Kannegeluk is vrouwegeluk

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     624 Views     Leave your thoughts  

Verschenen in het jaar 1894: volgend overzicht van Westhoek-dialect. Wat is er toch al veel ‘te kwiste’ gegaan!

Aas. Bij aas op zich zelf, geene verklaring. Dat is doorgaans het geval bij samenstellingen, waarvan het grondwoord onverklaard gelaten en waarbij naar de bepalende woorden verwezen wordt. Ik teekende hierbij te Ieperen de schertsende zegswijze op: hi en meug gèn aas. = hij lust een lekkere pint.
Altemets, werd, waar ik het hoorde, oltjemets uitgesproken.
Anjoen, ajoen (sic Id.) te Ieperen andjoen, mv. andjoens, wel de aanteekening waard om de epentethische d. Men zegt ook andjoentjes = sjalotjes; ‘da zien van die langdewiesde (langwerpige)’ luidt eene mededeeling.
atermenten = ‘’n vloek, die een balk in zijn schild voert;’ maar ook: ‘’t ga te fete ol in atermenten zien,’ = aan stukken.
akkebielje = ‘allemal prutsen,’ vodden.
allevoet = onmiddellijk (Steenvoorde).
afgriezelik = afgrijselijk.
ankerege = niet opgenomen bij (h)ankeren (de h is onbek. in ‘t Wvl.) =hunkeren. Voor de etym. ‘hankeren, freq. van haken, met ingeschoven n,’ wordt geen nader bewijs aangevoerd.
appelflauwte = Etym. verkeerd in ‘t Id.; volksetymologische vervorming van apoplexie (Vercoullie). Hierbij: ‘krieg-je ‘n appelflauwte? = wordt je gek? Syn. ‘kom-je slecht an je herte?’
assan reke = altijd voort, geregeld voort. Als uitdr. niet vermeld.
baantje steken = baantje glijden; id.
bakkebieter = kribbebijter (paard); id.
batje (‘n – doen, koopen) = iets voordeelig koopen; id.
bebloemen = met bloem bestrooien; id.
bedeelen (hem -) = zich verdeelen, verspreiden, uitspreiden. De wederkeerige werkw. hebben in ‘t Id. het voornw. zich, dat in ‘t Wvl. nietbestaat.
beddepisser = gallic. voor pissenlit (bloem); niet vermeld.
belleklienkertje spelen, id.
berliertje, niet als verkleinw. vermeld.
beiden; beit e betje = wacht een oogenblik; id.
berdullen = raaskallen, flauwe praat vertellen = e massa arme Vlams uuteendoen; id.
berloe = scheel, in verband met Fr. berlue; ook wordt berloe geroepen door de kinderen, wanneer onder ‘t hienkelen (jeu de mérelle) een kind het blokje hout op de schreef schopt; id.
bespètsen, nevens bespeitsen.
betrouwen, niet verm.; ‘’k en betrouw hem va(n) geen (h)are.’
bezeuren = bezuren; id.
bigge = klein zwijn; id.
bikiek, binende = bijziende; id.
blaker, syn. met blazer = komfoor, réchaud; id.
bloeisel(s) = bloesem(s); id.
boenten = botsen, terugstuiten; niet verm.; een kaatsbal boent.
bordes = niet vermeld in den zin van linnen paviljoen, ter beschaduwing van een winkelvenster.
bottekrune of botkrune = een ijzeren tuig met breede kruin van boven en van onderen spits toeloopend, met een dwarsstaafje in ‘t midden der lengte, ‘twelk de maaiers in den grond slaan om er met den bothamerhunne zeis op te kloppen.
bomme = bolleket; id.
breekspel = iets, dat het spel breekt; id.
broeder = poffertje; Aalst, smaatbol, smoutbol; id.
brokkenesse = soort van bloemkool te Ieperen.
brug (de – optrekken) = de deur sluiten, den doorgang versperren; Poper.
bok, heeft als afzonderlijk woord, weer geene verklaring; er diende bij vermeld, of liever nog bij buk, dat dit woord over ‘t algemeen, het mannetje van zoogdieren aanduidt: buk van e keun.
but, komt niet voor in de beteek. van mand; ‘n but haring.
debbe = kwezel; hierbij het antwoord van een godsdienstig meisje, als men haar een debbe noemt: ‘’a (dof) debbe is a schutteldoek.’
deugenietenaar, heb ik aangeteekend voor deugeniet, het gewone woord.
diezen = duurder worden. ‘Het hooi diest’, De Toekomst, Ieperen. Het niet wetenschappelijk karakter van het Idioticon, en zijne strekking om eene Westvl. schrijftaal te vormen, komen best aan ‘t licht door artikels als:
dierzen (uitspr. diezen, zie rs), diersde (Wvl. diersdege, zieimperfect), ben gediersd, o.w. Dieren, verdieren, dierder worden, in prijs stijgen, fr. enchérir, hausser de prix. De eetwaren dierzen gedurig. Het graan is gediersd. Vgl. ‘klaarzen.’ De Westvl. uitspr. is diezen, diesdege,gediesd (met dien verstande, dat ie daarin lang is, hetgeen phonetisch moest aangeduid worden). Dat zijn de eenige vormen die in een Idioticonmoesten opgenomen worden; daarnevens dan dierzen als etymologie.
diekedelvers, hierbij: ‘ze gaan getiek diekedelvers’ = zeer snel, Kon hier geen poging gewaagd worden ter verklaring van die vergelijking? De beteekenis ligt zoo niet voor de hand.
doebel = centiem; niet opgenomen.
doren = gek, kluchtigaard: ‘hi is a (dof) raren doren.’ Het is hetz. als het Duitsch Thor en bestond in ‘t Mnl. als bijv. nw. (doren is blijkbaar het zelfst. gebr. bijv. nw.; vgl. hi is ne viezen): dore menschen,
duum (duim) (maar uu kort). Hierbij de uitdrukking: ‘we kunnen daran geen duum leggen’ = daar kunnen we niet tegen op; het positieve duum leggen zou dus het tegengestelde beteekenen van het opgenomen den duim leggen.
duimerloot luidt te Ieperen dumeloot; daarbij het deuntje: dumeloot,kattepoot, langerake, korteknape, kleen petietje.
dumeling, niet opg. in den zin van duimovertrek; evenmin vingerlingin den zin van vingerovertrek.
dronke luidt te Ieperen droenke.
etwaar, vind ik niet in de alphabetische orde, maar bij entwaar.
ehwel; dat gallicisme, dat ik onder zijn Iepersche gedaante niet zou kunnen afbeelden, is niet opgenomen.
euverste vind ik niet in den zin van euverleêr.
fekke = iemand die zich met beuzelingen kan bezighouden; ook op zaken toegepast: iets dat niet deugt: ‘t es a fekke van a mes, van a pen;niet opg.
flenter = iem., die flenterachtig = ziekelijk is; id.
flinken; hierbij de uitdrukking ‘een oogsje flinken’ = knipoogen.
frisperen (weg -) = wegsluipen; niet opgen.
fronselen = in zeer kleine, onregelmatige plooitjes leggen.
gaaf, gave = ongeschonden, vind ik niet: ‘’t es schoone gave’; sic, te Ieperen, Poper.,
gaper; de Kemmelsche gapers, te Ieperen, een spotnaam der inwoners van Kemmel. zooals keikoppen voor die van Poperinghe;
gauwdief = zakkenroller; id.
geelegan = geheel en gansch; id.
geetebok, niet als compositum opgenomen.
gelegen, mocht opgenomen, met verwijzing naar liggen, om de uitdrukking ‘gelegen zien’ = in de kraam zijn.
gemet = landmaat, nagenoeg 44 aren.
glatsch, niet als bijv. naamw. opgenomen in den zin van glad.
gliender, pers. vnw. 2 pers. mv.: ‘hoe naamje gliender e pottebesem?’
grimasse (- maken).
gräten, is te Ieperen meer dan schimpen, spotten en heeft ook wel de beteekenis van treiteren.
gravei (Fr. gravier), Zuidelijk West-Vl. en Fr.-Vl., grindweg. Niet in ‘tId.
grieselik, id.
handelen (- van) = traiter de. Van wuk handelt den boek? = Waarover handelt het boek; id.
háásard = lekkernij, dessert; id.
hennevleesch; ik zien geelegan in hennevleesch; id.
hoenger (heelen -) = geeuwhonger; id.
hienkeltje spelen = vgl. hinkelen; id.
hienst = hengst, Poper.,
hooi = ‘t is ol hooî in paanders = het ligt al overhoop; id.
hoofdvleesch = id.
hoetstok = zoethout; id.
iesbel = ijskegel; id.
insteken = aanzetten, aanvuren.
jeketesse = hagedis (Poper.).
judekoker (Iep.); het Id. heeft juitekokoker.
joender = uw; vgl. joen,
klakstamper = snuisterij voor kinderen; babbelaar met een stokje in.
kneukel = knoesel; vgl. knuttel.
kadetje = koekje; id.
kadul; niet opgenomen als bijv. nw. met den zin van: flokachtig; niet gezond.
kaliesjap = drop; id. Idiot. = kalissebrood.
kaliesjestok = zoo wordt kalissestok uit het Idiot. uitgesproken o.a. te Cortemark.
kaktanden = kaaktanden, baktanden; niet opgen.
kalle = kind, dat zijne moeder vleit; van de kalle maken = streelen, liefkozen, vleien; id.
kallefaterare = iemand die zich met alles bezighoudt; id.
kaneneknuust = babbelaar, smakende naar kaneel, id.
kannegeluk; het Idiot. neemt de spreuk op: kannegeluk is vrouwegeluk; te Ieperen hoorde ik: kannegeluk is mannegeluk. Dat wordt natuurlijk door de vrouwen gezegd en niet in denzelfden zin als dien opgegeven door ‘t Idioticon; er wordt eeuvoudig meê bedoeld, dat een man doorgaans zijn zaligheid in de herberg zoekt.
kapellewiesde; eene samenstelling met wiesde, niet in ‘t Idiot, opgenomen; wordt gebruikt met gordienen; kapellewiesde gordienen zijn kruisgordijnen.
kardjassen = slaan; kardjas = slaag; zee (ze heeft) kardjas g(eh)ad; id.
karreslag = wagenspoor; id.
kartiertje = ieder der deeltjes van een sinaasappel; id.
kartje = in de uitdr.: we gaan e kartje lachen; we gaan hem e kartje vasthoeden, d.i. plagen; kartier noch kwartier staan in ‘t Idiot.
kat = hierbij neemt ‘t Idiot. de spreekwijze op: ‘Zou men niet zeggen dat keizers kat zijn nicht is, en ‘t en is geen vriend;’ te Ieperen luidt het eigenaardiger: ‘Ze dacht da keizerkarels kat kar nichte was, en ze was mar familie van de steert.’
kattepoeze = kinderwoord voor kat; id.
kattepoete = bont; bloem van het lisch.
keers: Over de keers,
Beentje mar eentje;
Over de keers
Beentje.
Wordt gezongen met keersebegietinge, d.w.z. den eersten Maandag van October. ‘s Anderen daags begint men bij ‘t licht te werken.Keersebegietinge wordt hier gevierd gelijk elders Verloren Maandag; maar eigenaardig. Te midden van den vloer, wordt een ortjekee(r)se (kaars van een oordje) gezet, waarover de vrouwlui moeten springen terwijl ze haar rok tusschen de beenen nemen om de kaars niet uit te dooven. Ondertusschen wordt het rijmpje gezongen. Dat er daarbij een stevig glas geledigd wordt, hoeft niet gezegd. Zoo wordt de kaars begoten.
spaarkèse is er eene die grooter is dan de ordjekèse en bij ‘t gebruik waarvan men dus spaart.
kegge = groote neus; metaph. van keg = wig.
kèkelen met den zin van twisten; ook te Aalst bijv., maar kékelen.
keuling, nomen actionis van kullen, maar met langen wortelklank.
kind; noch – noch kraai te voeden hebben, teekende ik te Ieperen op. In ‘t Idiot. staat deze allittereerende uitdr. niet, maar wel noch kind noch ken.
klakkaart, bet. te Iep. een gerecht bestaande uit aardappels gekookt met karnemelk en gestoofd met boter. In ‘t Id. heeft het een andere beteekenis.
klawieren, Iep. vgl. Id. klauwieren.
kleed, mv. kleers.
klette = a joenge klette: jonge vrouw, die tot niets goed is.
klontje = pil.
kluchtig = geestig, boertig. Men zegt ook koddig.
knobbeltje = knop; rozeknokbeltje = rozeknop.
koes = kous, in de zegswijze: wuk rekt die koes an da been = hoe komt dat te pas.
komof = komaf in de uitdrukking: van geen hoogen komof zien (zijn), van geene aanzienlijke afkomst zijn.
koreië, Iepersche vorm van Fr. curée. In ‘t Id. staat opgenomen koreyemet verwijzing naar kraai 2o, dat beteekent diaphragma. Het door mij aangeteekende koreië beteekent evenwel niet diaphragma maar: de toenge, ‘t herte, de loenger, zooals ik opteekende uit den mond van mijn gebuur, een zwijnenslachter, die zeer wel onderscheid maakte tusschen de kraaie en de koreië.
kornuut, Id. Een kleen verneuteld ding of persoon. Te Ieperen ookschobbejak.
korreboetje: kort boutje = klein kaarsje.
korrewagen, niet opgenomen naast kordwagen, kortwagen.
kotje, krotje. Niet opgenomen; synoniem met keppe = troetelkind, lieveling.
kotralie; id.; slecht bouwvallig huis.
krakeelen: harrewarren, ergruweeren (dat ook in ‘t Id. ontbreekt naastargueeren, ergueeren).
krasselaar, in de beteekenis van iemand die niets kent.
krasseljaren (in de -): tijd, waarop de maandstonden komen en waarop ze wegblijven.
krom, in – kouten = hakkelen, slecht spreken.
kuksje naast kukske = kakkernest.
kul (zotte -). In ‘t Id. staat bij kul: ‘Smaadnaam dien het volk geeft aan eenen vent, die dwaas, of gierig, of lastig is.’ Zotte kul wordt te Ieperen zoowel van eene vrouw of meisje als van een man of jongen gezegd.
kuloore = hoete (houten) trunte; vergl. trunte. Dit woord staat
lichtekoje = Nedl. lichtekooi; te Kortrijk.
luzen (hem -), gezegd van vogels, wanneer deze met den bek over de pluimen strijken.
kutten, het spelen met de kutte is een kinderspel te Ieperen; de kutteis een kort, rond, dik stuk hout, gescherpt aan de beide uiteinden, waar met een stok op geslagen wordt, zoodat de kutte in de lucht vliegt. Te Aalst noemt men de kutte een kalle, kalleken; het spel heet kallekesloon(slaan).
kwezel vind ik ; het woord wordt te Ieperen gebezigd in den zin van debbe, doch minder dan dit laatste.
lasje (laatstje); laatste slagje, dat de kinderen, bij ‘t scheiden na het spel elkander trachten te geven. Aalst: lésteken.
laten. De eigenaardige uitdr.: ‘k laat je varen van beantwoordt aan het Nedl. laat staan. ‘Ne goe schoenmaker ‘n hee gee werk ‘k laat je varen vanne lapper.’. Met een ondergeschikten zin: ‘k late varen, dat…
latertied beantwoordt aan ‘t opgenomen laterwaarts.
leeuwerker = leeuwerik, Pop.
lek = fruitstroop, van lekken.
leute = koek, niet in deze beteek. opgenomen in ‘t Id.
lever. In ‘t Id. worden opgenomen den zwaren lever en den lichten lever. Bij lever staat aangeteekend: m. (en niet v.). Te Ieperen teekende ik’t lichtelever op, beteekenende de loenger.
liefde. Hierbij de zegswijs: ‘Liefde es liefde en hi kuste ze koolf (kalf)deur ‘n doornhage’ die wel nog elders dan te Ieperen zal gebruikt worden.
liendhaksje = vischhaakje, Poperinghe.
loeie = teugel, Poper., in ‘t Id. loenie, loenje.
lukkeboone = gelukskind; eigenlijk hij, wien op Driekoningen de boon uit den koek te beurt valt.
liesde = die goed hoort, Poper.
luker(s) (van de oogen) = oogleden;
lullepotten; hierbij wordt de afleid. lullepotter opgegeven doch nietlullepottinge.
maartje, gebruikelijk verkleinwoord voor mare – nieuws.
me, pers. vnw. de aandacht waardig als encliticum na een voorzetsel: De kinderen riepen áchterme.
melkwied teekende ik aan met de beteekenis: wit sap, dat uit den stengel van pisbloemen vloeit.
merve (Iep. Pop. Cortem.) = murw, in ‘t Id. murw en murm.
met, eigenaardig gebruik van dit voorzetsel: ‘met doende leeren.’
mieren in de vaste uitdrukking: mieren zeeken van koleere.
minder, is de aanteekening waard in den zin van kleiner: de nunnen zien minder dan de ovebeesten.
moeit gi joen in ‘t hennekot
os den (h)ane ni thuus en es.
moer, bezinksel van wijn, koffie.
morren aangeteekend als synom. met bukken = pruilen.
muurbloem beteekent te Kortrijk stokvlier, staat
nete beteekent ook te Ieperen een gierig mensch.
neusdoek, niet opgenomen in ‘t Id heeft te Ieperen, behalve de beteekenis van zakdoek ook die van omslagdoek voor vrouwen.
nieten, substantive naast niet in gebruik: ze zoe zi nieten doen voo(r) mien.
nunne, zwarte tor, kleiner dan de ovebeesten.
oenderholf, Iep. uitspraak voor onderhalf = anderhalf.
afkoeten (afkouten), hetz, als het opgenomen afklappen
oliemantel = regenmantel.
oltieds, Iep. uitspr. van altijds.
pareeren, de huizen bij feestelijke gelegenheden versieren, ;ook niet pareerement.
parrekier = pruikmaker.
perdeman = ruiter.
peter; hierbij de zegswijze: ozje (als je) geen peter ‘n ziet, moeje mee je duumtje in j’n achterste begraven worden.
pief = neus.
piepapouw, wisselvorm te Poperinghe voor piepouw, plaagstake.
pleizanteeren, zelfde beteek. als Fr. plaisanter.
poeljardiene, Iepersche vorm van het opgenomen poeljedinne.
poeper, Id. Wat door den roeper kan, kan door den poeper, Ieperen: ol die passeert deur de roepere passeert deur de poepere.
pootstaan = het hoofd bieden.
possense, naam van het varenkruid, Kemmel.
potjekoker, man, die zich met de keuken bemoeit. In ‘t Id. heeft dit woord een ander beteekenis.
prot (‘n – doen) = coïre.
pruussisch, ‘t en is daar nie pruussisch: Nedl. pluis.
pudenakebloot, gansch bloot; Aalst: paddemoedernot (paddemoedernaakt).
pukkel = vischnet, Poperinghe.
pupegale, de vermaarde Poperingsche pupegale moet gezocht worden onder pijpegale; zoo wordt toch niet uitgesproken. ‘In Fr.-Vl. in gebruik’ zegt het Id.; ja, maar daar niet alleen.
raziaander, afleiding van razianen, waarvoor het Id. raziaan heeft.
regen, bijvorm van regenen: ‘t ga mollejoengen regen, zegt men als de lucht zeer zwart is.
reptje, synoniem met staaniezer; ook een stel, waarop men teljoren te drogen zet.
rigole = riool, niet opgenomen.
roeier(s) = roeispanen.
rudekoker of rudekokke = schommel, Poper. niet in t’ Id.
rulletje dimin. van rulle; ‘kosewort’ voorkinderen.
rumen in de speciale beteekenis: beer ruimen.
rusche = borstel; uitspr. rusj-ge.
satootel = centiem, Poper.;
schartelinge (- hebben) = moeite hebben om te leven. Schuitgesproken sj-g.
schamel = armzalig, Poper.; niet als adj. in ‘t Id. opgenomen.
schaveelen = stelen, buit maken. Niet in deze beteekenis in ‘t Id.
scherven (de – betalen) = vertaling van: payer les pots cassés.
scherrebek = scheerbekken.
schcrsliieken (scherfstukken) = scherven, gebroken glazen, teljoren enz.
schier = bikan, bijna.
schieptje = ‘n es up e schieptje alleen ekommen, zegt men van een kind in een huisgezin, dat niet op zijn broertjes lijkt; ook van een zonderling wordt het gezegd.
schieve; het deksel eener kachel is te Ieperen eene hulle maar te Kortrijk een schieve.
schoepen = stelen.
schooier, schooiege (Poper.) staan , wel schooierege, schooierigge.
schoo(n)weermakers = mastebollen (Turnhout), kegels.
schrabben = schrabben; niet opgenomen; wel schrabbelen.
schuumspaan = wisselvorm van schuumspa.
schuppewinkel = wisselvorm van schopwinkel.
schuttel; hierbij de spreekwijze: je zied (zijt) oltied mee je schuttels in ‘t droog ost pap rent (regent) = je komt altijd te laat.
schruwelen = beven?
soezen (essen (hersenen) en -); de soezen zijn de klieren, die aan beide zijden der keel zitten. slaapdronken, niet opgenomen.
slag. Net zooals ik heet in ‘t Iepersch: slag va(n) mien; ‘Ik heb dezen nacht niet kunnen slapen. – Slag va mien.’ Welke bediening slag in deze uitdrukking vervult, begrijp ik niet.
slecht (- kommen); deze werkw. uitdr. met den zin van onpasselijk worden, in bezwijming vallen, is niet opgenomen.
sliederbane = slierbaan.
sloeber; hierbij de zegswijs: sloeber te voet en deugniet te peerd.
smiettoep (smijttop) is te Voormezeele de naam van de werptol.
smoeter, de smoeter lekken = bedrogen worden, Poperinghe; niet in ‘tId.
smodderen: ‘Modderig, slijkig zijn. De straten smodderen als het dooit,’ zegt het Id. Een bedr. beteekenis wordt niet aangegeven. Die heeft het werkw. wel te Ieperen: prutsen, in iets roeren.
smokkesmul, niet opgenomen; te Ieperen: lieveling; is het woord =
smok + smul, smok = smakkende kus, smul voor smoel?Waarschijnlijker is smul = vet kind: een smulleken van een kind.
spelen: ‘van de leegaard spelen’ en dergelijke uitdrukkingen mochten opgenomen worden om het eigenaardig gebruik van het voorz. van.
spienen, wordt te Ieperen gezegd van een lamp, die pijlt, Fr. filer; deze beteekenis in komt ‘t Id. niet voor.
splender, wisselvorm van splinter.
sporrewan, wisselvorm van sporrewaan.
sprèkwoord een woord door iemand telkens en telkens gebezigd; het woord komt in ‘t Id. niet voor; toch zal het in zijne gewone beteekenis wel overal in W.-Vl. gebruikelijk zijn.
spuug = wisselvorm van spuge.
stekelieng = bouture, Poperinghe;
stekken = met een naaimachine werken; een stekker is een liefhebber van ‘t schoone geslacht.
stenen = fr. geindre.
sterretjesnave(n)d = Kerstdagavond.
stienkerkaas naam van den Herve-kaas.
stommeling = zonder spreken; stommelingen ambacht.
sukkeldjenen; ‘n djenen, een die zich licht bedriegen laat;sukkeldjenen, (versterkend) beklagensweerdige sukkelaar; syn.: simpelare.
swiekeswak (ne lange -) = lange jongen, persoon; Poper.
taai, aldus aangeteekend: ‘ie maakt mien e betje taai’ d.i. begeering maken naar iets.
tafeldwale = tafelkleed.
tan = dan in: ga-je lache tan? of tè: wazje bezig mè naaie tè?
tekortdoen (hem -) = zelfmoord plegen.
teter = wrat.
tjiniever = jenever, Poperinghe.
triebal = heurst; Iepersche wisselvorm van triekbal, triebau, tierbal.
triolee (in zijn – zien) – z’is in hare triolee = slecht geluimd.
trog, trogsje, waarin de bakkers het deeg kneden;
tuutje beteekent ook het uiteinde van een biberon, dat de kinderen in den mond hebben.
tuug = tuig, ding: wat e tuug es da?
uutzetten = verdagen.
vallei(en) of vollee(en) = blind(en).
vasthoeden = plagen, in ‘t ootje nemen = we zullen (h)em e kartjevasthoeden.
veele wordt te Ieperen ook in minder ongunstigen zin gebezigd dan dien van snol, hoer, onzedig vrouwspersoon. Het beteekent daar ook eenvoudig meisje of lievetje. Knapen gaan (soms wat vroeg,) achter de veele.
veeletje, petekind; een peter of een meter spreekt te Ieperen van zijn of haar veeletje, tzij jongentje of meisje.
veest, ten minste verklaard; te Ieperen komt het voor in het spreekwoord: Krabt ‘n ezel in ze gatje, j’et nog de veesten toe,waarvoor ‘t Id. heeft, i.v. ezel: ‘Wrijft eenen ezel op zijnen steert, ge krijgt stank voor dank.
veriertjes = jalouzieën, tralievensters.
verkoren Maandag mocht wel op zijn plaats opgenomen worden; in ‘tId. staat het onder weversmaandag vermeld. Deze dag wordt daar ookverloren Maandag genoemd, zijnde de eerste Maandag na Dertiendag. Te Aalst is verloren Maandag de eerste Maandag van October; dan wordt door ‘t werkvolk niet gearbeid: te Ieperen is verkoren Maandag, meer beperkt, een feestdag voor de zwingelaars, die dan rondgaan om nieuwjaar te wenschen.
verliek, verlieksje = zeef, stramijn.
verlot (verlakt) adj. verlotte potten.
vermengen = verwisselen.
verneukelaar = klein, misvormd kind.
vernuft. Id.: ‘In ‘t Poperingsche ook gebruikt voor vermuft, homstig. Eene vernufte smaak.’ Ook te Ieperen heeft het woord, die beteekenis.
versluwerd = verwaaid. ‘Mien haar is versluwerd van de wiend.’
vladden (vladen = villen). vlad a kei, zegt iemand te Ieperen, wiens beurs plat is. De uitdrukking schijnt elliptisch te zijn.
vierpot = stoofje om de voeten op te warmen.
vlug = in staat om te vliegen.
vischkutte = vischwijf.
vischlutte = id.
vanzieds = op zij.
vooravond = de schemering.
voordezen = vroeger, voorheen.
voorings (te -) = vroeger.
vul = bezopen, Fr. plein: hi es vul lek a brieke.
vulemoei = ‘t stof ligt er zoo dik op da-jer kunt vule moeie mee je vinger up schrieven.
wiel = halo om de zon; teeken van aanstaanden regen.
wiesje-waasje = Nedl. wisjewasje.
waze; hierbij de spreekwijze: hi hee geld liek waze.
weten = ‘k wet sonders wek da ‘t es, ik vraag me af, wat het is.
weeldig = rijk.
wegen, hoofdt. weeg, woeg, woegen. eweegd. Het Id. geeft alleen een sterken vorm voor ‘t verl. dlw.
wiend = ‘dat de wiend moeste keeren, ie bleefd azo,’ wordt gezegd, wanneer iemand lang iets doet; wanneer hij bijv. lang gaapt. Te Aalst zegt men hiervoor tegen de kinderen: ‘t klokske va Roeïmen zal loïen (luiden).
woolgen = gezegd van eene duivin die haar jongen voedt.
ziereltje = vklw. naast zierelke uit ‘t Id.
zot: hierbij een eigenaardig gebruik van het voorzetsel met: ‘Ik zien (zijn – ben) zukke zotte me(t) bloemen,’ ik houdt dol veel van bloemen.’
Zooals door deze lijst blijkt, kan het Idioticon aangevuld worden. Dat een dergelijk werk nooit absoluut volledig is, spreekt vanzelf. Evenwel, daar ik, grootendeels op een enkele plaats, zonder dat ik me tot dergelijk werk in gunstige omstandigheden bevond, nog zooveel kon opteekenen, dat vermelding verdiende, ligt het wel voor de hand, dat er op gansch het gebied van het Westvlaamsch nog zeer veel te ‘zanten’ is. De bedoeling dezer opmerking is niet afbreuk te doen aan de verdiensten van hetIdioticon in zijn tegenwoordige gedaante; reeds nu is het een dialectische woordinventaris zonder wederga, die naar waarde geschat wordt, ook in den vreemde; aanvulling zal zijn wezenlijk zeer groote waarde verhoogen.

H. Meert in ‘Het Belfort. Jaargang 9. 1894

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>