‘Kotjesvolk’ dat de kerk aan diggelen gooit

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     125 Views     Leave your thoughts  

Jan Denys leidt de nieuwkomers
Ik begin aan het vierde hoofdstuk dat zal handelen over de voornaamste leiders van de protestantse geloofsmilities hier in Poperinge. Pieter Dathen, Jan Denys van de evangelische militie, Jacob de Buzere, Frans-Antoon de Swarte, pater Willem, Gilles du Mont en Sebastiaan Matte. Ik verplaats me naar het jaar 1566, vier jaar na het eerste beruchte sermoen van Boeschepe. De predikers moeten beter beschermd worden en op een algemene vergadering van de protestantse ministers van Mesen, Belle, Poperinge, Ieper, Steenwerck, Waasten en andere plaatsen, gehouden op 15 december 1566, wordt er besloten om de evangelische godsdienst voortaan gewapenderhand te verdedigen tegen de aanvallen van buitenaf. De vierschaar en Titelmans worden nu voor het eerst aangewend als alibi om zichzelf beter te beschermen. Dathen, de man uit Cassel, speelt onmiddellijk een hoofdrol en stelt Jan Denys aan als bevelhebber over de nieuwkomers. Het geld om de vrijwilligers te betalen ronselt Dathen tijdens de kerstperiode in Poperinge waar Denys hem drie keer komt opzoeken.

‘De Woestenaar deed er de trommel slaan om het volk samen te roepen, hoewel de baljuw er zich tegen verzette.’ Jan Denys roept met luide stem dat hij volk nodig heeft om het geloof van de mensen te verdedigen. ‘Al diegenen die van goede wil zijn en van goede ijver om de wapens op te nemen voor het evangelie mogen zich laten opschrijven voor de evangelische militie van Denys en ze zullen hiervoor een goed loon ontvangen.’ Vierhonderd mannen van Poperinge, Roesbrugge en Hondschote schrijven zich in. Dat grote aantal bewijst hoe diep het ongenoegen zich heeft genesteld in de geesten van de bevolking. De reactie van de Raad van Vlaanderen laat amper op zich wachten. Het magistraat het Ieper krijgt op 10 januari 1567 de formele opdracht van de graaf van Egmont, Vlaams gouwheer, om Denys op te pakken en te straffen omdat hij ‘knechten van oorloge’ geronseld heeft.

Zijn leger komt niet alleen tot stand om alleen maar predikers te beschermen maar komt vooral van hogerhand. Enkele vooraanstaande Vlaamse edellieden onder de leiding van de notoire Brederode zijn op opstand gekomen tegen de geloofsrepressie van hun Spaanse koning Filips II. Wat onderpastoor Opdedrinck verontschuldigend negeert en door de vingers ziet, gebeurt bij Willem van Oranje en Brederode absoluut niet. De vorst moet stoppen met zijn inquisitie of anders komen daar vodden van. Ik mag trouwens niet vergeten dat het calvinisme en het protestantisme nog veel meer ingeburgerd zijn in het noordelijk deel van de Nederlanden als bij ons en dat de Hollanders dus in feite de grootste slachtoffers van de terreur zijn.

De bende van Denys zwelt aan
Het leger in de Westhoek komt er dus om Brederode te gaan ondersteunen. Graaf van Hoorne uit Hoogstraten en de Waal d’Escobèque assisteren Brederode en van Oranje. In eerste instantie zullen Doornik en Valenciennes moeten veroverd worden en daar is natuurlijk veel volk voor nodig. Jan Denys zal het Vlaams leger leiden. ‘Zijn kloek gespierd lichaamsgestel, zijn stoutmoedige en onversaagde inborst, zijn waagzieke geest en zijn onwankelbare verkleefdheid aan de protestantse leer maken van hem een uitmuntende geuzenaanvoerder. Hij blijkt trouwens ook de eerste keuze geweest te zijn van Peter Dathen zelf. Denys doorloopt Poperinge, Hondschote, Roesbrugge en de hele streek. Na vijf dagen heeft hij al tweehonderd gasten bewilligd om mee te doen. Op een maandagvoormiddag laat hij Poperinge achter zich en trekt hij met zijn bende naar Mesen. Maar eerst heeft Dathen hem nog dertig pond overhandigd. Een trommelaar kondigt in Mesen de komst van het evangelisch leger aan. De bende zwelt aan. Steven de Swarte van Hondschote zorgt voor een extra schenking van twaalf pond.

Het is tijd om naar Doornik te stappen. Het geuzenleger trekt nu door Komen, Wervik, en arriveert op woensdagavond in Tourcoing waar nogal wat vrijwilligers van de Leiekanten zich bij hem aansluiten. Bij het krieken van de volgende ochtend vertrekt het legertje naar Wattrelos waar ze plots oog in oog komen te staan met een vijandelijk leger onder leiding van baanderheer Resseghem, de gouwheer van Frans-Vlaanderen. Zeshonderd voetknechten en vijftig ruiters dreigen er met hun wapens in aanslag. Een van de geuzen zal later volgende getuigenis van de confrontatie afleggen: ‘en te Wattrelos aangekomen zagen we direct al die paarden en dat voetvolk naar ons toekomen. Een heel deel van onze mannen nam de vlucht, velen vluchtten samen met mij op de toren. We bleven er zitten tot de middag. Drie uur lang. Hier en daar viel wel een schot maar wanneer de paarden en het voetvolk vertrokken waren, zijn we van de toren afgedaald en hebben we gemaakt dat we er weg waren.’ Een andere getuige beweert dat er enkele honderden geuzen vanop de kerktoren schoten op katholieke krijgslieden. Tot de kerk in brand staat en ze noodgedwongen moeten vluchten.

Sebastiaan Matte is er ook bij
Jan Denys slaagt er in om aan de dood te ontsnappen. Hoe hij dat doet, weet niemand. Met enkele overlevende vrijwilligers vlucht hij naar Doornik waar hij in onderhandeling treedt met de geusgezinde edelman jonker van Hanecamps. De groep vertrekt nu naar Antwerpen waar ze samensmelten met andere milities die onder leiding staan van Sebastiaan Matte, Pieter Dathen, Pieter Haezaert, Jacob de Buzere, Karel Ryckewaert en anderen. In Viane stelt Woestenaar Denys zich enkele dagen later ter beschikking van Brederode. De plannen liggen op tafel om Antwerpen aan te vallen en daar wordt nu werk van gemaakt. Zo ver komt het helaas niet. Op 13 maart 1567 vallen ze ter hoogte van Oosterweel, een dorp op geringe afstand van Antwerpen, in een hinderlaag opgezet door Valentin de Pardieu en de heer van Beauvois. Meer dan honderd Vlamingen en vijftig Walen verliezen er het leven. Denys wordt zwaar gewond afgevoerd naar Brussel. ‘De hertog van Alva beval hem naar Vilvoorde over te brengen waar hij na een streng onderzoek dat omtrent een maand duurde, op 22 april op de plaats Harenheyde stierf aan de galg.’

Juliaan Opdedrinck focust zich nu op een andere hoofdrolspeler. Broeder Jacob de Buzere werd geboren in Hondegem in de buurt van Hazebrouck en verhuisde daarna naar het klooster van de Augustijnen in Ieper. Dezelfde kloosterorde als die van Maarten Luther voor die zijn kap over de haag gooide. Wanneer broeder de Buzere zijn voorbeeld heeft gevolgd, kom ik niet te weten. In november 1561 vlucht hij in elk geval halsoverkop naar Engeland waar hij met de Nieuwkerkse Catharina de Raedt in het huwelijk treedt en enkele jaren functioneert als protestantse minister te Sandwich. Tijdens de zomer van 1566 komt Jacob de Buzere terug naar Vlaanderen. Op 10 augustus neemt hij deel aan de beeldenstorm in de Sint-Laureinskapel bij Steenvoorde. Hij predikt in Belle, Cassel, Westouter en in de buurt van Ieper. Kort na het debacle van Oosterweel vlucht hij naar Engeland na zijn eeuwigdurende verbanning uit het land.

Pater Willem beleeft weinig plezier
En dan is er de figuur van pater Willem die zich bezig houdt met het verspreiden van de dwaalleer. Een Hollandse kloosterling uit Dordrecht, alweer een Augustijn. Hij verblijft enkele jaren in Ieper zonder er echt opgemerkt te worden. Op 18 augustus 1566 werpt hij zijn kloosterkleed af en gaat hij prediken in Elverdinge, Roeselare, Mesen, Poperinge en in Roesbrugge. In deze laatst vernoemde parochie blijft hij enkele maanden wonen en sticht hij er een geuzentempel op het gehucht ‘de Hagedoorn’. De tempel wordt op 15 oktober ingehuldigd. Pater Willem zal er niet lang plezier aan beleven. Korte tijd later wordt hij bij de lurven gevat en te Veurne in het jaar 1567 opgeknoopt aan de galg.

Tussen Poperinge en Elverdinge herinnert de naam van het ‘predikherenhof’ nog altijd aan de plek waar de pater zijn geuzenpreken hield hier in de wijk ‘Preekheere’ langs de Elverdingseweg, niet zo ver van de Brandhoek. De geuzen bouwden hier een tempel nadat Margareta van Parma op 23 augustus 1566 tegen zekere voorwaarden de uitoefening van de protestantse godsdienst had toegestaan. Gilles du Mont is volgens sommigen een beroemde predikant uit Poperinge, maar veel meer over deze man is er niet bekend. Dat kan niet gezegd worden van zijn collega Sebastiaan Matte, een in Ieper geboren en getogen hoedenmaker. Een klein corpulent mannetje met een kleine baard. Een hevig bazeke; dat wel. Als hij spreekt mag je er prat op gaan dat er achteraf rellen van komen. Op een zondag in de julimaand van 1566, op 21 juli om precies te zijn, spreekt Matte een menigte van achtduizend mensen toe in Hondschote. Hij wordt er beschermd door tweehonderd gewapende geuzen. Achteraf doopt hij er twee kinderen in de nieuwe stijl van de protestanten. Hij laat weten dat zijn volgende toespraak vier dagen later zal plaatsvinden in de buurt van Sint-Winoksbergen.

De gewapende milities van Matte bestormen op 16 augustus 1566 de kerken van Poperinge, Brielen, Voormezele, Zonnebeke en ook die van de Nonnenbossen in Zonnebeke en de Augustijnen bij Ieper. Sebastiaan Matte zelf vestigt zich tijdens die periode als protestants minister te Hondschote en veegt vlakaf zijn voeten aan de strenge bevelen van zijn landvoogdes Margareta en van zijn gouwheer van Egmont. Er volgt een resem van preken en daaropvolgend geweld. Hij zal tot slot uit Vlaanderen verbannen worden en in 1571 uitwijken naar Duitsland waar hij te Frankfurt het ambt van predikant zal gaan bekleden. Zo ben ik bij de beeldenstorm beland. ‘Daags voor Onze Lieve Vrouw Hemelvaartfeest, 1566, kwam Sebastiaan Matte, begeleid door een bende gewapende volgelingen, naar Poperinge afgereisd. Op het kerkhof bij de Onze Lieve Vrouwkerk richtte hij tot een talrijke geuzenschaar een hevige preek welke dadelijk de verdelgende beeldenstorm voor gevolg had.’ Al de kerken van Poperinge ondergaan brutale plunderingstaferelen.

Beelden, kerkschatten, priesterkleding, boeken, kelken, goud en zilverwerk worden er afgeworpen en gestolen. En owee, de sacramenten worden er met voeten getreden door de razende menigte die zijn woede afreageert op al die schijnheilige beelden. De slogan ‘leve de geuzen’ is niet uit de lucht. Mijn onderpastoor-schrijver is er niet goed van. Hij krijgt een appelflauwte. ‘Wat een afschuwelijke en goddeloze ontering hier in Gods huizen. Al die luisterrijke gedenkstukken en kostbare schatten ooit gemaakt door zoveel kundige ambachtslieden verdwenen bij die heiligschendende bestorming van onze tempels. Deze woeste geuzen werden terecht omschreven als dolle razende mensen!’ Opdedrinck jammert verder over de oude graftombe met zijn vier koperen leeuwen en verder over al de personaliteiten die hun ziel in deze kerken hadden gestopt en die hier nu zo zielloos hebben achtergelaten. En dat is hier nu allemaal naar de vaantjes door de schuld van die ongelovige klootzakken.

‘Kotjesvolk’ dat de kerk aan diggelen gooit
Dat laatste woord komt van mij. Toegegeven. Ik probeer de colère van de schrijver te kanaliseren in mijn eigentijdse termen. Maar wie waren die klootzakken dan die de christelijke heiligdommen zo bezoedeld hebben met hun kerkbraak? Vijf stuks crapuul uit Hondschote, twee van Godewaarsvelde. Uit de nabije buurt komen er drie: Pieter Loyssone van Alveringem, Karel Reinghoot van Beveren-aan-den-IJzer en Maarten de Vos van Krombeke. Een van de aanvoerders blijkt Pieter Boman te zijn, iemand van Hondschote. De baljuw van zijn stad komt samen met twee gerechtsdienaren naar het klooster van de grauwe zusters in het gasthuis van Poperinge afgezakt om de geweldplegingen te onderzoeken. Maarten de Vos kan ik bestempelen als een typisch voorbeeld van ‘kotjesvolk’.

Dat leert het onderzoek van zijn baljuw toch: ‘voorafgaandelijk onderging hij twee veroordelingen in 1563 en in 1566. Hij werd beticht van de moord op Jan de Telder en van betrekkingen te hebben aangeknoopt met diens weduwe Grietken. Met een andere vrouw, Pauwelyne, de weduwe van Hendrik Thieuwele, leeft hij trouwens al een hele tijd in overspel. De kerkonteerder schikte zijn levenswandel volgens de vrije leerstelsels van het protestantisme en paarde de goddeloosheid aan een zedeloos leven.’ De vierschaar van Hondschote verbant hun stoute inwoner voor zes jaar uit Vlaanderen, al die jaren zal hij het mogen uitzweten als roeier in de galeischepen van zijne majesteit. Als hij zich binnen deze termijn nog zal laten zien, dan wacht voor hem de galg. Een andere Hondschotenaar, de 29-jarige saaiwerker Jacob Plateel, wordt voor het stadhuis opgeknoopt. Zijn lijk wordt achteraf tentoongesteld op het galgenveld. Hij krijgt er een voorbeeldfunctie van hoe het niet moet. Toch is er volgens mijn schrijver nog een geluk bij een ongeluk: ‘voor zijn afsterven verzoende de plichtige zich met de katholieke kerk’.

De beeldenstormer eindigt op het schavot
Een andere beeldenstormer is Cornelis Halovere, een saaiwerker van 42 jaar. De akte van beschuldiging aan zijn adres is een hele litanie. Het frequenteren van illegale preken, het volgen van Sebastiaan Matte naar Poperinge, Ieper en Lo en het suggereren dat er op vrijdag ook vlees mag worden gegeten. Er volgt nog meer: het aanbrengen van materiaal voor de tempel en het inzamelen van fondsen ervoor, allemaal zaken ‘ter contrarie van het geloof’. Om al die redenen wordt Halovere ‘met de bast aan de hals op het schavot geleid en tot lopende bloed gegeseld en voor drie jaar in het gevang gestopt’, waar hij letterlijk en figuurlijk zijn wonden kan likken. Het vonnis wordt uitgevoerd op 8 mei 1568. De 40-jarige Christiaan Meningre, een kleermaker van Godewaarsvelde, vergezelt hem op het schavot. Ze worden allebei verplicht om op hun knieën te bidden en God om vergiffenis te smeken. In Hondschote leidt de beul op 15 april 1567 de beeldenstormer Jacob Vander Buchave naar de grote markt.

Hij wordt er aan het ‘pelorijn’, de schandpaal, tot bloedens toe gegeseld en vervolgens voor drie jaar gekerkerd. Jacob Bricx is een andere volgeling van Matte. Ook hij heeft deelgenomen aan de inbraak in de kerken. Gewapend met een ‘spryncstoc’ stond hij voortdurend aan de zijde van de hoedenmaker. Op het kerkhof van Poperinge en in de kerk van Brielen tijdens diens ophitsende preken. Hij heeft geslapen in het verwoeste klooster van St-Clara en heeft de minister vergezeld naar Lo om er fondsen in te zamelen voor de nieuwe tempel. Vooral zijn deelname aan de verwoestende raids in de kerken wordt hem erg kwalijk genomen.

Naast de geseling krijgt hij een reusachtige boete van tachtig ponden en krijgt hij de opdracht om verder te gaan met zijn leven volgens de voorschriften van onze moeder de heilige kerk. De Hollander Willem Fredericsone, een 20-jarige jongeling uit Alkmaar, komt er in Hondschote minder goed van af. Voor hem wacht de galg en de doodstraf. Na zijn dood voert men zijn lijk naar het galgenveld waar het om anderen schrik aan te jagen voor een hele tijd aan een publieke schandpaal wordt vastgeknoopt. Dat allemaal omdat hij in het bezit was van een pistool en een degen. ‘Voor zijn afsterven, aanvaardde Fredericsone de bijstand van de katholieke priester en kwam hij tot de ware kerk terug.’

Dit fragment zal verschijnen in deel 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – verschijnt op 30/03/2018

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>