Kindermoord in Zandvoorde

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       7 months ago     326 Views     Leave your thoughts  

Een kindermoord in Zandvoorde anno 1737

Dat het leven vroeger in onze streek veel lastiger was, hoeft weinig uitleg. In het ‘ancien régime’, de periode voor de Franse Revolutie, was onze gemeente, aan de rand van enkele grotere plaatsen als leper, Komen, Wervik en Menen een typische landbouwmaatschappij.

Dit wil zeggen in statistisch algemene termen dat mannen het beter hadden dan vrouwen, dat er ook in aantal meer mannen waren. Vrouwen, en zeker diegenen die er alleen voor stonden, waren al gauw geneigd om te verhuizen naar de anonimiteit van de stad of grotere verzorgingscentra. Alleenstaande vrouwen waren namelijk de ultieme prooien voor roddel en spot. Getuige daarvan de vele heksenverhalen die uit die tijd stammen; Coleta Josepha Bubbels leefde bijvoorbeeld ook nog altijd in 1737 in Beselare.

Het volgend verhaal is geen heksenverhaal, maar een verhaal van een alleenstaande moeder die beschuldigd wordt van kindermoord.

Op 23 oktober 1737 wordt in een gracht of waterput in Zandvoorde het bovendrijvende lichaampje van een pasgeboren kindje van het vrouwelijk geslacht gevonden, liggende met de rug omhoog. Al gauw worden de bevoegde instanties verwittigd en drie schepenen van de kasselrij leper (het gebied dat de parochies in de streek van leper en Roeselare omvat en een eigen rechtbank heeft) worden naar Zandvoorde gestuurd, zijnde Jacques Emanuel Vanderbeke, heer van Langemark, Albert Ferdinande de Longin en Cornelis Christoffer Walwein, raadspensionaris. De drie trekken naar het kasteel van Zandvoorde en ontmoeten daar de baljuw van Zandvoorde, heer Cornelis Jocobus de Smittere, samen met twee medici, meester Franssens en meester Monteijne, die belast zijn met de schouwinge van het kind.

Van het kasteel trekken de bevoegden naar de waterput waar het kindje ligt en doen hun vaststellingen. In afwachting van hun komst hadden twee personen ondertussen gedurende twee dagen en nachten de waterput bewaakt. Diezelfde personen moesten nu het lichaam naar de dichtst bijgelegen hofstede dragen. Waar we de precieze vindplaats moeten situeren, is zeer moeilijk na te gaan. De eerste beschikbare kadastrale gegevens van onze gemeente dateren van honderd jaar na de feiten. We moeten dus voortgaan op namen en aanwijzingen.

Het kasteel lag langs de weg richting Kruiseke tussen de Komenstraat en de Kasteelbeek. Net achter het kasteel ter hoogte van de Kasteelbeek, maakte de Kruisekestraat vroeger een bocht van een halve cirkel, dit is nu een kleine zijstraat gebleven. Om de Kruisekestraat recht te trekken, werd een dreef aangelegd die de naam Ghesquieredreef kreeg en uitmondt op de Doomkapellestraat in Kruiseke. Wij vermoeden dat de feiten zich afspeelden in deze buurt, door twee van de getuigen en buren Ghcsquiere heetten en de meeste getuigen ofwel net op Zandvoorde ofwel net op Komen-Noord woonden, hiermee wordt Kruiseke bedoeld, die vóór 1963 tot Komen-Noord (of Belgisch Komen) behoorde.

De bron vermeldt voorts dat de waterput gelegen was palende oost aan het zaailand toebehorende aan Jan Elslande, in pacht gebruikt door Joos van Beselaere, onder de kasselrij leper, en palende west aan een bos eertijds eigendom van meester Vanderverre, priester, nu verkocht aan heer en meester Carel de Wauraud, als voogd van de kinderen van de heer Anthoine Dallaijs onder de kasselrij leper, de waterput lag een half kwartier lopen van het kasteel.

Het gevonden kinderlichaampje werd naar de nabijgelegen hofstede, op grondgebied Zandvoorde gebracht De hofstede was eigendom van de erfgename van Vincent Le Pouttere gebruikt door Jan Michiel D’hellem, een pachter van 34 jaar, getrouwd met Maria Joanna Marlier, 34 jaar, twee belangrijke getuigen in het onderzoek.

Maar wiens kind was het nu en wie had het vermoord?

Op 30 oktober 1737 wordt Françoise Stampere in haar slaapkamer gearresteerd en naar de gevangenis van de kasselrij in leper gebracht op bevel van heer Jan François Joseph de Cerf, markgraaf van Wintershove, hoogbaljuw van de stad, en baljuw van de zaal en kasselrij leper. Françoise Stampere was de vermoedelijke moeder van het kind. Zij was weduwe van Ignaes Mygre en dochter van Jean Baptiste Stampere, ongeveer 40 jaar en veldwerkster en spinster. Ze had een paar kinderen: de oudste dochter, Marie Catherine Mygre, tien jaar en een zoon, Pieter Mygre, zes jaar. De familienaam vond men in die tijd en later verspreid over Komen, Wervik, Zandvoorde en Beselare, vaak als Lemiegre.

Dat Françoise Stampere de moeder zou zijn van het kind, werd vermoed door de getuigenver¬horen van de weken daaropvolgend. Cruciale getuigen waren natuurlijk de buren en kennissen van de beschuldigde waarvan sommigen niet nalieten om de vrouw alle schuld te geven en wiens getuigenissen, of misschien ook roddels, als geloofwaardiger beschouwd werden door de rechtbank dan de verklaringen van Françoise Stampere zelf. Dit is duidelijk zoeken naar een zondebok, al of niet terecht, misschien om aan eigen schuld of schuldgevoel te ontkomen. Dit psychologisch fenomeen bestaat nog altijd, denk maar aan de woedehysterie na de arrestatie van Mare Dutroux in 1996.

De getuigen die verhoord worden zijn:

1) Catherine Flamé, weduwe van Jacques Paret, wonende te Komen-Noord, meesteresse in de chirurgie, 81 jaar.

2) Beatrix Rouzé, 36 jaar, vrouw van Jan Baptiste Balieul, schaapherder, wonende te Komen-Noord.

3) Marie Joanna Marlier, vrouw van Michel D’Hellem, wonende te Zandvoorde, land bouwster, 34 jaar.

4) Marianne Poutere, vrouw van Josse van Becelaere, wonende te Zandvoorde, 30 jaar.

5) Josse van Becelaere, wonende te Zandvoorde, pachter, 39 jaar.

6) Jan Michel D’hellem, wonende te Zandvoorde, pachter, 34 jaar.

7) Marie Catharine Verhaghe, weduwe van Franscois Leijnaert, wonende te Komen-Noord, wasvrouw en spinster, in de 60 jaar.

8) François Charlet, wonende te Zandvoorde, pachter, 50 jaar.

9) Amout Brouckaert, wonende te Dadizele, meester chirurgijn, 69 jaar.

10) Jan Baptiste Malingier, wonende te Wervik, meester medicijnen, 40 jaar.

11) Maerten Germonprez, molenaar te Zandvoorde.

12) Marie Jacquelyne Milleville, vrouw van François Charlez, wonende te Zandvoorde, landbouwster, circa 24 jaar.

  1. Martin Gesquiere, wonende te Zandvoorde, landman en kleine gebruiker, 56 jaar, buurman van Françoise Stampere.

Er werd een lijst met vragen opgesteld die gesteld moesten worden aan de beschuldigde en die er al vanuit ging dat ze schuldig was. De vraagstelling eindigt immers met de opmerking aan Françoise Stampere dat ze niet kan ontkennen dat het kind van haar is, wat ze uiteraard blijft doen.

Er werd namelijk verteld dat Françoise Stampere ‘vleselijke commerciën’ heeft gehad met verschillende personen, waaronder een zekere schaapherder die ze een 9 à 10 maanden voor de feiten vaak thuis ontving, dag en nacht. De buren getuigden dat een ‘cartan’ (paardenknecht) hem eens ’s nachts uit haar huis heeft gehaald en gezien had dat de schaapherder ‘de schoen op de hiel had’ (half aangekleed was). Françoise Stampere verklaarde dat ze alleen onwettige betrekkingen heeft gehad met Ferdinand de Camp, een Geluwenaar, waarvan een bastaardkind was voortgekomen anderhalf jaar voor de feiten.

Verder dat de schaapherder, een zekere Pierre, alleen maar op bezoek kwam om zijn kousen te herstellen, alleen overdag en een paar keer ’s avonds, en om wol te brengen daarvoor. Toen die knecht kwam, was de herder langsgekomen van uit Mesen en net binnengekomen. Ze zijn samen vertrokken.

De getuigenissen komen dus niet overeen met de verklaringen van Francoise Stampere. De buren hadden ook opgemerkt dat Francoise Stampere de laatste maanden ‘vroom’ was (waarschijnlijk zwanger, zoals ‘dik gaan’ en ‘groot gaan’), en dat die vroomheid verdwenen was tot 2 à 3 weken daarvoor. Ze werd trouwens vaak aangesproken op haar zwangerschap door ver¬schillende personen. De beschuldigde ontkende dit en verklaarde dat ze toen veel zwaarder was dan nu, dat ze sinds de geboorte van haar bastaardkind nog maar één keer haar maandstonden had gehad en dat ze toen koortsig en ziek was. Dankzij de tussenkomst van dokter Jan Baptiste Malingier van Wervik is ze terug vermagerd. Alleen haar doopmeter had haar daar een opmerking over gemaakt, voor de rest niemand.

De vermoedelijke zwangerschap en het bezoek aan de dokter in Wervik deed het vermoeden rijzen dat ze op zoek was naar een manier om haar zwangerschap te beëindigen. Dit blijkt uit de tendentieuze vraagstelling van de ondervragers. Ze had van de dokter in Wervik ‘remediën’ en medicamenten gekregen tegen haar ziekte.

Ze was er 3 à 4 keer geweest voor onder andere een aderlating, een ‘purge’ en 24 pillen. De medicamenten had ze aan de vrouw van Pieter Nicolais Gesquiere, wonende op Komen-Noord, laten zien. Ze verklaarde nog een andere dokter geconsulteerd te hebben, Arnout Brouckaert van Dadizele, maar die verklaarde bij oorkonde haar niet te kennen.

De verdere vragen lagen volledig in de lijn van de tendentieuze vraagstelling en hielden geen rekening meer met de verklaringen van Francoise Stampere. Men vroeg haar of het waar was dat het kind te vroeg geboren was door de medicamenten, of het gebaarde kind hetzelfde was als het gevonden kind. Ze bleef ontkennen. Het scheen dat ze zou geweend hebben toen het kind gevonden werd, dat haar dochter haar zou gevraagd hebben wat er scheelde en dat zij daarop een zucht gaf en dat haar oudste dochter (Marie Catherine Mygre, 10 jaar) haar zou gevraagd hebben waarom ze niet ging kijken naar het kind en dat zij daarop antwoordde: ‘ik zou het niet kunnen zien’. De beschuldigde verklaarde hierop niet thuis te zijn en niet nieuwsgierig te zijn.

Er werd haar gemeld dat ze niet kon ontkennen dat ze zwanger was geweest, want zo’n ‘vroomheid’ en ‘dikheid’ is alleen eigen aan zwangere vrouwen en dat ze niet kon ontkennen dat het gevonden kind het hare was geweest.

Het uiteindelijk vonnis ontbreekt, maar wij kunnen al vermoeden dat Francoise Stampere schuldig werd bevonden aan kindermoord.

Dit processtuk is een uniek overgebleven exemplaar. Kindermoord kwam blijkbaar niet veel voor in deze periode. De periode van ca. 1720 tot ca. 1740 en van ca. 1750 tot ca. 1780 – dit is bijna de hele 18e eeuw – is gekend als een relatief rustige vredige periode zonder veel oorlogen, epidemieën en andere rampen.

Toch mogen we ons niet laten misleiden. Net zoals nu zijn niet alle misdaden gekend en bestraft. Kindermoord kwam veel meer voor dan we zouden vermoeden. Kinderen werden in het ancien régime op een andere manier behandeld dan nu. Ze werden vaak als een last aanzien, want zolang ze niet konden werken, moest men hen te eten geven. En precies in die vroege kinderjaren stierven ook veel kinderen. Het eerste levensjaar van een kind was het gevaarlijkste. Veel zuigelingen stierven voordat de ouders een affectieve band konden opbouwen met hun baby. De dood van een kind was alledaagse kost en er werd dan ook veel minder om gerouwd dan nu.

Van veel meer betekenis in dit verhaal is hoe blijkt dat een dorp in het ancien régime leefde op roddels, en hoe men telkens weer naar een zondebok zocht om zijn eigen positie te beveiligen. Het kon immers ook zijn dat een andere vrouw haar kind had gedood en de schuld in de schoenen van Francoise Stampere wilde schuiven. In de ogen van de mensen en van het gerecht was het immers veel logischer dat een arme weduwe, die met alleman te doen had, een ‘ongewenst’ kind zou vermoorden.

Wat er werkelijk gebeurd is, zullen we wellicht nooit weten ….

Bryan Gryson in Zonneheem van 2000

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>