Karel den Draaier

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     305 Views     Leave your thoughts  

Karel den Draaier Trezige uit de Kaffiereke was al veertig jaar weeuwe van Karel en ‘ten had nog nooit in haar zin gekomen van te hertrouwen, en lijk of dat er niets eeuwig duurt, de dag kwam dat ze dood ging.

Zo, ze kwam toegaande bij Sinte Pieter. Wie we daar nu hebben, zei Sinte Pieter, we waren je allange verwachtende, kom zere binnen in den schonen hemel. Ja maar, menere Sinte Pieter lijk ’n fraaien, zei Trezige, dat je moeste ’n keer willen kijken in je boeken achter Karel m’n man zaliger.

’t Was maar ’n woord en Sinte Pieter haalde ’n groten boek, miek zijn groten duime nat en versloeg ’t ene blad achter ’t ander, maar van Karel geen gewag. Dan van ’t zelfde in een ander boek. En alzo doorbladerde hij ze allemale, van den eersten tot den laatsten, maar zoveel appels als peren.

Trezige stond daar beteuterd te kijken en Sinte Pieter kreeg kompassie met ’t mensche en tut-tut-tut, zei hij, kom maar binnen, we zouden kunnen blijven zoeken, ’t gaat toch al djuiste zijn.

Ja maar, zei Trezige, ’t is al wel en stijf wel, maar ’t is al dat niet, ik zou willen bij Karel zijn, ’t is nu al veertig jaar dat hij bij den Here is.

Nu vrouwtje, zei Sinte Pieter, als ikje moge een raad geven, ware ’t mijn doens ‘k zou ’n keer inkertéren in d’helle.

Wat zeg je daar, zei Trezige, in d’helle, wat peis-je wel van Karel, zulk ’n fraaien vint, van al den tijd dat we getrouwd waren hebben we nooit geen de minste woorden gehad, en altijd zo bedienstig dat hij was.

Jaja, vrouwtje, ‘k heb hier al van soorten tegengekomen, ‘k zou ze kunnen stressen uiteendoen, ’t moet al zo zuiver zijn dat eeuwig blinkt, zei de heilige man en hij toogde schone de weg.

In d’helle wisten ze ook van geen Karel. En om het kort te namen, derde keer goe’ keer, ’t eindigde met naar ’t vagevier te gaan.

Ze was nog maar met rooi aan ’t portaal of een jong duveltje kwam voor den dag en wees naar binnen. Maar menere den duvel, zei Trezige verstoord, als ik moge een woord spreken, met wie peis-je wel dat ge te doen hebt, ’t is maar om ’n keer te weten of Karel, mijn man zaliger, hier nergens te boeke staat, en hij is al veertig jaar dood, zei ze.

Als het duveltje dat hoorde was hij in een gauwte weg en in een-twee-drie daar were met een hele bende oude duvels. Ze peisden en herpeisden, keken sterlinge naar de vaute, hun voorhoofd kwam in rompelingen van ’t klare peizen, hun mond ging open, maar er kwam geen woord uit.

Trezige gerocht danig op haar ongemak en was tewege weg, of is ’t misschien Karel die al veertig jaar aan ’t wiel staat van de blaasbalg, zei daar een van die oude duvels, Karel den draaier dat we zeggen …

Djuistement, ’t en kon niet missen, dat moeste Karel zijn.

En waarom Karel, de sukkelaar, daar nu al veertig jaar aan ’t wiel stond, vroeg Trezige bedeesd. En ze kreeg voor antwoorde dat Karel, voor elke keer dat hij haar bedrogen had, een toer aan de wrange moest doen …

Nu wist ze genoeg. Ze keerde zere were naar Sinte Pieter en liet Karel maar waar hij was.

– Gehoord van dezelfde op de palingsouper & feestavond van de bijenbond ‘De Bosbie’, gehouden te Krombeke op 27 november 1958. R.S. heeft deze vertelling zelf eerst gehoord omstreeks 1930 op de douanepost Le Touquet (bij Ploegsteert).

.
A. BONNEZ. in ‘Biekorf’ jaargang 60 van 1959

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>