Je sprong perse verre van benauwdheid

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     402 Views     Leave your thoughts  

Wikken en wegen, meten en schatten

We slenteren even door de markt van woorden en wendingen, van waren, maten en gewichten.

We leren eerst het werkwoord ‘wegen’ kennen, met de hoofdtijden woeg of weedege en gewogen of gewegen. Afleidingen van dit ww. zijn ‘meewegen, afwegen, ipwegen, overwegen, deurewegen’, ook het nomen agentis ‘weger’. Een samenstelling daarmee is de ‘vlasweger’; die stond in Kortrijk met zijn rug naar de herberg ‘den Indépendant’ het vlas op vierkante, door kettingen opgehouden, platen te wegen; als gewichten dienden stenen, vanwaar de oude gewichtseenheid voor vlas : ‘zoveel steenen vlas’. De ‘beuterweger’ stond links van ‘den Beuterstul’; een andere deed zijn ‘beuterweginge’ in de insprong naast de poort van het Begijnhof. Met de ‘weegschale’ of ‘schale’ wordt zowel de kleine weegschaal of ‘balance’ bedoeld als de grote openbare waag of ‘baskuul’. Dan is er ook nog ‘den insel’.

Laten we nu enkele uitdrukkingen en zegswijzen afwegen: ‘da(t) zijn wel zware schoen, ze wegen lik loo(d) ; weegd (h)ier e keer an; ’t weeg(t) meer of mijn drinkgel(d) ; ‘ten weeg(t) ma(ar) lik ’n pluimke; ’t weeg(t) van deugden! ’t weeg(t) bijkan ’t dobbel van ’t ander; je’n woeg ze nie, je gaf ze a(l)zoo mee; ’t wa(s) lik goud dat ie weegdege ; ‘k (h)ê mij gewogen en ‘k ben verzwaar(d) ; z’ên den goe(d) gewegen ip ’t tribunaal; van eigen dan ze de beenen meewegen; ge moet zeker nog de kiste afwegen; weeg ’t ip; weeg ’t uit; (h)oevele gelden ze levend ipgewegen?; ’n bitje kennen temmeren, dat ’n overweeg nie; ge’n la(a)t u(w) schale nie(t) deurewegen; besteld e kee(r) wel, ge’n moet da(ar) nie begunnen pekelen; de la(a)tste vlasseweger da’k geweten ê ip de vlassemart es al lange bij den (h)eere; a(ls) je ’t zeg(t), ‘k zou der ook nog kennen van meeklappen van de beuterwegers in de Begijnhofstrate; ’t es voorzeker al fichtig jaar en meer dan de beuterwegers an ’t begijnhof stonden.

Da(t) zijn dingen da(t) je goe(d) moe(t) wikken en wegen; ge moet ip u(w) schale letten in dene winkel, ’t e(s) lik goud da(t) ze weeg(t), ge’n ê nooi u gewichte; da(t) zijn wel schoone koperne gewichtjes; j’es juste weg me(t) zijne wagen na(ar) de weegschale; kijk ze, zou je da(t) keunen, ‘k sta (h)ier balance; teure zeere achter nen insel, ‘k zou da(t) konijn (of: da(t) keun) willen wegen’.

De laatste sporen van oude gewichten verdwijnen hoe langer hoe meer uit het taalgebruik, zoals ‘onse’, ‘pon(d)’ en ‘vierendeel’. In het Kortrijks worden vandaag de dag altijd de moderne gewichtnamen gebruikt, zelfs in uitdrukkingen: ‘gramje’, ‘kilootje’, ‘halve gram’, ‘dobbele kilo’, ‘k(w)art kilo’, ‘ne kilo of drie, ’n gramjen of vuve’. Een paar zegswijzen met oude en nieuwe gewichten: ‘j’en ê geen onse verstan(d) ; ge zij(t) beter met ’n onse geluk of me(t) ne kilo verstan(d) ; zijn (h)aar krul(t) gelik ’n pon(d) keisen (31) ; ‘ten e(s) maar ’n (h)alf pondje, zuk ’n kleen vintje; zuk ’n doo(d)nijperke, ’t e(s) g(eh)eel spring na(ar) ’t vet ; j’en weeg ma(ar) drie vierendeelen … a(ls) ‘tie ’n sterje geten ê ; gij kilo’. Het diminutief heeft een augmentatieve kracht in ‘ j’ eet (h)em alle dagen zijn kilootje petatten’. Een lichtgewicht wordt getypeerd met : ‘j’ en weeg(t) nog gèn tien kiloo lekende nat’.

Bij zwaar en licht horen de volgende gezegden: ”t e(s) ne schoone ring, ma(ar) ’t en e(s) gene zwaren; mijne zwager e(s) ne zware vin(t); ’t e(s) te zwaar om te lijve te dragen; g’en keun nie peizen wa(t) voor zwaar wêrk dat dat e(s); ge zij(t) veel te zwaar gelad; ’t es zware kos(t) ; je lig(t) me(t) zu(l)k ’n zware vallinge; ‘k ê zuk ’n zwaar (h)oof(d); z’es ’n bitje zwaar van lijf; je zoud(e) al pakken da(t) nie te zwaar of te warm en e(s); ge loop(t) veel te lichte gekleed, ge gaat entwadde vangen; ’t es zo lichte of ’n pluimke; ge moet dad al zo lichte nie ippakken; ge moet er wa(t) meer gis(t) indoen, dan ze wa(t) lichter vallen; j’e(s) vele verzwaar(d); z’es ’n toevele verlich(t)’. Wordt een zwaar meubel of een zware kist aangesleept, dan zeggen we wel ‘ns : we zijn hier met da(t) lijk’ of ‘ ‘k en zou da(t) nie gêren ip mijn voeten krijgen’ of ‘ze kostegen me(t) ruze dee piano verpurmen’.

Er wordt met de gewichten dus nogal licht omgesprongen ; maar waar het maten geldt, past grotere nauwgezetheid. Het werkwoord meten zelf is wat uit de maat gaan lopen, want dit oorspronkelijk sterke werkwoord is in het dialect in de verleden tijd naar de zwakke vervoeging overgelopen. De hoofdtijden zijn nl. ‘meten, mittege, gemeten’ geworden ; opnieuw geijkt zou de OVT het nu zelden gehoorde ‘mat’ moeten zijn. In de tegenwoordige tijd horen we ‘ ‘k mete ‘ en ‘je mit ‘ zoals ‘ ‘k wete ‘ en ‘ je wit’. Afleidingen van meten zijn ‘ofmeten, (h)ermeten, uitmeten’. Blijkens de uitspraak ‘mêter’ voor meter kunnen we hier niet van een afleiding van meten spreken. Kortrijk heeft hier rechtstreeks het Franse woord ‘mêtre ‘ overgenomen. Samenstellingen daarmee zijn ‘stokmêter, plooimêter, santemêter of centimêter, decimêter, dobbele decimêter, mêter, dobbele mêter, kilomêter of kilometer’, maar doorgaans ‘barometer, termometer’. Zelden worden nog de oude maten gebruikt : ‘dume, voe(t), schree, elle, perse.

Op het platteland zijn de ‘persen’ of roeden en het ‘(h)onderd lan(d)s ‘ nog lang in gebruik gebleven, althans in de streken waar het ‘gemet’ niet gebezigd werd. Een ‘honderd lands’ mat hier 100 kleine Kortrijkse roeden, praktisch 886 ca, het zestiende deel van een bunder, dat in de Kasselrij Kortrijk 1 ha 41a 69,60 mat. Die cijfers mogen ons niet misleiden, want in de kasselrij Oudenaarde was het bunder 143a 37ca groot; in de streek van Kwaremont, Zulzeke en Ruien 94a 98ca; in Brugge 132a 71ca; in de streek van Brussel mat het bunder ofwel 81a 14ca, ofwel 91a 38ca. Begrijpelijk hebben deze oude landmaten het veld moeten ruimen voor de ‘centiaren, d’aren, d’hektaren’.

Een paar zinswendingen: ‘ ge’n keun(t) dat al zo nauwe nie meten ; je mittege’t en j’êrmitteget, ma ’t en kwam nooi juste; (h)oevele mit je nu; ’t es al lange da’k mij niet gemeten en (h)ê; ‘k mete ‘k ik da(t) me(t) mijn oogen; ’t en e(s) ma kattekwa dan z’utgemeten (h)ên ; ‘k ê’t afgemeten, ma ‘k moe ’t nog uitcijferen; ‘ter komt (h)ier ’n pinantje van nen (h)alve mêter; ‘k en ê juste gene mêter ip zak, ‘k ga ’t moeten meten met ’n tuite koorde; gifd e kee(r) mijne stokmeter, da’k da(t) couponske mete; waar e(s) mijne santemêter were natoe, ‘k (h)a den da(ar)ve(r)s in mijn (h)an(d); z’ên al eenigte kilomêterkes in (h)ulder beenen ; ’t en ga(at) voorzeker nie regenen, den barremêter e(s) g(eh)oog(d); vergêt ma nie van den termometer te steken’.

Door het feit dat sommige van onze oude maten onder Engelse invloed op de wereldmarkt bleven gelden, horen we nog wel ‘ns spreken van: ‘ ’n kwartje (duime); nen (h)alven duime; drie k(w)art, vuf k(w)art, zes k(w)art; nen dume en (h)alf; teure, (h)aal ne pak nagels, tweeduims; slaat er liever nen tweeduimer in; ne voe(t) langk; ’n voetje bree(d) ; zes voeten verre ; j’ e( s) daar alle vuuf voete(n) gezet; g’ ê gij nog ’n voetje vooren ; tegen toen me liggen al lange zes voeten onder d’eerde; a’je ’n voetje gif je pakt ’n schree; es ’t juste? ‘T schil(t) wel ’n elle; ze ston(d) daa(r) snot ellen langk te krijschen; zijn schoen zijn ’n elle te groo(t) ; ge’n ê nie willen (h)orken en ge staat da(a)r nu met ’n aanzichte van ’n elle langk; ’t lag da(ar) nu ne kee(r) al elleberdelle; je sprong persen verre van benauwdhei(d) ‘.

Buiten enkele vaklieden als ‘temmermans, metsers, eerdewerkers’ en dgl. hebben de meesten weinig te maken met de ‘kubieke meter’. Beter bekend zijn de oude en nieuwe namen van inhoudsmaten. De ‘centiliter, liter en hektoliter’ (72) hebben de oude nog niet helemaal verdrongen, nl. ‘den beker, de stoop, de pinte, ’t djoorke, de kapper’. Samenstellingen zijn: ‘pintestekker of pintelekker’; ‘pintjedek’ was het gebruik om ter gelegenheid van de kermis een pint te schenken met een koek erbovenop. Er is natuurlijk verschil tussen een ‘melkpintje’ en een ‘oliepintje’.

Een paar uitdrukkingen: ‘nen beker kêremelk; ne stoop petrol; ze schonken met (h)oopen en stoopen; dat e(s) te gierig voor ’n djoorke te drinken; tapt e keer e kapperke vo da(t) man je; ’n ‘pinte pakken of stekken; pinten betalen; ’n pinte in ’n teu(g)ske en ne sulfer in vieren; feelke, ga je nog ’n pinte drinken? ba jeik, m’en ên toch geen mes noodig vo zuk ’n père te schellen; ’t e(s) nen eeuwige pintelekker, j’e(s) were ip schok; gif e kee ’t oliepintje vo de naaimachine’.

Uit ‘De Leiegouw’ van 1979 – J. Soete – F. Debrabandere

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>