Joannes Baptista alias Tisje Tasje

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     507 Views     Leave your thoughts  

‘t Manneke uit de Mane, almanak voor alle Vlamingen is ook bekommerd om het lot van de goede vrienden in Frans-Vlaanderen. Vroeger hadden onze buren van over de schreve een schat van een volksalmanak waaraan een ieder zijn lippen smekte lijk aan een beuterspekke. Tisje Tasje was zijn naam.

Waar zit de beste vriend van ‘t Manneke uit de Mane nu ? Is het sympathiek kalenderbroertje voor altijd verdwenen of blijft er toch nog hoop dat het weer eens zijn neuzeke zal opsteken ? Kan ‘t Manneke uit de Mane niets doen ?

Welke is de geschiedenis van Tisje Tasje ?

De eerste uitgever was “het Vlaemch Comyteyt van Vrankryck”, dat op 9 oktober 1899 in Hazebroek de almanak voor 1900, de eerste in de reeks aan zijn leden voorstelde. Vader René Despicht nam de redaktie waar, drukker Debreyne-Looten in Hazebroek en later zijn opvolger J. Stoven zorgde voor de uitgave en Arthur Dehaese en Emiel Lemire, goede vrienden van Guido Gezelle, behartigden de verspreiding ervan in gans Frans-Vlaanderen. Tot en met 1914 gebeurde de uitgave volledig ééntalig in het sappig Vlaams dialekt van “het Vlaemch Comyteyt”.

Na een onderbreking van 9 jaar maakte Emiel Lemire dat Gabriel Plancke de uitgave verder zette. Laatstgenoemde beheerde Le Cri des Flandres, het weekblad dat werd uitgegeven door Lemire, volksvertegenwoordiger en burgemeester in Hazebroek. Plancke deed vanaf 1924 Tisje Tasje weer verschijnen in een nieuwe vorm. De uitgave werd tweetalig ; het Vlaams dialekt nam nog steeds de ereplaats in, maar werd vergezeld door een Franse vertaling. Vader Despicht weigerde nog verder zijn medewerking aan de almanak te verlenen. Met een ontbrekende tussenschakel in 1933 verscheen de almanak tot in 1940. Het laatste nummer is zo 27 jaar geleden voor de pinnen gekomen.

Tisje Tasje is feitelijk een historisch personnage. Luister hoe hij dit zelf uiteenzette : .. Mijn voornaam is Joannes Baptista zoals het opgeschreven was in mijn doopsel te Buischeure op 4 november 1767. Maar dat was te lang voor een manneke gelijk ik en vader zaliger en moeder en later de paters van het klooster van Noordpene waar ik eerst werkte verkortten dat lijk vele namen verkort zijn, en Baptista kwam Tiste en Tisje. Mijn vaders naam is Vangrevelinghe. Maar in onze streke de mensen zijn meer gekend navolgens hun stiel als naar hun familiename. Piet Pareule als men zegt is zo genaamd omdat hij laps en pareullen verkoopt; zijn ware name is Pieter Vandeboote.

Henry Swyn, Karel Broucke, Lewis Scharre, Phil Blomme en vele andere zijn alzoo genaamd omdat den eersten zwijnemarchand, den tweeden kleermaker, den derden smed en den vierden bakker is. Tussen Kassel en Bergen waar dat er veel kinders zijn, de mensen breken veel kommiges en schoteltjes, jatten en tassen. Zoals ik altijd een dozijn of vijf tassen met mij hadde en somtijds een tasse als geschenk gave aan mijn beste kalanten, zo werd ik Tisje Tasje genaamd en dat is zoete in den mond. En weinig zijn er nog die Vangrevelinghe kennen.”

Tisje Tasje was een leurder in aardewerk die Frans-Vlaanderen aftrok de ene dag met vijf-zes produkten, de volgende dag met andere. Hij werd het levend symbool van gezonde humor bij onze buren want menig kluchtje wist hij te vertellen. Hij overleed in Noordpene op 25 november 1842. Zijn legendarische naam was in 1900 geenszins uitgestorven en daarom koos “het Vlaemch Comyteyt” zijn volksnaam voor hun succesalmanak.

Enkele proeverkens uit de rijke korf van Tisje Tasje:

Boer Kaesmaker was altijd in ruzie en rooi met de maire van Lapthem contra de wegen die in slechten staat waren. Een keer, over van kolerie, boer Kaesmaker vloog uit en zei in tegenwoordigheid van getuigen dat de maire dom genoeg was om hooi te eten !

Jamaar, mijnheer de maire en liet dat niet liggen en boer Kaesmaker wilde hij boete en scha-geld ontgaan, moest zijn woord herroepen in ‘t publiek voor alle mensen de zondag achter de hoogmisse. Zo, de zondag daarna, Kaesmaker rabbelde op de kerkesteen en zijn klakke afrapend riep hij:

“Mensen ik heb zondag laatst tussen kannen en glazen, mijnheer de maire een beetje te naar gesproken … ‘k Heb hem, onder zaken gezeid dat hij te dom was om hooi te eten. Hewel, mensen, ‘k kom dat hier herroepen en herstellen, en voor degene die het willen horen zeg ik nu dat mijnheer de maire slim genoeg is om hooi te eten.”

Bertje Madrul van de Beveren-Kalsijde vloog al schaverdijnen op den vaart te Roesbrugge in een lamme en werd er bij duist gelukken nog levende van onder ‘t ijs gehaald door Fideel Loncke. ,,’k Ben toch zo blijde dat ik nog leve,” zei Bertje, als hij een beetje bekomen was van ‘t verschot en de alteratie, ,,had ik moeten versmoren, moeder ging mij half dood slaan!”

Tisje was liefhebber van veugels vangen.

Zo was hij een keer van ‘s nuchtens vroeg met Jan van ‘t Menegat uitgegaan om spreeuwen te vangen. Zij waren op loer sedert een zekeren tijd als een grote bende veugels aankwam. De jacht beloofde goed te zijn als Jantje luide riep: ,,Daar zijn ze!” Natuurlijk vlogen ze weg. ,,Gij kalfshoofd,” zei Tisje, ,,kunde gij uwen dommen bek niet toe houden ?” ,,Hoor,” zei Jantje, ,,wie zou ‘t er gaan peizen dat de spreeuwen Vlaams verstaan?”

‘T VREDE-MANNEKE in ‘t Manneke uit de Mane van 1966