Julietje van Feysens

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     389 Views     Leave your thoughts  

De bende Pollet

Zoals er misschien wel meer weten, is onze vriend Marc Clabau druk bezig met opsporingen rond de Belgische tak van de bende Pollet. En dat doet natuurlijk een aantal herinneringen ‘levendig’ worden. Ook in onze familie Vandermarliere loopt er immers een ‘Pollet’ -verhaal. Dat geregeld eens verteld wordt.

Het gebeurde enkele generaties geleden, in het begin van de 20ste eeuw. Mijn overgrootmoeder aan mijn vaders kant, de moeder van Metje Yes – of Yesje van Petit – woonde toen in ‘Petit Paris’ een afspanning in de huidige Gasthuisstraat te Poperinge. ‘Petit Paris’ was toen een afspanning-estaminet-herberg, en Boer Vallaeys werd er Boer Petit genoemd. Hij was vrachtvoerder maar deed ook onder andere met zijn ‘diligence’ het dagelijkse personenvervoer Poperinge-Abele. Kortom hij was eigenlijk de buslijn avant la lettre. Boer Petit was natuurlijk getrouwd met ‘Boerin Petit’ en deze schijnt nog niet de gemakkelijkste geweest te zijn; nu ja als je een herberg uitbaat moet je wel stevig in je bottinen staan.

Op een dag, kwamen drie mannen de gelagzaal binnen en zetten zij zich aan een tafel. Boerin Petit kende er één van; Lapaer, een louche typ die in Poperinge gestrand was en die in de Korte Bruggestraat in een klein huizeke woonde. Ze dacht dat ze wachtten tot de diligence ging vertrekken. Ze hadden veel lawaai en ze dronken verschillende ‘demi’s’ rap na elkaar. Toen hoorde de boerin één van die mannen, een fransman, dacht ze zeggen; ‘Luster è keer, hier, Lapaer, m’n gaon hier busement flikken, drol beschaomen en d’r by tippeln!’

Als die Fransman gedacht had, dat hij met zijn bargoens geleuter, niet verstaanbaar was, zat hij bij Boerin Petit verkeerd. Ze verstond zij heel goed wat dien Fransman bedoelde. Ze ging langs de achterdeur naar buiten, rap naar de stallingen en vroeg daar aan de twee paardeknechten of deze wilden komen post vatten; één bij de achterdeur, en één bij de voordeur. Juist op tijd.

Net op dat moment wilden de drie heren immers zich zonder betalen uit de voeten maken. ‘Ach, nee’ riep Boerin Petit ‘Zo, niet, hee, gij moogt busement flikken, hoeveel je wilt, … ‘ ze mochten dus drinken hoeveel ze ook wilden,’

‘Moar, gij goat gyder zeker nieje ’n drol beschaomen … ‘ – wat wilde zeggen, niet betalen – ‘Gyder gaot betaolen- vor daje d’er bie goat tippeln’ – voordat ze dus zouden kunnen weglopen. En de mannen betaalden.

Die twee Fransmans, dat waren de broers Pollet en later toen ze gearresteerd waren en er op de grens Frankrijk-België, in ’n Abele, er verhoren plaats vonden, toen reed Boer Petit verschillende keren na elkaar met zijn diligence heen en terug, om de nieuwsgierigen te brengen.

Denis Botté uit Poperinge vertelde mij het volgende verhaal.

In die jaren dat de bende Pollet rondwaarde in de streek woonde op de Boescheepse Steenweg de familie Lemahieu – met ‘tante’ Lucie. Hun boerderij stond voorbij wat nu het Engels Kerkhof is. Zij – tante Lucie – was getrouwd en had rond 1900 drie zonen. Haar man en deze zonen waren echter die avond op café, het was één of andere kermis of feest, Denise weet het niet meer zo goed; maar misschien was ’t wel Sint-Elooi. En toen was het dat ze ’s nachts opeens lawaai op haar erf hoorde. Ze hoorde ook stappen naderbij komen en iemand morrelde aan de deur. Er werd gevloekt; dedju, dedju …

Tante Lucie dacht: ‘Wat nu gedaan … ‘ en in plaats van stillekes af te wachten, begon ze luidop te fluisteren: ‘Jules, neem jij het geweer, Louis zorg dat je hier staat met die riek! Bertin! Martin! Komen jullie hier!’ Ze riep nu: ‘Mannen! Hou jullie gereed, hee!’

Ze stak haar voeten in een paar klompen die bij de haard stonden en trappelde er mee op de haardstenen. Het klonk precies of er 10 man in huis zaten. Ze riep nog eens: ‘Laat ze nu maar eens proberen binnen te komen!’ Maar het bleef muisstil aan de andere kant van de deur. De bende Pollet was vertrokken, waarschijnlijk richting Boeschepe, de richting van de grens.

’s Anderendaags hoorde tante Lucie dat de bende ook bij de buren was geweest. Lapar die mee was, was eerst binnen geslopen en was daar de dochter des huizes die – wat ziekelijk – thuis was gebleven van de kermis, tegen het lijf. Hij siste dat ze in levensgevaar was en zei haar dat er in een koffer moest kruipen en zich muisstil houden. De boerendochter deed dat ook.

Het meisje hoorde toen allerlei lawaai, gevloek en geschuifel. Een half uur later werd het stil maar het duurde tot dat ze haar vader haar naam hoorde roepen voordat ze het kofferdeksel durf de openzwaaien en schreiend in haar vaders handen viel.

Ook de Vlamertingse familie Veys – zo schrijft Mark Adriaen – werd het slachtoffer van een overval door de Bende Pallet. We mogen hier zijn verhaal overnemen.

INBRAAK DOOR DE BENDE VAN POLLET

In de nacht van 6 maart 1906 gebeurde er een mislukte overval bij de Gebr. Veys, hophandelaars te Vlamertinge. Joseph Veys was sedert een twee jaar getrouwd en woonde in het ouderlijk huis met zijn nog ongehuwde broeder Georges, handelsgenoot in de firma J. en G. Veys Gebroeders hophandel.

Er waren in de streek reeds heel wat overvallen gebeurd door de bende van Pollet, die actief was van 1898 tot 1906. Bendelid Lapaer, bijnaam voor Camiel Guyaerd van Poperinge, wist dat de gebroeders Veys er als handelaars in hommel warmpjes inzaten.

De bende beraamde een inbraak en om 11 uur ’s avonds kwamen Abel Pollet, Lapaer en twee bendeleden uit Wevelgem, Verbeke en Dekimpe, toe aan de woning Veys. Bendeleider Pollet hield de wacht terwijl Lapaer met de twee trawanten het terrein op gingen. Plots wees Lapaer naar boven. De gebroeders Veys beschikten blijkbaar over een telefoon. Lapaer knipte met de hulp van Dekimpe de lijn door, terwijl Verbeke een breekijzer bovenhaalde. Tevergeefs probeerde hij de tralies van de bureeldeur los te krijgen. Ook hulp van Lapaer en Dekimpe konden niet baten, en ze besloten de achterdeur te proberen, wat eveneens niet gemakkelijk gmg.

Door dat ongewoon gedoe beneden in het huis werd de dienstmeid Julie Capelle uit haar slaap gewekt. Haar slaapkamer bevond zich ongeveer boven de gang op het gelijkvloers die de scheiding uitmaakte tussen het kantoor van de bediende en het kantoor waar de brandkoffer stond, en waaraan toegang gegeven werd door een deur die zijlings uitgaf op de ingangsdreef. De trouwe dienstbode aarzelde niet en begaf zich naar de andere kant van het huis waar haar meesters sliepen.

Ze klopte en op de vraag van de verraste Joseph Veys : “Wat is er Julie?” antwoordde ze angstvallig : “Mijnheer Joseph ; ik hoor geruchte beneden in de gang bij de bureau”. Joseph Veys, die wel wist dat Julie zich nogal rap allerlei zaken inbeeldde, stuurde haar terug met de woorden : “Julie, ge zijt zeker weer aan het dromen geweest, kruip vlug terug in uw bed”. Jullie trok aarzelend doch gedwee naar haar kamer waar ze opnieuw beneden lawaai en getrappel hoorde. Nog meer onthutst liep ze naar de kamer van Joseph Veys, klopte en met een bedremmelde stem fluisterde zij : “Mijnheer, ’t is zeker, er is iemand in huis aan ’t inbreken”.

Joseph Veys, die nu aan het beseffen was dat er iets ongewoons moest zijn, riep tot Julie : “Wacht eventjes, ik kleed mij in de gauwte aan, wij zullen samen gaan zien”. Julietje kon echter niet wachten en daalde de trappen af. De weerschijn van haar kaars belichtte de glazendeur die tussen de keuken en de eetzaal toegang gaf tot de gang van de twee kantoren. De dieven werden in hun werkzaamheden verrast en namen ijlings de benen. In hun overhaasting konden ze slechts een regenscherm met zilveren handvat en een paar kledingstukken uit de gang meenemen.

Ze vluchtten de kasseiweg over naar het “Hoogwegeltje” (eertijds Schepenswegeltje genaamd), dat de steenweg naar Poperinge met de Casselstraat verbond, weg. De bende had blijkbaar op voorhand een vluchtweg gezocht. Georges Veys was door al dat lawaai eveneens opgeschrikt en in volle paniekstemming. Hij nam zijn tweeloop en vuurde door het venster in de richting van de vluchtende schimmen.

Dank zij Julietje was de overval mislukt. Het enige noodlottig gevolg was dat Gabriëlle Veys-Goethals, die een tweede kindje verwachtte, door deze gebeurtenissen een miskraam had. Julie Capelle (°Staden 13-05-1859 +Westrozebeke 05-03-1952) werd te Vlamertinge “Julietje van Feysens” genoemd omdat ze gedurende 75 jaar te Vlamertinge in dienst geweest is bij de familie Veys, waar ze bij drie generaties vergroeid en vastgeworteld was.

Ze werd als 16- jarige wees als kindermeid aangeworven door Théodore en Hélène Vanden Bussche bij de geboorte van hun tweede zoon Maurice Eugenie op 22 juli 1875 (overleden in 15 april 1876). Op het Assisenhof verklaarde Pollet tot de getuige Julie Capelle: “Meisje, had ik moeten weten dat gij het waart en dan nog ongewapend, het zou anders afgelopen zijn, ik had U zeker niet gespaard!”. Op 11 januari 1909 werden de kopstukken van de bende van Pollet terechtgesteld aan de guillotine te Bethune.

.

Geschreven door Guido Vandermarliere en verschenen in Doos Gazette nr 24 van mei 2004

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>