Kapers in Nieuwpoort

Nieuwpoort beleeft de godsdienstoorlogen van de 16de eeuw op een betrekkelijk rustige manier. Het wordt wel schrikken wanneer Vlaanderen een deal sluit met Willem van Oranje, de calvinistische topman van de noordelijke Nederlanden. Nieuwpoort krijgt zo ongevraagd een garnizoen Nederlandse soldaten op logement. En ondertussen begint Spanje met een nieuwe inval in België. Farnese blijkt erg welkom te zijn in Nieuwpoort.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Ik heb de stad Nieuwpoort achter me gelaten ergens rond 1558. Op dat moment in de tijd beginnen Luther en Calvijn stilaan hun neus aan het raam te steken. Wat aanvankelijk nog schuchter en onschuldig begint zal de volgende tweeënveertig jaar ontaarden in een debacle vanjewelste. Zowat heel West-Europa ontsteekt met de vaak dodelijke infectie van een nieuw geloof. Ieper, Poperinge, de hele Westhoek komen in de vuurlijn te liggen. Net zoals heel Vlaanderen. Allerhande dagboeken volgen die dramatische gebeurtenissen op de voet en hebben het vaak over de haven en de stad van Nieuwpoort die, zonder dat de mensen er veel aan te zeggen hebben onverwacht uitgroeit tot een landhoofd van het calvinisme te midden van een wezenlijk katholiek Vlaanderen.

Hoog tijd voor mezelf om het hele drama even te belichten vanuit een Nieuwpoorts perspectief. Hier kom ik ongetwijfeld meer te weten en kan ik de geschiedenis herbeleven zoals een echte onvervalste Nieuwpoortnaar. En waar kan ik beter terecht dan in ‘De Geschiedenis van Nieuwpoort’ uit 1971 van René Dumon. Een man die me al zo vaak tot inspiratie heeft gediend. Rond 1560 zien de mensen hier inderdaad de veranderingen aankomen. De veelbelovende groei van de voorbije decennia komt in het gedrang door moeilijkheden met Frankrijk. De vissers krijgen op zee plots last van Franse kapers en vooral met onze noordelijke buren die het leven hier ingrijpend laten veranderen.

René Dumon schetst even het breed plaatje en zal later meer in details treden. De problemen komen inderdaad vanuit de noordelijke Nederlanden tot bij ons aangewaaid. Onze bovenburen hebben zich massaal geschaard achter een nieuw hervormd geloof. Ze krijgen daarbij de steun van Willem van Oranje. Zeer tegen de zin van de Spanjaarden natuurlijk. Oranje wil zich al gauw meester maken van de Vlaamse havens. De Hollandse vloot wordt uitgerust om de Vlaamse visserij te destabiliseren. Militair uitgerust, ik wil dat wel even specificeren. Het duurt niet lang voordat hun eerste strijdkrachten aan onze kusten ontschepen. Deze gang van zaken zal jaar na jaar erger worden. Nieuwpoort en Duinkerke proberen zich te wapenen tegen Willem van Oranje. Nieuwe oorlogsschepen worden uitgerust en voorzien van bemanning. Die bestaat grotendeels uit Vlaamse vissers.

Het staatsbestuur van Vlaanderen onderneemt gelijkaardige acties. Er komt een oorlogsvloot met basis te Antwerpen. Veel vissers van Nieuwpoort laten er zich inschrijven. Het lijkt een opportuniteit om toch werk te hebben in de periodes dat de haringvisserij stil ligt. De mannen komen echter bedrogen uit wanneer ze verboden worden om hun schepen te verlaten en zo verspelen ze hun kansen om effectief deel te nemen aan het haringseizoen. Toestanden die zich afspelen tussen 1568 en 1570.

De zeevisserij in Oostende, Nieuwpoort en Duinkerke komt daardoor natuurlijk in de problemen. De vissers sluiten in 1570 een akkoord om samen op haringvangst te gaan en hun vloot te laten begeleiden door een aantal goed uitgeruste oorlogsschepen. In 1571 vaart de vloot uit onder het bevel van admiraal Vincent van Clythove. Bij de terugkeer van de vissers blijken ze niet enkel gevangen haring bij zich te hebben maar ook een rijke buit die ze veroverd hebben bij Hollandse schepen en hun bemanning; de watergeuzen. Er worden eveneens krijgsgevangenen aan land gebracht. Hoewel het haringseizoen op zijn eind is gekomen besluiten ze een nieuwe tocht te ondernemen om de macht van de watergeuzen verder te ondermijnen. De twee Nieuwpoortse schepen worden aangevoerd door Engelse kapiteins: Willem Cotton en Henry Carew.

De actie komt niet zomaar uit de lucht gevallen. Op Allerheiligen van 1570 krijgt Vlaanderen een van de grootste stormen te verwerken die men in mensenheugenis gekend heeft. Zo goed als alle dijken, verschansingen en wachtposten tussen Duinkerke en Oostende worden weggeslagen. De kust ligt wijd open voor de watergeuzen. En wees maar zeker dat ze profiteren van de gelegenheid. Zo ontschepen ze onder andere in Oostduinkerke, Adinkerke en in Koksijde. De abdij van Ter Duinen krijgt het zwaar te verduren. De gecoördineerde actie van de drie Vlaamse zeehavens is er in 1571 het gevolg van.

De Hollandse vloot zal zich natuurlijk niet zomaar laten doen. De strategie van de watergeuzen is vrij eenvoudig. De calvinisten willen zich meester maken van Nieuwpoort. Onze havenstad is een perfecte pied-à-terre om van hieruit bressen te slaan richting Duinkerke en Oostende. Op 26 juli 1572 verschijnt een Hollandse vloot dreigend voor de haven van Nieuwpoort waar de poorters niet echt verrast zijn. Het stond in de sterren geschreven. Er staat een sterk garnizoen klaar om in te grijpen. Ook Veurne-Ambacht heeft krijgslieden gestuurd naar de kust en naar de omgeving van de IJzermonding. Hier in de Westhoek krioelt het van medestanders van de geuzen die dienst doen als spionnen voor de Hollanders. Die informeren hun vrienden op zee dat ze hier grote tegenstand zullen ondervinden in geval ze zich aan land zouden wagen. Korte tijd later verdwijnen de watergeuzen aan de einder. De landing in Nieuwpoort zal voor een volgende keer zijn.

Tot diep in de herfst blijft het relatief rustig. In oktober van 1572 mislukt een poging om met drieduizend geuzen de stad Brugge in te nemen. De zenuwen in Veurne-Ambacht en in Nieuwpoort staan onmiddellijk op scherp. De winter gaat desondanks vrij rustig zijn gewone gang. Tijdens de lente van 1573 broeit er iets. Rond half maart begint het op te vallen dat er wel erg veel vreemdelingen op pad zijn langs de Westhoekse wegen. Allemaal afzonderlijke mensen, in hun eentje op stap, ongewapend en op het eerste zicht ongevaarlijk. Vanuit alle mogelijke richtingen stappen ze richting Nieuwpoort. En dat lijkt meer dan verdacht.

In Roesbrugge wordt tezelfdertijd een binnenschip geladen met oorlogsmateriaal. De overheid heeft er geen weet van. Dat fameus binnenvaartuig vaart ondertussen al richting Nieuwpoort zonder dat het onderweg wordt lastig gevallen. Pas in de haven krijgen de wachtposten de boot in het vizier. Bij nazicht blijken het binnenschip propvol te zitten met musketten, flessen met buspoeders, lonten en ballen. Oorlogsmateriaal om aanslagen te plegen. De autoriteiten van Nieuwpoort haasten zich uiteraard om het voertuig en zijn lading aan te slaan. Op dat moment verschijnt de vijandelijke vloot opnieuw voor de haven. Even voordien hebben ze ter hoogte van Koksijde een pak gewapend volk in schuiten afgezet en die mannen zijn nu allemaal op komst naar het strand daar.

Het is maar al te duidelijk dat het Roesbrugse munitieschip deel uitmaakt van een grootse onderneming om Nieuwpoort in te nemen. Bedoeld om de vele ongewapende vreemdelingen in de buurt van de stad Nieuwpoort van oorlogstuig te voorzien. Ze rekenen daarbij vermoedelijk op enkele lokale poorters die sympathiseren met de nieuwe religie. Samen willen ze de stad bij verrassing overmeesteren waarop vervolgens de Hollandse vloot er vrije toegang zou krijgen. Deze plannen gaan natuurlijk grandioos de mist in met het onderscheppen van hun munitieschip. Het gevolg hiervan is natuurlijk dat er in en rond de stad een heksenjacht op gang komt. Een onverbiddelijke zoektocht naar de medeplichtigen. De galgen van Nieuwpoort en Veurne zullen weldra zorgen voor de nodige bestraffingen. De schepen van de Hollandse vloot lichten hun ankers en keren onverrichter zake terug van waar ze gekomen zijn.

Veel verandert dat natuurlijk niet aan de situatie en de strategie van Willem van Oranje. Die wil Nieuwpoort ten alle prijze in zijn bezit krijgen. De spionnen blijven massaal hun werk doen en wie door de lokale overheid betrapt wordt bekoopt dat met de dood. Toch zijn er meer dan voldoende landlieden die hun plaats willen innemen. De nieuwe godsdienst blijkt in elk geval over een flinke aanhang te beschikken in de Westhoek. Daar heeft de verschrikkelijke wreedheid van de Spanjaarden tegen de hervormers natuurlijk alles mee te maken. In 1576 zal Nieuwpoort finaal aan die hervormden worden overgeleverd. René Dumon wacht nog even met de nodige details. De auteur heeft het eerst nog even over de handel, de scheepvaart en de visserij die zo goed als stilgevallen zijn. De stad lijkt hermetisch afgesloten door de onveiligheid op zee en uiteraard door de vrees voor een inval van de watergeuzen. De wetenschap dat de vissers het momenteel verkiezen om te werken op de oorlogsschepen doet natuurlijk geen goed.

Vanaf 1570 leven de poorters van Nieuwpoort in volle geuzentijd. Niemand voelt zich veilig. Wie mag men nog vertrouwen? Daarbij komen nog pest en hongersnood deze onzekere tijden vervolledigen. Alles samen een gevaarlijke cocktail van onrust en rellen. Het stadsbestuur reageert vrij mak en zonder overtuiging op de malaise. Waarschijnlijk zitten er tussen de schepenen al mannen die het opnemen voor het nieuw geloof. Hoewel het merendeel toch wel overtuigd katholiek is gebleven. Het magistraat neemt hier en daar wel wat maatregelen. Zo komen er beperkingen voor het vieren van bruiloften. Er mogen voortaan maar zes personen van elke kant deelnemen aan een huwelijksfeest. Sommige poorters komen vaak bijeen om psalmen te zingen of de rozenkrans te bidden, beter bekend als ‘hoykens’. Voortaan mag hier bij de ‘hoykens’ niet langer wijn worden gedronken. Het bekende spel ‘hoen up te hanghen’ wordt verboden.

Er worden vervolgingen ingesteld voor wie zich aan het nieuw geloof bezondigt. Een zekere Willem Albrecht kan er van meespreken als hij in 1571 voor eeuwig uit Vlaanderen wordt verbannen. Al zijn eigendommen worden daarbij aangeslagen. Het valt wel op dat het bestuur in Nieuwpoort veel gematigder is dan bijvoorbeeld in Veurne en Duinkerke. Hier zou Albrecht voor deze feiten ongetwijfeld opgeknoopt geweest zijn. Een huis waar in Nieuwpoort zondig vertier wordt gehouden, ‘vul ravot’, zeg maar een hoerenkast, moet zijn deuren sluiten. Dat gebeurt nadat de exploitante een jonge meisje uit Diksmuide heeft geëngageerd. De madame wordt voor deze feiten voor zes jaar uit Nieuwpoort en Lombardsijde verbannen. Ze weet het al vooraf: als ze zich binnen die periode laat opmerken zal ze gegeseld worden. Een andere maatregel van het magistraat bepaalt dat er niet langer op straat mag gedanst worden.

Tijdens de winter van 1575-1576 ontstaan er moeilijkheden op de kaai. De arbeiders bezitten hier een monopolie om de schepen te laden en te lossen. Het conflict draait in elk geval om looneisen. De mannen verhogen zomaar hun tarieven en wanneer schippers die weigeren te betalen zal er niet meer gelost worden. Het regent klachten in het stadhuis waar men er zich rekenschap van geeft dat de arbeiders niet langer met een redelijk loon te paaien zijn. Het stadsbestuur grijpt in en beslist om voortaan zelf de wettelijke daguren te gaan bepalen. Het fameuze monopolie verdwijnt en elke koopman krijgt het recht om zelf zijn arbeidskrachten aan te werven indien hij dat wenst. De leden van de kaaiwerkersgilde riskeren voortaan van de kaai verbannen te worden als ze zich nog verder bezondigen aan kwaadwilligheid.

Het pesthuis dat jaren bediend werd door twee zusters van de Pottestraat bestaat al niet meer in 1565. Het stadsbestuur moet noodgedwongen andere maatregelen treffen om een uitbreiding van deze dodelijke ziekte te voorkomen. Er lopen te veel pestlijders rond op straat zonder dat men die kan herkennen. Rond 1580 worden de door de pest aangetaste poorters verplicht om een witte rok te dragen. Later zullen ze een witte roede bij zich moeten hebben. Wanneer die zieken naar de kerk wensen te gaan mogen ze niet verder komen dan de ‘cruusdeure’ en ze mogen zich absoluut niet begeven in de nabijheid van gezonde Nieuwpoortnaars.

Fruit wordt in die tijd heel erg scheef bekeken als zijnde de voornaamste bron van pest. In 1564 komt er een totaalverbod om zoete peren en zoete pruimen te verkopen. In 1571 mag er niet langer bier uit Antwerpen gedronken worden. De invoer van Engels bier wordt eveneens stopgezet. In 1580 wordt er nogmaals herhaald dat het verboden is om ‘soete prumen ofte fruit’ in de stad te brengen. Ander fruit is wel gepermitteerd op voorwaarde dat het vergezeld is van een attest dat er geen pest is vastgesteld in de streek van herkomst.

In de tweede helft van de 16de eeuw is er in Nieuwpoort behoorlijk veel werk bijgekomen door de bouw, de uitrusting en het reden van allerhande oorlogsschepen. Er is blijkbaar een tekort aan betaalbare arbeidskrachten want in 1561 krijgt Joos Meynen, de kapitein van dergelijk oorlogsschip de opdracht om naar Zeeland te varen en daar volk ‘te huren alzo goede koop als hij kan.’ Af en toe liggen er verscheidene oorlogsschepen in de haven.

Sinds 1552 is het strikt verboden voor de bemanningen om zich met messen of geweren op straat te begeven. Het verbod geldt voor iedereen; de kapitein, de schipper, de kwartiermeester en de bootsgezellen. Het schip van Joos Meynen werd al gebouwd in 1552. Door Jan van Biervliet. Het was een van de grootste die ze hier ooit gebouwd hadden. Dat gebeurde in opdracht van de stad zelf. Om de kosten van de oorlogsschepen te dekken wordt er lastgeld gelegd op de kaakharing, de verse haring en de korfharing. De tarieven volgen die van Duinkerke.

Het ooit zo bloeiende gildeleven is al ferm afgezwakt. Ik heb het over de kamers van retorica. Een gevolg van de godsdiensttwisten. Toch wel interessante info om de opmars van het calvinisme in de Westhoek te situeren. Er is al sprake van de nieuwe religie in het jaar 1539. Verrassend vroeg. Tijdens het groot ‘landjuweel’ die gehouden wordt te Gent merkt men dan al dat een aantal gilden doordrongen zijn van de hervormde leer. Of dat het geval is bij de gilden van Nieuwpoort laat René Dumon in het midden. De Spaanse overheid begint in alle geval de gilden te wantrouwen en vraagt aan de lokale stadsbesturen om streng toezicht te houden tijdens hun opvoeringen. In 1551 beslist het magistraat van Nieuwpoort dat er geen vreemde gilden welkom zijn tijdens de opvoeringen ter gelegenheid van de Sint-Jansprocessie. Als argumentatie wordt verwezen naar de troebele tijd.

In 1552 zijn vreemde gilden dan weer wel welkom. De opkomst is niettemin mager. Alleen de rederijkersgilden van Eecke, Alveringem, Belle, Izenberge, Adinkerke, Ieper, Poperinge en Veurne bieden zich aan. Twintig jaar later valt het helemaal stil. De toestand is in 1572 zo sterk gespannen dat er na de ommegang geen sprake kan zijn van spelen en optredens. Bij de ‘ten ommeganghe’ stappen de gilden nog met grote kaarsen en toortsen mee in de processie om achteraf elk in hun toegewezen plaatsje in de kerk de mis te celebreren. Het etentje en de gebruikelijke spelen achteraf gaan echter niet door.

In 1584 worden de gilden van retorica van hogerhand verboden en afgeschaft. Koning Filips II acht ze nutteloos. De tekst van het decreet verraadt de werkelijke reden. De gilden verspreiden veel te vaak nieuwe en foute doctrines. Ze staan veel te goedgunstig tegenover de ‘opinions et nouveautés pernicieuses qui ont produit beaucoup de scandales, mechans exemples et fausses doctrines’.

In 1575 wordt er een nieuwe kalender ingevoerd. De start van elk nieuwe jaar verhuist nu van Pasen naar 1 januari. Iets wat administratief voor de nodige verwarring zorgt. Eerder is er al een hertekening gebeurd van de bisdommen in de streek. Nieuwpoort behoorde altijd al tot het bisdom met Terwaan als hoofdstad. Maar die stad werd in 1553 in opdracht van wijlen keizer Karel verwoest en afgebroken. Het vroegere bisdom wordt nu onderverdeeld in drie nieuwe bisdommen; Bonen, Sint-Omer en Ieper. Een beslissing die paus Paulus IV in 1559 neemt nadat Veurne tevergeefs geprobeerd heeft de plaats van Ieper te bemachtigen. Paus Pius IV bekrachtigt deze beslissing op 11 maart 1561. Martinus Rythove neemt bezit van zijn Ieperse zetel op Sint-Maartensdag van 1561. Voortaan vallen Veurne en Nieuwpoort nu onder het bisdom van Ieper. Het decanaat Nieuwpoort bestaat voortaan uit Booitshoeke, ‘s-Heer-Willemskapelle, Sint-Joris, Sint-Catharinakapelle, Oostduinkerke, Ramskapelle en Nieuwpoort zelf.

‘Nieuwpoort wordt een kapersnest’. De kop van het nieuwe hoofdstuk is veelbetekenend. De oorlog blijkt nu toch wel akelig dichtbij. In 1575 komen de Engelse kapiteinen Willem Cotton en Henry Carew opnieuw in beeld. Ze beschikken dan elk over een vijftal goed bemande en wel bewapende oorlogsschepen die ze voor eigen rekening uitbaten. Cotton en Carew stellen zich ter beschikking van de Spaanse gouverneur van de Nederlanden. Dat is Don Luis de Requesens. Ze zullen voor hem jacht maken op de Hollandse schepen die de scheepvaart op zee voortdurend bemoeilijken. De Hollanders proberen systematisch een blokkade van de Vlaamse havens tot stand te brengen. Het opjagen van de Hollandse vloot zal Requesens niets kosten, de Engelse kapiteins stellen zich tevreden met de opbrengst van wat ze op zee kunnen kapen van de vijand.

Op 11 april 1575 stemt Requesens toe. Hij ondertekent de zogezegde ‘marktbrieven’ waarbij Cotton en Carew gemachtigd worden om jacht te maken op zee. Het duo mag daarbij vrij gebruik maken van alle Vlaamse en andere havens die aan Spanje onderworpen zijn. Ze mogen er vrij het gestolen goed laden en lossen en er zich bevoorraden. Het lijkt me evident dat vooral thuisbasis Nieuwpoort de allure krijgt van een kapersnest. Blijkbaar hebben ze daarbij een en ander afgekeken van buurhaven Duinkerke. Al bij al zijn de maatregelen van Requesens toch wel niet erg koosjer. Dit officieel attest om de piraat te spelen heeft natuurlijk alles te maken met de oorlog. En daarbij komt zeker ook de overweging dat de oorlogsschepen van Cotton en Carew zich engageren om tezelfdertijd al de Vlaamse, Spaanse, Engelse schepen te beschermen als ze willen gebruik maken van de Vlaamse havens.

Requesens beseft natuurlijk dat hij heel ver gaat met deze beslissing. Hij legt de kapiteinen daarom enkele voorwaarden op. Ze dienen trouw te zweren aan de Spaanse koning, Engeland met rust te laten en hun acties te beperken tot de rebellen van Holland en Zeeland. Alles dient te gebeuren in overleg met de baljuws van de Vlaamse havens. Alle gekaapte goederen dienen binnen de maand verkocht te worden waarbij tien percent van de waarde moet afgestaan worden aan de staat.

Met hun marktbrieven in handen schieten Cotton en Carew al meteen stout en vastberaden aan het werk. Het duurt niet lang voor de eerste gekaapte Hollandse schepen in Nieuwpoort arriveren. Maar nog diezelfde zomer is er al sprake van dat ze ook oosterse schepen aanvallen en beroven. Vertrokken vanuit Baltische havens met koopwaar aan boord voor Vlissingen en Middelburg en dus a priori vriendjes van Oranje. Enfin, dat beweren ze hier in Nieuwpoort. ‘Niets van’, beweren hun afgevaardigden, ‘de marchandise was bestemd voor Vlaanderen en Antwerpen.’ Er komt een officiële klacht tegen deze gang van zaken. Op 12 augustus 1575 beslist het stadsbestuur om een officieel onderzoek in te stellen en blijven de koopwaren voorlopig in verzekerde bewaring.

De lokale autoriteiten kijken voortaan wat nauwkeuriger toe naar de gekaapte schepen die in de haven van Nieuwpoort binnenvaren. Er wordt nu telkens gevraagd of iemand iets in te brengen heeft tegen Cotton & Carew met betrekking tot de vangst. De vangst wordt nu slechts vrijgegeven na een wachttijd van acht dagen. De schippers van de oorlogsschepen worden ook bij elke vangst verhoord door de burgemeester en de schepenen van Nieuwpoort. Die schippers zijn ook bij naam gekend. Op de ‘Grootenbrouck’ is het Mettaert Reyniersseune en op de ‘Schellynckhout’ zwaait Adriaen Jansseune de scepter. De scheepspapieren worden telkens gecontroleerd. Er wordt nagegaan of het kapen van de schepen, bemanningen en koopwaren naar rechte is gebeurd en of niemand zijn boekje te buiten is gegaan. Pas daarna wordt alles aangeslagen ten voordele van Cotton en konsoorten.

De pseudo-illegale acties op zee hebben natuurlijk één groot voordeel. De Hollandse droom om de Vlaamse havens in een blokkade te persen is nu slechts maar een ijdele droom geworden. De Noordzee blijft toch wel gevaarlijk maar de bevriende schepen kunnen ten minste nu weer de havens van Nieuwpoort en Oostende in- en uitvaren. Met dank aan het Engelse kapersnest van C&C. Lang zal deze toestand trouwens niet duren. Dumon laat al even in zijn kaarten kijken maar hopt dan al verder om even het onderwijs van die dagen onder de loep te nemen.

De stadsschool is nog altijd actief in elk geval. Het ‘Kamerboek’ van 1569-1573 heeft het over enkele maatregelen die getroffen worden op verzoek van de bisschop van Ieper en met de toestemming van de hertog van Alva, de toenmalige gouverneur van de Nederlanden. Alle vaders en moeders van jonge kinderen vanaf zeven jaar zullen hun kinderen op zon- en feestdagen naar het gasthuis moeten sturen om daar geloofsonderwijs te krijgen. Dat geldt echter niet voor kinderen die al tijdens de week van dit onderwijs genieten. Het stadsbestuur focust zich dus duidelijk op kinderen die tijdens de week niet naar school gaan. Ik begrijp in elk geval dat deze verplichting er komt omdat de hervormde leer nu al fel is doorgedrongen in de Nieuwpoortse hoofden en dat er dringend moet gewerkt worden aan een correctie in de richting van het vertrouwde katholicisme.

In het jaar 1576 verandert er hoe dan ook veel in Nieuwpoort. De kaperstoestanden en de bijlessen van godsdienst komen er al direct op de helling te staan. De strijd tussen noord en zuid, tussen calvinisme en katholicisme blijft voor beroerde tijden zorgen. De godsdienstige twisten zorgen voor een verergering van de toestand. En dat heeft in grote mate te maken met de talrijke buitensporigheden en opeisingen waar de Spaanse soldaten van hertog Alva zich schuldig aan maken. Zowel de katholieken als de protestanten komen er tegen in het verzet. Dat betekent concreet dat de Vlamingen en de Hollanders zich plots gaan keren tegen één gemeenschappelijke vijand; de Spanjaarden en hun koning Filips II.

Er ontstaan dus verrassend genoeg onderhandelingen tussen de zuidelijke (katholieke) en de noordelijke (protestantse) provincies. De Spaanse overheid wordt niet betrokken bij dit overleg. Op 8 november 1576 sluiten de afgevaardigden van alle staten (op enkele uitzonderingen te na gesproken) een deal. Het verdrag raakt bekend als ‘de pacificatie van Gent’. Willem, de prins van Oranje stemt er ook mee in en verrassend genoeg doet de Spaanse gouverneur dat ook. Ik heb het over Don Juan die Alva nog maar kort geleden heeft vervangen.

Het pact legt de nadruk op godsdienstige verdraagzaamheid. Alle vijandelijkheden worden meteen opgeschort. De soevereiniteit van de Spaanse koning blijft erkend, maar de prins van Oranje zal de verdediging van de Nederlanden voortaan op zich nemen. Daar hoeven de Spanjaarden niets meer voor te doen. Hun troepen dienen het land te verlaten en als het niet goedschiks gebeurt zullen ze met geweld uitgedreven worden. Aan de pacificatie van Gent hangt een verraderlijke angel aan vast. Willem van Oranje weet wat onderhandelen is. Het noorden wil best helpen om de Spanjaarden uit het land te kegelen. Maar wie garandeert hem dat Vlaanderen zich achteraf niet tegen hem zal keren? Er moeten garanties komen dat de overeenkomst zal nageleefd worden.

Oranje eist dat Vlaanderen hem de Vlaamse havens van Nieuwpoort, Duinkerke, Grevelingen en Oostende als onderpand van de deal in het bezit moet stellen. Hij dringt er op aan dat deze havens door Hollandse troepen mogen bezet worden als waarborg dat de zuidelijke provincies de bereikte overeenkomst zullen respecteren. De Hollanders accepteren wel dat de bezetting van tijdelijke aard zal zijn. Voor Nieuwpoort valt de bijl al direct. De stad wordt al bezet nog voor de ondertekening van de overeenkomst. Het is de eerste vreemde bezetting sinds die van 1383 wanneer de Engelsen de stad hadden ingenomen. Dat gebeurde in de nasleep van het beleg van Ieper.

Ik keer nog even terug naar de zomer van 1576. Het blijkt nu pas dat Nieuwpoort de voorbije jaren niet zo echt veel te lijden heeft gehad. In Ieper, Veurne en Poperinge was dat andere koek. Hier aan de kust hebben ze nog niet afgezien met de Spanjaarden. Er is nooit sprake geweest van een Spaans garnizoen in de stad en onder de burgers zelf zijn er nooit echt ernstige botsingen ontstaan. Er is wel sprake van een handvol protestantse aanhangers maar de overgrote meerderheid van de bevolking is trouw gebleven aan de katholieke kerk. Dat verklaart in belangrijke mate waarom de maatregelen om Nieuwpoort te beschermen eerder zwak te noemen waren. In 1573 zijn er enkele hellebaardiers in dienst genomen die onder het bevel van de baljuw moesten instaan voor de orde in de stad. Ze werden toen voor zes weken aangesteld als preventieve maatregel om ‘troubele en inconvenienten’ te voorkomen voor de poorters.

Op 9 augustus 1576, drie maand voor de komst van de Hollanders, zijn ze nog opnieuw aangesteld geweest. Terwijl er in het binnenland sprake is van razen, vechten en bloedvergieten, spreekt men in Nieuwpoort nog altijd maar van ‘inconveniënten’. Korte tijd later begint ook hier het besef te groeien dat ook de rust in deze stad wel eens in het gedrang zou kunnen komen. Op het einde van augustus worden er al enkele uitzonderlijke maatregelen getroffen. Als de klokken luiden dienen de burgers hun wapens op te nemen en zich naar de Kruisstraat te reppen. Wanneer er tijdens de nacht onlusten uitbreken moet elk voor zich een brandende lantaarn aan zijn raam plaatsen en zich eveneens gewapend komen aanbieden.

Na het luiden van de avondklok mag niemand zich nog op straat begeven. Alle oorlogsmunitie moeten binnen de 48 uur ingeleverd worden. Het stadsbestuur rechtvaardigt deze maatregelen omwille van de ‘perikelen en invasies die de stad of de gemeente zouden kunnen treffen door de kwade voornemens van de vijand’.

Er is nochtans nog altijd geen sprake van ‘soldeniers’ die gelegerd zouden zijn op het kasteel. Het is hier altijd al een gewoonte geweest dat een klein aantal inlandse krijgslieden, bekend als soldeniers, ter beschikking zouden blijven in het lokaal kasteel. Ze staan onder het bevel van de gouverneur en worden bezoldigd door de staat. De laatste melding van hun aanwezigheid dateert al van 1557. De stad beschikte toen over achtentwintig burgers, leden van de diverse schuttersgilden die klaar stonden om de wacht op te trekken aan poorten en op torens. Enfin als dat nodig moest blijken. Die achtentwintig waren ingedeeld voor een beurtrol van twee shiften. Ze werden door hun respectieve gilden vergoed. Veel hoefden ze hoe dan ook niet in actie te schieten.

Tot in 1557 vergenoegt men zich om ’s nachts de poorten te sluiten en is er geen bewaking voorzien. Tot de lokale gouverneur het stadsbestuur adviseert om toch wat waakzamer te zijn en aan elke poort tenminste één bewaker te posteren. Blijkbaar heeft hij op dat moment geen eigen mensen ter beschikking en kijkt hij in de richting van de poorters. Het magistraat wil wel ingaan op zijn verzoek maar stelt toch wel dat de soldeniers in elk geval zullen dienen vergoed te worden door ‘zijne majesteit’ de koning. Maar dat was de situatie in 1557. In 1576 is er echter geen sprake meer van soldeniers.

Nieuwpoort moet het vermoedelijk ook een hele tijd stellen zonder gouverneur of kapitein. Die functie wordt waargenomen door de baljuw. Tussen 1558 en 1575 is dat jonkheer Octaviaan de Clercq. De baljuw zal vermoedelijk de functie van kapitein uitoefenen vanaf 1569. In dat jaar verzoekt hij aan het stadsbestuur om de assistentie van een extra luitenant die de ‘roede’ zou mogen dragen. Het zal wel zo zijn dat de Clercq het extra werk niet meer alleen aankan.

De betrekkingen tussen de stad en baljuw de Clercq ogen niet al te test. Dat is toch de indruk die René Dumon tussen de oude teksten kan opvangen. Het stadsbestuur wil zijn baljuw niet zomaar blindelings volgen in zijn plannen. In 1573 zijn de betrekkingen nog verder afgekoeld. De baljuw heeft veel te veel werk met zijn functie als gouverneur. Van een luitenant is er al geen sprake meer en dus zendt de Clercq meestal zijn kat naar de zittingen van de Nieuwpoortse rechtbank. Gezien hij als beschuldiger, zeg maar procureur een cruciale rol speelt tijdens de zittingen, betekent dat uiteraard dat die vaak moeten worden uitgesteld. In 1573 krijgt hij daarvoor mondeling onder zijn voeten. De burgemeester wijst hem er op dat deze handelswijze niet strookt met de aard van zijn ambt. De baljuw reageert amper en laat de klacht van zich afdruipen.

Op het einde van het jaar is de maat vol voor het magistraat. Het stadsbestuur laat weten dat ze de toestand niet langer kunnen dulden en dat de Clercq hen op zijn minst op voorhand moet verwittigen als hij de zitting niet kan bijwonen. Die spanningen zijn niet van aard om de belangen van de stad te dienen. Zo veel is alleszins duidelijk. Het zit er dik in dat godsdienstvoorkeuren een belangrijke rol spelen bij de onenigheid. De baljuw is volgens het stadsbestuur niet verdraagzaam genoeg ten opzichte van burgers die naar de nieuwe religie overhellen en hij stelt zich daarbij veel te partijdig op. Dat is ook de toestand wanneer de Hollanders in 1576 de stad in hun bezit nemen. Ze zien ook wel dat er spanningen bestaan in het stadhuis. Toch komen ze niet tussenbeide. De Clercq dient wel niet langer de functie van gouverneur of kapitein uit te oefenen. Het garnizoen Hollandse soldaten komt onder het bevel van iemand uit eigen rangen.

Dumon wil toch wel weten wat er dan precies scheef zit bij die jonkheer de Clercq die al op zijn 29 jaar in dienst is als baljuw te Nieuwpoort en trouwens tussen 1558 en 1561 ook nog deze functie uitoefent bij de buren van Lombardsijde. De familie de Clercq moet al eerder vaste voet aan de grond hebben in Nieuwpoort want Octaviaan volgt feitelijk al zijn hier geboren broer Cesar de Clercq op. De baljuw van Nieuwpoort heeft trouwens zelf zijn banden met Holland, hij wordt zelfs ‘heer van Holland’ genoemd na zijn huwelijk met Marie Makeblide, dame van Holland. Vandaar trouwens ook zijn titel van jonkheer.

Ook na de komst van de bezetters blijft de Clercq zich onverdraagzaam op stellen t.o.v. de calvinistische poorters. Vreemd toch dat die man een Hollandse echtgenote heeft. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de baljuw eerder een moeilijk, koppig en zeer eigenzinnig karakter bezit. Iemand die denkt de waarheid in pacht te hebben waardoor elke vraag om redelijkheid en overleg op hem afketst als het water op de schubben van een eend. Voor het stadsbestuur is de maat vol. Er vertrekt een brief naar de stad Brugge waar Nieuwpoort uiteindelijk van afhangt. Ook de Staten-Generaal krijgt een identiek verzoekschrift. Ze willen een andere baljuw. De klacht wordt als niet conform beschouwd en de Clercq blijft op post. Jonkheer Octaviaan heeft ongetwijfeld stokken in de wielen gestoken.

Het stadsbestuur moet zijn huiswerk opnieuw maken. Het bewuste verzoekschrift moet gebaseerd zijn op de uitgesproken wil van de bevolking. Vier dagen later, op 6 september 1577, worden verscheidene notabelen uitgenodigd op het stadhuis. Zogezegd in naam van de bevolking, verzoeken ze het stadsbestuur om zich te wenden tot Brugge en de Staten-Generaal om zonder dralen hun baljuw uit zijn functie te laten ontzetten en hem uit Nieuwpoort te verbannen. Iets wat trouwens niet zomaar zal lukken, verklapt Dumon. De man zal nog aanblijven tot in 1579.

Ik weet nu alleen nog altijd niet waarom Octaviaan de baan moet ruimen. Het ‘Kamerboek’ van 1577 licht me er uiteindelijk over in. Hij heeft hier het boeltje in de steek gelaten en is op een bepaald moment met zijn vendel soldaten uit de stad weggetrokken. De veiligheid van Nieuwpoort werd aan de burgers overgelaten. Achteraf is hij doodleuk teruggekeerd en heeft hij zich daarbij gepermitteerd om dan toch maar de functie van kapitein op zich te nemen. Zijn houding kan op niet veel bijval rekenen bij het magistraat. De schepenen willen absoluut een andere baljuw met onder zich een man of tien, liefst gedisciplineerde figuren die door de staat moeten betaald worden. Van de baljuw wordt op zijn minst verwacht dat hij in nauw contact blijft met de bevolking. Deze hier doet alles op eigen houtje zonder zich in het minst iets aan te trekken van het stadsbestuur.

Enkele dagen later, op 6 september dus, is de toon nog verscherpt. De Clercq wordt nu effenaf beschuldigd van zware feiten, ‘enorme faicten’. Zaken die ze hier willen laten verifiëren als dat nodig moest blijken. Het stadsbestuur vertrouwt deze onwaardige kapitein en baljuw niet langer. Hij moet absoluut verdwijnen, afgevoerd worden en vervangen door een goede gekwalificeerde ingezetene van de stad. Opmerkelijk is toch wel dat zijn opvolger gehuwd dient te zijn. De nieuwe moet zorgen voor de algemene rust en het welvaren van Nieuwpoort. Na zijn vertrek in 1579 vertrekt de Clercq naar Brugge waar hij er na korte tijd ook al van verdacht wordt om ruzie te stoken. Nog veel trammelant waar ik niet dieper op inga.

Het interesseert me veel meer om te weten hoe Nieuwpoort het stelt met zijn Hollanders. De eerste maanden van de vreemde bezetting gaan relatief rustig voorbij. Ze hebben zich akkoord verklaard met de pacificatie van Gent en dus moeten de inwoners zich daarnaar schikken. De ingezetenen hebben immers de waarborg gekregen dat de zuidelijke provincies van de Nederlanden als katholieke provincies mogen beschouwd worden. De hervormden mogen wel hun geweten volgen. Ze mogen hier echter geen sermoenen houden en zeker al geen tempels bouwen. In Holland en Zeeland is de toestand precies omgekeerd. Wie kan daar nu iets op tegen hebben?

Ongelukkig genoeg verschijnen de eerste onweerswolken in de zomer van 1577. Figuurlijke wolken dan toch. Don Juan, de Spaanse gouverneur van de Nederlanden, merkt op dat men hem als bestuurder compleet links laat liggen. In heel het land worden er besluiten genomen en uitgevoerd zonder hem daarbij te kennen. Juan pikt dat niet langer en mobiliseert een krijgsmacht waarmee hij de vesting van Namen en enkele andere Waalse steden gaat bezetten. In het besef dat dit absoluut in slechte aarde zal vallen, laat hij de Spaanse troepen terugkeren naar de Nederlanden. Als het nodig moest blijken zal hij vastberaden zijn wil doordrijven in het noorden. Hij krijgt daarbij trouwens de steun van Frankrijk.

Dat van die slechte aarde is in elk geval een waarheid als een koe. Zoals verwacht grijpt de bevolking nu zelf naar de wapens om te verhinderen dat de Spanjaarden hier weer de scepter zouden komen zwaaien. De mensen willen geen vreemde troepen meer op hun bodem. De katholieken en de hervormden zijn het daar roerend mee eens. De Spaanse koning aanvaarden ze wel, op voorwaarde dat hij de rest aan de Nederlanders overlaat en zeker geen vreemde charlatans aan het roer plaatst. En opnieuw gaat de beroering weer grotendeels voorbij aan de stad van Nieuwpoort. Hier maken ze zich alleen maar druk om hun baljuw die ze buiten willen. Ondertussen krijgt Veurne de bezetting van 450 man te verwerken.

Uit de onlusten veroorzaakt door het optreden van Don Juan groeit het bewustzijn bij de hervormden dat ze door hun anti-Spaanse overtuiging wel wat meer faciliteiten verdienen om hun religie te bedrijven. De katholieken van Vlaanderen staan hoe dan ook wat milder tegenover hun katholieke vorst Filips II. Het verschil in attitude tussen katholieken en calvinisten laat zich vooral opmerken in de bezetting van het staatsleger. De strijdkrachten bestaan voor een merendeel uit hervormden en dus is de militaire macht vooral in handen van de protestanten. Op veel plaatsen in Vlaanderen beginnen ze van dat overwicht te profiteren. De mannen beginnen hier voluit sermoenen te organiseren. Ze zetten daarbij de deur wagenwijd open voor nieuwe godsdienstruzies. Binnen de kortste tijd worden de kloosters en de kerken hier te lande weer aangevallen en geplunderd.

Nieuwpoort, in handen van de Hollanders, ziet het gebeuren dat er een predikant van de hervormde kerk wordt aangesteld om in de geestelijke behoeften van het garnizoen te voorzien. De dominee zal er actief blijven tot in 1577. Wanneer er onlusten uitbreken is hij er als de kippen bij om waar mogelijk calvinistische sermoenen te organiseren.

René Dumon is erg karig met details. Dat er onderhandelingen komen en dat die leiden tot de zogezegde ‘religions-vrede’ en dat de prins van Oranje die op 22 juli 1578 bekrachtigt. De hervormde leer zal voortaan ook publiekelijk beleden mogen worden in de zuidelijke Nederlanden. Op veel plaatsen in Vlaanderen wordt er geaarzeld om deze vrede toe te passen. Die strookt helemaal niet met de pacificatie van Gent. En ondertussen groeit de aanhang van de nieuwe godsdienst spectaculair. De predikanten mogen nu vrij en openlijk hun leer verkondigen. In Nieuwpoort wordt er ook serieus tegengestribbeld. Het duurt tot 2 oktober 1578 vooraleer het stadsbestuur eindelijk een positie inneemt en de religions-vrede openlijk accepteert. Er mag niemand nog met woorden of daden aangevallen worden vanwege zijn of haar geloof. De bevolking wordt verzocht ‘elk de andere paysivelijk, lijfelijk en ongemoeid te laten in het exerceren van zijn religie’.

In Vlaanderen breken er zowat overal nieuwe onlusten uit. De toepassing van het nieuw decreet zorgt voor allerhande misverstanden. De hervormden lezen er meer in dan er werkelijk staat. Ze dringen er op aan om de kerken van de katholieken te mogen gebruiken om daar hun eigen godsdienst uit te oefenen. Met hun dominantie op militair gebied is dat niet langer een vraag maar een dwingende eis. Ze gaan eenzijdig over op het verkiezen van hun commissarissen die in elke stad en elke gouw in de plaatselijke besturen moeten participeren. In realiteit nemen ze doodleuk de voornaamste functies van de magistraten over. Ik kan het niet anders omschrijven dan het plegen van een coup.

Het hek is nu natuurlijk van de dam. De door Holland geïnfiltreerde besturen willen nog maar één zaak en dat is waar mogelijk hun calvinistische broeders en zusters te bevoordelen. De wettelijk verkozen magistraten kijken ernaar als honden op zieke koeien. Wanneer het gebruik van de kerken ook toegelaten wordt voor de hervormden staan ze compleet machteloos. Willem van Oranje doet er op 12 februari 1579 nog een schepje bovenop: wanneer er in plaatsen maar één kerk beschikbaar is dient die door beide religies aangewend te worden. Volgens de regels die zullen bepaald worden door de lokale commissarissen. Dat is ook het geval voor Nieuwpoort die maar één kerk bezit. Het zal blijkbaar toch nog enkele maanden duren vooraleer de calvinisten en de katholieken daarover een onderling akkoord kunnen bereiken.

Na het bereiken van dit akkoord op 1 juli 1579 gaan ze hier over tot de eedaflegging van een katholieke pastoor, een protestantse predikant en van vier kapiteinen. Die laatsten krijgen de hulp van gewapende burgers om de stad tegen alle onlusten te beveiligen. Ze zweren met zijn allen trouw aan de koning van Spanje en eveneens aan de prins van Oranje die het toch al ver heeft geschopt als ik dat mag zeggen. Ze beloven plechtig om te weerstaan aan de vijanden van het vaderland en om de religions-vrede te onderhouden en te laten respecteren. En zelf gehoorzaam te blijven aan de wetten van hun stad.

Op 1 oktober 1578 is Don Juan overleden en vervangen door Alexander Farnese. De nieuwe gouverneur slaagt er in relatief korte tijd in om Henegouwen, Artesië en Waals-Vlaanderen onder zijn gehoorzaamheid te brengen. Dat gebeurt rond de meimaand van 1579. Farnese is natuurlijk een zuivere katholiek en dat zullen de Nederlanden al gauw lijfelijk ondervinden. Hij vormt een strijdkracht die haast uitsluitend door katholieken wordt samengesteld. Het zijn mannen die niet langer de aanmatigingen en buitensporigheden van de hervormden kunnen verdragen. Ze worden door de protestanten smalend de ‘paternosterdragers’ of de ‘paternosterknechten’ genoemd.

Willem van Oranje is er niet gerust in. Hij verdenkt Farnese ervan om een oogje te hebben op Duinkerke. De buurstad van Nieuwpoort moet dringend versterkt worden en heeft nood aan een sterk garnizoen. Spijtig genoeg krijgt de prins af te rekenen met een tekort aan financiële middelen. En bijgevolg ook aan mankracht. Ook in Nieuwpoort wil hij soortelijke maatregelen nemen maar botst hij op zijn geldelijke limieten. Bovendien wordt de havenstad voorlopig nog niet verontrust. Het is onder deze omstandigheden dat de religions-vrede op 1 juli 1579 tot stand komt. Het lijkt er in elk geval op dat beide partijen elkaar respecteren om de vrede niet in het gedrang te brengen.

De protestantse predikant verlaat Nieuwpoort om zich tijdelijk te gaan vestigen in Duinkerke waar het nieuwe garnizoen hem van doen heeft. Ik kom eindelijk zijn naam te weten: Pieter Everaert. Een jaar later keert Everaert al terug naar Nieuwpoort waar hij aangenomen wordt als lid van de zogenaamde ‘consistorie’ die regelmatig samenkomt in Veurne. Begin 1579 wordt de ontslagen kapitein en baljuw Octaviaan de Clercq vervangen door jonkheer Jacob Marchant, een landhouder van Veurne-Ambacht. Op het einde van het jaar schopt hij het tot voorzitter van de ‘Raad van Admiraliteit’. Deze raad is bevoegd voor alle aangelegenheden betreffende de scheepvaart in de Vlaamse havens.

Marchant is dan tweeënveertig jaar. Geboren in Nieuwpoort in 1527, afgestudeerd aan de universiteit van Leuven en een van de meest vooraanstaande intellectuelen van zijn tijd. En vooral anti-Spaans tot in merg en been. De hervormden hier zullen dus niet veel op de nieuwe baljuw moeten rekenen. Naast de baljuw komt er nu wel degelijk een gouverneur die moet instaan voor de militaire veiligheid van de stad. Op 18 juli 1579 wordt kapitein Wintershove aangesteld als nieuwe gouverneur. Hij heeft al eerder een identieke functie waargenomen in het nabijgelegen Veurne. Wintershove kan rekenen op de medewerking van een groep gewapende burgers.

De poorters staan onder het bevel van vier kapiteins die al op 1 juli hun eed hebben afgelegd. Ze staan beschreven als ‘capiteynen vander poorterie ende wachte van deze stede’. Het zijn Gheleyn Stabelle, Jan Pleyte, Jan Herrewyn en Balthasar Martens. Pleyte zou vroeger trouwens organist geweest zijn in de lokale kerk. Op 6 juli 1579 worden er ook twee vuurtorenwachters in dienst gesteld. ‘Vierboeters’ worden ze in die tijd genoemd. Ze moeten de wacht houden over de haven. Elk schip dat de haven binnenvaart dient voortaan onderzocht te worden. Ook de schepen die hier hun ankers uitwerpen in afwachting van hoog water kunnen er niet aan ontsnappen. Elk vaartuig moet voor aankomst signalen uitsturen naar de vierboeters. Dat gebeurt door middel van een lantaarn die men van de mast op de vierboete moet op- en neerlaten, een signaal dat wat verder kan opgevangen worden in de stad zelf.

Op 18 augustus 1579 roepen kapitein Wintershove en de notabelen van Nieuwpoort het stadsbestuur samen om over te gaan tot een plechtige verklaring dat men tot de unie van Utrecht zal toetreden. Terwijl in andere steden de fameuze commissarissen het handje van het magistraat vastnemen blijkt deze rol hier in Nieuwpoort voorbehouden voor de rijke burgerij en de kapitein zelf. Het zijn deze lieden die hier het eerste en het laatste woord hebben. Ze argumenteren dat de toetreding tot de Nederlandse unie noodzakelijk is om te weerstaan aan de gemeenschappelijke vijand die er alleen maar op uit is om het vaderland in een eeuwige slavernij onder te dompelen. Ze hebben het natuurlijk over de Spaanse koning Filips II, de zoon van wijlen keizer Karel.

Tezelfdertijd worden er extra veiligheidsmaatregelen getroffen. De burgers die zich aangemeld hebben bij de stadswacht moeten er voor zorgen dat ze altijd kruit en lood bij zich hebben en ‘een beetje moeten wachten om zich dronken te drinken’. Hoewel ik de authentieke woorden ‘droncke te drincken’ net iets beter hoor klinken. Bij elk vermoeden van kwaad dienen de gewapende poorters zich asap te reppen naar het huis van hun kapitein. Die zal hen daar onmiddellijk de nodige orders geven. Als dat tijdens de nacht gebeurt moet ieder ‘vuutstellen een lanteerne met behoorlijke licht’. Vreemdelingen die hier in Nieuwpoort woonachtig zijn moeten zich verplicht bij het stadhuis aanmelden waar ze een eed moeten afleggen. Hun geweren moeten ze meebrengen. Dumon vergeet erbij te vermelden of die door de overheid worden aangeslagen of wat er effectief mee gebeurt.

Op 18 december 1579 vraagt Jacob Marchant aan het stadsbestuur of hij geen assistent kan krijgen. Een extra stadhouder om de functie van baljuw in zijn naam uit te oefenen tijdens zijn afwezigheid. Zijn verzoek wordt toegestaan. Marchant heeft het ongelooflijk druk om zijn functie als voorzitter van de Raad van Admiraliteit, de supervisie over het westkwartier en het baljuwschap over Veurne nog behoorlijk te kunnen uitoefenen. De nieuwe stadhouder komt er niet zomaar. Het magistraat vraagt advies bij de notabelen en die stellen enkele bijkomende voorwaarden. Marchant moet absoluut blijven wonen in Nieuwpoort en de stad met raad en daad blijven bijstaan. Zijn gewenste assistent zal eerst moeten worden goedgekeurd door de stad die trouwens gemachtigd moet zijn om de man af te zetten als hij iets verkeerd doet. Marchant accepteert de bijkomende eisen. Zijn keuze valt op Joos Dhont.

Opmerkelijk toch dat het er hier in Nieuwpoort nog altijd vrij rustig aan toe gaat. Redelijkheid en verdraagzaamheid heersen. Dat is best te zien aan de manier waarop de protestantse bende omgaat met de religieuzen die het gasthuis bedienen. Op veel andere plaatsen in het land heeft men kloosters in brand gestoken, de nonnen verkracht, verdreven en hun bezittingen ontnomen. Dat is allerminst het geval in Nieuwpoort waar de zusters geapprecieerd worden om hun ziekenhuiswerk. Eind 1579 krijgen ze trouwens een extra vergoeding omwille van hun opoffering bij het verzorgen van de pestlijders. Tijdens dat jaar werden er 156 pestlijders ter verpleging in het gasthuis opgenomen. De zusters zijn er in geslaagd om 59 zieken te genezen. De 97 overledenen worden bij de zusters zelf begraven. Het valt in dit verband op dat het vroegere pesthuis, in 1532 en 1565 nog bekend als de ‘meestove’ niet langer bestaat en dat de zusters de pestlijders nu in hun eigen klooster verzorgen.

Eind 1579 wordt het ook in Nieuwpoort duidelijk dat ze rekening zullen moeten houden met Alexander Farnese. De Spaanse gouverneur van de Nederlanden die al een tijd de scepter zwaait over de Franssprekende gewesten van het land en eigenlijk ook al over enkele Vlaamse gebieden. De dreiging van Farnese wordt natuurlijk besproken in het schepencollege. ‘Wees er maar zeker van dat de Spanjaard niet zal rusten vooraleer hij heel Vlaanderen weer in zijn bezit zal krijgen’. Dat is ongetwijfeld de teneur van de gesprekken. Ik ben dan ook helemaal niet verrast dat ze spoed willen zetten om de stedelijke versterkingen in een versneld tempo uit te voeren.

De werken werden al aangevangen in de zomer van 1578. Vorig jaar werd begonnen de werklieden al met het graven van een dijk rond het kasteel. En dat om alle mogelijke perikelen te vermijden. Aanvankelijk deed men nog beroep op vrijwilligers. Na korte tijd werden dat ‘Chinese’ vrijwilligers. De inwoners konden niet veel anders dan meewerken. En wie zich verhinderd zag moest verplicht een vervanger sturen om zijn taak over te nemen. Allemaal onbezoldigd werk. In december van 1578 staan ze nog nergens. De werken schieten maar niet op. In december 1578 beslist men om een ploeg van veertig arbeiders in dienst te nemen die dit keer wel bezoldigd zullen worden. Dat betekent helemaal niet dat de burgers er van af zijn. Ook zij blijven opgetrommeld om mee te werken.

De bouwwerken zijn dan ook wel vrij uitgebreid. Er moet een vesting worden opgetrokken aan de zuidwestelijke kant van het kasteel. Er dienen enkele dijken geslecht worden. De dijk buiten de Noordpoort en de grote dijk ‘groene heyde’ tussen Nieuwpoort en Nieuwendamme moeten plaats ruimen voor vier vooruitgeschoven vestingen die aangebouwd worden aan de westkant van de stad. Er is eveneens sprake van nieuwe vestingen op de kasteelgronden, tegen de Stegerpoort. En ook op de terreinen van de busschieters en tegen de kerkmuur. Aan de Oost- en Zuidpoort plannen ze de constructie van een bolwerk. En dat is ook het geval voor het kasteel.

Terwijl de werken in de loop van 1579 gestaag maar traag vorderen, wordt de noodzaak van een snelle afwerking meer en meer acuut. Het geval Farnese natuurlijk. Tegen het einde van het jaar zijn de politieke spanningen zodanig opgelopen dat de werken met de grootste spoed zullen moeten afgewerkt. Het grootste probleem daarbij is het gebrek aan stenen. De groeven in Waals-Vlaanderen zullen wel niet open staan voor wie zijn rug toegedraaid heeft aan de Spaanse koning. Er wordt al in 1578 besloten om de toren van het kasteel, de zogezegde Duiventoren af te breken en de stenen ervan te gebruiken bij de infrastructuurwerken. Die afbraakwerken worden in augustus 1578 toevertrouwd aan Jan de Saeghere. Ook de grote poort van het kasteel zal tot tegen de grond afgebroken worden. De toren van de kerk blijkt in 1580 helemaal verdwenen te zijn. Allemaal het gevolg van misrekeningen bij het tot stand komen van de nieuwe bolwerken.

De Nieuwpoortnaars kijken natuurlijk figuurlijk over het muurtje om elders aan stenen te geraken. Veurne sukkelt blijkbaar met hetzelfde probleem. Daar zijn ze genoodzaakt om enkele grote gebouwen te slopen, zelfs twee gasthuizen, om over de nodige bouwstenen te kunnen beschikken. De kosten van de versterkingen vallen ten laste van de stad. De staat heeft beloofd om een deel ervan te subsidiëren maar de effectieve toelagen blijken echt wel ontoereikend te zijn. Omdat de Nieuwpoortse werken veel te traag vorderen komt Vlaanderen op 15 juni 1580 alsnog over de brug met de som van 15.000 gulden. Een deel van dat bedrag zal moeten worden gerecupereerd door de bevolking van Veurne-Ambacht.

Een veilig Nieuwpoort is immers ook in het voordeel van de Westhoekbevolking en die van Veurne. Veurne protesteert met het argument dat de werken in Nieuwpoort niet haar zaak is. Om de kosten in Nieuwpoort enigszins te dekken wordt overgegaan tot de verkoop van het zilverwerk van de kerk en van de gilden. Voor de calvinisten betekent die maatregel natuurlijk een rondje pesten van de katholieken onder het alibi van de veiligheid van de stad. Hoe dan ook; het zilver brengt 3.346 pond op. De klokken van Nieuwpoort en Lombardsijde worden verkocht in Amsterdam. Zonder kerktorens hebben de klokken natuurlijk nog weinig zin.

Tijdens de zomer van 1580 groeit de angst dat het leger van de malcontenten een aanslag zal plegen in Veurne-Ambacht en mogelijk ook in Nieuwpoort. Dat leger helt meer over naar Spanje dan naar de Staten van het land die volgens hen alleen maar samenheulen met de calvinisten. De malcontenten zijn in het bezit van het fort te Roesbrugge. Hun Waalse bondgenoten hebben beslag gelegd op het fort van Ekelsbeke. De dreiging voor Nieuwpoort is reëel. Baljuw Jacob Marchant ziet zich op 19 augustus 1580 verplicht om in Gent bijstand te verzoeken bij Willem van Oranje. De Hollander belooft hem met de hand op het hart dat hij zal oprukken tegen beide forten. Het blijft echter bij vage beloften.

Een van de argumenten van Marchant bij de prins is natuurlijk de praktijk van de brandschattingen die de malcontenten opleggen aan de bevolking van de Westhoek. Ze eisen enorme sommen om de mensen zogezegd in veiligheid te laten. Uiteraard zijn dat zonder meer maffia-waardige afperspraktijken. Om het bedrag van de brandschatting te kunnen betalen zien ze zich in het westkwartier verplicht om zilverwerk en juwelen van de kerken en de gilden te verpatsen. Ook de bezittingen van de gasthuizen gaan onder de hamer. De poorters van Nieuwpoort worden dank zij de aanwezigheid van de Hollanders gespaard. Nieuwpoortnaars die buiten hun stad door de malcontenten worden opgepakt hebben echter niet te kiezen. Enkel met geld op de tafel komen ze vrij.

In maart 1580 is er voor de eerste keer sprake van een wandaad tegen de katholieke kerk. René Dumon laat tussen zijn tanden glippen dat dit de eerste keer is sinds het vertrek van het Hollandse garnizoen in 1577. Vreemd dat hij dat niet eerder verteld heeft. De misdaad in kwestie wordt gepleegd door een dronkaard. Een zekere Frans Bart zal dus wel ferm boven zijn theewater zijn als hij binnenstommelt in de pastorie van priester de Waele en die met een mes bedreigt en met scheldwoorden begint te overladen. Met zijn dronken kloten vindt de calvinist het dan nog nodig om de kasten en de koffers van de kerkvader open te breken. Achteraf krijgt hij de rekening gepresenteerd. De ontnuchtering zal nu wel compleet zijn. Frans Bart wordt aangehouden en door de stadhouder van de baljuw voor de rechtbank gedaagd. Die stadhouder in kwestie is Joos Dhondt.

De sukkelaar heeft de gemene rust bedreigd en de religions-vrede gebroken en zal daarvoor zijn straf krijgen. Hij zal zich publiekelijk voor het schepencollege en op zijn blote knieën moeten verontschuldigen en daar ter plekke vergeving dienen te vragen aan God van het hemelrijk en ook aan de kwasten van justitie. En zeggen dat het hem ‘leed is’. Als extraatje wacht hem nog een boete van tien pond. Als hij nog eens een keer zoiets waagt zal hij uit Nieuwpoort weggejaagd worden.

Het aantal poorters dat overloopt naar de nieuwe godsdienst stijgt met de dag. Een fenomeen die zich voordoet onder alle lagen van de bevolking. Predikant Pieter Everaert die de hervormden moet onderwijzen kan het niet langer alleen bolwerken en krijgt er een assistent bij. Op 21 juli 1580 wordt Bernart Faillie de tweede predikant in Nieuwpoort. Hij zal dezelfde wedde krijgen als Everaert. Vierhonderd gulden per jaar en zijn huispacht wordt vergoed door de stad. Zijn katholieke tegenhanger ziet deze ontwikkelingen in zijn stad natuurlijk niet graag gebeuren. Pastoor Christiaen de Waele onderneemt vruchteloze pogingen om zijn parochianen bij hun geloof te houden. Hij geeft zelf het goede christelijke voorbeeld door tijdens de jaren 1579 en 1580 meer dan tweehonderd pestlijders bij te staan aan hun sterfbed. De ziekte moet in die periode vermoedelijk ongemeen hevig toeslaan. Eind december 1580 wordt de apothekerswinkel voor zes weken gesloten nadat daar een pestlijder op bezoek geweest was.

Christelijk of niet, de pastoor wordt niet bepaald graag gezien door de ‘hervormde ijveraars van het protestantisme’. De haat tegen de Waele scheert hoge toppen. Op een zekere nacht lokken onbekenden de priester in een hinderlaag waar ze hem mishandelen. Achteraf wordt hij op een bootje gedeponeerd en, zonder zeil, riemen en voedsel overgelaten aan de grillen van de zee. Tot de sloep vastloopt op het strand van Lombardsijde waar de arme priester zich kan bevrijden. Hij vindt er een onderkomen op een hofstede en keert later terug naar Nieuwpoort.

En daar wacht hem al een nieuwe valstrik. Een identiek geval maar dit keer zal de boot lek geslagen worden. Alles zal overnacht gebeuren en heel clandestien allemaal. Eén en ander gebeurt niet zoals gepland werd. Aan de stadspoort (vermoedelijk de Stegerspoort) beginnen de schurken te panikeren wanneer ze een bende ruiters in aantocht zien komen. In hun angst dat het hier om Spanjaarden gaat slaan ze op de vlucht en komt de geplaagde pastoor zo weer op vrije voeten. De man beslist dan maar om Nieuwpoort te ruilen voor een onderkomen in het klooster van Sint-Omer. Daar is de grond minder heet onder zijn katholieke voeten.

‘Het viel allemaal wel mee’, beweert René Dumon over de pesterijen tussen de religies. Tussen 1576 en 1583 vinden er enkele wandaden plaats tijdens de eerste maanden van de Hollandse bezetting. De soldaten van het garnizoen zijn de schuldigen. Tijdens een nacht in het jaar 1576 wordt op het kerkhof een Christusbeeld gejat en naar het galgenveld gesleurd en er aan de galg opgehangen. Arme Jezus mag blijkbaar nog een keer zijn ellende meemaken hier in Nieuwpoort. Het beeld van zijn moeder wordt uit het kerkportaal gestolen en later op de stadsvesten teruggevonden. En dan is er ook nog sprake van rellen wanneer de hervormden een van hun vrienden nogal ostentatief en op hun protestantse manier ten grave dragen.

Het stadsbestuur speelt op de keper beschouwd toch wel een verstandige rol. Dat kan ik afleiden uit de preventieve manier van aanpakken. Ze letten er goed voor op dat godsdienstige twisten niet uitgroeien tot rellen en onlusten. Er wordt hard opgetreden tegen de overtreders van de openbare orde. De archieven geven aan dat Nieuwpoort een zeldzaam geval is in Vlaanderen waar de oorlog tussen de religies woekert als een terminaal kankergezwel. De ‘Kamerboeken’ en de archieven maken na 1577 niet langer gewag van een Hollands garnizoen. De Nederlanders moeten effectief met de noorderzon vertrokken zijn. Het stadsbestuur moet aangedrongen hebben om een peloton van een man of tien in Nieuwpoort te laten en dat is het zowat. Dat ze in Veurne melding maken van roofpartijen tussen 1577 en 1583 gepleegd door de soldaten uit de garnizoenen van onder andere die van Nieuwpoort lijkt volgens Dumon weinig waarschijnlijk.

Vanaf 1581 gaat het er met de veiligheid verder op achteruit. In Nieuwpoort en omstreken heerst er grote ongerustheid vanwege de militaire hulp die de Nederlandse staten gevraagd hebben aan de Franse troepen. Met verloop van tijd wordt het duidelijk dat de Fransen alleen maar oog hebben om extra grondgebied in te palmen. Er wordt begerig geloenst naar Duinkerke. Het platteland tussen Nieuwpoort en Duinkerke wordt afgelopen door Frans crapuul. Zowat overal wordt er geroofd en gebrand en vernieling gezaaid. Hun thuisbasis is effectief de stad Duinkerke waar Fransen en Hollanders zijde aan zijde de lakens uitdelen onder het opperbevel van de Zeeuwse admiraal de Trelong.

Dat roven en plunderen zijn zeker niet alleen het monopolie van de Fransen. De malcontenten die ijveren voor de terugkeer van de Spanjaarden en een revival van het katholicisme zijn nog altijd gelegerd in Roesbrugge en gaan zich te buiten aan dezelfde buitensporigheden. En ook de Duitse, Schotse en Zwitserse troepen die samen vechten met de Fransen zijn beslist geen engeltjes. En toch waagt er zich niemand om naar Nieuwpoort te komen. De vreemde troepen blijven zoals gewoonte altijd steken in de buurt van Sint-Joris en Wulpen. Op 18 januari 1583 gooien de Fransen hun maskers af. Ze profiteren van de tijdelijke afwezigheid van de Trelong om tijdens een wapenschouwing de Hollanders te ontwapenen en buiten de stad te zetten. Voortaan heerst het Frans leger over Duinkerke.

De machtsovername bij de buren heeft zo zijn gevolgen voor Nieuwpoort. Admiraal de Trelong vestigt nu zijn hoofdkwartier in Nieuwpoort. De drie compagnies Hollanders die uit Duinkerke verdreven werden verhuizen mee naar hier. Voor de eerste keer in jaren heeft Nieuwpoort weer een garnizoen. Het is nu natuurlijk uitkijken naar de Franse bedoelingen. Vanuit Duinkerke blijven ze zich in het gewest verspreiden en plegen ze overal grote wandaden. Ze focussen zich vooral op hoornbeesten en zaken van waarde. Het zit de bevolking tot aan de keel. De mensen hebben genoeg van de invallen en willen uiteindelijk maar één zaak meer. Hoe vlugger Alexander Farnese hier met zijn Spaanse troepen de zaken kan overnemen hoe liever ze het zouden hebben.

Willem van Oranje vindt de denkwijze van de Westhoekbevolking maar niets. Hij is er in het geheel niet mee gediend. Hij sluit een deal met de Fransen in de hoop om het Spaans gevaar alsnog af te wenden. Het komt er op neer dat de Fransen nu de officiële toelating krijgen om Duinkerke te bezetten. Als tegenprestatie erkennen zij dat de havenstad wel degelijk Nederlands grondbezit blijft. Deze overeenkomst wordt afgesloten op 10 april 1583 en blijkt geen stuiver waard te zijn. De opbouw van de Spaanse troepen zorgt de volgende weken voor groeiende paniek bij de Franse troepen. De ambities van Farnese worden van langs om meer zichtbaar: hij moet en zal Duinkerke veroveren.

De Franse troepen trekken zich massaal terug uit de noordelijke contreien. In Duinkerke zelf laten ze vijfhonderd man achter om alsnog een schijn van tegenstand te wekken. En dat is het zowat. Er komen onderhandelingen met Farnese. Frankrijk is bereid om Duinkerke en Grevelingen af te staan aan de Spanjaarden, in ruil voor Cambrai. Alexander Farnese schiet het voorstel af. Zijn leger verschijnt daarop voor Duinkerke. Na het schieten van enkele bressen in de stadsmuren geven de inwoners er zich vrijwillig over. Farnese stelt zich edelmoedig op. De stedelingen worden met respect behandeld en krijgen zelfs hun vroegere rechten terug. De Franse bezetters worden ontwapend en op 16 juli 1583 weggestuurd.

Nu is Nieuwpoort aan de beurt. Farnese duikt op onder de muren van de stad. Admiraal de Trelong wil zich absoluut verweren. Met zijn drie Hollandse compagnies ter beschikking zal het maar een mager verzet zijn. En die krijgen dan nog af te rekenen met gewapend verzet van de Nieuwpoortnaars zelf. De lokale poorters hebben al lang vernomen hoe edelmoedig Farnese zich heeft opgesteld in Duinkerke en ze hopen nu op dezelfde goodwill van de Spaanse troepen. De Hollanders worden daarop door de burgers zelf ontwapend. De poorten gaan wijd open voor de Spanjaarden. Alexander Farnese verklaart zich bereid om de mensen hier dezelfde vredesvoorwaarden toe te kennen als die van Duinkerke. Op 23 juli 1583 arriveert hij in de stad. Het Spaanse regime is meteen hersteld. De verbeurd verklaarde vrijheden en voorrechten worden aan de stad teruggeschonken. Met uitzondering van de vrijheid van tolrecht die al sinds 1168 werden toegestaan en nu eigenlijk per toeval niet in ere wordt hersteld. Die fout zou later worden rechtgezet.

Nieuwpoort heeft in elk geval geen klagen gehad tijdens de bezetting van de Hollanders. De katholieken en de calvinisten hebben betrekkelijk rustig met elkaar samengeleefd. Het stadhuis heeft geprobeerd om een betrekkelijke onpartijdigheid te hanteren. Kortom: het was een van de zeldzame plaatsen waar niet geroofd en geplunderd werd en waar er geen bloed vergoten is geweest. De koelbloedigheid van het stadsbestuur laat zich ook opmerken door de weigering om de sluizen open te zetten om de komst van de Spanjaarden te bemoeilijken. Dat gebeurt trouwens in afspraak met het magistraat van Veurne-Ambacht. Ze oordelen dat dergelijke maatregel volstrekt nutteloos is en vooral de eigen plattelandsbevolking zal treffen.

Farnese eist wel dat de burgers hun wapens en oorlogsvoorraden inleveren. Dat dient te gebeuren in de halle. Dat laat hij weten op 26 juli 1583. Samen met de mededeling dat de gezinnen vrij zijn om in de stad te blijven wonen. Zolang de poorters zich maar gedragen als goede katholieken en trouwe onderdanen van de koning van Spanje. Wie de stad wil verlaten moet daarvoor een aanvraag indienen bij Alexander Farnese. Na zijn goedkeuring krijgen de vertrekkers nog uiterlijk zes maand tijd om meubelen en bezittingen te verkopen. Voor de verkoop van onroerende goederen krijgen ze nog een half jaar extra respijt.

Nogal wat bewoners die Nieuwpoort verlaten hebben keren nu naar huis terug. Dat zijn vooral uitgeweken katholieken. De omgekeerde beweging is natuurlijk ook een feit. Veel hervormden verlaten Nieuwpoort. Bij de terugkerende katholieken behoort ook de zo gepeste pastoor de Waele. Samen met een aantal paters van de abdij van Koksijde die zich een tijd in Brugge hadden gevestigd.

Er breekt een nieuwe tijd aan die zal duren tot in 1600 en later. Ik beperk me bewust tot de gebeurtenissen uit de rest van de 16de eeuw. De nieuwe religie wordt in de heroverde gebieden allerminst geduld. Niet verwonderlijk met zo’n puriteins-katholieke koning als Filips II. De plaatselijke magistraten krijgen de formele instructies om deze maatregel strikt toe te passen. Hier in Nieuwpoort is er nooit sprake van vervolgingen tegen andersdenkenden. Het is wel duidelijk dat calvinisten niet moeten denken om naar hier te komen en in Nieuwpoort hun waren te slijten of handel te drijven. Alleen goede katholieken mogen zich als ambachtslieden of handelaars vestigen. Zo bijvoorbeeld een Duinkerkse ketelmaker. Adriaen Nevenynck wil zich hier komen vestigen en krijgt daartoe enkele de toelating als hij een bewijs van zijn katholicisme kan voorleggen ondertekend door de pastoor van Duinkerke. Een attest dat hij zijn paasbiecht heeft afgelegd en het heilig sacrament heeft ontvangen.

Op 1 september 1583 wordt de Noordzee een stuk veiliger. Farnese laat een wet verschijnen met betrekking tot de scheepvaart en de handelsactiviteiten van Nieuwpoort en Duinkerke. De handel op zee is weer vrij voor iedereen. Zonder onderscheid. Zowel voor die van Spanje, Frankrijk, Engeland, Schotland, het noorden, Noorwegen en elders. En ook voor die van Holland, Zeeland, Friesland en andere verzoende plaatsen. Maar enkel en alleen voor wie daarvoor toelating vraagt en krijgt. Enkel voor de schepen met een vrijgeleide. Gedaan met de kaperij en de roofpartijen op zee. Niemand mag nog kwaad berokkenen aan schepen wanneer die arriveren in de havens van Duinkerke, Nieuwpoort en Grevelingen en in sommige andere havens.

Het gevaar komt nu vanuit Oostende, het bolwerk van de calvinisten bij uitstek. Na de herovering van Nieuwpoort heeft Farnese er even over gedacht om Oostende aan te vallen. De overmacht van de Hollanders heeft hem vrij vlug op andere gedachten gebracht. De dreiging van Oostende laat zich nu niet alleen op de Noordzee gevoelen maar net zo zeer op het land wanneer Oostendse troepen gestadig de streek aflopen op zoek naar vee en gewassen. De mannen speuren ook naar personen van aanzien die mogelijk gebruikt kunnen worden om hen later mits de betaling van losgeld weer op vrije voeten te stellen. Nieuwpoort blijft grotendeels gespaard van deze brutaliteiten. Toch neemt de stad zijn voorzorgen. De Oostendse soldaten houden zich vaak schuil in de loopgraven van Lombardsijde. In 1589 vraagt het stadsbestuur aan de drie schuttersgilden om deze loopgraven te slechten.

In de Hoogstraat staat er een woning met een vrij hoge toren. Het huis staat bekend als ‘Den Franschen Schilt’ en zijn toren bezigt men om signalen overzee te sturen. In 1589 eist het magistraat van eigenaar Pieter Lieven om de beschadigde toren te herstellen. De stad zal tussenkomen in een derde van de kosten. Als aannemer wordt Jan de Vynck aangeduid. Een jaar later (op 12 april 1590) is de Vynck nog niet eens begonnen aan de werken. Het stadsbestuur kan er niet om lachen. Omdat hij verzuimd heeft de werken uit te voeren wordt hij in de gevangenis opgesloten en zal hij boeten voor deze nalatigheid.

Ook Veurne-Ambacht neemt extra maatregelen om de rooftochten te beletten. Het stadsbestuur krijgt er van Farnese de toelating om een sterke verschansing op te richten ter hoogte van Nieuwendamme. René Dumon maakt me nieuwsgierig met zijn mededeling dat de verdedigingslinie in zijn tijd nog altijd te zien is. Dankzij ‘good old Google’ kan ik mijn nieuwsgierigheid bevredigen. Resten van het fort van Nieuwendamme bevinden zich inderdaad nog altijd in de Rattevallestraat. Een soort eiland in de Ijzer bedoeld om de watergeuzen van Oostende tegen te houden. Nieuwpoort, Diksmuide en Veurne betalen elk een deel van de schans en krijgen het geld achteraf door de staat terugbetaald. Van zodra de versterking klaar is wordt ze bezet door een compagnie soldaten. Die bezetting vangt aan in 1584.

De smeerlapperij van de soldaten blijft maar toenemen. Tot overmaat van ramp beginnen de garnizoenen van Nieuwpoort, Veurne en Diksmuide zich nu schuldig te maken aan vernielingsronden en rooftochten. Zelfs de compagnie van Nieuwendamme bezondigt zich eraan. Die mannen gaan zelfs nog een stukje verder. Hun kapitein Bouloigne begint nu eveneens met het heffen van schattingen op de dorpsbewoners van de omtrek. De dorpen die betalen, worden met rust gelaten. Wie weigert betaalt de rekening cash. In 1585 krijgt Bouloigne een klacht aan zijn been. Aangezien hij geen redelijke uitleg kan geven voor zijn praktijken wordt de kapitein ter dood veroordeeld en op de markt van Veurne onthoofd.

Naast Oostende wordt ook de haven van Sluis bezet gehouden door de calvinisten. Beide steden worden door een Spaans leger in de tang gehouden. Een toestand die jaren aan een stuk aanhoudt. In juli 1587 gaan de Engelsen zich met de toestand bemoeien. Een Engels leger onder leiding van de graaf van Leicester komt postvatten aan de noordzijde van Nieuwpoort. Het is een doorzichtig manoeuvre om Farnese te dwingen een deel van zijn troepen rond Sluis te doen wegtrekken en naar Nieuwpoort te sturen. Op die manier hopen ze om achteraf Sluis te kunnen ontzetten.

De Spaanse gouverneur laat zich niet vangen. Heel Veurne-Ambacht loopt in de wapens om het hoofd te bieden aan de troepen van Leicester moest die van plan zijn om de Ijzer over te steken. Nog geen maand later maakt Farnese zich meester van Sluis. De missie van de Engelsen is nu zinloos. De graaf van Leicester vertrekt dan maar naar Zeeland. Langs de Ijzer blijven de mannen werken aan bijkomende verschansingen om de Oostendenaars verder af te stoppen. Zo komen er schansen op de ‘Bamburg’, de ‘Beckaf’ en de ‘Verlooren Cost’; allemaal gelegen tussen Nieuwpoort en Nieuwendamme. Er komt ook zo’n geval aan ’s Gravenbrug te Sint-Joris. De bouwwerken komen er in 1590. Oudenburg wordt eveneens versterkt en voorzien van een stevig garnizoen.

De soldaten in kwestie zijn Duitsers die het nu plots ook nodig vinden om zelf het land af te schuimen om zich zogezegd van levensmiddelen te voorzien. Rond Oudenburg is er regelmatig sprake van gevechten tussen de lokale bevolking en die Duitsers. Bij één van dergelijke conflicten worden er twintig onder hen gedood of zwaar gewond. De rest moet zich noodgedwongen overgeven en wordt naar Nieuwendamme gebracht. Het leven in de West-Vlaamse polders moet werkelijk dramatisch zijn. Ondanks alle voorzorgen blijft het geweld maar escaleren. Oostende blijft een bestendige haard van rooftochten, plagerijen en geldafpersingen.

Op 7 september 1590 trekt er een Engelse legermacht van twaalfhonderd man vanuit Oostende naar Veurne-Ambacht. Onder hen bevinden zich zeker driehonderd ruiters. Ze raken zonder problemen over de havenmond te Nieuwpoort. Van veel verzet is daar geen sprake. De soldaten van het lokaal garnizoen zijn vertrokken om te vechten tegen de Fransen. Oostduinkerke en Wulpen worden leeggeroofd. De kerk en het gasthuis van Wulpen gaan in de vlammen op. Net zoals talrijke huizen en boerderijen in beide dorpen. De Engelsen keren achteraf via het strand naar Oostende terug. Beladen met gestolen buit en levensmiddelen. Vergezeld van enkele gijzelaars die later nog wat extra losgeld zullen opbrengen. Onder de gijzelaars bevindt zich onder andere de pastoor van Wulpen.

In juni 1591 volgt een herhaling. Enkele Oostendenaars geraken bij Sint-Joris over de Ijzer en daarna gaat het richting Ramskapelle waar enkele boerderijen in brand worden gestoken. Enkele van de brandstichters worden dit keer wel bij de kraag gevat en later in Veurne opgeknoopt. Op 14 juli is het de beurt aan een nieuwe bende. ‘Achthonderd man’, vertelt Dumon, voor mij is dat toch al een leger dat zich opnieuw in Ramskapelle manifesteert en er het dorp in lichterlaaie zet. Daarna zetten ze zich op weg naar Wulpen. Het garnizoen van Nieuwendamme onder leiding van Pieter Vanden Berghe haast er zich naartoe om weerstand te bieden. Ze krijgen onderweg massale bijstand van de landlieden. Bij aankomst in Wulpen blijken de Oostendse vogels al gaan vliegen.

De hele zomer van 1591 blijft het van dergelijke strooptochten regenen. Lo en Reninge krijgen het zwaar te verduren. Nieuwpoort treft extra maatregelen. Er komt een fort aan de Grote Vierboete en aan de Lekesluis in het noorden van de stad. De mannen van Veurne-Ambacht die in staat zijn om een wapen te dragen, worden ingeschreven in het verweercorps dat bestaat uit zes compagnies met elk hun eigen kapitein. Telkens er alarm zal geslagen worden moet iedereen zich reppen naar zijn compagnie. Ook het garnizoen van Nieuwpoort wordt versterkt.

Wees er maar zeker van dat die maatregelen noodzakelijk zijn! Dat blijkt in elk geval op de nacht tussen 14 en 15 augustus wanneer Hollandse schepen, vertrokken vanuit Vlissingen, zevenhonderd man voetvolk aan land brengen in Adinkerke. Terwijl ze er wachten op de komst van vierhonderd ruiters, leven de Hollanders zich uit aan de gebruikelijke brandstichtingen. Samen met de mannen te paard zullen ze een massale raid uitvoeren op de omgeving van Veurne. Gelukkig geraken de verwachte ruiters niet over de Ijzer in Nieuwpoort. Het water staat er te hoog en de doorgang wordt er trouwens belet door een garnizoen. Er zit niet veel anders op voor de zevenhonderd voetgangers om zich terug te trekken in hun schepen op het strand van Adinkerke. De landlieden van de streek proberen daar in allerijl nog een stokje voor te steken en er ontstaat een hevig gevecht waarbij zeker dertig Hollanders worden gedood.

Een van de kritieke punten is de wetenschap dat de havenmond van Nieuwpoort vrij gemakkelijk te passeren is. Daar moet absoluut iets aan gedaan worden. Nabij het Wad wordt er nu een ponton op twee binnenschepen geplaatst, een soort van vlottende schans. Na vijf maand blijkt deze nieuwigheid een misbaksel te zijn. Deze vlottende schans wordt nu vervangen door een groot vaartuig voorzien van soldaten, een drijvend garnizoen als het ware. Onder leiding van een kapitein. Het vaartuig in kwestie is een zeeschip van Duinkerke. Het grootste dat men daar kan missen. De hele onderneming wordt gefinancierd door de staat zelf. Twintigduizend pond is aan aanzienlijk bedrag. Het gevaarte wordt bemand door acht soldaten.

De omschrijving ‘gevaarte’ blijkt goed gekozen door ondergetekende. Dat spel is natuurlijk veel te log en te groot om functioneel te zijn daar in de monding van de Ijzer. Een miskleun vanjewelste. Bij laag water blijft het gewoonweg steken in het zand en de slib van de rivier. Het duurt precies één jaar om de misrekening aan de lijve te ondervinden. Op 12 augustus 1593 duiken er vierhonderd ruiters en een grote macht van voetvolk op aan de Ijzer ter hoogte van het Vloeimark. Het is laagtij en de oversteek verloopt voorspoedig. En ondertussen is het verdedigingsschip niet eens bij machte om ook maar iets te verrichten. De kerk van Koksijde en de hofstede van Ten Bogaerde zijn er de pineut van. Ook bij de terugkeer van de Hollanders blijkt het zogezegd mobiele garnizoen bewegingsloos toekijken zonder ook maar iets te kunnen beletten.

Het schip wordt achteraf ontwapend. Verloren kosten zijn het geweest. In de plaats komt er een nieuw fort aan de Kleine Vierboete. Twee jaar na de versterking van de Grote Vierboete in 1591. De abdij van Ter Duinen krijgt eveneens extra beveiliging dank zij een klein garnizoen van ruiters. Dat belet de Hollanders evenwel niet om nog maar eens te ontschepen ter hoogte van Adinkerke en er hun smerige cocktail van plunderingen en brandstichtingen te presenteren. Vanaf 1594 is er gelukkig sprake van een vermindering van dergelijke rooftochten. Hier en daar wordt de streek wel nog geplaagd door kleine groepjes die ‘dievelings’ en bij nacht opduiken op zoek naar waardevolle zaken of naar wat ze ook maar kunnen roven. Zo gaat in 1594 de hoeve van Allaertshuizen in de vlammen op.

Er komt eindelijk wat verandering in de situatie wanneer aartshertog Albrecht in 1596 aangesteld wordt als nieuwe gouverneur van de Nederlanden. Hij begint zijn loopbaan hier met een krachtig optreden tegen de Fransen die de boel in de Westhoek maar blijven verpesten. Albrecht slaagt er in om Calais en Ardres in te nemen. De bezetters van de kastelen van Guynes en Ham geven zich daarna over. De bevolking van de Westhoek ziet dat natuurlijk heel graag gebeuren. ‘Nu Oostende nog’, dringen ze aan bij gouverneur Albrecht. Dan pas zou er een einde komen aan die plagerijen hier op het platteland. De nieuwe belooft dat hij nu niet lang meer zal wachten om Oostende in de tang te nemen maar eist wel dat de Westhoek hem met man en macht zal moeten bijstaan.

Op 28 juni 1596 verplaatst hij zijn leger tot voor Oostende. Toch is de strategische toestand nog niet van die aard om dit bolwerk van de calvinisten echt in een dwingende wurggreep te plaatsen. De tijd is er nog niet rijp voor. Oostende krijgt zijn voorraden immers via de Noordzee waar de Hollanders nog altijd het meesterschap bezitten. Op 22 augustus verhuist Albrecht zijn troepen richting Hulst die hij trouwens onder zijn controle krijgt. De soldaten van de lokale garnizoenen hebben veel energie gestopt in de activiteiten van Albrecht waardoor Nieuwpoort er achteraf toch wel wat verzwakt bij ligt. Wees er maar zeker van dat ze in Oostende beseffen dat Nieuwpoort momenteel op lemen voeten staat. Het duurt in elk geval niet lang voor de strooptochten weer aanvangen.

Nog voor het aanbreken van september trekken Oostendse troepen over het Wad. Voor de zoveelste maal kunnen ze zonder tegenstand de naburige dorpen overvallen. Met alweer hun gebruikelijke praktijken: diefstal, plunderingen, brandstichtingen en het meeslepen van gijzelaars om er later losgeld voor op te eisen. Wulpen en Koksijde zijn de grootste slachtoffers. De soldaten wagen zich zelfs tot aan de vestingen van Veurne. Op hun terugtocht vallen ze binnen bij boer Pieter Hemmels te Oostduinkerke. De buit die ze hier meenemen is niet min: tweeëndertig koeien, driehonderd schapen, vijf paarden en drie veulens. Dertigduizend schoven gewassen, de landbouwgereedschappen, het huis en zijn inboedel vallen ten prooi aan de vlammen. Er komt hulp aangesneld maar die arriveert veel te laat. De vogels zijn gaan vliegen richting Oostende. De Nieuwpoortse gouverneur Olivarius heeft niet de minste moeite gedaan om tussenbeide te komen.

De volgende dag wordt er een crisisvergadering gehouden. De hoofdmannen van Veurne-Ambacht zakken af naar Nieuwpoort om met Olivarius en het officierenkorps te bespreken hoe ze een einde kunnen maken aan de strooptochten langs het strand. Er blijkt maar één goede oplossing: een sterk fort bij de havengeul te bouwen en die te voorzien van minstens tweehonderd manschappen. Er vertrekt een delegatie naar Brussel om Albrecht te overtuigen om deze plannen te financieren. De aartshertog reageert positief op voorwaarde dat Veurne-Ambacht het geld zal voorschieten. Met de winter 1596-1597 voor de deur wordt beslist om pas in de lente met de werken te starten.

In afwachting zal Veurne-Ambacht een eigen compagnie van honderd ruiters te Nieuwpoort in garnizoen leggen. Onder het bevel van jonkheer Jan de Brias. Achttien van zijn ruiters zullen daarbij de wacht houden te Oostduinkerke. Langs het strand tot aan de monding van de Ijzer. Ze nemen er hun intrek in de kerk. De Brias stuurt ook een identieke groep naar Stuivekenskerke. De rest van zijn mannen blijft in Nieuwpoort om bij te springen waar nodig.

Bij het begin van de zomer van 1597 wordt er begonnen met de constructie van het fort. Het gebouw schiet uit de grond op een plaats waar in de tijd van René Dumon zich het Henriettaplein bevindt. De jaarboeken van Veurne hebben het over een schoon en kloek fort met vier bastions omschreven als ‘fort Triniteit’. Twee regimenten soldaten en vier stukken geschut vervolledigen het plaatje. Het voorschot van twintigduizend pond wordt zoals afgesproken vereffend door Veurne-Ambacht. Vijf jaar later krijgt het een vierde van die som terugbetaald. Op de rest wachten ze daar waarschijnlijk nog altijd. Met de naam ‘Triniteit’ wordt vermoedelijk verwezen naar het loodswezen dat een eeuw eerder tot stand was gekomen bij de monding en toen onder de bescherming stond van de Drievuldigheid.

Ik houd me ondertussen bezig met de vraag of er dan nooit een einde zal komen aan die verdomde oorlog. En of die Drievuldigheid daar geen stokje kan voor steken. Misschien had ik me dat beter want eerder afgevraagd. Op 2 mei 1598 sluiten Spanje en Frankrijk het vredesverdrag van Vernins. Vier dagen later laat koning Filips II weten dat zijn dochter Isabella hem zal opvolgen. Isabelleke is ter informatie de echtgenote van onze eigen aartshertog Albrecht. Haar vader overlijdt niet zo lang daarna, de 13de september van 1598, op zijn eenenzeventig. Het nieuws van de vrede wordt met veel enthousiasme onthaald in Nieuwpoort en Veurne-Ambacht. De mensen hier hopen nu hartstochtelijk dat Albrecht nu eindelijk Oostende zal aanpakken zoals het hoort. Deze plek blijft een doorn in het oog van de Westhoekbevolking.

Die hoop blijkt een fata morgana te zijn. Een illusie. Oostende is bijzonder goed versterkt en voorzien van een degelijk garnizoen. Ze krijgen daar de volledige steun van de Engelsen. De overmacht van de Anglo-Hollandse zeemacht op de Noordzee zorgt voor een vrije toegang tot Oostende vanop zee. Er zit niet veel anders op voor Albrecht om Oostende dan maar op het land te isoleren van de rest van Vlaanderen. Een fortengordel rond Oostende moet de oplossing zijn om een einde te maken aan de strooptochten. In 1599 laat de aartshertog een twintigtal van die forten opbouwen. Elk fort wordt bemand door twee of drie compagnies en voorzien van grof geschut. Het geheel wordt betaald door de vier Leden van Vlaanderen. De soldaten van het recent gebouwd fort Triniteit en die van de andere forten in Veurne-Ambacht verhuizen naar de nieuwe forten rond het gehate Oostende.

De meeste forten van Veurne-Ambacht zijn nu natuurlijk nutteloos geworden. Wegens aanhoudend geldgebrek wordt er beslist om die af te breken. Triniteit, Bamburg, Beckaf, Lekesluis en Verlooren Cost gaan in oktober 1599 tegen de vlakte. De forten aan de Vierboete, in Nieuwendamme en Ter Style blijven overeind. Die laatste ligt trouwens aan de Duivelshoorn te Sint-Joris. Er moet zeker haast bij zijn, want al op 30 oktober worden de bouwmaterialen openbaar verkocht voor een goede vijftienhonderd pond.

In Nieuwpoort blijft er nog een bescheiden garnizoen op post. En er zijn ook nog altijd de ruiters van Veurne-Ambacht die het strand en de havenmonding in de gaten houden. Die houden ook Oostduinkerke en de abdij van Koksijde in de gaten. In Oostduinkerke verblijven ze in de zeer beschadigde kerk en later in een nieuw gebouw dat aan die kerk wordt bijgebouwd.

De 16de eeuw loopt op zijn laatste benen. Net zoals deze kroniek hier. Met het jaar 1600 in het verschiet doen de geruchten de ronde dat Nederland van plan is om Nieuwpoort in te nemen. En daarna zou het de beurt zijn aan Duinkerke. Engeland heeft Holland beloofd om die onderneming met al zijn krachten te ondersteunen. De toestand ziet er allesbehalve rooskleurig uit.