‘k Slachte van de ezels

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 years ago     475 Views     Leave your thoughts  

Veel tijd om op ziek zijn te denken, hadden onze grootouders niet; ze moesten zich weren om aan de kost te komen en de twee eindjes van ‘t jaar aan malkaar te knopen. Als zij niet wel te pas waren, wisten ze zich goed te verhelpen met allerlei keukenremedies; en ge moest Ko-n-oom van Anne-moeiens nooit plagen, om wat in te nemen, want hij weigerde vlakaf: ‘- ‘k Slachte van d’ezels, ‘k zoeke mijn kruiden zelve!’

Wie minder vertrouwd was met die medikamenten, wist altijd waar naartoe; er woonde minstens in ieder dorp een persoon die raad en remedie wist voor elke kwaal, en te kleine koste. Ze toverden met ongezouten boter en wonderzalven, met ‘Adelems-olie’ (Haarlemse olie) en fessatie olie (olie van boemtrankiel). Dan waren er nog baden: in gruiszop, assenloog en koeimest; pap van lijnzaadmeel voor verzworen wonden, steenzweren en zevenogen; en vooral allerlei afkooksels van kruiden: peerdezurkel, dokkewortels, pappewortels, robarbewortels, leiwortels of karremoes en wat weet ik al…..

Ze moesten vooral ‘t bloed zuiveren ‘bij ‘t botten en ‘t vallen van ‘t blad’. ‘t Sap van vlienderbloemen werd sterk aangeprezen om de brand uit te trekken; men moest een zere keel betten met dat sap; vliendersiroop en zeem voor de borst; sap van gekookte haver en vijgen met suikerkandijs voor een slepende koude; kerremelk en scheewei drinken tegen de gele zucht en, als afwisseling, wijnsteen voor de ‘slunse’ (influenza).

Voor ‘t bloedstelpen lag de remedie bij de hand: een oud zwart kobbenet uit de stal op een gapende wonde…. Om de koorts te doen achterblijven moest de zieke een strooien band rond de naaste boom binden, naar huis lopen en in bed kruipen. Die ‘aanborger’ van ‘t Veld had zich hierin wat te laat bedacht. Bij de terugkeer van een goed begoten verkiezing, sukkelde hij met strooien benen al door ‘t Veld huiswaarts; maar hij kon nooit ‘t Veldgat vinden, doolde rond en….. viel in slaap in die kille nacht.

‘s Anderendaags lag hij met de koorts op ‘t lijf te bed. De pastor op bezoek, informeerde: – ‘Maar, mijn vriend, hoe lig je hier zo ineens geslegen?’ – ‘Te late bepeisd, Menere Pastor, anders niet, ‘k had eerst moeten die koorts aan de laatste boom van ‘t Veld binden en dan op een drafje naar huis lopen!’

Ze luisterden toen ook nog naar die ‘kwakzalvers’, die, op de kermis of ‘s Zondags na de mis, al het volk bijeentrommelden en het moment afwachtten dat de garde gedaan had met ‘afroepen’ van op de kerkesteen.

Van op die hoge zate van die rare ‘fateure’, tussen twee geklede schoothondjes, boden ze – die kwakzalvers – de gezondheid in flesjes en dozetjeste koop…: ‘Ge moet mij niet geloven, brave mensen, maar tenez, je probeer het eens! na een uur voelt ge al soelaas, ‘t komt al te gelijk los….. en ge zijt gesolveerd!’

De dozetjes en flesjes werden uitgedeeld: ‘Alley, wie nog…..?’ De Motte stond altijd in bewondering voor die woordenvloed en kopschudde: ‘Hoe dat ze over hun woorden niet ‘n vallen en de tonge verstuiken…!’ Voor bepaalde ziekten gingen ze ook gaan dienen. In ‘t Noorden naar ‘t krampekapelletje van O.L. Vrouwe ‘Troost in nood’ langs de Blankenbergse kalsijde; te Brugge lieten ze zich inschrijven tegen de krampe, ‘in Magriete’: ze kregen een lintje en ‘t moest gebonden worden daar waar de krampe zich liet voelen; wie naar Lichtervelde ging dienen naar Magriete, bracht gewijde kousebanden mee voor de krampe aan ‘t been.

Te Brugge in de Potterie wordt Sint-Idesbald nog aanroepen tegen’t rommaties; te Vlissegem komen ze naar Sint Blasius voor ‘t graveelsteen. In hun angst zouden de huisgenoten hemel en aarde bewogen hebben, en niets was hun te veel om de genezing van de geliefde zieke te bekomen; ‘t was alzo, toen die boerin te Rumbeke ziek lag, dat ze beloofde een kapelletje ter ere van de H. Gerardus te bouwen.

Hier en daar zien we nog van die kapelletjes te lande. Als ‘t nog niet beterde, lieten ze zich belezen – in ‘t Brugse, van ‘pater Pol’ te Steenbrugge – en de gekregen medalie of relikwie verliet nooit de zieke. Rond die tijd werd het oude Wantje Speybroek uit de Broek met de sieze naar Brugge gevoerd naar de dokteur Vanden Abeele: ze had een stek in haar duim en ‘t vier kwam erin.

De voorschriften van de dokter werden wel stipt nagevolgd, doch alles werd in aanraking gebracht met de medaille van de H. Benediktus die ze van pater Pol gekregen had; zelfs ‘s nachts legde ze die medalie in ‘t koelvat, waarin haar gloeiend kloppende arm te rusten lag. Toen de de dokter ten huize kwam, bekende hij heel eerlijk: ‘Zeker, bazinne, we gaan al doen wat we kunnen, maar we kunnen toch de ziekte niet meenemen in de voiture’.

Ze namen toen ook nog hun toevlucht tot die eigenaardige gebedekens in bijzonder gevallen: voor perels op de ogen af te lezen, of de vijt (panaris) te genezen:

Ze beweerden ook dat een zieke de invloed van de maan onderging; van iemand die ‘t water had, zeiden ze: ‘Ze gaat op en af met de mane’. Als de roste mane ‘s nachts op uw hoofd schijnt, krijgt ge zeer in ‘t hoofd. En de oude kosterin beweerde altijd: ‘Als ik de roste mane kon halen, ben ik weer voor een jaar gered!’

Die mensen waren taai en hadden veel zwarte sneeuw gezien; zolang als er een beetje doen aan was, gaven ze het nog niet op. Vraag maar eens aan een ‘staande’ bejaarde mens: ‘Hoe gaat het?’ – ‘Lijk of dat je ziet, mager en taai en geern op den draai!’ of ‘Kraken de beentjes, ‘t herte blijft jong’.

Zegt ge: ‘Maar ge ziet er nog staande uit voor uw oude!’ – ‘Ja maar ‘k slachte van de koster, ‘k houde mij aan ‘t ga(r)s. Andere zeggen: – ‘Jammer dat mijn benen niet mee en willen, ‘k slachte van de ezels, ‘k begeve aan de poten!’

Nog andere antwoorden: – ‘’k Mag niet klagen, maar ‘k ben stakestijf, ‘k plooie lijk een eken wisse . ‘We gaan aan ‘t langste koordetje trekken, we moeten ons niet haasten, den hemel wordt hoe langer hoe schoonder’.

Maar aan die eigenzinnige smid moest ge niet veel over den hemel spreken: – ‘Den hemele? maar ‘k verlangen ik zodanig naar dien hemel niet; z’en eten daar niet anders of rijstpap, en ‘k en mogen dat niet; en ‘t zijn haast al joengers, en ‘k en kunnen tegen al dat geruchte niet meer, aan mijn oude!’

Om te kennen te geven dat ze er nog eens willen van profiteren: – ‘Dat ‘t slecht gaat…! de dood is ‘t laatste!’ Of met dezelfde betekenis: ‘Achter ons trekken ze de leer op’. Niet dat die bejaarde mensen of de zieke zo’n gruw hadden van de dood. O neen! dat niet, ze waren eerder vergroeid met de doodsgedachte en ze hadden een grote devotie tot de H. Barbara, patrones van de goede dood; de meesten waren zelfs ingeschreven in de confrerie van deze heilige.

Van moeder, of als eerste kommuniekant, hadden ze dat gebedetje geleerd, dat ze nog elken avond lazen. Hun gezegden zinspelen ook op de naderende dood. Als ge ze aanraadt wat meer te rusten: ‘O , ‘k zal rusten als de spa gevaagd is’. Als ze een draaiinge krijgen: ‘’t Is niets, ‘t is een vermaningske’.

Ze zijn overtuigd van ‘t gezegde; ‘Een ouden moet en een jongen kan’. Vandaar ook: ‘’t Grootste ende is gelopen’ of anders nog: ‘’t Endetje kort’. Troost ge een zieke, het antwoord ligt gereed: ‘’k Heb mijn tijd gehad, ‘k slachte van de braambeiers’ of: ‘We zijn niet geschapen om hier te blijven’ of: ‘Er blijven hier gene lopen’ of nog: ‘Er wordt hier niemand vergeten’.

Andere zuchten: ‘Als de dood er mee gemoeid is, doe maar’. Nuchter weg luidt het: ‘Als de dood komt, we moeten mee’. Als de mensen van iemand spreken die ziekelijk is en er deerlijk uitziet en weinig of geen kans meer heeft om te genezen: ‘Hij zal niet ver meer lopen. – Hij zal ‘t niet lang meer trekken. – Hij zal niet veel potten meer breken’. Ook wel eens, en hard om horen: ‘Hij zit met ‘t geld van de grafmaker in zijn zak. – Hij vecht tegen de dood. – Hij zit al met zijn één voet in de put’. Als de zieke grate- of hondemager ia, uitgemergeld: ‘’t Is een geraamte. – Hij ruttelt in zijn kleren. – ‘t Is lijk de dood op stokken’.

Van iemand die benauwelijk is om aan te zien: ‘’t Is lijk co’père de dood. – ‘t Is lijk Pietje de dood’. Wie danig aan ‘t geld verslaafd is, moet wel eens horen: ‘Ge zult het niet meedragen’ of ironisch: ‘Ja, pak het maar mee in je doodkiste’. Ernstig vermanend: ‘In je doodskleed en zitten er geen zakken.’ (Zo komt het dat men zegt van een kist die zwaar en lastig gedragen wordt: ‘Hij heeft zeker niet alles afgelegd!?’ menende: het geld).

Aangaande dat doodskleed? Wel gewoonlijk hadden begoede voorzienige mensen hun doodskleed gereed liggen in ‘t schof van de kasse of van de kommode; de naastbestaanden werden daarop gewezen: – ‘Kijk, moest er entwat vorenvallen; ‘t ligt hier al bijeen, zie: ‘t kommuniedoekje voor de berechtinge, mijn doodskleren (de witte jakke met kantjes of ‘t opperhemde was ‘t bijzonderste) en mijn lakens’.

Dan heersten ook die gevaarlijke besmettelijke ziekten zoals: zwarte pokken, typhus en zo meer, die hele families aantastten; de mensen hadden er een heilige schrik van….: en van die schrik alleen zoudt ge de ziekte gekregen hebben. ‘t Was alzo vergaan met Pier, die boerezoon die ‘s nachts meeging met de beerknecht om de ‘pitjes’ te betalen in die kleine huizetjes te Brugge; hij hoorde wel de vrouw spreken, maar in de donkeren wilde hij zien om te betalen en naderde met de stallanteern…

Ze zat daar in een hoekje ineengekropen en zwart van de pokken; hij, Pier, sprak geen sprik, liep naar buiten en volgde stom van schrik den beerwagen. ‘s Anderendaags lag hij met de pokken. Mijnheer pastoor die regelmatig op bezoek kwam, had wel geen schrik, maar hij nam zijn voorzorg; telkens als hij thuiskwam, legde hij de stoof open en bleef enige minuten boven het open vuur ademen: – ‘Al die bedorven asem is alzo ververst’, zei hij tegen de maarte.

Toen het te monde liep dat ze bij de schoolmeester met de typhus lagen, bleven al de kinderen van zelfs thuis; niemand durfde nog voorbij de school, al ‘t klein stepsel, naar de kerke gaan: ze gingen drummend tegen de smidse, van zijds schuw omkijkend naar het huis en de besmette school.

De beide zwarte nunnen die de zieken verzorgden, werden evenzeer in de kerk geschuwd: ze hadden al de plaats voor hen alleen; de meester doolde doelloos in de ‘stukken’ en werd door niemand in zijn wandeling gestoord. De ziekenverpleegsters moesten veel salade met azijn en eiers eten om de brand te schuiven; dagelijks werden er verse lakens gelegd en heel de boven met water en azijn gedweild om de brand op te nemen.

Doch spijts al deze voorzorgen stierven twee van de oudste kinderen – 24 en 19 jaar – maar veertien dagen verscheên; ze werden ‘s avonds begraven en niemand durfde een handje toesteken; de meester moest zelf de eerste spa aarde werpen om de kiste te bedekken en dan naderde de putmaker om het graf te vullen. In zulke gevallen werd natuurlijk de dokter geraadpleegd: maar bij de gewone ziekten was het maar als de mensen moe getjoold en tenden alle markten waren, dat ze de hulp van een dokter inriepen; dan kwam ‘t gebuurte meewarig bijeen: – ‘O ‘t gaat slecht bij Dingens, den dokteur komt!’

Gold het een arme sukkelaar, of een vader of moeder met jonge kinderen, dan sprong iedereen seffens en ongevraagd in de bres: – ‘Ba, ‘k zou ‘k ik wel voor de beesten kunnen zorgen’ – ‘’k Zal ik wel zijn land op mij pakken’ – ‘’k Zal de waste meedoen met de mijne; ‘t gaat al met één moeite deure’.

Meteen werd ook vastgesteld wanneer ze zouden vergaderen om ‘den ommegang’ te doen, want ‘zolang of dat er leven is, is er hope’ – en ‘God leeft die’t al geeft’. Overal waren er van die veldkapelletjes, een eerste en naaste toevlucht van mensen in nood; ofwel ze gingen naar een verder gelegen bedevaartoord. Elk huisgezin van het gehucht was vertegenwoordigd in dien ommegang en, zo mogelijk, werd die ommegang aanbevolen van op de preekstoel.

Te Sint-Kruis vergaderden de plaatsenaars aan Duivelsdoornhut om de ommegang naar O.L. Vrouw van Assebroek te doen, maar ze begonnen maar te bidden aan de Vossesteert; de beeweg liep verder langs smalle paadjes voorbij het ‘Oude Veltem’ door ‘stikken’ en bos heen, naar de Oelemse kalsijde en Assebroek-kerke. De Malenaars hadden hun eigen beeweg; ze vergaderden aan de Zuidstraat, gingen al de dreve achter de Planten, stopen onder ‘een schof’ over de spoorweg, voorbij Rijkevelde en ‘t Zothuis tot op de Oelemse kalsijde, en voorbij ‘t Pannenhuis naar de kerk.

Ze vertellen te Male een legende van een kasteelheer die zijn belofte van den ommegang niet hield: – ‘Mevrouwe lag in ‘t kinderbedde en ze beloofde, voor den goên afloop, van veertig keers den ommegang te doen naar Assebroek, en in ieder busse wat te steken en aan ieder arme mens op heure weg een aalmoes te geven. Ongelukkiglijk, mevrouwe stierf, ‘t kind leefde en mijnhere hield die belofte niet.

Veel jaren later, als mijn grootmoeder zaliger daar aan ‘t hout rapen was in de bossen van Rijkevelde (Sijsele), kwam er daar altijd een here die heur triestig bezag. Op ‘t aanraân van ‘t geestelijk zei ze op zekeren keer: – ‘Zijt ge van de duivel, vertrek van hier; zijt ge van God gezonden, spreekt’.

En die geest zei: – ‘’k Dole hier al veertig jaar rond om verlost te worden van een belofte, en gij kunt mij helpen’. – ‘Maar here, ‘k ben ik maar een arme vrouwe’, zei mijn grootmoeder verlegen. – ‘Hier mijn gouden ring…’. En daarop heeft mijn grootmoeder dat aanveerd; 40 weken achtereen deed ze den ommegang en ze stak in ieder busse een oortje; en de 40ste keer gerocht ze er haast niet, van dat gewicht op heur schou(d)re, en ‘t zweet barstte heur langs alle kanten uit.

Maar van als ze ‘t kruisgebed gedaan had, was ze verlost; en ze zag daar een witte gedaante die naar heur loech, en hij (de geest) was weg.’

M. Cafmeyer in De Biekorf nr 51 van 1950