Ko Lukkeboone

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 months ago     188 Views     Leave your thoughts  

Ik zal u een vertelderke vertellen, dat ik gehoord heb in mijn jongste jaren, en dat ik nog nievers geboekt en hebbe gevonden; ‘t is het vertelderke van Ko Lukkeboone. Luistert:

Ko Lukkeboone, een frissche snelle jonkheid, al van ‘t kerkhof komen, waar hij zijn moeder met een zingende misse had doen begraven, peisde bij zijn zelven: wat nu gedaan ? Ik sta hier moedermens alleen op de wereld : ik en hebbe noch vader noch moeder meer, en’k hebbe nooit maar een zusterke gehad, en ‘t is gestorven, ‘t engeltje, ‘t en was nog geen twee jaar oud. Daar alleene wonen, in dat oud versleten huis, geheele dagen slaven en klauwieren, zonder hope van ooit te mogen rusten, en dan later, krom en stram gewrocht, mijn rampzalig leven gaan eindigen in een oudmanhuis! Neen, neen, alzoo niet geboerd : ik zou nog liever dood zijn!

Ik hebbe mijn grootmoeder zaliger dikwijls horen vertellen dat er een streke is waar de mensen niet en moeten werken, en dat het daar al heren en iefvrouwen zijn; maar, « ‘t is zoo verre van hier, » zei ze, «dat er op duist menschen schaars een daar kan geraken.» Nu, nu, ‘t mag al zoo verre zijn als dat ‘t wil, ik ben jong en kloek, ‘ken zal ‘t maar rijschieren: is.’t niet, ‘ten is niet!

Ik zal mijn huizeke verkoopen, en met dat geld en de andere spaarpenningskens, zal ik mij in de kloeke pane steken, een paar schoen kopen met dobbele zolen, bezet met de ankers, mij voorzien tegen ongelukken, en ik trek er naartoe. Er kome ervan wat ervan komen wilt!

Ja maar, ‘t en waren geen prullen, peis-je: Ko verkocht zijn huis, en nog al tamelijk diere, en hij vertrok.

Zoo Ko peisde, alwaar zou ik uitzetten? Noordewaards? Neen, neen : ‘t is vandaar dat die koude schrale wind komt en al die sneeuw! Al ‘t Zuiden ? Ook niet: ‘t is daar al donder en hitte, en ze zeggen dat het volk aldaar vals en boos is. Al ‘t westen? Nog min: ‘t is al regen, wind en kwa vlagen, die van van al daar komen. ‘Maar, zei Ko, ‘t Oosten dat is de pluime, aldaar trek ik op, al moest ik gaan tot waar alle nuchtende de zon opstaat.

Zoo Ko vertrok. ‘t Oosten in, met zijn panen kleêrs aan en zijne nieuwe schoenen met dobbele zolen, voorzien van ankers, en zijnen mispelare, kop in de lucht, sterren tegen wind. En de mensen van zijn dorp zeiden: «Ko Lukkeboone is naar den Oost.»

Zoo Ko ging altijd gaan, tot zijne nieuwe schoenen op een laatste van zijn voeten vielen; hij peisde : ‘k ben nu zeker al in die streke waarvan grootmoeder sprak : maar ‘k en zie hier noch huis noch stake, ‘ten wonen hier geen mensen, geloof ik. En Ko ging nog altijd voort, op zijne blote voeten, tot dat hij eindelijk aan een groot bos kwam. De bomen groeiden op en door malkander, dat het eendlijk was om zien.

Wat de bliksem is, dat hier, zei Ko in zijn eigen : ‘k en hebbe dat nu nog nooit gezien: de boomen groeien hier op malkander! Dat is al ‘t eerste wonder : ‘k geloove waarlijk dat ik er zal geraken.

Binst dat Ko dat al stond en bezag, hoorde hij al met eens een klokke die ging, zoo schoon en zoo luid, dat hij de eerde voelde beven onder zijn voeten.

Wel wel wel, zei Ko, is dat toch schoone, maar aardig en benauwdelijk, voor die ‘t niet gewend en is! Dat en zijn zeker geen mensen die hier wonen. Nu, nu, ‘t mag zijn wat ‘t wilt. ik ga d’er op los. En ja, Ko, door het hout, rechte naar den kant van waar dat geluid kwam.

Hij en gerocht al niet verre, of zijn kleêrs waren gescheurd, en zijn voeten bloedden dat het deerlijk was om zien. Ko gaf menige zucht; maar toch hij kroop altijd voort, tot dat hij eindelijk, bijkans dood van vermoeidheid en in deerlijke staat, aan de poort kwam van een machtig groot slot, waarvan de torren tot in de wolken zaten.

Wie mag er hier wonen, peisde Ko: ons koninklijk hof en kan daar niet aan, wel wel wel. Is dat een slot! Ieder veister is zo groot als mijn huis, en men ziet waarlijk geen einde aan de muren. ‘t Is zeker wel de koning van de streke die hier woont? Maar, wat staat er daar op die poorte geschreven in zulke schone gouden letters? ‘k Kan ik nochtans wel lezen; ‘t is zeker Latijn? Nu, dat ‘t al is wat het wilt. ‘k Ga klinken.

En Ko trok aan de bel. Bang, Bing, Bang, ging het, en de poort stond van ‘s zelfs al met eens wagewijd open, en Ko trok al sleepvoeten binnen.

Ja maar, hij en was met rooie de zulle over of de poorte sloeg toe, en Ko stond daar te kijken gelijk een uil in een ankergat, of gelijk Sint Eloy op een kruistrate. Hij en zag niemand of ‘t en zij dat eendlijk groot schoon slot en een hof zonder einde met alle slag van hoornen waarvan Ko het minste gedacht niet en hadde: ‘t was al anders als in zijne streke.

Dat is zeker hier ‘t Aards Paradijs, peisde Ko, waar Adam en Eva in woonden! Waar de bliksem dat ik gerocht ben. De appels en de peren zijn hier zo groot als onze grote wasmarmite, en de blommen rieken zo goed, zo goed … zi’, ‘k en kan ‘t waarlijk niet gezeggen. maar de reuke geeft mij al mijn krachten weêre, en ‘k gevoele mij alsof ik een geheel ander mens ware. ‘k Geloove waarlijk dat ik er ben.

Ja, ja, ‘t is van deze streke dat grootmoeder sprak God ruste heur lieve ziele. Binst dat Ko Lukkeboone bezig was met al die schoonheden te bewonderen, en al dat overpeizen, en had hij niet bemerkt dat er iemand uit het slot gekomen was; en, eer hij het geware wierd, stond er daar bachten hem een man van buitengewone grootte, met lang wit haar en een nog langer witte baard. Die man bezag Ko geheeI verwonderd, en zei : «o vreemdeling,» zei hij, met een geweldige tale, «wat komt gij hier doen?»

Ko verschoot dat hij hutste, hij en hadde geen druppeltje bloed meer dat roerde, en zijn tonge plakte aan ‘t verhemelte van zijn mond.

«Wat komt gij hier doen, vraag ik u?» hernam de man.

«Mijnheere,» zei Ko, en hij schoof zijn mutse af, «ik was doodmoe en verdoold, en ik ben hier ingekomen, ik peisde van ….»

«Ja maar, weet gij wel dat al die hier inkomt er niet levende uit en geraakt, tenzij als hij doen kan dat ik hem oplegge?»

« Ba’ neen ik.» zei Ko, al beven, «ik en wete dat niet, hoe zou ik dat gaan weten? Ik ben van zoo verre van hier als dat de zunne van ons is, en ‘k en heb hier geen levende ziele gezien, aan wien ik het hadde kunnen vragen.»

«Nu, luistert, vreemdeling, gij ziet er mij nog al een flinkse kloeke kerel uit, is ‘t dat gij de drie dingen kunt verrichten, die ik u zal opleggen, gij en zult de dood niet sterven. Bovendien, ik beloof het u, gij zult rijk en machtig zijn, dat gij het einde van uw goed niet en zult kennen. Maar kunt gij het niet, gij zult, gelijk zoveel andere, die hierin gerocht zijn, een bittere dood moeten smaken en bezuren.»

« Ik ben t’ uwen dienste,» zei Ko, en hij beefde lijk een riet.

«Welnu, voor vandage zult gij mij een half gemet bos uitreden, en al het hout dat zult gij op een hoop smijten; dat werk moet voldaan zijn tegen zonnenondergang. Volg mij nu. ik zal u het noodige allaam geven.»

Een half gemet bos uitreden, in één zonneschijn, dat is onmogelijk, dacht Ko, maar hij zweeg: ‘t zou moeten zijn dat de gemeten hier stijf kleene zijn of dat men hier werkt met alle slag van vreemd allaam, waarmee men honderd keers meer kan doen als te onzent.

lntussentijd, waren mijnheer en Ko aan een stal gekomen. « Hier staat uw allaam,» zei mijnheer, «en daar is het bos». En hij wees in de verte. Daarop keerde hij zijn hielen en trok hij naar binnenwaard.

En dat is mijn allaam, zuchtte Ko: wel hemelse deugd: een glazen happe, een glazen houweel en een glazen kortewagen! En ‘t is daarmeê dat ik moete dien bos uitroden? Maar dien heere is een oprechte moordenare! Zo zere niet gesproken, misschien hebben deze stukken allaam begaafheden ongehoord. Wie weet: ‘t is hier af aardig en vreemde. Ja-ja, wie weet!

En Ko lei stille zijn glazen haptje en zijn glazen houweeltje op zijn glazen kortewagentje, en hij ging traagzaam en voorzichtig boschwaard.

Daar gekomen nam Ko de happe en hij kapte. Krling! En de happe lag daar, wel in twintig stukken. Daarna greep hij zijn houweel en krling ! Ze lag daar ook al in scherven. Och menschen toch, weende Ko, en hij zette hem neer op zijn kortewagentje te wege, maar hij zette er hem dwers deure, en plat op den grond.

Nog zo jong; en al moeten wreed vermoord worden, ‘t en wil toch niet gepeisd zijn, zuchtte Ko. Wat kwaad heb ik hier gedaan? Die grijsde duivel is zeker een moordenaar. Ja-ja, ‘t en kan niet anders zijn.

En Ko trok het haar uit zijn hoofd. van louter verdriet, al daar zitten kermen en wenen; hij hadde nog niets verricht en hij dorste voor zonnenondergang naar huis niet gaan, uit vreze voor zijn vel.

Als het elf en half sloeg, zoo sprak die heer tot zijn dochters: «Wie van u zal de jongen vreemdeling eten dragen?»

«lk, vader,» zei de oudste en zij vertrok naar den bosch, met Ko’ s eten, in een sneeuwwit handdoeksken. Als Ko haar zag komen zo meende hij dat het een engel uit de hemel was, die kwam om hem te verlossen, zo schoon was zij van aanzien en zo schitterende opgezet en gekleed .

«Oh engel van de hemel,» zei Ko, met zijn handen te gader. «verlos mij toch van de dood en van die schrikkeÎijke here : ik en heb nooit geen strooi in iemands weg geleid. Ik was altijd fraai en rechtveerdig en ‘t avond zal de here van dit burgslot mij onbermhertiglijk vermoorden, omdat ik dit half gemet bos niet en zal uitgesmeten hebben: en kijkt welk alaam hij mij geeft!»

«Troost u mijn vriend,» zo sprak de dochter, «en schep moed. ik en ben geen engel van de hemel, maar wel de dochter van dien heere. die er u zoo onbermhartig en zo wreed uitziet. Doet dat ik u zeggen zal: gaat daar, langs den gerskant. en legt u wat te slapen, intussentijd zal ik alles effen maken.»

«Danke u,» snikte Ko; en hij ging liggen, en hij neep zijn ogen toe, en hij deed om te slapen. Maar gij kunt denken of hij sliep. Na een halve ure, die voor Ko een halve eeuwe geleên hadde, voelde hij zachtjes op zijn schouder kloppen. Ko deed zijn ogen open, maar, hoe verwonderd en stond hij niet de kijken!

Het bosch was uitgerood, takken, persen en spaans waren op drie geweldige hopen gesmeten; zijn glazen hapje, zijn glazen houweeltje, en zijn glazen kortewagentje, ze waren vermaakt, en de jonkvrouw was verdwenen.

‘s Avonds als de zon in het westen weggezonken was, kwam Ko Lukkeboone voorzichtig met zijn glazen allaam huizewaard, al schuifelen en al zingen, dat het lunderde door de bossen.

Mijnheere die in zijn deuregat te wachten stond, was geheel verwonderd dat Ko er zoo vlijtig en tevreden zag.

«Hoe is ‘t jongen,» vroeg hij, «is ‘t werk af geleid?» ,

« Ja-ja ‘t mijnheere, alles is kante en klaar, gelijk gij mij bevolen hebt.»

« Ik wil dat zien,» sprak mijnheere mistrouwig. Zo, hij ging, en hij zag inderdaad dat de bos uitgerood was.

« Goed, jongen,» zei hij, gaat nu eten en slapen: morgen, wederom met zonnenopstaan, krijgt gij uw tweede werk : ‘t en zal niet moeilijker zijn als dat van vandage.»

Ko trok op en ging slapen. ‘t Begoste nauwelijks te dagstriemen, en Ko werd uit zijn bed en bij mijnheere gebeld. Als hij bij die schrikkelijke slotheere kwam, met zijn lang wit haar, met zijn lange witte baard, en met zijn stralende ogen, zo kreeg hij voor werk de groten wal. die het grote slot omringde, uit te slaan in een anderen, die vers gedolven lag, op twintig stappen daarvan. En daartoe kreeg hij eene mande zonder gat.

«Ziet dat dit werk af zij tegen zonnenondergang.» zei mijnheere. kortweg; en, gelijk daags te voren, trok hij weêrom het slot binnen.

Ko stond daar nog een keer te kijken gelijk een dje ‘t niet helpen en kan. De af grijzelijkste dood zat voor zijn ogen te grijnzen. Wie weet, zei hij, op een laatste, om zijn zelven te troosten : misschien is dat water hier anders als ‘t onzent; of, ook nog, misschien heeft die mande verholen krachten in.

En Ko trok er naar toe.

Hij stak de mande tot over heur oren in ‘t water, en liep dan gelijk een haze naar den ijdele wal; maar als hij daar kwam, ‘t was met rooi dat er nog eenige druppeltjes van de mande vielen. Ko en verloos nog zijn moed niet, en een geheel ure liep hij met zijn mande van de ene wal naar de andere, tot dat hij buiten asem en geheel van zijn zelven, te gronde viel en daar bleef liggen.

‘t Gerochte wederom elf en half. en de slothere vroeg nog eens aan zijn dochters: «Wie van u zal de vreemdeling eten dragen?»

De oudste dochter zei: «Ik, vader.» Zo zij ging met het eten, in een schoon sneeuwwit handdoeksken gedraaid. en ze vond de schamele bloed van zijn zelven liggen nevens zijn mande zonder gat. Zij was aangedaan en zij sprak: «Jongeling, schept moed, ik ben hier weer: in enige ogenblikken zal vaders gebod volbracht zijn, en alle gevaar voorbij.»

Ko, als door eene toverroede geraakt bekomt en, de jonkvrouwe verbaasd aanschouwende: «Och!» sprak hij «mijn hulpe, God zij gedankt, ‘t is wel gij: komt gij mij nog eens verlossen van een zekere dood!»

« Ja-ik.» sprak ze bewogen, «en doet gelijk gisteren: ik zorge voor al ‘t andere.»

«Dank u, jonkvrouwe, dank» zuchtte Ko, en hij streek hem, deed de ogen dicht en hij gebaarde dat hij sliep.

Een half ure daarna werd er nog eens op Ko’ s schouders geklopt, en Ko, zijn ogen opentrekkende, zag tot zijn grote verwondering en vreugde, dat het water van den ene wal in den andere was.

«Och jonkvrouwe, wat zijt gij toch goed voor mij; al tweemaal redt gij mij van eene zekere dood; wat moet ik doen om uw dank te bewijzen?”»

«Luistert; vriend: voor zonnenondergang niet naar huis komen, dat is ‘t eerste; geen woord te uiten over al hetgeen ik voor u gedaan heb, dat is het tweede; en nu ga ik u zeggen wat gij morgen zult moeten doen.»

« Och God, ja, jonkvrouwe. ‘t is toch het laatste: och kostet gij nog eens komen; want ik vrees dat het werk van morgen zoo onmogelijk zal zijn als dat van gisteren en vandage»

« Luistert vriend.» zo sprak zij, morgen zal vader u vragen of gij zijn dochter zoud kunnen verkennen die u twee maal te eten gebracht heeft. »

«Och, als ‘t maar dat en is,» zei Ko blijgeestig «’k zou u verkennen uit een duist: ‘t en is niet, dat!»

«Zo zere niet, zo zere niet, mijn vriend, ‘t en is uit geen duist, dat gij mij moet verkennen : ‘t en is maar uit drie. Wij zijn drie gezusters : maar wij en verschillen geen haar, daar en is niets waaraan de ene uit de andere verkennelijk is; gelijk van wezen, van haar, van oude, van kleêren.»

« Dat verslecht zere,» zei Ko, « moet ik wederom dood als ik misse?»

« Ja-gij, mijn vriend, maar is ‘t dat gij ‘t raadt, ik word uw vrouwe en gij zijt meester op het slot.»

« Och, koste ik het toch raden» riep Ko, en een traan kwam in zijn ogen! «Gij mijn vrouw. Maar neen, ‘t en zal, ik zal sterven, ‘k ware te gelukkig!»

«Gij en zult», zei de jonkvrouw en haar stem beefde, « ik zal u nogmaals helpen. Luistert: wij zullen alle drie voor u gaan; ‘k en wete niet of ik van voor of van achter, of in ‘t midden zal zijn; maar horkt waaraan gij mij zult verkennen: als ik voor u zal komen, zal ik een stofken spuigsel van mijne lippen laten vallen, onzienlijk voor alle anderen, maar in uw ogen zal het zo groot zijn als een grote kaasbol.»

«Goed,» zei Ko, en hij weende van blijdschap. « ‘k En zal niet missen, daar moogt gij zeker van zijn.»

«Eet nu maar smakelijk, mijn vriend,» zei de jonkvrouw minzaam: « gij hebt het geluk gezocht, gij zult het vinden: morgen, eer de zon ondergaat ben ik uw vrouw!»

Daarmee vertrok zij, en Ko, haar achterna ziende, meende dat hij droomde. «Wel, wel!» riep hij eindelijk uit; «ik heb het toch gevonden; laat ze nu maar werken; mijn broodjen is gebakken; maar, opgepast en gedaan gelijk ze mij gezeid heeft of anders brandt het nog aan!»

Zo ‘t werd avond, en Ko trok al schuifelen en al zingen, met zijn mande op zijn hoofd slotwaard.

Als mijnhere hem zag komen, schudde hij zijn lang wit haar, wreef en wrong zijn grijsde knevels en vroeg: «Eh wel jongen, is ‘t werk af?»

« Zo als gij zegt, mijnhere,» antwoordde Ko blijmoedig.

En mijnhere ging gaan zien, en alles goed gevonden hebbende, keerde hij peisachtig weer bij Ko.

«Goed jongen,» zei hij, en hij nam Ko bij zijn schouders en hij keek in ‘t witte van Ko’s ogen als om hem te doorkijken:

«Morgen is ‘t uw laatste werk en, kunt gij het niet, gij sterft.»

«Ik kan alles,» zei Ko, en hij sloeg op zijn borst: «onbevreesd wacht ik naar uw laatste bevel.»

« ‘k En zal ‘t u dan maar seffens zeggen: morgen zullen mijn drie dochters gelijk gekleed voor u verschijnen; gij en zult in hen geen haarken verschil vinden, en nochtans moet gij de deze kunnen aanwijzen die u tweemaal te eten bracht. Kunt gij het, ze wordt uw vrouwe, maar kunt gij het niet, gij zult de dood sterven.»

«Och, mijnheere,» riep Ko. dat zal moeilijk zijn, maar toch mijn oog en heeft mij nog nooit bedrogen.»

«Nu, tot morgen.»

‘t Werd morgen, en, als Ko beneden kwam, werd hij door de sturen heer in een grote zale geleid. ‘t Was daar al goud: stoelen, tafels, zetels, al louter goud, zodanig dat Ko peisde dat hij in den hemel was.

« Zet u, jongen, en wacht hier wat: ik zal mijn dochters halen, en gij weet wat er u te doen staat, doet gij niet?»

« Ja-ik mijnheere,» zei Ko, en zijn herte klopte hoorbaar.

«Ach, mijn engelbewaarder, zuchtte Ko, «sta me bij: want mijn leven en mijn geluk hangen der nu van af.»

Ja maar, ‘t en duurde al niet lang, of daar ging een grote gouden deur open, en de lange grijze slotbaas verscheen, met zijn drie dochters: gekleed al in de witte zijde, bezaaid met diamanten en edelgesteenten; en, zodanig straalde ‘t in. Ko’s ogen dat hij gelijk verblind was.

De eerste ging voorbij, en Ko peisde : ‘t is de die; maar hij en zag die kaasbolle niet en hij liet ze gaan. De tweede volgde, en Ko liet ze ook gaan, om de zelfste reden. Eindeling als de derde rechte voor hem stond, zag Ko klaar en duidelijk gelijk een grote kaasbol uit haar mond vallen.

«Hier mijnheere,» riep Ko, «hier is zij, ‘t is deze of hondeke bijt mij»

«Vreemde jongeling, wie gij ook zijn moogt,» sprak de grijsaard, «gij hebt gewonnen hetgeen nooit een mens en kost: daarom wil ik ook mijn woord houden: mijn dochter wordt dan uw vrouw, nevens mij zijt gij meester van het slot en van al de landerijen die ervan afhangen.»

En Ko trouwde met haar.

Ja maar, ‘t en was nog niet uit : die zelfsten avond, zo sprak hem de slotheere : «Alle uren van de nacht» zei hij, «als ik roep: Ko slaapt gij? Zo moet gij antwoorden: Neen-ik, vader, ik wake. Doet gij het niet, gij sterft alle twee. Hebt gij het verstaan?»

«Ja-ik, vader» was het antwoord. . Als Ko en zijn vrouw nu al lang gewaakt hadden, zo werd Ko dat spelleke moe, en hij vroeg aan zijn ega of zij daar geen raad toe en wist.

«’k Doe, Ko,» zei zijn vrouwe, «ik weet raad, maar daar is er maar één, en ‘t is van te vluchten.»

«Vluchten,» zei Ko, «dat is onrnogeijk want nauwelijks zouden wij uit het slot zijn, of bij zou het geware worden, en ‘t ware gedaan met ons.»

«Zijt gerust, man, ik hebbe daar al op gepeisd:morgen vluchten wij weg, op mijn twee beste peerden.»

Zo, den volgende nacht, rond den twaalven: «’t Is tijd van de vertrekken,» zei Ko’ s vrouwe, «spuigt daar een grote spochel, deze zal antwoorden in uw plaatse tot dat hij droog is, en nu dervan deure!»

In een oogpink zaten zij te peerde, en reden zij, zo rap als de wind, de poort uit en weg. Ja maar, die spochel droogde op, en daar kwam geen antwoord meer.

« Ha», grijnsde de schrikkelijke grijsaard, «ik heb ze vast». En zijn dolk grijpende, ging hij Ko en zijn vrouw doorsteken. Maar ze waren al wel honderd uren verre!

«Wacht maar,» zei hij, en hij liep naar zijn peerdenstal, sprong op zijn zwarte overal-en-dooral, en vloog over veld en haag achter de vluchtende echtgenoten.

Als Ko, met zijn vrouw, nu alzo drie dagen en drie nachten te vierklauwe gelopen had, keek hij al met een keer om, en hij zag in de verte een peerd dat gelijk in de lucht zwom, en de slotheer zat erop: zijn haar en zijn lange baard waaiden verschrikkelijk in de wind, en zijn ogen straalden gelijk twee kolen vier.

«Vrouw, wij zijn verloren,» zei Ko, en hij smeet een tier uit. «Kijk daar, hij is daar al en zijn ogen schieten vier en vlam.»

«Nog niet,» zei zijn ega en, hem een kleen plat spaflasschelken gevende: «Giet de helft daarvan op de kop van uw peerd, en geeft het dan aan mij.»

Ko deed dat. en, als ze-zij de andere helft van ‘t spaflasschelken op haar peerds kop gegoten had: «Daar! Nu zijn wij 300 uren voorder,» zei zijn echtgenote.

«Ha» riep Ko, en hij verzuchtte, «nu en zal hij ons niet meer krijgen.»

« Wie weet» antwoordde zij «wie weet» en ze reden altijd voort, dat het schuim op hun peerden stond.

Als zij zo van her, zonder staan, drie dagen en drie nachten gereden hadden, zo zag Ko verschrikt nog een keer dat zwart peerd gelijk zwemmen in de lucht; en die afgrijselijke hondbeer zat er nog altijd op gelijk genaaid.

«Hij is daar nog een keer,» riep Ko. «vrouwe, hij is daar nog een keer: wat nu gedaan? Wat nu gedaan?»

«Hier,» zei ze: «giet wederom de helft van mijn spaflesschelken op uw peerd zijn kop.» Ko deed dat en zij ook.

«Nu zijn we 500 uren voorder,» zei ze «Zou hij ons nu nog krijgen?» vroeg Ko.

«Wie weet?» was wederom het antwoord… «en kwam het zo verre, horkt wat wij zullen doen. Ik en de twee peerden zullen veranderen in een grote schone vijver vol water zuiver als glas; en gij zult veranderen in een schone witte zwaan. Gij zult in die vijver zwemmen en oppassen van nooit het midden te verlaten, of gij zijt er aan.»

«Goed.» zei Ko, en zij vluchtten altijd voort, drie dagen en drie nachten, tot dat Ko nog een keer omkeek.

«Moord!» riep Ko, «hij is daar weêrom al!»

En inderdaad zij zagen in de verste verte den slothaas, met zijn stromend haar en baard, en met zijn brandende ogen, op zijn zwart peerd zitten dat gelijk zwom door de lucht.

« Het zij da zo,» zei Ko’ s huisvrouw en de woorden waren schaars uit haar mond of daar lag al met eens een grote schone vijver met water zo helder als glas, en daar zwom een schone witte zwaan te midden daarin.

«Ha, gij deugnieten, hier heb ik u vast, gij en zult mij niet ontsnappen,» snauwde de grijsbaard, terwijl hij op de boord van de vijver als een bliksem neerschoot. «Ik zal u alle twee verslinden» En hij lei zijn mond aan ‘t water, en hij dronk. Zodanig drinken, dat de zwaan de meeste rooie had van de wereld om in ‘t midden te blijven.

Eindelijk, ziende dat het water niet en minderde, en dat de zwaan in ‘t midden bleef, zo sprong de grijsaard recht en hij sprak :

« Dochter,» zei hij «gij hebt mij overwonnen, neem uwe gedaante wederom aan en nu moogt gij gerust met mij op het slot komen wonen.»

Hij en had nog niet gedaan met spreken of Ko en zijn vrouw, met hun twee zwarte peerden, zij stonden daar.

«Laat ons met alle spoed weerkeren,» zei hij toen zoetaardig, en zij keerden terug, en zij leefden gerust in peis en vrede op het slot, tot dat op zekere dag, Ko ongelukkiglijk een gezwel kreeg, en dat gezwel brak uit en uit-patuit, ‘t vertelderke is uit.

Pastoor J. Leroy in ‘Westvlaamsche Boogaerd’ van 1944

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>