Je goat teeg’n de kèse woaj’n.

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     310 Views     Leave your thoughts  

Je gaat tegen de kaars waaien.
Je got teeg’n de kèse woaj’n.

Je gaat peter of meter moeten zijn – Bij het sacrament van het doopsel nemen de peter en de meter (vaak alleen theoretisch) de verantwoordelijkheid op zich om het kind in het geloof aan te moedigen en met raad en daad bij te staan. Bij de doop stapt de dopeling in het paasproject van de christelijke gemeenschap. Er wordt licht genomen van de paarskaars.

Christus is ons Licht. Dat licht gaat de peter of meter doorgeven, bevorderen en voorleven voor zijn of haar petekind. Vandaar het symbool van de kaars, die aan de paaskaars wordt aangestoken en ter hand genomen gedurende de liturgische plechtigheid van het doopsel.

‘t Is een kaarsje rechte.
‘t Iz e kèsje rechte.

Wordt gezegd van iemand die met een volkomen rechte rug (zonder kromming of bocht) loopt. Ook in het Frans bestaat de zegswijze: ‘droit comme un cierge’.

Hij gaat uit als een kaarsje.
E goat uut lik e kèsje.

Wordt gezegd van een persoon gezegd, die langzaam, als het ware ongevoelig, en van ouderdom sterft.

Hij gaat de kaars uitblazen.
E goat de kèse uutbloaz’n,

Hij gaat de boete moeten betalen. Heeft dit misschien te maken met een verdwenen verkoopsritueel uit de 17e eeuw. Er werden opeenvolgend drie kaarsen aangestoken. Bij het uitgaan van de derde kaars was de koop gesloten. Wie toen het laatste bod had gedaan, werd de nieuwe eigenaar en moest betalen.

Wat baten kaars en bril als den uil niet zien en wil.

Als iemand niet overtuigd wil worden, is alle moeite vergeefs. Al zijn de condities nog zo goed, als de wil ontbreekt kan er niets gebeuren. Deze zegswijze is door iedere Westhoeker gekend, maar, vreemd genoeg, is die niet in het dialect uit te spreken. De zinsconstructie van de bijzin zal daar wellicht de oorzaak van zijn.

Je gaat mogen een kaars branden.
Je go meug’n e kèse brand’n.

Je mag van geluk spreken, je hebt geluk gehad dat je uit een moeilijke positie bent geraakt of eraan bent ontsnapt. De gewoonte om een kaarsje te branden om iets te bekomen is een diepgeworteld volksreligieus gebruik. De betekenis is niet zo bekend. Vaak ziet men er slechts een bijna magische ‘do ut des’ in. Ik brand een kaarsje, dus de Lieve Heer of Zijn moeder zorgt dan wel voor de ‘verdiende’ voorspoed.

Twee kaarsen en een “vier” (vuur) zijn een boer z’n bijstier.
Twi kès’n ene vieër zyn e boeërs s’n byjstieër.

Je mag geen verloren licht of vuur maken. Als je dit spreekwoord niet kent heb je de neiging om het totaal verkeerd te interpreteren. Je denkt in de eerste plaats dat een ‘bijstier’ een speciaal soort van stier moet zijn of toch een of ander dier dat bij de boer wel ergens op stal staat. Maar neen, ‘bijstier’ wordt hier eigenlijk (moedwillig of uit onwetendheid?) onjuist gebruikt. ‘Bijstier’ betekent ‘arm of behoeftig’. De Bo gebruikt een variante van bovenstaand spreekwoord, nl. ‘Twee lichten en een vier maakt eenen boer bijstier.’ En in deze versie kunnen we het ook gemakkelijker begrijpen.

Ze zijn hem aan het bewieroken.
Ze zyn an ‘t bewierook’n.

Ze zijn hem overdreven aan het prijzen of aan het vleien. De opvatting alsof het gebruik van ‘wierook’ zou ontstaan zijn om door de geur de ‘stank’ van de graven van de rijken weg te nemen is een puur verzinsel van pseudo-historici.

De Romeinen gebruikten al wierook om de hooggeplaatsten een lovend onthaal te bieden. Het spreekt voor zich dat samen met de kledij en met tal van andere rituele attributen in de Constantijnse periode dit gebruik door de kerk werd overgenomen. De denkbeelden in de liturgie hebben altijd gepoogd om de wierook als symbool te zien van het gebed dat opstijgt.

De bijbelse duiding komt dan van de rook die bij het offer van Abel omhoog ging in tegenstelling met die van Kaïn. Genesis:4-5: “Ook Abel bracht een offer, de eerstgeborenen van zijn beste schapen. De Heer zag genadig neer op Abel en zijn offer, maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Een wilde woede greep Kaïn aan, en zijn gezicht werd grimmig.”

Uit ‘Bij de duivel te biecht gaan’ van Willy Tillie (spreekwoorden en zegswijzen uit de Westhoek) – een uitgave van heemkring De Schreve van 2008.