Kalle Geete

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     295 Views     Leave your thoughts  

Hoeveel werd er niet geschreven en verteld over varende vrouwen, ’t is te zeggen spoken of heksen, onder de gedaante van vrouwen, die over de aarde zweven of varen, zo snel en zo zacht, alsof zij de grond niet aanraken. Soms veroorzaakte hun stille vaart draai- en dwarrelwinden, die straten ver meedraaien. Vandaar kregen die draaiwinden, die zand en bladeren al wemelen omhoog drijven, de naam van varende vrouwen. Die vrouwen verschenen meest ’s nachts en speelden de mensen menige part en poets, zodat zij door het volk met recht en reden gevreesd werden. De meeste van die varende vrouwen of varende heksen waren niet wreed, al is ’t dat hun perten ver van aangenaam waren.

Van dat slag was ‘Kalle Geete’ van wie ik hier zoo nauwkeurig mogelijk de geschiedenis zal vertellen, zooals ik ze trouwens uit de volksmond vernomen heb.

Te Beveren aan den IJzer, een schone en vreedzame gemeente, was het dat Kalle Geete omtrent honderd jaar geleden spookte; daar is nog een wegje, een brug en een arm van de IJzer, die van haar hun naam ontleenen: de Kallemoeieweg, de Kallebrug en de KalIebeek. Een bewijs, dat wat ik zal vertellen, de echte waarheid moet zijn.

Wie de heks, wie Kalle Geete was, heb ik nooit kunnen vernemen. De enen zeiden, dat het een geest was, die uit de andere wereld terugkeerde; de anderen durfden, maar zonder gegronde redenen, een of ander zonderling, oud wijf verdenken, maar niemand wist duidelijk haar afkomst op te geven. Iedereen noemden haar Kalle Geete, omdat ze dikwijls te zien was onder de gedaante van een witte geit, die in wilde sprongen over haag en afsluiting in de meersen liep en in een mist verdween. Nochtans nam zij het meest de gedaante van een lange, lange magere vrouw aan.

Overdag hield zij zich verdoken onder de brug van de Kallebeek, waar zij het water omroerde om onzichtbaar te zijn. Oude mensen weten te vertellen, dat het water kookte en borrelde, alsof er in de grond van de beek een bron was. ’s Avonds, als het duister en donker werd, kroop ze uit de beek en speelde haar perten.

Soms zag men haar door de vensters van de huizen alle slag van lelijke gezichten trekken. Soms nog hefte ze de huif van een kermiswagen op, gaf een ‘geweldige schaterlach en spuwde de mensen bijna blind. Andere keren greep zij de kinderen vast, die te laat op straat liepen, en droeg ze een geheel eind ver, zonder ze te bezeren, zodat kinderen en zelfs grote mensen ’s avonds niet meer op straat durfden komen, als het laat werd en donker. Zij was in ’t algemeen vreedzaam, maar waagde het iemand met haar te spotten of te gekken, Kalle Geete bakte hem een poets die niet naar de rook smaakte.

Daar was nu eens een werkman, die ik niet wil vernoemen, omwille van zijn nakomelingen, die nu nog leven en waken te Beveren. De man had zijn vlas geleverd en op de goede verkoop een dikke pint gedronken, zoodat hij een tamelijk stuk in zijn kraag had en op strooien benen, links en rechts waggelend, naar huis gesukkeld kwam.·

Aan de Kallebeek gekomen, hoorde hij opeens, tien stappen ver, boven ’t water een belletje altijd maar rinkelen en klinken: ‘Hou!’, zei de man en hij bleef staan. ‘Wat de duivel is dat?’, sprak hij bij zichzelf, en hij luisterde met de mond open en keek dat de tranen langs zijn kaken liepen. Hij zag niets; maar hij hoorde gedurig dat duivels belletje, dat klonk, altijd maar klinken. Wel tien tellen lang stond hij daar te luisteren, of beter trappelde hij daar nu voorwaarts dan achterwaarts, nu links dan rechts om niet te vallen, en het belletje klonk altijd voort.

‘Ha! ha! ha!’, riep hij eindelijk, ‘Kalle Geete, gij zijt het, geloof ik!’ ‘Veel groeten aan Pietje Pek, en klink aan mijn broek!’ Ja maar, verdraaid, hij had dit maar met moeite gezegd, of dat belletje hing aan ’t gat van zijn broek, en klonk om hoorndol van te worden.

‘Moord!’, riep de vent, en door de schrik ontnuchterd, liep hij al wat hij lopen kon recht naar huis. En toen hij aan zijn hek kwam, viel dat belletje op zijn hielen, gaf een schaterlach, blaatte ’n keer of twee gelijk een geit, en de man was binnen en de deur op slot. ’t Schijnt dat hij sedertdien nooit meer laat uitbleef en voor goed genezen was van de eeuwige dorst, waarvan zijn maag te voren gedurig laaide en brandde.

Zekere Jan kwam ook ’n keer ’s avonds laat van Roesbrugge en toen hij halfweg was, zag hij van ver aan de hoek van de kasteeldreef, die nu nog kasteeldreef is en noemt, twee grote oogen die glarieden gelijk katoogen. Jan was verschrikt en dacht dat het met hem gedaan was. Het dunkte hem, dat het een vrouw was, die daar stond en naar hem loerde in de duisternis.

‘Ach, die verwenste Kalle Geete!’ zuchtte Jan en koud zweet parelde op zijn voorhoofd. Die woorden waren pas uit zijn mond of die vrouw werd zo lang en zo ‘groot als een boom en zo dun als een hoppestaak. En Jan ging aan het lopen dat zijn twee klompen aan stukken vlogen langs de weg !

U zeggen hoeveel muilperen en schoppen, die brave snul kreeg, kan ik niet, maar hij kwam thuis meer dood dan levend, en ’s anderendaags had hij twee blauwe oogen, een gezwollen aangezicht en hij mankte geweldig.

’t Gebeurde ook ’n keer, dat Ko Snuif, een zwingelaar, die veel gekte en spotte met Kalle Geete, heel laat bij maanlicht was blijven zwingelen: ’t was wel tien uur, toen hij zijn zwingelkot sloot en naar huis toe ging. Het was een van die koude winternachten; de maan scheen helder en ’t was klaar gelijk overdag, maar het vroos dat het kraakte en het was koud, dat de honden er bij grijnsden. Ko’s oorlappen waren neergetrokken; zijn handen zaten tot aan de ellebogen in zijn broekzakken en hij liep op een drafje huiswaarts. Toen hij dicht bij zijn huis kwam, hoorde hij opeens een kindje zo jammerlijk schreeuwen, dat het treurig was om aan te horen. Ko zocht rond en vond aan de deur van ’t geitenhok een kindje, dat nauwelijks enige dagen oud kon zijn.

‘Wie mag het wanschepsel zijn, dat dit arm kind zoo onmenselijk verlaat?’, zuchtte Ko, en hij nam het kindje in zijn armen op en droeg het naar binnen. Hij stak dadelijk een vuurje aan, om dat schamel doetje te verwarmen. Maar terwijl hij vol droevige gedachten over de haard gebogen zat, en met zijn muts waaide om het vuur aan te wakkeren, vloog het kind opeens van Ko’s schoot door de schoorsteen weg. Het schreeuwde ‘Ha! ha! ha!’, en blies zo geweldig op Ko zijn hoofd, dat hij achterwaarts op de vloer omver tuimelde. Het was Kalle Geete, die zich op die schamele Ko Snuif gewroken had.

Op een zekere warme zomerse zondagavond zat er een schoon gezelschap drinkebroers in de herberg ‘De Sterre’. De enen waren aan ’t kaarten en de anderen lachten en kachaaiden, zoals dat gewoonlijk onder jonge” lieden gaat. Zekere Beeuwsaert, die een van de beste zangers van de streek was, zou een liedje zingen en hij zong een spotliedje op Kalle Geete. Ja maar, zijn liedje was nog niet half gezongen of daar kwam een lange magere vrouw binnen en gaf Beeuwsaert zo’n geweldige slag op zijn gezicht, dat hij ondersteboven van zijn stoel op de grond tuimelde. En vooraleer iemand de tijd had om tussen te komen, was zij al weg en de deur uit.

Dikke Marie, een oude brave vrouw, die bij de boeren de kost verdiende, kwam op een avond laat naar huis: ’t was zo donker dat men geen hand voor de ogen zag! Toen ze op de Wittebroodskruisstraat kwam, hoorde zij in de gracht, een flauw gekerm als van een ziek kind. En inderdaad daar lag een meisje van twee tot drie jaar naar adem te hijgen, alsof het sterven ging. Vol medelijden nam dikke Marie het kind in de armen en wilde het naar het dorp dragen, maar het meisje werd zo zwaar, zo zwaar, dat de vrouw het volstrekt niet meer dragen kon en het op de grond moest neerzetten. Ja maar, het gleed opeens uit haar armen, en vloog weg en ze hoorde het gekende ‘Ha! ha! ha!’ boven de hoornen uitklinken. Toen ze omkeek, zag ze een lange magere vrouw, die veel groter was dan de populieren langs de weg.

In ’t begin zegde ik, dat die varende vrouw de naam van Kalle Geete kreeg, omdat zij dikwijls onder de gedaante van een geit verscheen en ik heb nog niet een enkele poets verteld, waar zij onder die gedaante verscheen. Ik zal er nu ook twee vertellen en daarmee zal het uit zijn met al wat ik over dat heksegoed weet.

Zekere boer had zijn tarwe geleverd, en ja, de mens is krank; hij had meer in ’t glas gekeken dan naar het uur en zo kwam het, dat hij in de kleine uurtjes naar huis sukkelde. Al opeens, terwijl hij over een gracht stapt, wipt er daar een witte geit uit. Ze springt tussen de boer zijn benen, en stormt met hem vooruit gelijk een paard onder de ruiter. Toen de boer nu alzo een geslagen uur scherreling op die geit gereden had en reeds ver zijn hofstede voorbij was, wilde de geit hem neerzetten, maar de boer viel niet links: hij sloeg zijn rozenkrans rond haar horens en riep: ‘Kalle Geete op of Kalle Geete neer, waar gij mij gehaald hebt, brengt mij nu weer!’

En zij deed het ook, maar ze joeg en blies zodanig. dat de boer peinsde, dat ze onder hem ging bezwijken. Toen hij aan het hek van zijn hofstede kwam, sprong hij af en liet de geit vrij; maar zij blaatte zoo benauwend en deed zulke vreselijke sprongen, heen en weer, over het hek, dat de boer haar verloste van de paternoster, waarna ze verdween gelijk een weerlicht.

Eindelijk de laatste poets, die ze speelde, was met de meid van Mijnheer Pastoor. Louise was haar naam, een oud, braaf vrouwtje, die maar één gebrek had en ’t was van te veel te praten: men kan toch niet volmaakt zijn op de wereld! Nu; Louise had hier en daar nog al veel gebabbeld en gepraat op de rekening van Kalle Geete. En als de mensen zeiden: ‘ Louise, pas maar op, gij zoudt wel ’n poets kunnen gebakken worden, die u weinig aangenaam zou zijn; ge weet heel wel, dat Kalle Geete het bijzonder gemunt heeft op al wie met haar spotten.’

‘Wel, ik ben niet benauwd, die heks zal t’ onzent niet komen; ze is benauwd voor mijnheer pastoor.’
Ja maar, luister wat er gebeurde. De pastoor had een mooie geit en de meid ging ze elke dag driemaal voederen. Op een avond, terwijl mijnheer pastoor bezig was met zijn getijden te bidden, ging Louise de geit eten geven. Maar al opeens hoorde de pastoor zijn meid schreeuwen en vooraleer hij de tijd had om ter hulp te snellen, vloog de deur open en Louise, bleek als een lijk en meer dood dan levend, kwam de kamer binnen gestormd met haar armen in de lucht:

‘Och! Mijnheer pastoor, onze arme geit!’ En ze kon geen woord meer spreken. ‘Wat is er gebeurd?’, riep de pastoor, die niets verstond van al wat zijn meid uitkraamde. ‘Ach! Mijnheer pastoor, onze geit werd bijna doodgestoken door een vreselijk wangedrocht!’ De pastoor nam de lantaarn en ging naar de stal.

Hij vond daar een soort van dier, dat op een geit geleek en dat, zodra het de pastoor zag, de muren opreed om weg te geraken. Wat verder in een hoek zag de pastoor zijn geit op een bundel hooi half dood liggen. Het schoot hem dadelijk te binnen, dat het wel een poets van Kalle Geete kon zijn en hij deed seffens de deur open. Het vreselijk dier sprong buiten, gaf zijn gewone ‘Ha! ha! ha!’ en liep de meersen in. De verontwaardigde pastoor verwenschte dan Kalle Geete voor honderd jaar in de Rode Zee.

Sedertdien hoorde men van haar niet meer spreken, en iedereen was er de pastoor dankbaar voor. Ja maar, over vijf jaar zijn die honderd jaren om en Kalle Geete moet terug keren. De oude mensen zitten nu al met de harteklop, en de jonge, gelijk altijd, zijn nieuwsgierig, en ze verlangen om te. zien of Kalle waarlijk zal komen of niet. Die leeft zal het zien.
Uit ‘Zeisels en Vertellingen’ van J. Leroy uit 1893

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>