Jan, de schoenmaker van Steenvoorde

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       8 months ago     254 Views     Leave your thoughts  

Hoe Jan de Houtkapper de Noormannen uit onze contreien hield: een romantische kijk op het leven rond de Heybeke in de negende eeuw.

Voorgeschiedenis
28 januari 814. Te Aken sterft de grote Frankische Keizer Karel de Grote. Verslagen door de jaren, verteerd door het verdriet om het overlijden van drie van zijn zonen en gesloopt door een vergevorderde longontsteking.

Zijn zoon Lodewijk de Vrome volgt hem op. Zijn zwakke leiding, de oorlogen onder zijn eigen zonen, hongersnood en verwoestingen teisteren het eens zo roemrijke keizerrijk. Inmiddels varen vanuit het noorden avontuurlijke Denen, Zweden en Noren uit, op zoek naar de grenzen van de wereld. In 789 verschijnen zij voor het eerst langs de Engelse kusten .

Vanaf 820 richten de Vikings hun aandacht op het uiteengevallen rijk van Karel de Grote. Via de monding van de grote rivieren varen zij het Karolingische rijk binnen. Plunderend, brandend en moordend trekken zij steeds verder. Gebruik makend van de Romeinse heirwegen trekken zij ondermeer in de richting van Steenvoorde en Poperinge.

Sommige geschiedschrijvers vertellen ons dat Poperinge, Belle en Steenvoorde als niet omwalde steden door de Noormannen werden verwoest. Andere werken vertellen echter niets over die Noorderlingen. Mogelijks zijn zij enkele malen, rovend en plunderend door onze streken getrokken tot zij op 31.08.891 door onze voorouders, ondermeer nabij St.-Omer en Cassel werden teruggedreven.

Bij een van de eerste invasies (820?) zou Jan de Houtkapper (Watounaar of Steenvoordenaar?) hierbij een belangrijke rol hebben gespeeld.

Aan de boorden van de Heybeke
Vlaamse historici bevestigen dat in de heerlijkheid Steenvoorde, die afhing van de fameuze kasselrij van Cassel, langs de zijde van het bos, schrijlings over de Heybeke, een eenvoudige woning stond. Daar leefde, van vader op zoon, de familie van Jan van Steenvoorde, waarvan de, mannen allen ambachtslieden waren (zoals hennepspinners, houtkappers of koordvlechters). Vader Jan had al deze kwaliteiten in de hoogste graad van zijn voorouders geërfd.

Twintig mijlen in het rond was er geen betere ambachtsman dan Jan. Hij hanteerde op een meesterlijke wijze even goed de weversspoel en het houthakkerskapmes als de eenvoudige platte hamer van de koordvlechter. Hij was een opgewekt man, van een uitzonderlijke gestalte, die een buitengewone kracht bezat. Alhoewel deze kracht erfelijk was, was Jan toch een speciaal iemand. Toch maakte hij geen misbruik van deze abnormale gaven. Een goed Vlaams vakman bezondigt zich niet aan hoogmoed.

Zijn benen waren als de robuuste eiken van zijn land. De romp goed gevormd. De armen zoals jonge boompjes en zijn maag was zo breed als een tafel in de wachtplaats van het kasteel van de heer van Steenvoorde. Zijn blauwe ogen staken in een kloeke Vlaamse kop en zijn blonde haren hingen tot over zijn brede schouders.

Wanneer de jagers van het Houtland zich, na een jachtpartij op vossen, wolven, zwijnen of herten, om de grote tafel van Thiboult, de onverschrokken heer van Steenvoorde, hadden verzameld, deed de plaatselijke brouwer Lauwaert niet tevergeefs een beroep op sterke Jan. Hij schrok er immers niet voor terug om onder elke arm een ton bier te nemen en die, langs de marmeren trappen van de uitgestrekte kelders van de heerlijkheid, tot bij de genodigden van de heer te brengen.

De schoenmaker van Karel de Grote
De familie van Jan leefde erg gelukkig. Hij en de zijnen kenden en bedreven immers drie verschillende beroepen. Nooit was er gebrek aan werk. Jan was sedert meer dan 20 jaar de schoenmaker van de Frankische Keizer Carolus Magnus of Karel de Grote. Karel, de glorierijke zoon van Berthe de Vrome, had voor het hele keizerrijk een eenheidsmaat ingevoerd gelijk aan de lengte van zijn laarzen.

Het was eveneens geweten dat de Keizer een wat wij noemen ‘wat moeilijke voet’ had. Aangetrokken door de reputatie van de Vlaamse schoenmaker Jan, geëerd in heel Neustrië, kwam Karel de Grote naar Steenvoorde. De geschiedenis vertelt ons dat de volgeling van St.-Krispijn toen voor zijn Keizer een paar schoenen heeft gemaakt die zo stevig waren, dat hij ze vier jaar later nog droeg, toen hij op weg was naar Spanje om er de heidenen en Muzelmannen te bestrijden.

Als blijk van erkentelijkheid ontving onze Vlaamse schoenmaker van Karel de Grote, en dit door tussenkomst van zijn neef Roland, een geharnaste uitrusting. Deze bestond uit een prachtig gepantserd hemd of harnas, met een omtrek zo groot als de toren van de kapel van de burcht van Steenvoorde; een helm die zou kunnen dienen om de jongste telg van de heer Thiboult in te laten baden; een prachtig kunstvol zwaard, vijf ellebooglengten lang en twee handen breed.

Enkele jaren later, Keizer Karel de Grote was intussen gestorven, … Vanuit de richting Kaaster trok een verschrikte groep geestelijken, lekebroeders, mannen en vrouwen, ouderen en kinderen, in de richting van Steenvoorde. Hun karren, geladen met wat schamele voorraden, en hun schichtige dieren trokken ze met zich mee. Van deze groep die neerstreek in het dorp vernam men al rap dat “een verschrikking” hen volgde. Noormannen, die alles plunderden wat ze op hun weg ontmoetten, waren in aantocht. Met een grote vloot waren zij te Lutèce opgevaren en met een bende van meerdere duizenden hadden zij de steden van Neustrië overwonnen en verwoest. Zij waren immers van plan in de richting van de Noordzee een weg naar hun thuisland te vinden.

Bij Siska van de Boerenhol
Wanneer de dorpelingen van Steenvoorde te weten kwamen dat ook hun uur gekomen was, gingen ze zich op God beroepen. Zij beloofden boete te doen en bereidden zich voor op het eeuwig welzijn van hun ziel. Eén persoon had evenwel geen vrees. Zijn eer Vlaming te zijn en zijn waardigheid van een uitzonderlijk ambachtsman, lieten hem niet toe een zwakkeling te zijn.

Onze dappere Jan herinnerde zich immers de woorden die Roland, de neef van de Grote Keizer, hem twintig jaar vroeger had overgemaakt: ‘het harnas, de helm en het zwaard die U uit dank voor het maken van de laarzen gegeven worden, zijn geen versierselen voor een bangerik’.

Met harde en krachtige slagen bewerkten Jan en zijn zonen, Gilles en Jacobus, het taaie Vlaamse leder. Met regelmaat spatte een klad speeksel open in hun eeltige handpalm zodat de hamersteel als geolied heen en weer gleed tussen hun stoere vmgers. Zo hard waren de slagen dat ze echoden aan deze zijde van de Recoletten- en Casselberg en zich gingen herhalen tegen de flanken van de Catsberg.

‘Wees dapper mijn zonen’, zo begeleidde de diepe stem van Jan de zware slagen. ‘Zaterdag, als het God behaagt, zullen wij bij Siska, de goede waardin van den Boerenhol een ton bier ledigen op de gezondheid van die vervloekte Noormannen die op een vermetele wijze ons dorp naderen.’

Omdat de hele bevolking zich in de kerk en de kapellen verzameld had om er te bidden terwijl de familie van de schoenmaker zich sedert de zondag na de vespers niet meer had laten zien, besloot de overste van de priorij van St.-Laurens, een bezoek te brengen aan Jan en zijn familie.

Deels bevreesd, deels bevend stond de brave geestelijke voor de deur van de schamele woning. De twee stijlen waren gemaakt uit de twee mooiste eiken van het bos van Beauvoorde. De zieleherder stapte verlegen binnen. ‘Waarom blijft u hier verder werken?’ was de vraag van de brave man. Hij kreeg al snel een antwoord. ‘mijn vader’, zo antwoordde de schoenmaker, ‘wij zijn goede christenen. Aan St.-Pieter (St.-Pieterskerk te Steenvoorde), patroon van ons dorp, aan St.-Laurent, beschermer van de pastorij, en aan St.-Krispijn, patroon van de schoenmakers, hebben wij beloofd om nooit meer een ton bier te ledigen indien wij op het ogenblik van gevaar niet op de eerste rij zouden staan en er door onze dapperheid toe zouden bijdragen om die heidenen en barbaren waarvan u spreekt, ter verjagen. Help u zelf, zo helpe u God. Zie daar, eerwaarde vader, de lijfspreuk van mijn familie’. ‘”t Is goed, mijn zoon’ antwoordde de eerwaarde, ‘en dat de Heer u bescherme’.

De donderdag van half vasten
‘s Anderdaags, het was de zondag na Laetare (dit is de vierde zondag van de vasten, zo genoemd naar de beginwoorden van de H. Mis L. Jeruzalem: Verheug u Jeruzalem) was het halfvasten. De bleke zon van maart steeg langzaam weg van de Vlaamse horizon, om de grijze en sombere vlakte tussen Cassel en Steenvoorde te verlichten. De vlakte die in die tijd van het jaar altijd zo droevig en eenzaam lijkt, was ineens vol leven.

Van overal kwamen snelle, goed gewapende mannen te voorschijn. Het waren de koningen van de zee, zoals de Noormannen zichzelf noemden. Ze kwamen van de weg van Kaaster. In een omsingelingsbeweging rond Steenvoorde rukten ze op langs de weg naar Cassel en in de richting van de wijk ‘de Barrière’. Vanuit de toren van de kapel van de burcht liet de ‘schreeuwer’, de stevigste klok van het kasteel haar akeligste tonen over de Vlaamse velden rollen.

Jan, de schoenmaker, die al voor dag en dauw was opgestaan, ging samen met zijn twee zonen knielen en richtte een gebed tot de hemel: ‘laat ons de zorgen van ons beroep vergeten want een ander meer dringend werk roept ons naar buiten. Wij moeten vandaag eens onderzoeken of het vel van de Noormannen zich evengoed laat bewerken als het Vlaamse leder.’ Jan nam zijn stalen harnas en kleedde zich ermee. Daarna plaatste hij zijn helm, getooid met pluimen in de kleuren van zijn land, op zijn blonde kop.

Hij kuste het hecht van zijn zwaard. Na deze om zijn middel te hebben gehangen, zei hij tot zijn zonen: ‘God beware mij, dit kapmes van gepolijst staal te willen bevuilen met het bloed van die ongelovige barbaren. Heel mijn leven heb ik met de schoenmakershamer hard en juist geslagen. Ik weet dat de goede Heer mij nu ook zal helpen om even nauwkeurig hard te slaan ter verdediging van onze vrijheden. Gij, mijn zonen, volg mij, en indien God het zo wil dat ik op het slagveld de dood vind, neem dan mijn dode lichaam op, draag het naar mijn bed waar ook mijn algoede vader gestorven is en waar mijn grootvader zijn ziel aan de Heer heeft teruggegeven en roep de priester, Jerome, om de gebeden van de doden te komen lezen. Daarna zult U, en dit nog voor de Noormannen hier zijn, een eik nemen. U zult er het hart uitnemen om zo mijn doodskist te maken. Nadien zult u deze laten zakken in de Heybeke met mijn gezicht naar het land der Franken. Het zwaard van de Grote Keizer zult u aan mijn voeten plaatsen bij wijze van een kruis.’

De grote veldslag
Toen beleefde men in Steenvoorde een onvergetelijk spektakel. Met de grote schoenmakershamer vastgehecht aan zijn gordel en in zijn ruwe handen het logge kapmes, stormde Jan vooruit. Bij het naderen van de groep vreemde mannen liet hij het vervaarlijke tuig verschrikkelijke draaibewegingen maken, sneller en krachtiger dan de wieken van de molen van Cassel zelfs bij het hevigste stormweer ooit hadden gemaakt. Zoals de rijpe roggearen neervallen onder de vlijmscherpe zeis, zo vielen de Noormannen als boonstaken neer om nooit weer op te staan.

Fier als een leeuw schudde de schoenmaker van tijd tot tijd met een korte krachtige kopslag zijn blonde haren op zijn rug. ‘Hulp, hulp!’, riepen de vijanden, terwijl anderen schreeuwden: ‘laat ons zo rap mogelijk vluchten!’ En inderdaad na deze laatste uitroep draaiden een groot aantal zich om en sloegen op de vlucht. Jans krachten namen niet af. Onophoudelijk sloeg en klopte hij op iedere Noorman die in zijn omgeving kwam.

Uiteindelijk klaarde de weg naar Cassel op. Massaal vluchtten de heidenen, in algemene verwarring in de richting Ryveld. Een paar dorpsbewoners die de harde strijd van op afstand gevolgd hadden, trokken snel naar de kapel van het dorp om het heuglijke nieuws mee te delen. Groepje per groepje en voorafgegaan door de twee zonen van onze stoere schoenmaker, kwamen de dorpelingen tot bij Jan en stortten zich neer op de vagebonden die ze konden te pakken krijgen.

Weldra kwamen ook de inwoners van de buurdorpen Winnezeele, Houtkerque en Watou ter hulp, zodat tegen de avond alle Noormannen verdwenen waren. Met honderden lagen hun dode lichamen in het rond. De nacht viel in en de achtervolging werd ingezet op de in wanorde vluchtende Vikings. De laatsten verdronken in de ringsloten rond de dorpen of in het brakke water van de moeren in de omgeving.

Een Te Deum
In de St.-Laurenspriorij, op het kasteel van de heer Thibout en in de vele met riet bedekte hutten van de wevers, schoenmakers en houthakkers van Steenvoorde, Watou, Poperinge en aanpalende dorpen heerste er grote vreugde. Dadelijk begon priester Jerome een lofzang te zingen.

In de middenbeuk van de kerk hadden Jan en zijn twee zonen plaatsgenomen om samen, met alle dorpelingen de grote St.-Pieter, de dappere St.-Laurent en de goede St.-Krispijn hartelijk te danken voor hun tussenkomst die Steenvoorde en omstreken redde uit de handen van die afschuwelijke en plunderende Noormannen.

Hierna trok onze altijd even bescheiden Jan zich terug in zijn eenvoudige woning aan de Heybeke. En ieder jaar, op de donderdag van halfvasten, trokken de hoogwaardigheidsbekleders van Steenvoorde naar de schoenmaker om hem te danken. Later, toen Jan overleden was, richtten de burgers van het dorp een reuzebeeld op en zo is de Reus, Jan de Houtkapper van Steenvoorde geboren.

Vele jaren lang trokken de schoenmakers, wevers en houthakkers van de streek, voorafgegaan door de baljuws en schepenen en andere notabelen, met hun reus tot aan de poort van de Barrière, juist bij het bos van Beauvoorde, in de omgeving waar vroeger de woning van Jan stond. Lange tijd werd deze traditie bewaard tot op het einde van de 18de eeuw hieraan een einde werd gesteld.

Maar Jan zou terugkeren
In februari 1914 werd de Reuze Jan de Houtkapper opnieuw geboren. Jaarlijks stapt hij met halfvasten opnieuw door de straten van Steenvoorde, en dit tot voldoening van de inwoners en de bezoekers.

BRON:

La Voix du Nord 27.04.85 Julien Prouharam : Jan de Houtkapper, géant de Steenvoorde.

Uit ‘Aan de Schreve’ van de Poperingse Heemkring – verschenen in 1993 – auteur: Gerard Kestier, Poperinge