannen die zich uit overgaven uit liefde voor hun burgers het waardig waren om hun leven te behouden.

Uiteindelijk is koningin Philippa bij de koning haar man gekomen. Bevrucht zijnde met wenende ogen is ze te voet gevallen zeggende: “Heer koning, ik en heb u nooit iets gevraagd. Nu nochtans ter liefde van Jezus Christus, geef mij nu die zes heren om die in vrijheid te stellen”. De koning Edward die zijn tranen niet kon laten omdat hij zijn vrouw ten uiterste beminde, zei aan iedereen: “Ik wilde dat gij hier niet gekomen en ware. Ga met hun mee en leid hen uit mijn ogen”. De koningin leidde ze in haar tent, trok de stroppen af, trakteerde met liefde aan haar tafel, gaf ze kleren en aan iedereen een hoeveelheid gouden stukken en liet hen dan in vrijheid vertrekken.

Alzo werd de stad Calais overgeleverd aan de koning van Engeland. Alle geestelijken en wereldlijken, vrouwen en kinderen die in de stad waren, moesten allemaal uit de stad trekken in hun onderkleed, naakt en bloot, zonder enig goed of meubelen. Want alles was geconfisqueerd voor de koning waarna hij de Vlamingen en de Engelsen in de stad liet binnenkomen zonder dat er voor het einde van augustus ook maar één Fransman binnen mocht komen.

Anno 1347, nadat de Fransen een bittere nederlaag hadden moeten slikken door de Vlamingen, is de Daulphin van Frankrijk opnieuw naar Vlaanderen gekomen, rovend, moordend en verbrandend overal waar hij kwam. De Ieperlingen zijn met een grote menigte en met iedereen die hen ter hulp kwamen, opgetrokken tegen de Fransen en hebben ze verslagen zo dat de Daulphin naar Parijs moest vluchten. In datzelfde jaar is er pest ontstaan binnen Ieper. De plaag was zo grauwzaam dat meer dan de helft van de mensen gestorven zijn.

Anno 1347 kwamen de twee aangehaalde kardinalen bij de koning Edward om de vrede te maken tussen de beide kronen van Engeland en Frankrijk. Ze besteedden meer dan een maand aan die taak en met grote moeite bereikten ze een wapenstilstand tot aan Sint-Jansdag van het volgende jaar. De graaf Lodewijk bleef tijdens deze wapenstilstand buiten het land van Vlaanderen en iedereen te land moest hun wensen oversturen aan zijne heiligheid en hun redenen te kennen geven zodat de paus een bemiddelaar zou kunnen aanstellen ter bevordering en bekrachtiging van de vrede.

Omtrent deze tijd is de koningin van Engeland binnen Calais gelegen van een dochter die Margaretha werd genaamd en daarna is de koning op de dag van St. Denis vertrokken naar Engeland, niet zonder gevaar van te verdrinken want als hij op zee was, is daar een groot tempeest opgerezen zo dat er veel van zijn schepen en van zijn volk vergaan zijn en dat de koning al met al gelukkig was om terug voet aan wal te kunnen zetten in zijn Engeland.

Anno 1348 is dezelfde wapenstilstand verlengd tot aan Sint-Maartensdag als wanneer er veel treffelijke heren werden gezonden naar Boulogne. Van de koning Philip, koning van Frankrijk en van gelijke van de koning van Engeland naar Calais. Om dit groot werk van vrede te voltrekken is de bijeenkomst gesteld geweest tot Duinkerke tussen welke tijd van de wapenstilstand, de bannelingen en de vluchtelingen van Vlaanderen ongestoord roofden in het land van Cassel en Bergen Ambacht.

Die van Brugge trokken derwaarts en sloegen het merendeel dood of op de vlucht. Die van Gent deden nog erger in het land van Aalst en Dendermonde waar over die van Aalst zonden naar Brussel aan onze graaf Lodewijk om hulp want die van Gent belegerden Aalst. De graaf kwam ze met heel volk ter hulp en versloeg die van Gent. Daarna kwamen die van Brugge en van het Vrije naar Dendermonde bij de graaf Lodewijk, hem biddende te willen komen naar Brugge, het welke hij deed en hij werd er zeer hartelijk ontvangen.

Hij deed grote justitie en de rebellen deed hij te niet onder de welke veel knechten van de weverij van Gent en van Ieper. De graaf hield zich ondertussen te Brugge of te Male op zijn kasteel. De vrede werd gesloten tussen de twee gekroonde hoofden met grote blijdschap alwaar doorheen de stad door het volk geroepen werd: “Vivat Vlaanderen de Leeuw”. Onder andere artikelen van de vrede was besloten dat de koning van Engeland moest bouwen en fonderen in het land van Cadzand in Vlaanderen een klooster van dertien Chartreuses en een hospitaal van 7 religieuze vrouwspersonen voor de drie steden Gent, Brugge en Ieper die de Engelsen beschadigd hadden.

Anno 1349 deed onze graaf Lodewijk van Male goudgeld slaan, zijnde de eerste die goudgeld heeft geslagen. Anno 1352, de 4de april, trok de graaf van Vlaanderen, met de burggraaf, de voogd en de voorschepenen van Ieper met andere gedeputeerden naar Parijs om manschap te doen aan de koning. Ze waren daar samen met de meeste adeldom van Vlaanderen. De koning heeft hen ’s noens zeer wel getrakteerd, maar geen kussens genoeg hebbende, zo hebben de Vlamingen hun kostelijke mantels gebruikt om er op te zitten. Van tafel gaande, lieten ze allen moedwillig hun mantels op de stoelen liggen.

Ze werden gewaarschuwd dat ze hun mantels achtergelaten hadden en ze gaven voor antwoord dat het in Vlaanderen de gewoonte was nooit de kussens van de stoelen weg te dragen na de maaltijden. Daarna werd de koning op zijn beurt door de graaf uitgenodigd om de volgende dag bij hem te komen eten. De koning stemde in met de uitnodiging maar verbood wel de verkoop van hout om de spijzen te bereiden. De graaf die op de hoogte was van dit verbod, kocht aan zijn waard al zijn deuren, stoelen, vensters en houten meubelen om ermee te koken en zo slaagde hij er in om de koning zeer wel te trakteren.

Anno 1354 was er binnen Ieper een vrouw aldan 27 jaren oud, de dochter van Melchior Schoenwijnk, meester-bakker in deze stede. Deze was zo geweldig dikke en daarbij zo groot dat zij doorgaans genoemd werd in plaatse van Janneke Schoenwijnk Janneke de reuzinne, want zij was boven de acht staande voeten hoog. Men zegt dat als zij ter wereld kwam, zij wel twee voeten groot was en dat haar moeder in de arbeid bleef. Deze hadden verscheidene keren om haar welgemaaktheid en haar grootte van zekere rijke personnagien ten huwelijk verzocht, maar zij had met niemand willen trouwen tenzij met een bakker.

Na haar vaders dood trouwde ze met hun knecht genaamd Paschier Schuttelaere, een klein en delicaat manneke want ’t en was geen vier voeten hoog en hij kon onder haar rokken staan. Het is gebeurd dat Lodewijk van Male graaf van Vlaanderen binnen Gent een groot banket opstelde omdat daar veel edelen van het land uitgenodigd waren en vermits de graaf een groot liefhebber was het vrouwvolk.

Zo had hij nu in alle steden laten weten dat hij uitnodigde aan zijn tafel rond zijn opgestelde banket, alle vrouwspersonen die van een uitnemende en buitengewone grootte waren, dat zij daar elk met hun man of met hun vader of een of andere vriend acht dagen lang eerlijk zouden worden onthaald en dat alle zulke vrouwspersonen elk een nieuw kleed zouden krijgen van hemels blauw. De welke naar afmeting de allergrootste zou worden bevonden, zou een prijs bekomen van een gouden ketting die zo lang zal zijn als van de kruin van haar hoofd tot aan haar teen.

Met deze tijding werd Paschier Schuttelaere aangepord en van iedereen aangeraden om met Janneke Schoenwijnk, zijn huisvrouwe, naar Gent te gaan om bij de graaf de prijs te winnen. Ze zijn beiden derwaarts gegaan en op de dag dat zij voor de graaf moesten verschijnen om bezichtigd en afgemeten te worden, waren ze daar samen met een getal van zesentwintig uit verscheidene steden. Als nu de beurt kwam dat Janneke moest verschijnen voor de graaf en zijn adeldom, stond elkeen verwonderd over haar uitnemende grootte en daar bij naar proportie haar welgemaaktheid. De graaf vroeg wie ze was en van waar ze kwam. Ze antwoordde dat ze van Ieper was. Ons Janneke werd afgemeten bij de andere en werd bevonden de allergrootste te zijn, want ze was meer dan anderhalve voet groter dan de meeste van alle vrouwen. Daarom ontving ze de prijs van de grote gouden ketting welke naar haar lengte werd gemaakt. En na dan acht dagen met haar man nevens alle andere vrouwen die daar uitgenodigd waren door de graaf, treffelijk onthaald geweest te zijn, is ze naar Ieper teruggekeerd.

Anno 1360 was alhier een grote sterfte. De mensen waren ’s morgens gezond, ’s middags werden ze ziek en ’s avonds waren ze dood.

Anno 1361 was er binnen Ieper een rijke en deugdelijke jongeman met name Richardus Mesdag welke een rijke en eerbare dochter beminde, met name Sophia. Deze Richardus met het consent van haar vader kreeg het jawoord om met haar te trouwen. Het contract van huwelijk nu geschreven zijnde, zo heeft Sophia ’s anderendaags haar tante (haar moye) te kennen gegeven van haar aanstaande huwelijk, maar die probeerde dit huwelijk op alle mogelijke manieren te ontraden en dat bezonderlijk wegens eens oude haat die gesproten was om redenen dat de vader van Richardus haar ooit een speelhof in de welke ze een groot behagen had, in één of andere erfeniskwestie afhandig had gemaakt. Sophia vroeg haar tante waarom ze het beschikte huwelijk wilde versmaden. Ze antwoordde dat zij wel wist en ervan verzekerd was dat de vader van Richardus, met name Rochus Mesdag, in het jaar 1320, op achttienjarige leeftijd binnen Gent was gegeseld en verbannen geweest om redenen van kerkdieverie.

Sophia was hierover helemaal ontsteld en vertelde het de volgende dag aan haar minnaar. Deze hiervoor beschaamd zijnde ging naar het huis van haar tante die hem nogmaals verzekerde van de waarheid en een oude brief toonde die een pastoor van Gent voor haar geschreven had. Wat hij niet wist was dat de tante deze brief valselijk had laten opstellen door een procureur. De jongeman nu helemaal ongerust, schreef een brief naar de raad van Gent om een kopie te mogen krijgen van het bewuste proces-verbaal van het voorval dat geschied was in het jaar 1320 en in de stadsregisters van Gent werd gevonden dat in dat jaar schuldig bevonden werd een zekere persoon, met name Lauwen Meerdag. Wezende vierenzestig jaar en geboortig van Savoye.

Dit afschrift werd volgens verzoek van Richardus overgezonden. De bode komende omtrent de Torhoutpoorte, ontmoette daar een oude juffrouw met haar dienstmeid en het was nu wel de tante van Sophia zeker! Deze bode vroeg haar of ze een heer kende met de naam Richardus Mesdag aan de welke hij een brief moest afleveren. De oude juffrouw antwoordde dat zij zelf de brief zou afleveren en betaalde de bode volgens zijn verzoek en zij keerde terug met de brief in de stad.

Maar in haar huis dit afschrift van sententie gelezen hebbende dat de 64-jarige Lauwen Meerdag niet dezelfde was als de 18-jarige Rochus Mesdag, vreesde ze dat haar verraad zou ontdekt worden. Ze ontbood opnieuw haar procureur dewelke stoutelijk nogmaals deze brief vervalst heeft, stellende Rochus Mesdag als dader en hem gelijkvormig verzegeld. Deze brief werd door een onbekende persoon aan Richardus besteld. De jongeman ging opnieuw met beschaamde wangen naar zijn liefste en gelastte haar deze brief aan haar vader te geven.

Richardus legde uit aan haar vader dat hij onmogelijk kon trouwen met zijn dochter wegens de schandvlek die rustte op het hoofd van zijn eigen vader. Zowel Sophia als haar vader zegden openlijk dat zij niet gaven om het voorval van zijn vader zaliger, omdat het voorval toch aan niemand in Ieper bekend was, met uitzondering van haar eigen tante. Ze konden echter de beschaamde Richardus niet bewegen tot een huwelijk.

De vader die spijtig was, vroeg zich waarom de tante van Sophia zelf die brief had laten komen, en of het niet mogelijk kon zijn dat die met bedrog was opgesteld. Het ging in eigen persoon naar Gent en vroeg nu zelf een afschrift op van diezelfde sententie.

Ze toonden hem een kopie die veertien dagen geleden was opgestuurd aan Richardus Mesdag. De vader van Sophie kwam nu tot de verbijsterende vaststelling dat de kopie van Richardus vervalst werd. De raad van Gent, de auteur van het achteraf vervalste afschrift met de vervalste zegel, wilde op zijn beurt ontdekken wie de dader was van deze vervalsing en gaven de opdracht om de tante te arresteren.

Gearresteerd zijnde, vertrok ze naar Gent waar haar de vervalste documenten werden voorgelegd, maar ze loochende enige betrokkenheid. Maar de briefdrager getuigde dat hij de brief aan deze juffrouw gegeven had en na haar bekentenis werd ze veroordeeld tot een lange gevangenisstraf. Haar procureur dit horende, is weggevlucht uit Ieper en de tijding kwam daarna in de stad dat de tante van Sophia zich verhangen had. Drie dagen daarna is de beschuldigde procureur gevonden omtent Menen, in de Leie verdronken.

Aldus is het verliefde paar op de feestdag van de heilige Rochus met vol genoegen binnen Gent getrouwd. Ze zijn dan samen binnen Ieper gekomen waar zijn broer, die in de stad kapitein was van een wijk van de burgerlijke wacht, onder hun wapens deed doorkomen met trommelgeluid aan de Torhoutpoorte en om hun zo lang gewenste bruiloft te vereren. Hij had vreugdetekens geplaatst aan de poort van hun woonst waar de buren een schone levende appelboom geplant hadden waarvan de appels allemaal verguld waren.

Nadat de buren tot middernacht onder het gespeel van instrumenten gedanst en gezongen hebben en van de bruidegom en bruid menige flessen wijn beschonken geweest waren, is iedereen gaan slapen. Maar ziet, ’s anderendaags zag men in de kruin van de boom het dode en stinkende lichaam van de valse procureur hangen, nog in de gedaante en de kleding net zoals hij door iedereen in Ieper gekend was geweest. Het was nochtans al meer dan veertien dagen geleden dat hij in de Leie was verdronken. Hij bleef daar hangen tot zes uur in de namiddag ten aanzien van een groot getal , dat van alle kanten kwamen toegelopen om dat spektakel te zien en hij werd dan op de vesting in een boerenbak gedolven dicht bij de Elverdinge poorte.

Anno 1364, op het laatste van januari, vertrok van de stad Ieper naar Bergen in Henegouwen Olivier van Steenland, edelman van Ieper met zijn helper (pagie) Clayes Benten en de stalknecht Jan van Aren. Ze kwamen aanrijden bij een parochie bij Doornik waar ze bij het huis van een geestelijke een zekere Florens Mulghewaert ontmoetten, een weggevlucht hoofd van de oproermakers in Ieper van het vorige jaar. Olivier heeft de man vastgegrepen en hem op het paard van zijn helper gebonden met de intentie om hem uit te leveren aan de graaf die een goede vriend van hem was.

De priester protesteerde daartegen en wilde beletten dat ze Florens zouden meenemen, maar werd door de stalknecht gegrepen en op zijn paard vastgebonden waarmee ze dachten om naar Vlaanderen te komen, maar ze ontmoetten buiten Doornik een groot deel volk op processie van Onze Lieve Vrouwe Lichte misse. De vastgebonden gevangenen baden het volk om hulp, wat ze dadelijk deden, grijpende de priester met de stalknecht. Maar Olivier met de helper konden ontkomen en brachten Florens met grote blijdschap binnen Ieper, waar hij door het bevel van de graaf onthoofd werd.

Maar ter plaatse in Henegouwen werd de priester verlost en de stalknecht werd ’s anderendaags te Doornik zeer gepijnigd en daarna buiten de stad opgehangen. Olivier over deze daad zeer ontevreden wezende, trok bij de graaf naar Dendermonde, hem biddende om toelating deze daad op die van Doornik te mogen wreken, wat hem toegestaan werd. Olivier trok met zijn aanhangers en vrienden naar Doornik waar ze kwamen zeggen dat ze zich kwamen wreken voor het onrecht dat hen was aangedaan door het doden van zijn stalknecht.

Die van de stad dit horende, zonden aanstonds een gedeputeerde naar de graaf. Hij kloeg om de moedwilligheid van de mannen van Olivier die, na het oppakken van een rijke burger, Roelant Bonehullden, alles roofden wat ze vonden. Waarop de graaf antwoordde dat hij zich met deze zaken niet en wilde bemoeien. Olivier, dit wetende, trok andermaal met zestig van de zijnen gewapend uit Ieper naar Doornik waar ze de galg afbraken en de stalknecht er af haalden. Ze verwachtten protest van de ingezetenen van deze stad die zich stil hielden tot dat Olivier heel dicht bij de stadspoorten kwam.

Dan zijn er vierhonderd op hem uitgevallen en hebben ze de bende van Olivier achtervolgd. De welke dit ziende, heeft hij zijn rug gekeerd rond een brug een half uur buiten de stad waar hij met vol geweld op hen gevallen is en er persoonlijk wel drieënveertig gedood heeft. De rest nam de vlucht. Met welke victorie hij, Olivier, andermaal naar Ieper is gekomen zonder één van de zijnen te verliezen. Hierna, de 31ste maart van hetzelfde jaar, zo hebben ze door de tussenkomst van de koning en de graaf een vrede gemaakt ten voordele van Olivier.

Anno 1366, de 10de september, was er in de stad van Ieper een groot oproer onder de kwade gemeenten waardoor de goede lieden veel te lijden hadden in hun huizen en de goederen. De zelfde dag liepen ze naar de halle waar de hoogbaljuw Jan de Prijsenaer met het magistraat vergaderd was ten einde het oproer te stillen. Welke hoogbaljuw uit de vergadering komende om hun tevreden te stellen, zij zonder hem te horen spreken, dadelijk dood hebben geslagen en uit de halle geworpen. Alsdan trekkende in de kamer van de schepenen, zo hebben ze alle wethouders gevangen genomen en op het belfort gelegd.

Twee à drie dagen daarna, liepen dan de kwaden andermaal in de wapens met de intentie van de zelfde heren ter dood te brengen. Zo begonnen zij met die te weten de voogd Adriaen Proventier en Boudewijn Proot die zij van het belfort brachten en die ze jammerlijk deden onthoofden in de tegenwoordigheid van hun metgezellen omdat ze twee jaar lang als schepenen tegen hun privileges waren geweest. Maar de anderen werden gespaard door dat het gemeen begon te roepen dat zij hen niet en wilden gedood hebben, maar dat ze binnen deze tijd verlost moeten worden.

Anno 1372, de graaf van Male, een blije en genoeglijke heer, had groot genoegen in de muziek en andere ongeoorloofde wereldse plezieren te hanteren en het gebeurde onder andere dat een jonge dochter door de graaf bevrucht werd van twee knapelijke kinderen en als kwam te geleggen, was de graaf in Frankrijk en daarom werd aan de gravin Margaretha gerecommendeerd dat zij de kinderen willen helpen tot hun kerstendom.

Ze beval dat het vrouwken zou komen naar Male op het kasteel om daar te geleggen en nadat zij daar enkele dagen geweest was en er nog steeds gelag, deed mevrouw Margareta dat vrouwken de neus afsnijden en twee dagen hierna gelag zij van twee zonen. Het vrouwke zelf kwam zes dagen daarna te sterven. De graaf wederkerende uit Frankrijk en komende op zijn kasteel te Male verstond dat de gravin zijn huisvrouw door de raad van de hertog Jan van Brabant, haar vader, deze dochter had doen sterven, zo deed hij haar in de muur van dit kasteel metsen, daar waar zij bleef tot dat zij stierf.

Anno 1378, de 13de oktober, vertrok de graaf van Ieper naar Oudenaarde zonder nochtans enige van zijn beloften nagekomen te zijn, waardoor de gemeenten ziende dat zij bedrogen waren, onder elkaar begonnen te murmureren en ze zegden dat de graaf hen bedrogen had, het welke het begin was van een reeks plagen die Vlaanderen voor deze tijd nooit gekend had. Want kort daarna keerde alle grote weelde en rijkdom die het volk gedurende 16 jaar vrede gekoesterd had samen met hun graaf om in een periode van grote bloedstorting, nijd en armoede. Vooral om het delven van een nieuwe vaart van Brugge naar Gent, en waar die van Ieper zeer ontevreden waren om hun vrijheden die ze kwijtgespeeld waren.

In deze tijd is een zesjarige oorlog opgerezen tussen deze twee steden van Gent en Brugge omdat de graaf Lodewijk meer te Brugge en te Male op zijn kasteel was als tot Gent waar hij altijd was in zinnelijke genoegens en wellusten van muziek, kluchtspeelders en anderen heratieën, omdat zijn staat zeer prachtig was, consommerende daarbij grote sommen waarna hij verplicht was om grote lasten en pointingen te vragen, de welke tot Gent grote weerspannigheid heeft veroorzaakt.

Maar die van Brugge waren altijd goedwillig om veel te geven aan hun prins en hem te voldoen zonder zich iets van de andere steden aan te trekken, zo dat de graaf Lodewijk van Male hun zeer beminde, hun veel gunsten en privileges gevende wanneer ze er maar om vroegen, want ze verkregen de toelating om te maken een gedelf, genaamd de Reye van Brugge tot Deinze om de schepen door de Reye een vrije doorvaart te verschaffen. Dat veroorzaakte een grote murmuratie door die van Gent wegens dit werk en ze kwamen tegen die van Brugge in oorlog en de delvers liepen voortdurend het risico om dood gesmeten te worden. Ten lange laatste moest Lodewijk van Male uit Brugge vluchten naar Frankrijk bij de koning om bijstand tegen die weerspannigen te verzoeken.

Op de 13de november na de noen, kwamen die van Gent en Kortrijk naar Ieper onder het gelid van hun kapitein Pieter Dubois, de welke komende voor Ieper bij de Torhoutpoorte geen tegenweer vonden van de mensen die aan de poorten waren. Boudewijn Strulvink die ziende heeft een gat in de poorten geslagen en kroop erdoor, slaande het wiel in stukken en deed op die manier de poort open. Dan kwam het hele heir binnengetreden, vooral Gentenaars met witte kappen ten teken van verbond.

Niemand deed weerstand, en er waren nochtans veel edelen en anderen van het gravenvolk, maar ze waren al te laf om weerstand te bieden en te vechten tegen het gemeen dat hen dan maar zelf aanviel. Ze doodden drie ridders, de heer Thomas, Robert de la Hourdrijs en Andries. Zo begon men van alle kanten het volk van de graaf dood te slaan. Daardoor wonnen ze veel paarden en goederen. Hierna kwamen die van Kortrijk die nog buiten de poorten wachtten, de stad binnen en begaven ze zich naar de markt. Ze deden de klokken luiden.

De schelmen riepen samen met die van Gent: “Laat ons een deken en hoofdmannen aanstellen”, en Jacob van der Berst werd aangeduid en ze trokken alzo naar Diksmuide, Veurne en Bergen, zo dat heel Vlaanderen met hen aanhield, uitgezonderd Oudenaarde en Dendermonde waar de graaf verbleef. Ze zijn er met 12.000 man naar toe getrokken om hem te belegeren.

De graaf maakte aanstond werk van een vrede met de vier leden van Vlaanderen en besloot dat die van Gent, Brugge en Ieper dan toch hun privileges mochten behouden en dat alle oproerkraaiers hun pardon zouden hebben en dat men jaarlijks een samenkomst moest organiseren met vijfentwintig personen als bondgenoten, te weten negen van Gent, acht van Brugge en acht van Ieper. De graaf dit aannemende werd ontzet uit Oudenaarde en elk vertrok naar zijn stad. Hoe dikwijls hebben de Vlamingen eigenlijk vrede gemaakt en dan weer gebroken met hun graaf? Hoe veel wreedheden en sacrilegieën hebben zij niet bedreven bij de veroveringen van steden en kastelen?

Anno 1380, de 25ste februari, kwamen van de Ieperse paardenmarkt gereden enige lieden van de graaf en komende bij Gent ontmoetten ze daar enkele Gentenaars van wie zij de oren of lippen afsneden. Als die van Gent dit vernamen, zo zonden ze naar die van Ieper een vraag om hulp van het volk om samen op te trekken naar Dendermonde waar die gravenvrienden ingetrokken waren. Die van Ieper verzamelden zich dadelijk te Sint-Maertens waar ze de gilden bijeen riepen en zij vroegen om samen te werken met die van Gent.

Maar enkele kleine neringen van de Poorterie riepen contrarie van met de graaf te willen houden, waardoor er onder het gemeen een groot oproer ontstond. Ook de hoogbaljuw Olivier van Steenbrugge en de poortbaljuw waren nog voor de graaf en ze kwamen op de markt met wapperende vaandels samen met allen die graafgezind waren.

Maar de wevers, vulders en anderen die het sterkste waren, kozen sommige mannen uit die ze stuurden naar Dendermonde. Zo moesten de hoogbaljuw en de zijnen ophoepelen van de markt en die overlaten aan de wevers. Op dezelfde dag kwam een bode in de stad met een brief van de graaf waarin geschreven stond dat de graaf enkele mannen begeerde die hem zouden helpen tegen zijn vijanden. De brief werd ter halle voorgelezen voor de menigte waarop Jacob van der Berst luid riep dat men mannen mocht kiezen van zijn vaandels. Op dat moment kwam de poortbaljuw Frans van Daele op de markt met zijn volk en hij verzocht om troost en hulp bij Jean Capin, de deken van de neringen, hetwelk hij hem beloofde.

Maar Jacob van der Berst, deken van de wevers, gevolgd door vier vaandels, begon te schieten op het volk van de baljuw dat voor de halle stond. Er werd nu vreselijk gevochten en er kwamen nog meer wevers en vulders toegestroomd ter hulp van Jacob van der Berst want anders zou hij het onderspit hebben moeten delven. Uiteindelijk was het de zoon van Jean Capin die de vaandel droeg van de kleine neringen en overliep naar de kant van de wevers en zijn vader hiermee dwong om ook van kant te veranderen, en vele vaandels volgden hen. Wanneer ze met zijn allen vertrokken van de markt, lieten ze drieëndertig doden en veel gekwetsten achter. Zo groeide de plaag van dag tot dag waarbij het volk, de ene de andere versloeg!

De 25ste augustus van 1380 zijn sommigen van het volk van de graaf opgetrokken voorbij Ieper om Poperinge te gaan verwoesten en te plunderen. De Poperingenaars die in vrede waren met die van Ieper, verzochten aan hen om bijstand en die van Ieper stuurden hen dadelijk 6.000 mannen en ze zijn samen op het volk van de graaf gevallen dat ze verjaagd hebben. Vijf van de principaalste edelen werden hierbij jammerlijk gedood samen met nog achthonderd soldaten.

De 16de september arriveerde in de stad Ieper alweer alle gevangenen die de graaf had vrijgelaten en die hij elk naar hun stad had teruggestuurd, in de hoop dat de Vlamingen nu meer zijn kant zouden kiezen. Maar ze bleven hard tegenover hun graaf. De komst van Jacob van Artevelde en zijn verbond met de Engelsen zou de aanleiding zijn voor nieuwe dramatische gebeurtenissen in de Westhoek. Maar daarover later nog veel meer!