Kannegeluk is mannegeluk

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     163 Views     Leave your thoughts  

Als joenge pretil (eerder zeldzaam) of als joeng ipskeute (een kedeetje van e joar of seventien achttiene en nog meer) of als groeote lewie of loeoij verlaat de opkomende jongeling, dejonkei, het ouderlijk nest en geraakt in de mazen van het sluwe geslacht. Het meisje is intussen opgegroeid, wachtend op diegene die haar vragen zal ‘Vanwaar zal hij komen?’, vraagt ze aan het lievevrouwebeestje, dat zij van de hand laat wegvliegen. Ook de roep van de koekoek wordt aandachtig beluisterd; deze verkondigt immers na hoeveel maanden men huwen zal; tevens plukt het jonge meisje met ‘ja’ en ‘neen’ de blaadjes van het madeliefje om te weten wat het laatste blaadje zal beslissen.

Vooral de droom heeft een bijzondere betekenis. Een jong meisje dat aan de slijting deelgenomen had, nam een weinig vlas mee naar huis en legde het onder haar hoofdkussen om ’s nachts in haar droom de toekomstige te zien. Droomde een meisje van een boomgaard vol appels en peren, dan zegde men: ‘vruchten voor tijd is een trouw of een lijk’.

Van een meisje dat 25 jaar wordt en haar schoonste jaren ziet voorbijgaan, zonder aan een echtgenoot te geraken, zegt men hier te Kortrijk: ‘Elle coiffe Sainte Cathérine’. Ook zegt men: ‘Op Ste-Annabankske zitten’. De Heilige moeder Anna werd vroeger in de oude Sint-Elooiskapel op Overleie te Kortrijk zeer vereerd. Dat blijkt uit de rekeningen van de kapel, die vanaf het jaar 1664 in het Kortrijks Stadsarchief bewaard zijn. Ongetwijfeld bestond die devotie daar reeds veel vroeger. Wekelijks, op dinsdag, werd er een plechtig lof ter ere van de Heilige anna gezongen; haar feestdag werd door een plechtige hoogmis gevierd. w. J. Impe vertelde me dat Sinte anna patrones is van de naaisters; vandaar het gezegde dat naaisters niet zullen huwen.

Wie een spiegel breekt trouwt zeker nooit, en wie in de soep een laurierblad schept moet nog zeven jaar wachten. Kan een meisje echter een appel schillen zonder dat de schil afbreekt, dan mag ze trouwen. Laat een meisje op de laatste dag van het jaar haar spinrokken onafgewerkt zijn, dan zal ze gedurende het komende jaar niet gehuwd geraken.

Wil het jonge meisje spoedig een man, dan is ze onderworpen aan een hele codex voorschriften. Ze moet een klaverblaadje met vier blaadjes zoeken en het dan zorgculdig in haar kerkboek bewaren, want dit brengt zeker geluk mee in de liefde. Ook borstspelden en andere kleinoden in de vorm van een hoefijzer, brengen geluk bij.

Ontmoet ze op nieuwjaarsdag op straat, als eerste persoon, een soldaat, dan treedt ze nog hetzelfde jaar in het huwelijksbootje. ‘Kannegeluk is mannegeluk’ te Ieper, Kortrijk, Brugge en langs de kust. Ook het spreekwoord ‘Kannegeluk is vrouweluk’ pleit in gunstige zin voor de man. Hij die het onderste uit de kan te drinken krijgt, zal een goede vrouw trouwen. Bij het inschenken van het laatste restje, ter intentie van huwbare lieden: ‘mannegeluk, tchoa meskien vo van de joare zien.’ Wie echter uit een gescheurd glas drinkt zal een weduwe huwen.

Wanneer te jonge personen vrijen ontbreekt het de Kortrijkzaan niet aan schilderachtige taalvaardigheid. Hij haalt woorden en wendingen op uit diepten tot waar de beschaafde spreker nooit doordringt. Liefde tussen twee jonge personen heet kalverliefde en daarrond wentelen de woorden meisefritter en knaechtebrakke.

Gaat men met te jonge meisjes om, dan mag men horen: ‘gen meugd an gin groen oagen traeken’. Verder hoort men nog; ‘tae nog ’n piskoese, jen kan nog nie rechte ut zien broek pissen’, of ‘Ze zien skeel van vreien aen ze taelen mae ruze daertich joar te goare.’ De meeste meisjes zijn echter indachtig dat ‘een vogel die te vroeg zingt, ’s avonds van de kat opgegeten wordt.’

Tweed paasdag, bekend als ‘boeremoandach’ is het hoogtepunt van de poasfoeore. Eertijds kwamen de boerenknechten en boerenmeiden ‘kernut aen kernut’ het welvaren van de ‘foeorekroamers’, bespoedigen en thans nog betreedt het nieuwe geslacht het oude spoort, moderner in denken en doen. De paartjes spraken af om samen al de genoegens van de kermis mee te maken; de mannen zouden het gelag betalen. De meesten kochten voor ulder djanne aan een hoog kraam aan de Univers op de Graanmarkt, aan het hoekje van de Waterpoortstraat ‘makkeroengs’ en ‘paenepisse’ van ‘viere, viere vo nen dikken’. Zij zelf beten in hun schar, dat is een gezouten en gedroogde platvis. De jonge meisjes vooral waren erop gesteld te dansen en men kwam overeen naar de Koeiemarkt te trekken, waar ze naar hartenlust hun begeert zouden kunnen voldoen.

De ‘Zwarte Leeuw’ aan de Brugpoort, ‘Het Schippersof’ in de Recolletten, ‘In de Posthoorn, Boldershof en ’t Lamje’ in de Sint-Janswijk werden druk bezocht. Men moest als stedeling niet proberen in die danszalen met ‘hun djanne’ te dansen, want daarvoor werd er gevochten.

Op feestemaandag, dit is de tweede maandag na Pasen, kwamen de boerendochters ‘gepient lik nen iengs of en priezbiêste’ met hun lief – een boerenzoon-, bijgenaamd ‘ulderen serviteur’ naar stad. Zij die nog een lief moesten kiezen, trokken er alleen op uit of in gezelschap van kameraden. Voor die gelegenheid hebben de meisjes uit de stad hun beste kleren aangetrokken en zijn enige dagen voordien bij de kapster geweest. Niet zonder reden, want ze weten dat de boerenzoons of zonen van handelaars uit het omliggende – ook volledig in het nieuw gestoken – hun zomerlief komen opdoen.

Overal is er leven en beweging: Italiaanse draaiorgels, wijven die krabben en harde eieren verkopen, kramen waar en pierlootjes en babbelaars verkocht. Verder Gentsche Anijsmokken, Janhagel en heiligmakers of huwelijksmakelaars. Aldus noemde men platte, vierkante peperkoek waarin gemengde kandijsuiker, sukade en anijskorreltjes. Wie reeds een zomerlief had opgedaan kocht dan zo een heiligmaker voor zijn liefste. Kreeg men in ruil ’n tote dan kon men op verder succes rekenen.

In vele herbergen werden gelag en danspartijtjes gehouden. Waar dit geschieden moest, was niet enkel het huis bevlagd, maar door een dakvenster stak een pers waaraan een dikke groene kool, een savooi, hing te bengelen. Wie te veel platvis gegeten had trok een gelag binnen; de jeugdige koppeltjes verkozen een herberg met dansmuziek. Het Lammeken, de Palace en Den Gouden Hond in de Zwevegemstraat, de Valentino op de koeiemarkt, De Scala in de Pluimstraat en Den Alcazar op Overleie werden druk bezocht.

Dat bij deze gelegenheden de onderlinge rivaliteit tussen stad en dorp, of tussen twee Kortrijkse gehuchten, tot uiting kwam hoeft niet te worden gezegd. Het zwakke geslacht, voorwerp van de twist, is een eeuwenhoud verschijnsel. De jongelui van de omliggende streken hielden, als leden van een buurtgemeenschap, vast aan hun zeden en gebruiken en het gold als een strenge wet: bij huwelijk en geboorte werden er geen vreemdelingen geduld.

Durfde een jonge man uit Kortrijk het aan met een boerendeerne te dansen, dan ontwaarde hij niet dan kwade blikken; zolanf de duisternis niet inviel, bleef hij gespaard en enkel met vijandige blikken bejegend. Viel de duisternis in, dan moest hij maar zien vlug weg te komen, wilde hij er heelhuids van afkomen. Zo eindigde kermismaandag voor velen met baldadigheden en dikwijls zag men onze champetters een vierder naar de hoge wacht slepen.

Voor een tiental jaren bestond die onderlinge rivaliteit nog tussen de gehuchten zelf van Kortrijk. Een jongen uit Overleie mocht het niet wagen in een dancing met een meisje van ’t Hoge te dansen, want had hij voor het vallen van de avond de plaat niet gepoetst, dan kwam het tot handtastelijkheden. Ook Walle en het Sint-Antoniusstraatje verdedigden goed hun deernen en weerden iedereen die een hand naar hun meisje uitstak.

’s Avonds kwam het er op aan hun zomerlief een uitgeleide te doen, en te weten of het hun lief voor altijd zou worden. De slimsten hadden bij het kopen van hun feeste of hun foore hun voornemen of begeert aan de uitverkorene laten kennen. Voor de meesten was het een gewaagde kwestie, want het aanbod kon worden geweigerd, en dan kregen ze hun huwelijksmaker terug en stonden ze bloot aan de spot van hun makkers. Wie zeker was van zijn stuk, snapte zijn gezellin bij de arm en ‘koppeltje deu’ maakten ze een afspraak. Gezien de meimaand meestal in het zicht was, sprak men gewoonlijk af een godvruchtig bezoek aan het ‘Kapelle-ten-Putte’ en het ‘Bloedkapelleke’ te brengen.

Op de afgesrpoken zondagen ging het jonge volk dan eerste de heilige Maagd Maria vereren. Veel tijd vraagt dat niet, Maria is met weinig tevreden, zeggen ze, en zo vlug mogelijk verlaten ze het Kapelle-ten-Putte om dans langs de binnenwegen, met veel ‘toten aen laeken het Bloedkapelleke’ te bereiken. Ook de ‘Milane-dreve’ werd druk bezocht, waar de deur van de Kapelle Milaan heel de maand wagenwijd open stond.

Ook werd de weg ‘de dubbele haagskes’ in lente- en zomertijd druk bewandeld door de vrijers. Als men aan het einde van de Doornijkschen wjik gekomen was, rechtover de weg van Walle, had men links een smalle weg, die tussen twee hagen liep en langs het gebied waar nu de Sint-Rochus, Vogelmarkt of de Volksplaats en Voortuigangstraat liggen, naar de St.Denijsstraat voerde, dicht bij de monding van de Kanonstraat.

‘Op elk potje past echter een scheeltje’ en men kan blijven hopen op de komst van Jan van pas. Bleef de gewenste man al te lang uit, dan ging men wel eens te rade bij de ‘woarzaeger’ en de ‘woarzaeginge’ of de ‘koartelaeginge’, waar de kaart gelegd werd om uit te maken met wie men zou huwen. Ook kreeg men soms een omslag mee met de foto van de toekomstige. In Overleie waren er beroepskaartlegsters. Hielp ook dit niet, dan trok men wel eens naar Rijsel of Roubaix bij een waarzegster met naam.

Soms steken de ouders en de buur wel een huwelijk in elkaar, dat niets anders blijkt te zijn dan een zakelijke overeenkomst tussen twee partijen die de kansen wegen en zoveel mogelijk de tegenpartij trachten te overtroeven, terwijl de enige belanghebbenden niet schijnen mee te tellen.

Vooraleer over te gaan tot het huisbezoek, loont het de moeite even de vele woorden en uitdrukkinge na te gaan die hier in Kortrijk, aangaande een lief en een vrijage gebruikt worden. De uitverkorene, zowel mannelijke als vrouwelijke, wordt in het algemeen ‘lief’ genoemd. De vrouwelijke geliefde heet bij de jongen ook mien poeze, mien kaepe, mien tsjoerelke. In goed gezelschap zal men eerder van e snael meiske spraken dan van en skoeone tiete. Maar dit zijn maar twee kleuren uit de regenboog, waarin we nog aantreffen; e snael dink, iets da wael ae, en skoeone mokke of skete, e skoeone medael en e skoeo kien. Verder hoort men tae lik nen droeom, ge zoed et ip uj an droagen, tae lik en biezzoetsje, zae lik chelaek, ze koem lik ut en doeozje en daad ae wael en snaele giêze of en snael giêtje, maar nooit en snaele giête. De mannelijke geliefde draagt de naam van kaepemoaker en ne lantelaeker. Wederzijds spreekt men van miennen aertenoagel.

Er zijn gebruikelijke gezegden aan te stippen: je zit oolsan in dadus, ter lich toa zeker nen traekploaster, je skiet to wortels, je lich to moa joengen, joazd achter da meiske, zien oeogen goan verkloaren, ze zien in kaenaesse, ze vriijen dat skowe gif,..da kotje rok, ..dad ulde iemde wikkelt, …dat skufelt, ….dat ole miensken te vele skil, ze zien van mallekoar niet skippelijk, of raker nog, maar verre van deftig: ze keunen nie pissen of kakken zoender malkoar. Ten slotte zegt men ook nog van een jong meisje dat verkeert: en tot en ae mmo stof, stoa’s u nied an, ge voach’s of.

Een paartje, dat wat al te lang bij het vrijersleven houdt, raakt zeker nooit gehuwd, want lange vrijage is zelden mariage. Opgepast echter otter en oedde skuur in brande gerak, ten ae chin blusken mir an. Geniet het huwelijk de volledige goedkeuring van de ouders, dan zegt men in Kortrijk: tae mae tchdach aen de meubels. Gaat men niet akkoord en gaan de verloofden uit elkaar, dan heeft men een blauwke opgelopen, of ’t is poteerd, ofwel: ziennen oarink em brat nie.

De daaropvolgende week wordt aangifte gedaan op het stadhuis en bij de geestelijkheid van de parochie. De aankondiging op het stadhuis geschiedt tien dagen voor de trouwdag: ze hangen in ’t kaske, of ze hangen uit, of ze zitten achter de tralies, zelgt de volksmens. Tegenover de pastoor moeten de verloofden het gebruikelijk onderzoek ondergaan betreffend eventuele huwelijks beletselen, en de plichten van het huwelijksleven worden hun voorgespiegeld.

De drie zondagen die het huwelijk voorafgaan, geschiedt de afkondiging van de huwelijksbannen en hoort elke aanwezige in de hoogmis de verloofden van de trappen van de preekstoel vallen. Men kan ook twee huwelijksbannen afkopen en dan wordt men maar éénmaal afgeroepen. Wanneer verloofden nu na hun huwelijksbelofte, en nadat reeds het eerste, tweede en derde gebod afgeroepen was, de ondertrouw breken en van het ontworpen huwelijk geheel afzien, dan spreekt men nu nog van ’n biêle. Maar ’t is beter gebeeld als kwalijk getrouwd.

Vroeger werd geen huwelijk gesloten of beide echtelingen brachten een zorgvuldig voorbereide uitzet mee naar hun nieuw huis. Vooral de uitzet aan linnen en lijnwaad was bijzonder goed voorzien. Bij de burgerij bestond de uitzet van een huwend meisje uit een slaapkamer, eetkamer, keuken en al het linnen voor het huishouden, zoals: lakens, tafelkleden, enzoverder. Verder een voorraad klederen, rokken, kousen, schoenen, onderkleren, hoedjes en bovendien nog allerlei keukengeri, en indien mogelijk een bruidsschat naar vermogen. De jongeman bracht zijn eigen lijnwaad mee en indien nodig een bureau. Op onze dagen komt het veel voor dat de ouders een bepaalde som geven en men doet ermee wat men wil.

Wanneer het op de dag van de bruiloft regent, dan wil het volksgeloof dat de gehuwden gedurende hun huwelijksleven veel zullen moeten wenen. Daarom draagt de moeder van de bruid op de vooravond van het huwelijk – wanneer de hemel ongunstig weer voorspelt – eieren naar de Arme Klaren in de Groeningestraat te Kortrijk. ’s Anderendaags vroeg in de morgen bidden de slotzusters een stralende zonnedag over de jonge trouwers af.

De heilige Clara is berschermster van het mooi weer: Klaarke geeft klaar weêr. Wanneer op Kortrijk-buiten de varkens met stro aan de poten lopen en als de slakken een kluitje aarde kruien, dan komt er regen.

Tenslotte moet nog worden gewezen op de uitdrukking: Op den oven steken of zetten. ‘Ze heeft haar zuster op den oven gestoken’ Ze is eerder getrouwd dan haar zuster, hoewel die ouder is. Ze is op de oven gezet (haar zuster die jonger is, trouwt eerder dan zij.

L. Bekaert in ‘De Leiegouw’ van 1959.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>