Kronyk van Vlaenderen

In 1839 vinden ze dat de geschiedenis van Vlaanderen te veel geschreven wordt vanuit Franse ooghoek. En zie; daar duiken authentieke handschriften uit de 15de eeuw op die op een verrassend gedetailleerde manier de gebeurtenissen in het West-Vlaanderen van die dagen tot leven brengen. Vooral wat er gebeurt tussen Brugge en Sluis fascineert uitermate!

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Jonkheer Philip Blommaert is in 1839 één van de stichters van de ‘Maetschappy der Vlaemsche Biblophilen’, een organisatie die de ambitie heeft om de Vlaamse taal in boeken en in handschriften te promoten. Tussen 1839 en 1909 verschijnen er door hun toedoen zestig werken. Eén van de eerste werken, wordt al meteen in 1839 gepubliceerd. Philip Blommaert en een zekere Constant-Philippe Serrure komen op de markt met hun ‘Kronyk van Vlaenderen’.

De geschiedenis van Vlaanderen wordt volgens Blommaert in die dagen meestal geschreven vanuit Franse bronnen. Froissart, Monstrelet en Comines baseren zich op de chauvinistische geschriften waar onze zuiderburen toen al blijkbaar last van hadden. Die van Bourgondië, baas over Vlaanderen, worden in die geschriften al te vaak op een piëdestal geplaatst terwijl onze voorvaderen gewoonlijk in zeer ongunstige kleuren afgeschilderd worden. Dat is in elk geval de mening van schrijver Blommaert. Die Franse geschiedschrijvers kennen over het algemeen weinig over de interne staatsverordening van Vlaanderen.

Lof en weidse uitwijdingen voor en over hun hertogen. Dat wel. Maar ondertussen miskennen ze de oude voorrechten waar de Vlamingen zo veel bloed voor vergoten hebben. Alle pogingen om op te komen voor die voorrechten, worden door types als Froissart steevast bestempeld als opstand en muiterij. Terwijl die wezenlijk een rechtvaardig en begrijpelijk verzet zijn geweest tegen de lichtzinnige en vaak gewelddadige inbreuken van onder andere de hertogen van Bourgondië. Geschiedenis is een zaak van vele waarheden. De drijfveren van Blommaert uit 1839, zijn eigenlijk exact dezelfde als wat er in het ‘concept’ van ‘De kronieken van de Westhoek’ beschreven staat.

Er is niet zoiets als één waarheid. De schrijvers zijn op zoek gegaan naar Vlaamse en dus inlandse bronnen die hun eigen invalshoek geven over wat er allemaal gebeurd is in onze streekgeschiedenis. ‘Onze vaderlandse kronieken verdienen ruimschoots de voorkeur boven wat de vreemden over ons hebben geschreven’, stelt Blommaert. Jean-Jacques Lambin, op dat moment in zijn topjaren als Ieperse archivaris, krijgt meteen een pluim toegeworpen.

Lambin heeft net zijn ‘Merkwaerdige gebeurtenissen, vooral in Vlaenderen en Brabant’, gebaseerd op de kronieken van zijn voormalige stadsgenoot Olivier van Dixmude, uitgegeven. Ook de Brugse professor Jan-Antoon De Jonghe krijgt lof toegewaaid om zijn ‘Chronycke van den lande ende graefscepe van Vlaenderen’, die het verhaal brengen over Vlaanderen tussen 405 en 1492. Beide werken zijn door Vlaanderen in alle gretigheid ontvangen. Dat is toch de insteek van schrijver Philip Blommaert.

Blommaert komt over de brug met twee naamloze schrijvers die geleefd hebben in de 15de eeuw en die 203 handgeschreven bladzijden kronieken voor het nageslacht achtergelaten hebben. Een ideale opdracht voor de kersverse ‘Maetschappy der Vlaemsche Biblophilen’. Waar hebben die kroniekschrijvers hun mosterd gehaald, vraagt Blommaert zich af. Hij vindt dat de oudste delen merkwaardig parallel lopen met wat kanunnik J. De Smet al heeft uitgegeven in zijn ‘Corpus Chronicorum Flandriae’. En er zijn eigenlijk wel wat gelijkenissen met de kronieken die Lambin heeft uitgebracht.

De ‘Kronyk van Vlaenderen’ geeft echter veel preciezere details vrij. Zo bijvoorbeeld over het beleid van Zannekin tegen Lodewijk van Nevers, de slag op het Beverhoutsveld en die van Westrozebeke. Vooral het deel tussen de jaren 1384 en 1467 oogt erg belangrijk. De oude Latijnse bronnen spelen hier geen enkele rol meer. De kronieken van die jaren zijn opgesteld als een opstel dat met uiterste stiptheid en zeer compleet de gebeurtenissen van die tijden in beeld brengt. Hier wordt duidelijk met kennis van zaken geschreven.

Zelf gezien en zelf aan den lijve ondervonden. Of gehoord van iemand die het wel kon weten. Nergens wordt de oorlog van de stad Gent tegen hertog Filips de Goede met meer precisie beschreven. We leren, voordien ongekende details, kennen over de bloedige strijd tegen de aantasting van Vlaanderens oude grondwetten. De zoveelste schok voor de Vlamingen die door de Franse geschiedschrijvers zo pertinent vals worden afgeschilderd.

Blommaert is pertinent: met zijn ‘Kronyk van Vlaenderen’ wordt het nu duidelijk wat er zich precies heeft afgespeeld in die dagen. Wij van onze kant, proberen de bewuste kronieken in het nieuwe kleedje van onze taal van vandaag te herwerken. Korte en scherpe teksten, vermengd met het 15de eeuwse Vlaams van de kroniekschrijvers, moeten het geheel bevattelijk maken en ons vooral prikkelend en zintuiglijk onderdompelen in de gebeurtenissen van die dagen. Alsof we een bad nemen in ons eigen verleden. We nemen jullie alvast mee naar het volgend jaar.

En dat is 1384. Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië, is getrouwd met de enige dochter van de pas overleden graaf Lodewijk van Male. Op zijn twintig is hij nu de 27ste graaf van Vlaanderen. En ook die van Artesië, Nevers en Rethel. Hij doet wat hij kan om de koningen van Frankrijk en Engeland weer met elkaar te verzoenen. Filips is vrij discreet. Een diplomaat. In Vlaanderen en Frankrijk lijkt het gedurende de eerste maanden van zijn bewind al ‘peis en vree’. In mei 1384 is het vredesbestand tussen de Engelsen en de Fransen verstreken en is het gedaan met die bedrieglijke rust.

Oudenaarde wordt nog altijd bezet door de Gentenaars van Jan Yoens. Arnould V, de heer van Schorisse en notoir Leliaard, zijn vader diende ooit als adviseur van de graaf, heeft vier gevulde hooiwagens laten komen naar Oudenaarde. Een list. Onder het hooi hebben zich in elke kar een achttal gewapende mannen verstopt. Een onschuldige aanvoer van paardenvoer lijkt het. Enkele eenvoudige dorpelingen vergezellen de hooiwagens en vragen de bewakers aan één van de poorten van Oudenaarde om binnen te kunnen komen. Van zodra de vierde kar binnen gedenderd is in de stad, breekt het geweld los. De mannen springen van onder het hooi heen, en doden de bewakers en iedereen die zich wil bemoeien.

Ridder Arnould rept zich van aan de Edelareberg richting Oudenaarde. Hij snelt met zijn mannen naar de markt waar zijn soldaten uit volle borst ‘Vlaanderen de Leeuw’ scanderen. De standaard van Vlaanderen wordt geflankeerd door de vlag en de wapens van de nieuwe prins van Bourgondië. De Gentse rebellen wordt met het zwaard aangepakt en dood geslagen en gehakt. We zijn 17 mei van het jaar 1384.

De achttiende dag van de hooimaand, juli dus, breken er rellen los in Gent, ‘eene wapeninghe ende loepinghe ter marct’. Die van Gent hebben al zo veel klop gehad van de Fransen het voorbije jaar, en toch durven ze het opnieuw aan om de vlag te hijsen van de koning van Engeland. De heer van Herzele wil dat beletten en dat had hij beter niet gedaan, want de man wordt ter plekke afgemaakt door de rumoerige Gentenaars. François Ackerman is nu duidelijk de sterke man in de opstandige stad. Met luide stem beveelt hij dat allen die paarden in hun bezit hebben, moeten oprukken naar de markt. Een heel peloton Engelse boogschutters trappelt al vol ongeduld.

Het Gentse legertje trekt nog diezelfde zomeravond de stad uit. Richting Damme waar de mannen, in de duisternis van de nacht, de vestingen oversteken en zonder weerstand van betekenis doordringen tot in het centrum van het stadje. De volgende dag is een dag vol roofpartijen. Ackerman laat alles wat ook maar enige waarde heeft, wegvoeren naar Gent. ‘Net voldoende om mijn soldeniers en die Engelse boogschutters te betalen’ redeneert François Ackerman. Charles VI is aan het roer als koning van Frankrijk. Graaf Filips de Stoute roept zijn hulp in om de muitende Gentenaars af te stoppen. We hebben het raden naar de grootte van het leger.

‘Een groten volke van wapenen’. Veel schoon volk. Prinsen en ridders. De broer van de koning, Lodewijk, de hertog van Orleans, tekent eveneens present. Rond 15 augustus beginnen de Franse elitetroepen aan een omknellende wurggreep van het stadje Damme. Het duurt niet lang voor dat een boodschapper zich in Gent aanmeldt met het nieuws dat het slecht gesteld is met het garnizoen van Ackerman daar in Damme. Een groot gebrek aan brood en voedingsmiddelen. Met die grote menigte van Fransen is het trouwens zo goed als onmogelijk om hulp te leveren vanuit Gent.

Tijdens de afwezigheid van Ackerman, hebben de gilden een nieuwe kapitein aangesteld. De krachtige en kordate Bouwen de Ryke is een adept van François Ackerman. Hij moet wel sterke schouders hebben want er zijn nogal wat Gentenaars die de aanslepende oorlog zo moe zijn als koude pap. De situatie is vreselijk lezen we. ‘Zouden ze niet beter gratie vragen aan de koning van Frankrijk en aan Filips van Bourgondië?’ Het zal er ongetwijfeld woelig aan toe gaan en Bouwen de Ryke geeft de opdracht om de al te gewelddadige Fransgezinde broekschijters in zijn thuisstad op te pakken en te onthoofden. We leren opnieuw een prachtig woord kennen. ‘De octave van Onser Vrouwen te Half Oughste’.

Op 23 augustus zitten de Engelsen en de manschappen van Ackerman nog altijd zonder eten daar in het verzegelde Damme. Het is de vooravond van Sint-Bartolomeüsdag, vermelden de kronieken en ook dat er voldoende wijn is. Ackerman besluit zijn voeten te vegen aan de Franse omsingeling. Rond middernacht slagen de Gentenaars er in om via de poort van Moerkerke weg te glippen richting Gent.

De volgende morgen zien de Fransen dat de vogels gaan vliegen zijn en het is nu hun beurt om Damme binnen te trekken waar ze natuurlijk geen tegenstand ondervinden. Tot hun verrassing treffen ze enkele tientallen Gentenaars die blijkbaar niet op de hoogte waren van de ontsnapping van hun kapitein. Of hadden ze zich te veel laten verleiden door de wijn?

De onthutste mannen worden opgepakt en naar de Braamberg van Brugge gevoerd waar ze in het Steen worden opgesloten. Jan Walkier is op dat moment kapitein in Brugge. ‘Wie zijn die mannen?’ vraagt hij aan de magistraten van Gent. ‘Zijn het bannelingen, of hebben ze gestreden om Aardenburg of Oudenaarde in te nemen?’ Met zulke gasten hebben ze in Brugge niet het minste medelijden. ‘Sulke deed hy onthoefden, ende dan bachten de Magdaleenen in ‘t sandt delven’.

De regio van de Vier Ambachten krijgt het nu zwaar te verduren van de Franse legers. Daags na de inname van Damme, zwermen de Fransen uiteen in het hele buitengebied ten noorden van de as Gent-Brugge. De mensen zijn zo verrast dat ze niet eens de kans krijgen om te vluchten. Hun schamele bezittingen worden meegenomen en hun huisjes in brand gestoken. De 10de september is de nachtmerrie voorbij en trekt de koning weg naar Doornik.

De 27ste september 1384 kijkt het volk van Vlaanderen totaal verbijsterd naar de hemel waar zich een nooit eerder gezien fenomeen afspeelt. Er zoeft een wonderlijke komeet door de lucht. Zijn kleuren zijn spectaculair; ‘rood, groen, blauw, wit en geel’ staat het geboekstaafd, ‘ende soe was van veele varuwen, roedt, groene, blau, wit ende ghelu’. Is het de winter die in aantocht is, of staat het water hen echt aan de lippen daar in Gent? De stedelingen beseffen dat de koning zich nog altijd in Doornik bevindt en schrijven een nota aan de graaf of er geen mogelijkheid bestaat om een vredesbestand af te sluiten of om er op zijn minst over te praten met zijn koning.

De koning is natuurlijk maar wat blij dat hij het oorlogvoeren even opzij kan zetten en keurt het bestand goed, ‘ende warens zeere blyde ende men tracteerde in Dornike zeere langhe, ende met groeter pinen wart hij ghesloten in den advent up Sente Luciendach’, half december 1384 komt er eindelijk wat rust in de gemoederen.

Sluis is strategisch van groot belang voor de Fransen. De noordelijke toegang tot Frankrijk. Filips de Stoute geeft in die dagen de opdracht om in de haven van Sluis een kasteel te bouwen. De financiering van het zestien torens tellende bolwerk komt vanuit Frankrijk. De haven zal vanuit het nieuwe kasteel bewaakt worden door Franse soldaten. De Vlamingen worden geweerd. Korte tijd nadat het vredesbestand werd ondertekend, komen hertog Filips van Bourgondië en zijn vrouw Margaretha van Male naar Gent, waar ze in stijl en met alle egards worden ontvangen. Het gravenkoppel zweert bij hoog en bij laag het land van Vlaanderen te beschermen en de wetten van het land te respecteren. De afgevaardigden van Gent zweren op hun beurt om trouwe onderdanen te zijn. Blijkbaar is er geen vuiltje aan de lucht meer te bekennen.

In het jaar van Onze Heer 1386 trekken de Franse troepen met man en macht door Vlaanderen. Op weg naar Sluis. Ze plannen een invasie in Engeland, maar de wind op zee zit de hele tijd verkeerd, die bleef ‘altoes staende contrarye’, waardoor de adviseurs van de koning hem aanraden om af te zien van die plannen en om onverwijld terug te keren naar Parijs. De Engelsen staan te popelen om af te rekenen met de Franse indringers en de Fransen op hun beurt zijn woest omdat het Engelse crapuul de ene wandaad na de andere heeft gepleegd op Frans grondgebied.

Haveloze bendes Franse en Bretoense nietsnutten, huurlingen, die oorlog voeren om geld en als alibi om onderweg te roven en te stelen, zwerven werkloos rond in de streek tussen Brugge en Sluis. Op zoek naar vertier. Ze logeren in herbergen te Sluis en te Brugge die zij achteraf met bruut geweld beroven. De reactie van de Brugse bevolking blijft niet uit. ‘Die van Brugghe dat siende, sloughere vele van den Franssoysen ende Bortoenen bedectelyke doot’.

De hertog Jan van Berry, oom van de koning en broer van de graaf, wordt het slachtoffer van één van die Brugse represailles. Ter hoogte van de Carmersbrug wordt hij zo hevig aangevallen dat hij alle moeite heeft om zwaar gewond van zijn paard te geraken en zich in veiligheid te begeven in een herberg waar hij drie weken nodig zal hebben om weer enigszins te herstellen. ‘Ende sijn paert was oec zeere ghequetst ende gewondt’.

Gent 1387. Er worden nieuwe muntstukken boven de doopvont gehouden. Een nieuwe munt voor Vlaanderen. Zilveren penningen waar de wapenen van Brabant en Vlaanderen in geslagen zijn en die bekend worden als ‘Roesbekers’. In hetzelfde jaar 1387 dwingt de graaf zijn land van Vlaanderen om de paus van Rome te droppen in het voordeel van de paus van Avignon. De pausenkwestie ligt al jaren gevoelig in Vlaanderen en ook nu weer laat de maatregel van Filips de Stoute de bevolking niet onberoerd. Priesters, religieuzen en geestelijken van beide geslachten kuisen hun schop af en gaan wonen in het land van Keulen, naar Luik, in Utrecht of Brabant of op andere plekken waar Urbanus, de paus van Rome, wel gerespecteerd wordt als kerkelijke leider. Jan van Waes, de parochiepriester van het Brugse Sint-Walburga, predikt er op los.

‘De Clementinen sijn vermalendijt’ en hij trekt naar Luik. Pastoor Jacob van Oostburg en de Brugse Chartreuzen trekken ook al weg uit het graafschap Vlaanderen. Filips de Stoute pakt de dissidentie in Brugge bijzonder hardhandig aan. Bruggeling Pieter van Roeselare wordt opgepakt, naar Rijsel gevoerd en er onthoofd wegens zijn opruiende taal in het voordeel van paus Urbanus. En hij is niet de enige. Verschillende eerlijke poorters van Brugge worden vanwege hun geloofsovertuiging uit de stad verbannen. Het valt niet te verbazen dat de bevolking van de stad bijzonder geïrriteerd en rumoerig reageert op de grafelijke maatregelen. In Gent is de situatie vrij identiek. Ook zij willen hun paus zo maar niet laten vallen omdat hun prins dat eist. Nogal wat Brugse gelovigen zakken tijdens de vasten af naar Gent om er te biecht te gaan en om er de heilige sacramenten toegediend te krijgen.

31 augustus 1389. Wever Vander Stelle en zijn gezelschap hebben uitgekiend dat de heren van de wet die avond zullen vergaderen met de commissarissen van de prins. De stadsrekeningen zullen er worden voorgelegd en de wetgeving voor het volgend jaar dient goedgekeurd. Het lijkt voor de mannen een interessant tijdstip om binnen te vallen, vooral in de wetenschap dat ze de steun hebben van één van de raadsleden in de vergadering. Maar het plan pakt anders uit dan verwacht. Wouter Vander Stake en tonnenmaker, ‘cupere’, Pieter van Sijsele plegen verraad waardoor Pieter Vander Stelle wordt opgepakt en er letterlijk zijn hoofd bij verliest.

Tussen 1389 en 1395 hebben de kronieken het uitgebreid over politieke ontwikkelingen in en rond diverse Europese slagvelden. Over de Turken, de Sarazijnen en de Hongaren en over de heldhaftige daden van de zoon van de graaf daar in Hongarije. Die Jan van Bourgondië is blijkbaar niet de eerste de beste. En in 1395 is er sprake van een grote aflatencampagne in Rome. ‘T groete afflaet a pena et a culpa’. Vrijstelling van schuld en straf in ruil voor geld en toevallig of niet is er sprake van grote sterfte ‘al Neederlandt dore’.

In 1403 krijgt Oostende het bezoek van acht flinke walvissen. Ze spoelen aan tijdens de nacht van Sint-Brixius, 12 november dus, we gaan uiteindelijk toch nog de heiligenkalender leren kennen. Daar liggen de kolossen op het zand. De inwoners kijken ongetwijfeld hun ogen uit naar het schouwspel dat zich afspeelt daar aan de kustlijn. Ze noteren nauwgezet wat ze zien. Tussen ‘der mule ende den steerte’ meten ze 23 meter. Hun neusgaten zijn zo groot dat een mensenvuist er zijn plaats in vindt. De beesten hebben een muil als ‘eenen ingelsschen vullesacke’, wat dat laatste ook moge betekenen. In hun buik vinden de Oostendenaars bij elk van de walvissen zowat 24 ton smout.

Om ze in stukken te hakken, moeten ze de dieren met ladders beklimmen en in de opengesneden buik van de dieren staan 16 à 17 mannen te scheppen en te snijden om al het kostbaar smout te recupereren. ‘Sy schiepen ende goten ‘t in tonnen die in der visschen buyke by hemlieden stonden, ende nochtan en letten sy d’een om den anderen niet haer werc te doene, sy stonden in deser visschen buyc en wrochten dat smoudt ute, als of sy ghestaen hadden up eenen schoenen saelvloer, verscheeden d’een van den anderen’. Het ongeziene spektakel zorgt voor een kort rijmdicht dat we u niet willen onthouden;

Oostende weet dat bij Brixte Nachte

gevangen waren Walvissen Achte’

De sterk verouderde en verzwakte Filips van Bourgondië trekt in 1404 op pelgrimstocht naar Onze Lieve Vrouw van Halle te Brabant. Dat vertellen de kronieken in elk geval. Dat er die dagen in Brabant een griepepidemie heerst, leren we op Wikipedia, en verder dat de graaf mag aanschuiven aan een rijkelijk banket dat door de lokale adel voor hem wordt georganiseerd. De 62-jarige Filips de Stoute raakt besmet door een kwalijke griep en voelt zich zo ziek en zo verzwakt dat hij beslist om door te reizen naar Dijon. Veel verder dan Ruisbroek trekt de man het niet.

Hij overlijdt op 27 april in datzelfde Ruisbroek. Na heel wat verwikkelingen wordt zijn dode lichaam gebalsemd en overgebracht naar het door hem gestichte Bourgondische kartuizersklooster even buiten Dijon waar hij wordt begraven. Een jaar later volgt zijn vrouw Margaretha van Male haar man in de dood. Tijdens ‘Sente Lijsbettennacht’, 19 november 1404, woedt er een helse storm op de Noordzee. De Sint-Elisabethsvloed! In Holland, Zeeland en Vlaanderen breken de dijken door onder druk van het zeewater dat nu doordringt tot in de streek van de Vier Ambachten. Koksijde, Nieuwpoort, Lombardsijde, Biervliet, Gaternesse bij Oostburg, Sluis en Soutenen-weert bij Goerken wordt door het water overstroomd ‘by denwelken al ‘t volc verdronc dat in dese jeghenoeden woenden, mans, wijfs, kindere ende al de beesten.’

Op Goede Vrijdag 1405, ergens halfweg de voormiddag, wordt er opnieuw een walvis verrast door het getijde van het noordzeewater. Een exemplaar van 25 meter lang en bijna 6 meter hoog laat zich ter hoogte van Duinkerke door de ebbe verrassen. Er zijn 60 mannen nodig die met man en macht proberen te beletten dat hun prooi weer het ruime sop zou kiezen bij het stijgen van het water. Uiteindelijk halen ze hun buit, meer specifiek 27 ton smout, op het droge.

Het zijn de dagen waarbij Jan van Dijon, de oudste zoon van Filips de Stoute en Margaretha van Male, zijn intrede doet als nieuwe graaf van Vlaanderen. De achtentwintigste in de rij zal 16 jaar aan het roer van het graafschap blijven. Kort na Pasen wordt hij volgens de Vlaamse gebruiken ‘alomme ende eerlyken’ ontvangen. En zweert hij, net zoals zijn vader dat deed, om de steden en hun dierbare vrijheden te zullen respecteren. We mogen niet voorbij gaan aan de wetenschap dat de honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk in 1405 nog verre van afgelopen is.

Een vloot van honderd schepen brengt een massa van zwaar bewapende Engelse soldaten op het droge aan de sluis te Mude, Sint Anna ter Muiden. Het ontscheepte leger staat onder het bevel van Thomas, de broer van koning Hendrik van Engeland. De Engelsen trekken nu naar Cadzand waar ze grote schade toebrengen. ‘Sy roefden ‘t volc, verbarrenden de huuze, ende daer naer sy stormden up de Sluus, ende een Sluzenare schoet den amirael van den Ingelsschen doot, ende hiet de amirael, de grave van Pennebrouc.’ Jan, de hertog van Bourgondië krijgt de hulp van de Gentenaars (die van Brugge vertikken het van mee te stappen in dat verhaal) om weerstand te bieden tegen het geweld van de Engelsen die nu Ramskapelle in brand steken.

De Vlamingen slagen er in om de Engelsen weer in zee te drijven, richting thuisland. Onderweg gaan hun schepen voor anker in de haven van Nieuwpoort en leren we opnieuw een bloedmooi detail uit onze vaderlandse geschiedenis kennen. Het verhaal van de stielman Wouter Janszone. ‘Hy roefde den Ingelsschen de taeffele van den hoeghen outare van Sent Annen ter Mude, dewelke sy daer gheroeft hadden, ende oec vele anders goedts van haren roeve, dat zy ghemeent hadden in Inghelandt te voerene’. Of de kostbaarheden al dan niet werden terugbezorgd aan de rechtmatige eigenaars in Sint Anna ter Muiden, komen we helaas niet te weten.

Het wordt weer menens met de grote oorlog. In het najaar van 1405 verzamelt graaf Jan de Vlaamse adel in de Westhoekstad St.-Omer. Van hieruit plannen ze een opmars naar Calais dat door de Engelsen al tientallen jaren bezet wordt gehouden. De mobilisatie gaat ononderbroken zijn gang. Alle beschikbare mankracht en middelen worden aangevoerd daar in St.-Omer. ‘Groete provandssce van busscen, blyen, springalen en anderen diversschen engienen ende oec van vytaillien.’ De troepenopbouw van Jan van Bourgondië gebeurt blijkbaar erg tegen de zin van de Franse koning die hem een koninklijk bevel laat afleveren om weg te blijven uit Calais. Iedereen die het bevel negeert, riskeert de galg.

Op 10 november 1405 moet het gezelschap ongetwijfeld gezucht en gesakkerd hebben. Velen onder hen zijn van heel ver afgereisd en hebben kosten noch moeite gespaard om het Vlaamse leger van de graaf te vervoegen. Ze hadden zelf geld geleend met borgstellingen op hun land en nu moeten ze onverrichterzake afdruipen. Het is een schande. Vinden ze. En amper een etmaal later, nog tijdens ‘Sente Martinsnacht’, profiteren de Engelsen ervan om Sint-Omer binnen te dringen.

‘Sy roefden de Vosselaerstrate, ende trocken ten Predicaren, ende sy wilden ‘t covent verbarren ende roeven, maer de broeders gaven hemlieden te drinken zeere goeden wijn, die hem de hertoghe Jan gegeven hadde, ende daden hem de beste chiere, die sy consten, ende hieromme lieten sy ‘t cloester staen, ende en mesdeden hemlieden niet, ende des andersdaghs ‘s nuchtens, omtrent den vieren, doen reden de Inghelssche ‘t huuswaert met haren roeve ende met haren ghevanghenen, te Calays, te Hoye, te Ghysen, te Mark, te Balighem ende te Sandtgate.’ Veertien dagen later wordt Parijs opgeschrikt door de moord op de hertog van Orleans, de broer van de koning Karel van Frankrijk. Geliquideerd in opdracht van onze eigenste graaf. De vierde december van 1405 staat de stad van Brugge elf dagen onder water, ‘soe dat lieden moesten woenen up hare solders ende daer hare spyse berieden’.

De watersnood is de voorbode van nog meer onheil. Op 23 april 1408 plegen de Bruggelingen een coup op het stadsbestuur. De administratie en het regiment van Brugge gaan over in handen van Clays de Soutere, Lievin Schotelare, Jan Biese en Jan Bortoen. Ze beloven aan de graaf om voortaan de vijfde penning van de jaarlijkse inkomsten van de stad aan hem af te staan. Zes van de ‘heerlijkste’ poorters worden uit Brugge verbannen. Het zijn zij die onder het bewind van Filips de Stoute de hele tijd de lakens hadden uitgedeeld in de stad. Jan Camphin, Jan Hoenin, Clays Barbesaen, Zeger van den Walle, Victor van Aartrijke en Pieter de Smet worden voor de Brugse hallen veroordeeld als zijnde staatsgevaarlijke elementen.

Vijanden van de graaf Jan ‘ende den lande van Vlaenderen, ende haerlieder goedt was gheconfiskierdt, ende gheleydt ter taflen van den grave van Vlaenderen. We gaan nu naar ‘Ludeke’. Zo wordt Luik in die dagen genoemd. Best een charmante naam, maar dat is dan ook alles. Het gaat er woelig aan toe, daar in ons Ludeke. Bisschop Jan van Beyeren wordt er weggejaagd en vervangen door de zoon van de heer van Peruweys. De verjaagde van Beyeren heeft zijn positie alleen maar te danken aan zijn familieband met hertog Jan en graaf Willem van Holland. September 1408. Hij smeekt hun om militaire hulp om hem te komen ontzetten uit het geblokkeerde Maastricht.

Een ontzaglijk leger, waaronder een grote menigte van edel volk maakt een tussenstop ergens op een schoon veld tussen Tongeren en Luik, waar het tot een bloedige confrontatie komt met duizenden moedige Luikenaars die uiteindelijk geen partij blijken te zijn tegen de overmacht van Jan, de graaf zonder vrees. ‘Die van Ludeke worder daer versleghen bet dan xxviijm mannen’, u leest goed 28.000 mensen sneuvelen, ‘ende daer bleef de goede oude heere van Peruweys versleghen, ende sijn sone de bisschop van Ludeke, ende meenich eedel man uut Ardanen, uut Buyllion ende uut den graveschepe van Loen’.

In het zelfde jaar komt er een pertinente vraag vanwege de hertog. ‘Of de Vlamingen, met groot volk van wapenen, met hun graaf willen optrekken naar de Vermandois? Een beetje paaien kan geen kwaad. Die van Brugge krijgen alvast hun stadsbanieren terug die hun vader hen had afgenomen omdat de ambachten toen niet met hem hadden willen meevechten tegen de Engelsen. En zeker ook omdat hij zijn buik vol had van de tweestrijd tussen de wevers en de vleeshouwers. Dit keer is het antwoord van de Vlamingen positief. De status van de graaf sinds zijn overwinning tegen de Luikenaars is blijkbaar onaantastbaar.

Vroeger waren de Vlaamse graven loopjongens van de Franse koning, maar met de hertog liggen de zaken deze keer anders. Met wat goede wil, kan hij zelf de lakens uitdelen in Frankrijk. Positief dus, en ‘de Vlaminghe trocken met hem in ‘t landt van Vermendoys, te Mondidier ende te Haen, om te bevechtene den hertoghe van Orliens. De Vlaminghen beclommen Haen ende wonnen de stede, roefden se ende staker ‘t fier in, ende keerden in Vlaenderen.’ Er rijst een probleem met de elitetroepen van de graaf.

Hij vergeet van hen te betalen. Of kan hij niet? De mannen komen zwaar ontstemd en muitend terug van Frankrijk. Peis en vrede heersen er in die dagen dus allerminst in Vlaanderen. De ambachtslieden van Brugge zijn gewapend en voelen zich oppermachtig nu ze eens hebben kunnen tonen waar ze allemaal toe in staat zijn. ‘De graaf is een gierige klootzak en in plaats van hen hun soldij te betalen, eist hij van langs om meer van zijn volk. Hij lijkt wel onverzadigbaar in zijn geldzucht.’

De toezegging van het nieuwe stadsbestuur om een vijfde van de stadsinkomsten af te staan aan de graaf, blijkt slechts het topje van de ijsberg. Nu de oogst van de velden wordt gehaald, is er nu ook sprake van zware taksen op het graan. Er is maar één plek in Brugge waar er handel mag gedreven worden en dat is op de markt aan de Braamberg, waar zich anno 2014 het Koningin Astridpark situeert. Clays de Souter en Jan Biese hebben een nieuwe verordening uitgebracht, het Calfvel, met onder andere de eis dat een substantieel percentage van het graan moet afgestaan worden aan de stad.

Die graanbelasting, de ‘ceuillote’, kan op weinig sympathie rekenen bij de Bruggelingen. Nu de wapens in hun bezit zijn, willen de uit Frankrijk teruggekeerde ambachtslieden wel eens zien hoe ver de stadsmagistraten het zullen drijven met hun ceuillote! Ze weigeren zelfbewust en ostentatief om de stadsgrachten over te steken en ze slaan hun tenten en paviljoenen op in Sint-Baafs. Ze zijn trouwens niet alleen in hun verzet. De drastische verhoging van de taksen moet ongetwijfeld een tendens zijn over heel Vlaanderen. Waarom anders zouden de mannen van Diksmuide, Sluis, Damme, Oostende, Torhout, Blankenberge, Oudenburg, Oostburg en Aardenburg driftig de partij kiezen voor hun Brugse makkers?

Het gaat hard tegen onzacht. ‘Sy souden hare wapenen niet en laten, noch hare banieren in Brugghe niet bringhen, vore dat ‘t calfvel gheschoerdt ware, ende te nieute ghedaen, dat Clais de Soutre ende Jan Bieze deden seghelen by fortsscen den lij dekenen van den ambachten van Brugghe, niet jeghenstaende dat sy niet weten en mochten wat in den chartre stont dien sy mochten bezeghelen.’ Het calfvel ligt hen duidelijk zwaar op de maag.

De voogd bezwijkt onder de druk. Het bewuste document wordt naar Sint-Baafs overgebracht waar het onder groot gejuich in stukken wordt gescheurd. De dekens van de diverse ambachten zijn maar wat blij dat ze hun zegel van het gehate calfvel kunnen verwijderen. De ambachtslieden eisen het beloofde maandgeld. Ze stormen ze eindelijk nu de Brugse binnenstad binnen. Jan Biese en allen die zich hebben laten lenen voor het opstellen van het calfvel en de ceuillote, worden uit de stad verbannen.

Hendrik van Lancaster, de koning van Engeland, zorgt in 1415 voor een nieuwe escalatie in de oorlog met Frankrijk. In augustus ontscheept een imposante vloot in het Normandische Harfleur. Dieppe, Abbeville, Ponthieu bezwijken onder de Engelse overmacht. De Franse adel probeert te reageren ‘ende trocken den coninc Heynrijc van Inghelandt te Blangy te ghemoete, daer was zeere ghevochten, ende gheviel daer eene de meeste bloedstortinghe van groeten moghenden ende eedelen princhen, die in twee hondert jaren in kerstenheede gheschiede.’

Het lijstje van gesneuvelden is bepaald indrukwekkend. De bloem van Frankrijk is weggerukt. De hertog van Brabant, de graaf van Nevers, de heer van Gistel, de kinderen van Liedekerke zijn weggerukt uit het leven en met hen tientallen hooggeplaatste figuren die al bij al dwaas geweest zijn om zich te lenen voor deze bittere oorlog. Graaf Jan heeft zich bijzonder pienter getoond door zich afzijdig te houden bij deze clash en hij krijgt nu eindelijk weer de nodige perspectieven om alsnog de macht te grijpen in Parijs. In september, de wedemaand van 1416, staat hij klaar in de buitenwijken van de hoofdstad.

Het lijkt er op dat hij binnenkort zijn slag zal kunnen slaan. Binnen de Parijse muren gaat het er onstuimig aan toe. Er wordt afgerekend met de kroonprins en met de zeer gehate Bernard van Armagnac. Er wordt nogal wat ‘doot ghesleghen’! Zowat de hele état-major van Parijs gaat voor de bijl. De roep ‘tue tout, tue tout’ is niet uit de lucht. Graaf Jan heeft er zelf zijn handen niet voor moeten vuil maken. Uiteindelijk komt hij, begin november als grote bevrijder en triomfator Parijs binnen, waar ‘hem veele eeren ende weerdichheden ghedaen was.’

Nog in datzelfde jaar begint de graaf een diplomatiek spel met de koning van Engeland. Ze ontmoeten elkaar in Calais om eventueel te onderhandelen over een vredesbestand zodat de koopvaardijschepen weer kunnen aanmeren in de Vlaamse havens en dat er weer volop handel zou kunnen gedreven worden tussen de Engelsen en de Vlamingen. Tijdens 1416 en 1417 wordt het graafschap trouwens gepest door crapuul en tuig dat overal te lande zorgt voor brandstichtingen en vernielingen. Ongenode gasten die niet eens onze taal spreken. Brabanders, Hollanders, Engelsen en Henegouwers terroriseren dorpen en steden zoals Poperinge, Wervik, Roeselare, Diksmuide, Oudenburg en Brugge.

De arme Vlaamse mensen ondergaan de wraakoefeningen van de sympathisanten van de hertog van Orleans die het bloedbad in Parijs al evenmin overleefd heeft. In mei 1417 zien we sterke man, hertog Jan, weer opduiken in onze contreien. Met een imposant gevolg biedt hij zich aan in Brussel, in het land van Brabant waar hij de nodige katten te geselen krijgt na de dood van de graaf van Brabant op het slagveld. De strijd voor de opvolging is complex, een haast onontwarbaar kluwen van intriges en machtsspelletjes waar Jan zonder Vrees zijn handen meer dan vol aan heeft.

Het zijn de laatste jaren van zijn turbulent leven. In ‘Kronyk van Vlaenderen’ lezen we dat hertog Jan in een hinderlaag loopt. In het jaar 1419 staat een ontmoeting gepland met de kroonprins Karel van Valois. Ergens op een brug te Montereau, te ‘Monstreu ou Faut-Yoene’, waar Jan neerknielt voor de kroonprins en vervolgens ‘bloedts hovets van achtre vermordt, ende met eender haetschen ‘t hoevet ghecloeft wordt van den prevoest van Parijs, Tanegwy du Chasteel, Philipse Joesken ende meer anderen, ende worpene van der brugghen neder ghelierst, ghespoert ende ghecleedt, ende daer bleef hy ligghende up den cant van den watre, op den xten dach in Septembre.’

Na de moord op de sterke man van Vlaanderen komen al zijn landen en heerlijkheden in het bezit van Filips, de graaf van Charolais. Filips III van Bourgondië is dan drieëntwintig jaar en getrouwd met Michelle van Valois, de dochter van de geesteszieke koning Charles VI van Frankrijk. Dat maakt dat zijn schoonbroer, de kroonprins van Frankrijk, medeplichtig was aan de moord op zijn vader. Tien dagen na die moord, komt Filips naar Vlaanderen. Te Gent en Ieper spreekt hij de gebruikelijke eed om daarna Brugge aan te doen.

Dat hij in zijn zog Robrecht Bouwens, de zoon van de burgemeester van het Brugse Vrije en zes schepenen van Zierikzee, zal binnenbrengen in de stad Brugge, valt niet in goede aarde bij het lokale stadsbestuur. De zeven zijn voor de goede zaak verbannen uit de stad en hoe de nieuwe graaf ook pleit en probeert; de bannelingen moeten weg blijven uit Brugge. Uiteindelijk zwicht de graaf en kan hij in stijl ontvangen worden. Tijdens de jaren 1420 en 1421 heeft de ‘Kronyk’ het over de confrontaties van Filips in Melun aan de Seine en in de Ponthieu waar hij verder afrekent met de Armagnacs en zelf tot ridder wordt geslagen. ‘Soe behilt de hertoghe Philips vorseit de victorye ende ‘t felt.’.

De achtste dag van de hooimaand van 1422 sterft de 27-jarige Michelle Valois, hertogin van Bourgondië en graag geziene ‘graafnede’ van Vlaanderen. Vermoedelijk werd ze vergiftigd door een gewezen vertrouwelinge, de Duitse dame van Viesville, die recent bij de jonge gravin in diskrediet was gevallen en weggestuurd zou worden naar Arien. De dode gravin wordt begraven in het klooster van het Gentse Sint-Baafs. Op 21 oktober van hetzelfde jaar overlijdt haar vader de koning. In 1423 is er sprake van ‘groet water’ in Vlaanderen, ‘soe dat men niet en mochte sayen, ende verdronken vele lieden ende beesten’.

Het is zowat het enige wat de Gentse kronieken over die periode lossen over Vlaanderen. Verwikkelingen in Holland en Zeeland, dat wel, vooral met de dood van de hertog Jan van Beieren. Filips slaagt er in de zaken te regelen en onder zijn supervisie te plaatsen. Er zijn ook discussies rond de grenzen van Brabant, waarbij ook Limburg en Henegouwen betrokken partij zijn. Turbulente dagen, dat wel, maar ook in deze kwesties slaagt de graaf van Vlaanderen er in om één en ander te consolideren. Tijdens die jaren is Filips hertrouwd met Bonne van Artesië, maar al na één jaar huwelijk sterft zijn tweede vrouw.

Het is dan ook groot nieuws als in het jaar 1429 het huwelijk aangekondigd wordt met ‘vrou Yzabiellen, ‘s conincx Jans dochtre van Poortegale, dewelke quam ter Sluus up den Heylighen Kerstdach, ende omtrent xiij dach was de feeste van der brulocht gehouden te Brugghe, ende op Sent Anthonijsdach daer nar, waren sy te Ghendt met groeter weerdicheit ontfanghen.’ De nieuwe gravin van Vlaanderen is nu dus Isabella van Portugal.

In 1429 ontstaat er groot tumult in Cassel en Casselambacht. Het gemeen verzet zich hevig tegen zijn baljuw en tegen het stadsbestuur. ‘Om dat de bailli van Cassele meer boeten wilde hebben van den gheenen, die vochten oft twisten dan hare privilegien, costumen ende wetten in hadden, ende om dat Mer Colardt Van den Clyte, de upperbailli van Cassele, dien van Cassele te hardt was, ende dat hy by exactien meer nam van boeten dan hare costumen ende wetten inhilden, daeromme worpen sy te Ruerschuere sijn castiel omme ter eerden.’ Mooier dan in die prachtige oude Vlaamse taal kan het nog altijd niet omschreven worden.

Die van Luik beginnen in het jaar 1430 oorlog te stichten in het land van Namen. Het verplicht Filips om hardhandig in te grijpen en orde op zaken te gaan stellen. Voorts is er sprake van een nieuwe opflakkering van de oorlog tussen Frankrijk en Engeland ‘ende aldus waren doe in Vrankeryke up eenen tijdt twe coninghen van Vrankeryke, een te Riemen gheconsacreert ende niet ghecroent, ende een andere te Parijs ghecroent ende niet gheconsacreert.’ Tijdens de winter wil Filips van Bourgondië afrekenen met de ambetanterikken van Cassel. De komst van de graaf zelf moet blijkbaar diepe indruk maken want plots willen ze hun prins niet meer ‘contrarie zijn’ en ‘quamen jeghen hem bloedts hoveds ende barvoedt.’

Er is sprake van grote vorst en een barkoude winter waarbij sommigen al gestorven zijn van de koude. De winterse omstandigheden geven in elk geval een extra dimensie aan het blootshoofds en blootsvoets gedrag van de Casselnaars. Niet dat het veel effect heeft op de graaf. Hij arriveert ter plekke samen met Victor van Vlaanderen en andere ridders. De aanstokers, Arende Kieken en zijn gezellen worden onthoofd wegens hun agressie tegen de baljuw. Als de bevolking gratie wil van zijn graaf, dan kan dit enkel gebeuren met de betaling van 6.000 pond en ze zijn in elk geval hun vrijheden en privileges kwijt. Vanaf nu tellen andere wetten. Die van de graaf.

Op diezelfde dag trouwens wordt Anton, het eerste zoontje van Filips en Isabelle van Portugal, in Brussel boven de doopvont gehouden. Wat later is het hommeles in Geraardsbergen. 1431. Grote problemen tussen de bevolking en de wethouders die lijfrenten, normaal voorzien voor de burgers, zo maar aan derden hebben verkocht. Het gemeen laat zich opdraaien door droogscheerder Jan Ganshoere ‘ende begheerde den seghel in sticken ghesleghen te hebbene.’ En nu is de droogscheerder verbannen en dienen de schepenen van Geraardsbergen klacht in bij de Raad van Vlaanderen te Gent. De hele affaire krijgt een serieus staartje.

Enkele heren van de Raad trekken, samen met de hoogbaljuw van Aalst, Ghylein van Halewyn, naar Geraardsbergen om er orde op zaken te stellen ‘ende omme te vanghene ende te corrigierne de princhipaelste roupers, ende die de wapeninghe ende beroerte ghemaect hadden, om dwelke dat onthoeft waren, Jan Van den Bouchoute, Coel, de barbier…… ende waren haer hoefden ghestelt up de poorten van der steede.’ Je kan best nostalgisch doen over de middeleeuwen. Maar hou er toch maar rekening mee dat het leven in die tijden rauw, hard en ongemeen brutaal is voor de mensen. Kijk nu naar de toestand in Gent anno 1432.

De wevers zijn weer eens ontevreden en trekken gewapend de straten op om hun primitieve onvrede kenbaar te maken. Stokken en messen. Een ‘wapeninghe’ zoals de ‘Kronyk van Vlaenderen’ dat zo kernachtig omschrijft. We lezen geboeid verder. ‘In ‘t jaer Ons Heeren M. CCCC. ende xxxij doen riees te Gendt eene wapeninghe, in welke wapeninghe de wevers dootsloughen den voerschepenen van Ghendt, Danielle Van Severen, upperdeeken, Janne Boel ende Joeze Haesbijt, ende sy trocken ten huuzen van meester Heinrijc Uutenhove, te Jans Graven, ende te meer anderen, die ghevlouwen waren uuter steede, ende sloughen hare huuzen in sticken, ende namen ‘t goedt dat sy daer vonden, ende sy schorpten de bedden up, ende schudden de pluymen up ‘t strate.’

De pluimen vliegen door de Gentse lucht op 12 augustus van het jaar 1432. Een half jaar later wordt de rekening gepresenteerd aan de opstandige textielarbeiders. Op ‘schorswoensdag’, de woensdag voor Pasen, worden de volders die de oproer gemaakt hebben en brand gesticht hebben in de stad, opgepakt en onthoofd.

Rond midzomerdag 1435 stuurt de kersverse paus Eugenius, nu opnieuw de enige paus en zetelend in Rome, twee kardinalen naar Arras. Eén en ander is het gevolg van het concilie van Bazel waar de kardinalen en delegaties van Frankrijk en Engeland pogingen ondernemen om in elk land weer één koning te hebben zodat die oorlog tussen de twee eindelijk kan afgerond worden. Ook het oude ‘Westvlaenderen’ komt op de agenda daar in Atrecht. Samen met ‘Arye, Arde en dlant van Ghines ende Sent Omars’. Wie van de twee koningen heeft het hier voor te zeggen?

Tussen de Fransen en de Engelsen komt het zeker nog niet goed, de Engelsen blazen het overleg al vroeg op, maar eindelijk is er sprake van een nationale verzoening tussen de Fransen zelf, waar die van Bourgondië zich finaal gaan scharen achter de koning van Frankrijk, Karel VII, de schoft die Jan zonder Vrees liet vermoorden. De vijfde dag van ‘Oughste’ vallen er in de streek van Brugge hagelstenen ‘so groet als duveneyeren, meerdere ende mindere, ende bedorven al dlandt ende ‘t coren van Ziezeele, van Woelem ende van Clesselare.’ We effenen meteen de weg naar 1436. De vasten is net begonnen als de graaf het Gentse stadsbestuur te kennen geeft zich te willen revancheren op ‘de schimp en de schande’ die de Engelsen Frankrijk en Vlaanderen hebben aangedaan daar in Calais.

Filips wil graag met de Vlamingen naar Calais trekken om op zijn beurt een einde te maken aan de Engelse bezetting die nu al 89 jaar aan de gang is. De stadsbesturen worden aangesproken. In Gent is het antwoord verrassend positief. Het is al anders geweest in het verleden. De Gentenaars willen hem bijstand verlenen met ‘live ende met goede’ en nemen die beslissing zelfs zonder de andere goede steden van Vlaanderen daarbij te betrekken. De graaf herhaalt zijn verzoek in Brugge dat er eveneens mee instemt om op te trekken ‘ende omtrent halfvastenen, stac men overal in Vlaenderen up de hallen des princhen ende der steden banieren uute, ende men coes stoute ende vrome sergianten, ende goede liede van wapenen, omme met den prinche voer Calays te treckene.

Maar of de Brugse jongelingen, die door hun schepenen aangeduid worden om mee op oorlog te trekken met de graaf, dat effectief zien zitten, is zeer de vraag. Een zedelijke verplichting, tegen heug en meug, meer zal het niet zijn. Blijkbaar beschouwen de Engelsen de deelname van de Vlamingen aan een missie tegen Calais als een affront. Het valt alleszins niet te verwonderen dat ze viriel reageren en Vlaanderen hardhandig binnenvallen. De maandag van de kruisweek staan ze in de Westhoek. Meer bepaald in Broekburgambacht en Casselambacht. Meer dan duizend Engelse geweldenaars ‘roefden ende vinghen daer de lieden, ende dreven met hemlieden de biesten tot Looe’. Het blijkt om Looberghe te gaan dat zich samen met Bollezeele tussen Cassel en Bourbourg bevindt.

Het landvolk laat zich verschrikt opdrijven naar Looberghe waar de mensen zich verschansen in de lokale kerk. ‘De Inghelssche quamen vore de kerke ende stormdenre up, omme ‘t folc te vanghene ende ‘t goet te roevene dat up de kerke ghevlucht was; die up den torre van der kerken waren, wierpen met groeten steenen needer, ende daer wart met eenen groeten steene doot gheworpen de capiteyn van dien Inghelsschen, ende daeromme staken de Inghelssche ‘t fier in de kerke, ende verbarrenden de kerke, ende daer moesten sy alle in versmoeren ende verbarren die in de kerke ende up den torre waren, ende de Inghelssche trocken over de ryviere met haren roeve.’

Wanneer de inwoners van Cassel, Duinkerke, Sint-Winoksbergen en Broekburg vernemen wat er gebeurd is met de mensen uit hun buitengebieden, luiden ze meteen de stormklokken. Met meer dan 3000 man trekken ze de rivier over om te gaan vechten tegen de Engelsen. Maar ondertussen is er ook al ruime versterking aangekomen voor hun tegenstanders, waardoor het aangaan van een confrontatie wel eens een bedenkelijk avontuur zou kunnen worden voor de Westhoekers. Hun kapiteins zijn zich te paard van de situatie gaan vergewissen.

Vulfrandt van Ucy, Joerijs van der Weduwe, Diederijc van Haesbrouc, Philips van Loncpree raden de Vlamingen af om de wapens op te nemen tegen de Engelsen en kiezen zelf het hazenpad. Ondertussen is er nog meer volk toegestroomd en willen ze van geen wijken meer weten. Met meer dan vierduizend zijn ze nu en dus gaan ze tegen de zin van hun kapiteins wel degelijk de confrontatie aan. ‘Daer bleven staende omtrent iiijc lieden van Brughborch ende van Cassele, die niet vlien en wilden; dese stelden hem vromelyke ter weere, maer, want men hemlieden gheen sourcours en dede, soe wordden sy van den Inghelsschen vermienicht, ende bleven daer meest alle versleghen.

In de week voor Pinksteren wordt een koopvaardijschip van de Engelsen propvol goederen bestemd voor de markt van Antwerpen, ter hoogte van Walcheren onderschept door de baljuw van Middelburg, wordt het volk aan boord gevangen genomen en naar de gevangenis van Middelburg geleid. Blijkbaar hebben de gewone mensen nog een hartig eitje te pellen met de Engelsen. Het gemeen trekt naar de gevangenis en eist van de baljuw en de ontvanger van Zeeland dat ze samen met de Engelsen opnieuw aan boord gaan en dat de Engelse kooplieden ‘haer goed wedergheven souden oft sy souden se alle dootslaen.’

Sluis. Twaalf dagen later. Ergens in een of andere obscure kroeg hebben enkele kooplieden uit ‘Oestlandt’ het over hun koopmansschepen. Het moet ergens tussen zeven en acht in de avond zijn. In diezelfde kroeg vangt een Vlaamse poortersknaap uit Sluis flarden op van het gesprek en gaat hij er zich mee gaan bemoeien. Het komt al vlug tot een hevige woordenwisseling. De ene beschimpt de andere en uiteindelijk jagen de oosterlingen de jonge Vlaming weg uit de taverne.

Maar die laat het er niet bij en hij trommelt een man of vijf op om zich te revancheren op die vreemde snuiters. ‘Dese Vlaminc haelde iiij oft v goede ghesellen ende trac ten huuze, daer hy wiste dat een van desen Oesterlinghen by sinen boel te bedde gegaen was; daer ghinghen sy slaen, ende steeken up de dore ende up de veinsteren van den huus. De Oesterlinc dit verhoerende ghinc staen ter solder veinstere, roupende ende makende gheschal, soe dat someghe van sinen ghesellen hoerende ‘t geruchte, quamen hem te hulpen, roepende: ‘Slaet den croeden Vlaminc doot.’ Wat begon als een ordinaire caféruzie, ontaardt in een bloedbad.

De oosterlingen slaan een Sluizenaar de kop in en roepen en tieren dat het geen naam heeft. Het gaat er zo luidruchtig aan toe dat de omwonenden wakker worden en ze ‘stonden up van haren bedde, ende sy trocken in de huuzen ende herberghen daer de Oesterlinghe woenden ende ghelogiert waren, ende slougher veele doot, ende men seide voerwaer datter meer de lx Oesterlinghen doot bleven, hendelic de heeren ende de wet warts gheware, ende sy bevalen den volke t’huuswart te gane, elc in sijn ruste.’ Voor wie het moeilijk heeft met Romeinse cijfers: 60 (zestig) oosterlingen worden er die nacht in Sluis afgemaakt. De baljuw schiet de volgende morgen direct in actie. De aanstokers van de moordpartij worden opgepakt en de dinsdag voor Sacramentsdag onthoofd. Er is sprake van vier onthoofdingen.

Gille Meeus, een zekere de Keysere en Coppin Pilsse zijn er zeker bij. Bij de vierde dader gebeurt er iets speciaal. Loy Joerdaens heet de man. Hij heeft een laatste verzoek voor hij ter dood zal worden gebracht. Hij wil nog één keer op bedevaart trekken naar Wilsenaken in het oosten van Duitsland en er het heilig bloed aanraken. Maar de beul, in dit geval de hangman, negeert het verzoek van Loy Joerdaens.

‘Het gheviel dat des vorseiden Loys oghen verbonden waren ende sijn handen, ende was gheknielt, ende de hangman hebbende geheven ‘t zweert om den selven Loy te onthoefdene, het rees eene eerdtbevinghe, ende de hangheman beschaemt sijnde, hy liet sijn zweert vallen, ende des Loys handen die ontbonden, ende hy trac sine scroede aff, ende ghinc paysivelijc door al ‘t folc dat daer up de marct was, dies wel ijm sijn mochte tot in Onser Vrouwenkerke, visentheerende ‘t heylighe Cruus ende dbeelde van Maryen, ende van danen trac hy ter steede uut, tot den heylighe Bloede van Wilsenaken.’ ‘Gered van de galg’, noemen ze zoiets, en dan nog door een aardbeving.

De zaterdag na Sacramentsdag begint het grote avontuur voor de Vlamingen. Die van Gent en van de kasselrij trekken met man en macht op richting Calais. De tocht gaat langs de Leie en leidt hen in eerste instantie naar Hazebroek. ‘Hier hebben ze nog een eitje te pellen met die Diederijc van Haesbrouc die de Casselnaars zo laffelijk aan hun lot heeft overgelaten tegen de Engelsen. ‘Ende so worpen sy aff Diederijcx huus van Haesbrouc, ende oec sijn molene, omme dat hy den Casseleers verradelyke uut den velde ontvloe, ‘s maendaghs in de Cruusweeke, ende liet se daer van den Inghelsschen vermoerden ende verslaen, niet jeghenstaende dat hy haerlieder capiteyn ende hoeft was.’

De Bruggelingen zijn al enkele dagen vroeger vertrokken. Niet met hun volle gedacht. Dat zal wel! Op de dag van de heilige Barbara. Samen met hen trekt het volk van Damme, Oostburg, Aardenburg, Torhout, Oostende, Oudenburg, Monnikenrede, Houke, Blankenberge, Gistel en Diksmuide mee. De ‘Kronyk’ heeft het over een menigte van vrome lieden. De massa houdt halt bij ‘Sente Baefs’ waar ze hun kamp opslaan in afwachting van de komst van die van Sluis, die dan plots weigeren van mee te doen.

Het gerucht loopt dat de graaf ze uiteindelijk vrijstelt van legerdienst om dat ze hun haven in de gaten moeten houden. Het humeur van de Bruggelingen verbetert er niet op. ‘De lievekindjes van Sluis mogen meer weer dan wij! De troepen van het Oostvrije slaan hun kamp op ‘buten der Smedepoorte, nort van die van Brugghe, tusschen Sente Baefs ende den Tempelhove’ en wat later vertrekken ze met zijn allen richting Calais.

Op 23 juni 1436 zijn de Vlamingen gearriveerd tussen Grevelingen en Loon. Op de vooravond van Sint-Baptist, bij ons beter bekend als Johannes de Doper, monstert hertog Filips van Bourgondië zijn troepen. De Bruggelingen krijgen nog versterking van zeshonderd Mechelaars. Mannen van diverse pluimage. De expeditie naar Calais komt nu pas echt goed op gang. Eind juni nemen ze het kasteel van Hoyen (Dentergem?) in na een kort beleg. De kasteelheer en zijn vierenvijftig soldaten worden aan de galg opgehangen en het kasteel wordt zo goed als met de grond gelijk gemaakt. De woede van de Bruggelingen richt zich op alles wat Engels is. Het opzeggen van de handelsakkoorden tussen Vlaanderen en Engeland zit daar voor veel tussen.

De wol blijft liggen in Calais terwijl die broodnodig is in Vlaanderen. De volgende stop leidt de meute naar het kasteel van Marke waar 104 Engelsen gevangen genomen worden. Ze worden afgevoerd naar het Gentse Gravensteen. Daar in Marke treffen ze nogal wat soldeniers aan. Allerhande bannelingen uit Vlaanderen, Brabant en Holland die zich voor de kar van de Engelsen hebben laten spannen en dat nu bekopen met hun hoofd en leven. De 9de juli arriveren de Vlamingen in de buurt van Calais. ‘Up den ixten dach in Hoymaent ghinghen de Vlaminghen ligghen voer Calays, met tenten ende met pauwellioenen.’ De eerste dag valt er al een eerste slachtoffer te betreuren. Jan Rijm, de rentmeester van het Zeelandse Aremuide wordt gedood. De Picardiërs sluiten zich aan bij de Bruggelingen.

De 21ste juli volgt er een eerste echte schermutseling tussen de Engelsen en de Vlamingen. Een ‘scoffelture’. ‘Soe hadden de Inghelssche van Calays eene scoffelture jeghen die van Brugghe, metgaders den Pickaerden, die dien van Brugghe te goede wordden.’ Tijdens een tweede gevecht worden er zesendertig Bruggelingen gevangen genomen of gedood.

De 27ste juli kruipt de hertog van Bourgondië door het oog van de naald als hij zich ongewapend en bovendien zonder zijn maliënkolder in de duinen naast Calais begeeft. De Engelsen hebben Filips in de gaten gekregen en staan op het punt om hem gevangen te nemen. Gelukkig is er Jan van Platielles die zijn prins net op tijd kan waarschuwen voor het acute gevaar. Tijdens de schermutseling kan Filips nipt wegglippen, maar Jan van Platielles wordt opgepakt en naar Calais afgevoerd.

De volgende dag is het zaterdag. Rond de middag wagen de Engelsen een nieuwe uitval en vallen ze de versterkte houten belegeringstoren, aan die de Gentenaars daar hebben aangebracht. De Vlamingen trekken aan het korte eind. Honderdtwintig Gentse doden. Dergelijke dodentol is er te veel aan. De tegenstand is veel te sterk, tegen deze zwaar bewapende Engelsen kunnen ze weinig of niets uitrichten. Ze besluiten om de aanval op Calais te staken en terug te keren naar hun thuisstad, ‘als waeromme die van Gendt ‘s nachs daer naer, omtrent der middernacht, al heymelic velden hare tenten ende hare pauwellioenen, ende vertraken binnen der nacht van voer Calays te Gendt waert, latende voer Calays veele provanchen van spyzen ende van dranke.’

Als die van Brugge, Ieper en het Brugse Vrije vaststellen dat de Gentse vogels gaan vliegen zijn, besluiten ze om hun voorbeeld te volgen en naar huis terug te keren. Ze liepen al niet over van enthousiasme om weg te trekken op die Franse oorlog. Wat doen ze hier eigenlijk voor Calais? Eigenlijk hebben de Gentenaars gelijk gehad om weg te trekken. Het is al augustus als de Bruggelingen aankomen in Sint-Baafs en daar hun tenten en paviljoenen opslaan. Ze willen eerst één en ander geregeld zien met de graaf. Ze blijven ter plekke tot aan ‘Sente Clarendaghe’, de 12de dag van augustus. Graaf Filips heeft echter andere zorgen op dat moment.

Tijdens de terugkeer van de Bruggelingen, zijn de Engelsen met 360 schepen binnengevaren in Vlaanderen. Met aan boord 20.000 soldaten onder het bevel van de hertogen van Clochester, York en zowat zestien Engelse graven. 3.000 soldaten trekken naar Calais om het land van Guînes te bewaren. De hertogen van Clochester en York zakken met 10.000 mannen af naar Broekburg bij Duinkerke, naar Sint-Winoksbergen, Quaetypre, Banbeke, Haringe en Poperinge, al dat landt roevende, de lieden dootslaende, ende de huuzen verbarrende.

Half augustus organiseert de hertog van Clochester een groot feest in Poperinge. Een Poperingse banneling die al een hele tijd zijn diensten bewijst als huurling, een ‘souwenier’ in Calais, wordt door de hertog tot ridder geslagen nadat die waardevolle informatie doorgespeeld heeft over de woningen waar de rijkste mensen van de Westhoek huizenieren.

‘Van daer trocken sy te Belle, roevende de stede, ende daer naer staker ‘t fier in, ende sy namen wel 200 waghenen, die sy loeden met haren roeve, ende voerden ‘t met hemlieden, ende oec voerden sy met hemlieden bet dan 1.100 knechtkens, alle beneden den 11 jaren oudt sijnde, ende sy namen haren wech zuut van Cassele om te treckene te Arke.’ Opnieuw toont de oude Vlaamse tekst hoe meedogenloos de oorlog ingrijpt bij de mensen.

Zelfs de kinderen worden niet gespaard. De bevolking van Cassel panikeert uiteraard als de Engelsen doorgedrongen zijn tot aan het zuiden van hun stad. 6.000 mannen van Casselambacht en Bergenambacht menen te moeten optrekken tegen de Engelsen, maar de Colaert Van den Clyte, de heer van Komen en soeverein-baljuw van Vlaanderen, weet wel beter. ‘Hy beval hemlieden van ‘s princhen weghe, dat elc t’ huus waert trocke, want de prinche meende se selve te bestrydene, met sinen eedelen.’

Een derde vloot Engelsen, met 6.000 man aan boord, stoomt via de Noordzeekust op van Duinkerke in de richting van het noorden. Via de abdij van Ter Duinen trekken ze voorbij Nieuwpoort en Westende en dan het hele Noord-Vrije door tot in Oostende waar er sprake is van meer dan 3.000 Engelsen en van een bizarre gebeurtenis. Diezelfde avond van de aankomst van de Engelsen in Oostende, worden Jan Van Huerne en zijn vier knechten opgepakt omdat ze zich zo vreemd gedragen. Die Jan Van Huerne is niet de eerste de beste. Hij is de admiraal ter zee van de Vlaamse vloot in Sluis. Maar dat weten ze in Oostende dan nog niet.

Hij wil aanvankelijk zijn echte naam niet onthullen, maar valt uiteindelijk toch door de mand, ‘maer hendelijc hy wart bekent, ende wart daer ghesleghen ende soe ghewont dat hy binnen 14 daghen staerf, ende hy was begraven te Sent Donaes te Brugghe.’ Een van zijn knechten doet wat hij kan om zijn meester te beschermen maar ‘hy wart soe doerwondt ende doerquetst, dat hy des anderendaghes staerf in Oestende.’

Voor de arme man het tijdelijke met het eeuwige inwisselt, legt hij wel een erg eigenaardige verklaring af. Zijn baas Jan van Huerne is de hele tijd een spion geweest voor de Engelsen. ‘Hy belyede dat Her Jan van Huerne, sijn meester, was favorable den Inghelsschen, ende dat hy van hemlieden ghiften ende mieden ontfanghen hadde.’ Niet moeilijk dat de Sluizenaars enkele weken geleden hun kat gestuurd hadden naar Brugge en geweigerd hebben om te gaan meevechten in Calais! De 6.000 ontscheepte Engelsen trekken nu over het land door de streek van het Oostvrije waar ze een spoor van vernieling achterlaten.

De bevolking slaat groot alarm. 4.000 mannen uit het Oostvrije, uit onder andere Eeklo, Adegem, Koksijde, Sint-Laureins, Sint-Kruis en Oostburg willen de vijandelijke opmars tot staan brengen in de ‘Pickins’ polder. Die van Sluis schrikken zich een ongeluk als ze de bende aantreft in de polders. ‘De Engelsen’ denken ze en ze laten in paniek hun banieren vallen. Er is trouwens opnieuw sprake van desertie van een Vlaamse kapitein. Gwij de Visch, de kapitein van Koksijde, slaat met zijn paard op de vlucht. Het moet een bijzonder hete dag zijn. De mannen van het Oostvrije druipen ook al af. ‘Sy hadden van dien dach noch niet gheten noch ghedronken, ende het was een over heet dach, ende daeromme binnen eender maent storven veele lieden, die te dier reysen ghesijn hadden.’

De aftocht van het volksleger geeft de Engelsen nu natuurlijk vrij spel. De parochies van Vulpen en Cadzand worden geteisterd. In Cadzand blijven de Engelsen dertien dagen liggen. Ongetwijfeld zelfvoldaan en met flink wat oorlogsbuit. De Engelse opmars door Vlaanderen is volop aan de gang. En die van Brugge liggen nog altijd koppig in hun tenten te wachten op toegevingen van de graaf en het stadsbestuur dat uiteindelijk dan toch met iets over de brug komt. En de vrouwelijke charmes van de hertogin spelen zo ook hun rol. ‘Jullie gaan toch mijn man niet alleen die zaak met de Engelsen laten oplossen?’ Subtiele en duidelijke druk.

Voldoende reden om het verzet op te geven en naar Oostburg op te trekken ‘omme te wederstane de Inghelssche, soe dat sy Oestburch, Aerdenburch ende de prochien daer omtrent gheleghen, niet roeven noch verbarren en souden.’ En ook Sluis stuurt nu een beleefd verzoek naar die van Brugge of ze eventueel een deel volk zouden kunnen sturen om de Engelsen te bestrijden. Het antwoord van de Bruggelingen is onverwacht positief: uit elke tent wordt de zesde man aangeduid om naar Sluis te gaan. Jan van Steenhuuzen en Clays de Calkere worden met een Brugse brigade van ongeveer 110 personen door de gietende regen binnen gelaten in de poorten van Sluis. De rest moet buiten blijven. Vreemd toch.

‘Het reynde zeere ende was een nat weedre al dien nacht duere, daeromme hadden zy gherne in der Sluus ghelaten gheweest, maer Mer Roelandt van Uutkerke, die capiteyn van der Sluus was, verboet dat men niemanne inlaten en soude; des andersdaghs al den voernoene lanc stonden die van Brugghe vore de Oestpoorte, omme in te sine, want waren mesmaect ende nat van den reyne, men seide hemlieden dat sy t’ huus waert gaen souden, want daer en waren gheene scepen in de Sluus, daer mede dat men de Inghelssche bevechten mochte.’

Wat bezielt Roeland van Uutkerke toch om de verzopen Bruggelingen niet binnen te laten? Willen de Bruggelingen zich revancheren omdat de mannen van Sluis zo flagrant geweigerd hebben met hen mee te trekken naar Calais? Of bestaat er wel degelijk een geheim pact tussen Sluis en de Engelsen? En zijn de geschenken voor de vermoorde admiraal van Huerne een veelbetekenend topje van de ijsberg? Of zijn de Bruggelingen daarbuiten dronken en baldadig en behoedt Roelandt van Uutkerke zijn stad voor ongeregeldheden? Een hele hoop vragen waar de kronieken geen kant-en-klaar antwoord op weten en dus alleen maar verhalen over wat er aan de oppervlakte te zien is.

De sfeer is op zijn minst explosief te noemen. De Bruggelingen wilden nu eens iets doen voor de Sluizenaars nadat die het eerst hadden laten afweten en dan nu die dekselse pretentie in huis hebben om honderden van hen gewoonweg de toegang tot de stad te weigeren. Zijn ze bang dat er kwaad zal aangedaan worden aan de Engelsen?

De toestand verbetert er niet op. Hoe meer de Bruggelingen smeken om binnengelaten te worden, hoe halsstarriger Roeland van Uutkerke zijn sleutels op zak houdt. Een ‘scheppere’ van Brugge slaat het slot van één van de stadspoorten aan flarden. Hij en een groepje Bruggelingen wringen zich nu door de poort om alsnog binnen te geraken. Dat is helemaal niet naar de zin van Roelandt van Uutkerke die de mannen met het nodige geweld aanpakt. Hij laat zelf schieten op de Bruggelingen en verwijt hen dat ze verraders en ordinaire amokmakers zijn.

Het loopt zodanig de spuigaten uit dat nu ook de honderd Bruggelingen die al op logement zijn in Sluis worden aangepakt. ‘Roelandt beval in soe wat huuzen dat de Brugghelinghe waren, dat men se ter solder-vensteren uut werpen soude, oft uut den huuze slaen, ende binnen den dardden dagh daer naer, dede Mer Roelandt vorseidt doen een ghebot in de Sluus dat alle de poorters van Brugghe, habitante in de Sluus, dat sy binnen dardden daghe up’t hoeft de Sluus rumen souden.’ Het bevel van van Uutkerke is duidelijk: alle Bruggelingen die zich binnen de drie dagen niet uit de voeten hebben gemaakt in Sluis, zullen worden onthoofd.

De oorlog tussen Sluis en Brugge is compleet. De Engelse vloot blijft gedurende 13 dagen ter hoogte van Sluis op de Noordzee dobberen en ze wordt de hele tijd bevoorraad met proviand door de mensen van Middelburg en Walcheren. De sympathie voor de Engelsen blijkt dan toch geen fantoom. De wind trekt stilaan aan vanuit het oosten en op de avond van Sint-Bartolomeus, 23 augustus 1436, vertrekken de Engelsen met hun buit richting Calais. De 26ste komen de briesende Bruggelingen thuis van hun bevreemdende trip naar Sluis en Oostburg.

Ze trekken zonder aarzelen naar de markt. ‘Ende sy ghinghen staen up de marct met haren banieren ghevest in ‘t eerde, segghende:’ Sy en souden van der marct niet gaen noch hare wapenen ende banieren laten van der marct draghen vore dat de correxie soude ghedaen sijn, up Mer Roelande van Uutkerke, die in de Sluus die van Brugghe hadden gehieten Moytmakers ende Verraders, ende up hemlieden gheslegen ende gheschoten hadde, ende de poorters van Brugghe uut der Sluus bannen up haer hooeft.’

Sluis is altijd al onder het beheer geweest van Brugge en dat leidt tot speculaties bij het gemeen. Hebben de wethouders van Sluis speciale voorrechten gekregen van de Brugse magistratuur? Wie van de Brugse wethouders heeft er voor gezorgd dat Sluis zo sterk en zo onafhankelijk kon worden? De mannen willen inzage in de privileges van de stad en eisen de sleutels van de stad en van de koffer met de privileges. De baljuw van Brugge is op dat moment Stassaerd Brix en ‘hy sprac up de marct zeere schimpelyken ende smadelyke toe den ghenen, die up de marct stonden, ende hy wilde ‘s princen baniere wech ghedaen hebben van der marct.’

Hij beschuldigt de Brugse opstandelingen van ongeoorloofde gewelddaden die al begonnen zijn nog voor de bende afreisde naar Calais. De kronieken geven volop details prijs. De schrijver moet er bij geweest zijn of in elk geval iemand kennen die de gebeurtenissen zo in detail kan navertellen. ‘Acht uur’ schrijven ze. Om acht uur richten de Brugse militieleden zich tegen hun baljuw die hen zo had uitgekafferd en slaan ze hem dood. De sfeer is grimmiger dan ooit.

Ze trekken gewapend door de straten van Brugge op zoek naar iedereen die meezeult met de graaf. Hun plaats is in het Steen. De volgende dag, de 27ste augustus, eisen de milities dat allen die in het verleden ooit een functie als burgemeester, schatbewaarder, klerk, schepen of hoofdman hebben uitgeoefend, zich in de namiddag dienen te komen verantwoorden op de markt. Twee gewezen wethouders vertikken het om in te gaan op die eisen en worden in gebreke gesteld.

Gerard Ruebs en Dolin van Tielt hebben zich de woede van de militieleden op de nek gehaald. ‘Daeromme trac men ‘s avons hemlieden souken te haren huus, ende want men se niet en vant, sy sloughen in de huuzen de ghelazen vensteren in sticken.’ De woning van Ruebs aan de Predikheren wordt volledig uitgekamd. Er volgt een erg gedetailleerd verslag van de zoektocht naar de verdwenen wethouder.

Ze klimmen over de muren van de Ledertouwerstrate, komen in de hoven van ‘den bachuuze’ en klommen in ‘Gherardts Ruebs hof over den muer, ende ghinghen in sijn huus, ende braken de ghelazen vensteren, ende de verwelven van den cameren, sy sloughen in sticken doren ende veinsteren, sy ghinghen in den kelnare, ende sloughen de wijnvaten den bodem in, ende de wijn, ende de malevezye vloette achter den kelnare.’ De zoektocht sleept drie dagen aan. Veel blijft er niet over van de bezochte woningen. Isabella van Portugal, de echtgenote van de graaf, voelt dat de Brugse grond te heet geworden is onder haar voeten.

De Bruggelingen hebben zich ondertussen helemaal tegen hun graaf gekeerd. Einde augustus trekt Isabella weg met haar jongste zoontje, Karel de Stoute, een ventje van een jaar of drie, maar wel al gezegend met de titel van ‘graaf van de Charolais’. Richting Gent. En aan de Kruispoort wordt Janne Lonckaert betrapt met de echtgenote van de gehate Roelandt van Uutkerke, die uit de wagen wordt gesleurd. Lonckaert wordt gearresteerd en weer lezen we bijzonder precies dat ‘het hadde up die tijdt zeere ghereynt, ende Mer Roelandts wijf moeste te voet t’ huuswaert doer de modere gaen.’

De laatste week van augustus worden de privileges van de stad Brugge aan het belfort voorgelezen. Het volk blijft toestromen. De Bruggelingen hebben brieven geschreven aan de graaf, eisen overgemaakt. Filips de Goede houdt zich voor doofstom en reageert in het geheel niet op de Brugse brutaliteiten. Nu kijken ze in de richting van de Gentse ambachten. De 52 dekens van Gent krijgen een brief met de vraag ‘omme bystanticheyt, ende Brugghe te helpene te haren rechte ende previlegien beschermen, ende dat sy souden willen helpen ter correxien up de gheene, die in de Sluus dien van Brugghe schimp ghedaen hadden.’

De Gentenaars trekken nu op hun beurt naar de hertog van Bourgondië om vragen hem om te luisteren naar de grieven van hun Brugse broeders, maar die is allerminst van plan om in te gaan op hun verzoeken. Correctie wil hij doen; ‘correxie over de gheene, die Stassarde Brix, sinen schouthete, doot sloughen’. De Gentse ambachtslieden kunnen de grafelijke bitterheid allerminst appreciëren en stellen zich op 3 september massaal en met wapens en banieren op aan de markt van Gent. Vier dagen blijven ze ter plekke en wordt de graaf gegijzeld, vastgehouden. ‘Tot ‘s vrydaghs vespertyde, ende was Onser Vrouwenavont nativitas’.

Maria-Geboorte wordt immers gevierd op 8 september. De Gentse eisen zijn duidelijk. De graaf moet de vrede in het land van Vlaanderen herstellen en de rechten en privileges van Brugge corrigeren. Hij moet absoluut reageren op diegenen van Sluis, in bijzonderheid Roelandt van Uutkerke, die de Bruggelingen zo onheus hebben behandeld. ‘Correxie up de gheene, die dien van Brugghe schimp, schande ende onghelijc ghedaen hadden.’ In Brugge zelf is het de voorbije week allesbehalve rustig gebleven. Op 1 september 1436 probeert die Roelandt zijn echtgenote met een list buiten de Smedepoorte te krijgen. Zijn plan mislukt op het nippertje en de dame wordt in hechtenis genomen en weer in Brugge binnengebracht.

Iedereen die tijdens de voorbije dertig jaar van dicht of van ver iets te maken heeft met het bestuur van de stad, wordt opgeroepen om zich diezelfde maandag om 14u aan te bieden bij de Oude Halle. Ze worden allemaal gearresteerd en voor zeven weken opgesloten. Op 4 september komen de ‘hagepoorters’ van Brugge aan de beurt. Dat zijn de Brugse poorters die voor een of andere reden een groot deel van het jaar leven in de Brugse buitengebieden, het Brugse Vrije, en op die manier voor een stuk kunnen ontsnappen aan de wetten en de reglementen die van tel zijn in de binnenstad.

Ze krijgen precies drie dagen de tijd om zich aan te melden in Brugge. Op verbeurdverklaring van hun poorterijen. ‘Voort dat alle de steeden van wetten, onder Brugghe gheleghen, souden comen te Brugghe, ghewapent met haren standarden van harer steede; voort dat die van den Vryen, dewelke willen sijn habitanten onder die van Brugghe, dat sy comen souden ter marct in Brugghe, ghewapent metter banieren van den ambachte daer sy onder ghezeten sijn.’ Op 7 september vallen de dingen in hun plooi.

De vrijdag voor ‘Onser Vrouwenavont nativitas’ stromen de Bruggelingen toe op de markt. Van buitenaf is het volk van Damme, Monnikenrede, Houke, Ermuiden, Horskamp aangekomen. Met banieren en al. En ook die van Gent hebben de gijzeling van de graaf stop gezet en brengen een boodschap mee voor de Bruggelingen. Een hart onder de riem! ‘Ende sy brochten de tydinghe dat die van Gendt, als ghetrauwe broeders, dien van Brugghe souden doen bistanticheede.’ Twee dagen later is de revolutie in het noorden van Vlaanderen nu compleet als de mensen van Oostburg, Aardenburg, Blankenberge, Torhout, Lissewege en Dudzele aangeven dat zij inwoners willen worden van Brugge.

Filips de Goede kan geen kant meer uit. Hij moet wel toegeven. Als hij dat niet doet, dan zal hij persoonlijk geconfronteerd worden met tienduizenden opstandige Vlamingen. Nog diezelfde dag verbant hij iedereen die te maken had met het verkeerd gelopen beleid in het graafschap. ‘Mer Colaerdt Van der Clite, souverayn van Vlaenderen, Mer Roelandt van Uutkerke, Inghelram Hauwiel, meester Gillijs Van der Woestinen ende Jan van den Damme.’

Hij neemt geen risico’s. Een verbanning van honderd jaar voor elk van de mannen. Ieder wie één van de mannen dood of levend in Gent kan brengen, krijgt trouwens een beloning van 300 Parijse ponden. Het nieuwe stadsbestuur van Brugge beslist om 250 vrome mannen onder leiding van hun kapitein Vincent de Schoteleere uit te sturen naar Diksmuide, Lo, Nieuwpoort, Lombardsijde en de Westhoek tot in Grevelingen, met de vraag dat de poorters gewapend en voorzien van hun banieren naar Brugge zouden afzakken.

Ook de Westhoekdorpen krijgen bezoek; ‘ende Vincent trac voort in de dorpen, ende hy dede de clocke slaen, ende vrachde in allen dorpen daer hy quam oft sy begheerden te sine habitanten onder die van Brugghe, dat sy dan te Brugghe comen souden up de marct, met haren banieren van haren dorpen, al ghewapent.’ De graaf heeft nogal wat vaste aanhang bij de heren van het Brugse Vrije. Die proberen de delegatie van de Schoteleere voor te zijn.

‘De prins heeft bevolen dat jullie thuis moeten blijven en niet zo dwaas moeten zijn om nu naar Brugge te gaan’. Maar hun dreigende boodschap mist zijn effect, ‘niet jeghenstaende dien verbode, soe quamen noch te Brugghe die van Oesthende, van Oudenborch, van Ghistele, van Looe, van Lombardye, van Dixmude, van Berghen, van Dunkerke, van Vuerne ende van Brughborch.’

Niet iedereen is opgezet met de rebellie tegen de graaf. Muiten tegen de graaf en tegen de Fransen heeft al te veel gezorgd voor rottigheid en repressie achteraf. Ze sluiten hun steden als die van Brugge er aan komen, maar met de nodige druk van een brigade van het Oostvrije, wordt er uiteindelijk toch een positief gevolg gegeven aan de vraag van de Bruggelingen. Het lijstje van de West-Vlaamse steden en parochies kan misschien vervelend lijken. Het beeld echter hoe onze provincie er in 1436 uitziet, stimuleert ons om die integraal en in de taal van de 15de eeuw weer te geven. Het is nu eenmaal sterker dan onszelf!

‘Dat sy dan te Brugghe comen souden, ghewapent ende met haren standarden van harer prochien ter marct. Binnen xvj daghen quamen te Brugghe Izendijc-ambocht, Oestburch-ambocht, Moerkerke, Ramscappele, Waescappele, Coelkerke, Oestkerke, Heys, Uutkerke, Zuutkerke, Winkelambocht, Nieumunster, Clemskerke, Vlisseghem, Meetkerke, Onsauwe, Jabbeeke, Straten, Verssenare, Vlaerseloe, Leeke, Koukelare, Aghteghem, Artryke, Zedelghem ende Ziezeele, ende elc dorp met sinen standarde, ende van Onser Vrouwendagh tot Sente Matheusdach, wel xxiij daghen lanc.’

De plooien met de graaf zijn allerminst glad gestreken want die wil nog altijd de nodige straffen uitspreken voor de baldadigheden die de Bruggelingen de voorbije tijd hebben tentoongespreid. De moord op de schout Stassard Brix kan niet zonder gevolgen blijven. Het openbreken van de sloten van de poorten van Sluis en blijkbaar hebben ze ook bedreigingen geuit tegen de prinses en haar jongste zoon. De edelen van Vlaanderen, traditioneel zijn bondgenoten, smeken hem om de zaken blauw blauw (what’s in a name?) te laten en niet nog meer olie op het vuur te gooien. Ook de stadsbesturen van Gent en Ieper sluiten zich aan bij die smeekbede.

Het valt trouwens op dat die van Brugge niet eens de moeite gedaan hebben om de Ieperlingen naar Brugge te halen. ‘Wordt het niet stilaan hoogtijd om de eeuwenoude voorrechten die Brugge bezit in Sluis in ere te herstellen?’ Het sleutelwoord die dagen is ‘remissie’. De druk op de graaf om vergeving te schenken aan die van Brugge neemt hand over hand toe. Maar Filips toont zich bijzonder stug. ‘Sy baden den prinche, hy en achtes niet, ende sy keerden altijdts t’ huuswaert, alsoe sy ghinghen ende quamen.’

Ook een aantal Brugse notabelen doen wat ze kunnen om het conflict te beëindigen. De herfst is aangebroken, het is al 21 september 1436 als een officiële delegatie naar Gent trekt. Op audiëntie bij de graaf. De kapitein van Brugge, Jan Van den Gruuthuuze is er bij. En ook Lodewijk Van den Walle, de burgemeester met enkele wethouders en een delegatie van de voornaamste dekens. Blijkbaar zijn de scherpste kantjes er wat van af en blijken de rede en het gezond verstand enigszins terug in Brugge. Ze gaan praten om ‘te hebbene van der remissie, ende oec van den bezeghelte van haren privilegien, enz.’

De onderhandelingen met de graaf stuiten op nogal wat weerstand. De adviesraad van de graaf stelt zich haaks op tegen dergelijke gesprekken en ook die van het Brugse Vrije vinden het bezoek ronduit weerzinwekkend. Van beide zijden wordt elke poging tot gesprek gedurende een hele week geblokkeerd. Er komt heel wat diplomatie bij kijken van de heer van den Gruuthuuze. Uiteindelijk geeft de prins zich gewonnen voor een gesprek met de Bruggelingen. Hij beveelt dat die van het Vrije de weg moeten vrijmaken.

De gesprekken verlopen uiterst moeizaam. Van den Gruuthuuze en met hem de vijf notabelste personen van Brugge blijven tien dagen in Gent. Voor en na de gesprekken worden de Bruggelingen in hechtenis geplaatst in de Oude Halle. De 30ste september van 1436 is een zondag schrijven de kronieken. Eindelijk is er een toezegging van de graaf dat hij bereid is om op 4 oktober naar Damme af te zakken ‘omme alle dinghen te poente stellen tusschen Brugghe ende de Sluus, ende dien van den Vryen, maer die van Brugghe, die moesten ‘t ierst hare wapenen afflegghen, ende de marct rumen ende t’ huuswaert gaen ende doen elc sijn ambach, ende sedert Sente Bertelmeusavont tot den vierden dagh in Octobre, soe ne hadde niemant in Brugghe neeringhe noch ambacht ghedaen, noch in x daghen daer naer.’

‘De wapens neer, de markt opruimen en iedereen aan het werk want het is verdorie al tien dagen dat iemand nog een poot uitgestoken heeft in Brugge.’ Dat zijn de eisen die Filips de Goede op tafel legt als ze hem willen zien in Damme. En zo komt er vanuit het Brugse stadhuis op de avond van Sint Bartolomeus een verordening dat de mensen de markt moeten opruimen. Weken van revolutie hebben de binnenstad tot een chaotische puinhoop herleid.

De kraampjes moeten weg, de uitstallingen van vis moeten verhuizen naar de Braamberg. Warmoes en fruit moeten voortaan verkocht worden in de Steenstraat. Hoenderen, ganzen en wildgebraad voor de kerk van ‘Sente Christoffels’. Olie en azijn tussen de Eeckhoutsbrug en de Braamberg. Vijgen en rozijnen kunnen voortaan enkel verhandeld worden aan de Vlasbrug ten noorden van de ‘Goederixstrate’, in de nabijheid van de Jacobijnen. En waar de pensen vroeger stonden, zullen voortaan koren en houtskool aan de man worden gebracht.

De wapens worden weggeborgen. De eensgezindheid onder de Bruggelingen is merkwaardig. Het lijkt er op dat de stedelingen een proces van zuivering achter de rug hebben. Een catharsis. ‘Die van Brugghe ginghen te rade, wat sy doen souden, ende den raedt hadde in dat elc persoen van Brugghe belovede bistantichede d’een den anderen, ende trouwe te doene te levene ende te stervene, d’een metten anderen’.

De poorters zijn nu plots één pot nat met de ambachtslieden en samen schrijven en verzegelen ze hun geloofsbrieven en beloven ze elkaar trouw om te allen tijde te zorgen voor hun goede stede van Brugge. Met steenwerpers (‘eenen voghelare ende een ribaudekin’) verzamelen de ambachtslieden zich onder hun respectieve banieren en standaarden. Zie ze staan daar bij de Oude Halle. En ook de vrienden van de steden komen er naar toe. Er wordt voorzien dat tien mannen per ambacht dag en nacht de wacht zullen houden bij de banieren. Allemaal op de kosten van de stad Brugge. Ook de banier van de graaf wappert aan de Oude Halle. Een symbool dat kan tellen tussen ook nog eens de dertien banieren van de ‘smale steeden’, de kleinere stadjes die Vlaanderen rijk is, ‘tot dat men den brief van der remissie ende van den privilegien hebben soude’.

De graaf zelf houdt het voorlopig op enkele pelotons ridders die even poolshoogte komen nemen van de toestand in Brugge. Het is voorlopig alles. Hij blijft halsstarrig in Damme. De donderdag na de vespers is de bewuste remissiebrief nog altijd niet gearriveerd, de mannen hadden zich enkele dagen teruggetrokken van de markt, maar met het toenemen van het ongeduld, komt iedereen zich weer opstellen aan de Oude Halle. De vrijdagnacht komt het tot zware rellen waarbij de huizen van enkele schepenen beschadigd worden. Op vrijdagmorgen, de 12de oktober 1436, is er merkwaardige demarche van de ontelbare Europese kooplieden die de situatie in Brugge al geruime tijd met meewarige ogen bekijken.

Een bont allegaartje commerçanten is het, dat naar de graaf toetrekt. ‘Hoesterlinghe, Schotten, Spaengiaerden, Portegaloyzen, Catteloengiars, Lombarden, Venecianen, Jenevoyzen, Florentinen, Menelanoyzen, Placentinen ende Lucoyzen’. ‘Sy voeren alle ten Damme tot den prinche, biddende over die van Brugghe omme de remissie, ende dbezeghelden van den privilegien, enz..’ Er is veel water door de reien moeten stromen. De buitenlandse kooplieden overhalen de graaf dat een tiental Brugse notabelen hen mogen vergezellen op hun bezoek in Damme waar ze aan zijn voeten vallen en hem smeken ‘omme der steede van Brugghe gracie te doene’.

Meester Jan Vindegoedt, de proost van de Predikheren, is aangeduid als de woordvoerder van de Bruggelingen. Filips de Goede zwicht nog altijd niet. ‘Is de toestand in Brugge volledig onder controle?’ Hij blijft op zijn hoede. Waarom anders zou hij nu een delegatie van enkele van zijn nauwste medewerkers de opdracht geven om eerst naar de markt te Brugge te trekken en verder te bemiddelen met de opstandige burgers. We weten ook wie er zich naar het Brugse wespennest begeeft. De aartsdiaken van Rouen, de proost van Sint-Donaas, de heren van Ternant, Roubaix en Santes treffen er honderden ambachtslieden die hen rustig en met de banieren in aanslag, ontvangen.

De volgende dag, de zaterdag, komen de predikheer Antonijs Lyen en meester Clays Lambert terug van Damme. En met hen de fameuze ‘brief van der remissie ende oec van den conterbrieve van Rycelle in platten Vlaemssche ghescreven’. De brieven zijn nog niet van een grafelijk zegel voorzien, want de graaf wil weten of die van Brugge akkoord kunnen gaan met de inhoud ervan. Er volgt nu een hele passage waar de wethouders en de burgemeester de brieven voorlezen en verduidelijken.

Hertog Filips is, na zijn verblijf in Damme, teruggekeerd naar Gent waar hij overleg pleegt met de afgevaardigden van Gent en Ieper en waar ze gezamenlijk een delegatie van wethouders en de notabelen verwachten uit Brugge. De ontmoeting gaat door ‘in ‘s princhen hoff te Walle’ waar de Bruggelingen nog maar eens aan zijn voeten neervallen en zich wel duizend keer verontschuldigen voor alles wat ze hem allemaal misdaan hebben.

Ze dompelen zich in zelfmedelijden en de oude koeien komen weer eens boven. Zelfs het eeuwenoude verhaal van die feeks van een gravin Richilde die de Vlamingen zo koelbloedig liet vermoorden, passeert de revue. De ‘Kronyk van Vlaenderen’ geeft een ellenlang verslag van de vergadering en de gebeurtenissen achteraf.

Driehonderdvijftig Vlamingen van diverse beroepen en afkomstig uit het hele graafschap, schuiven de 16de oktober aan om op hun beurt een ‘voetval’ te doen voor de prins en hem te bidden ‘omme gracie, ende omme remissie van al des sy jeghen sine hogheyt mesdaen hadden’. Dat de zaken allemaal zo ellendig lang aanslepen, bewijst nog maar een keer hoe diep een en ander zit bij de graaf. De gratie komt er dan toch. Bartolomeus de Vooght wordt aangesteld als baljuw van Brugge en zal er voortaan weer voor zorgen dat het grafelijk gezag vertegenwoordigd is in de stad. De 19de oktober doet hij zijn intrede in de schepenkamer met bij zich, alle verzegelde brieven van vergeving en remissie, en krijgt hij de roede aangeboden van de schepenen.

Het volk wordt opgeroepen. De brieven worden voorgelezen, de meeste boetes en straffen worden kwijtgescholden. Tot grote blijdschap van de mensen en er volgt nu een ‘generale processie, Gode te love, ende te eeren ende om den pays’. In één ruk staat te lezen dat er diezelfde namiddag een bevelschrift vertrekt naar de wethouders van Sluis om zich de maandag te komen verantwoorden voor de vierschaer van Brugge.

En dat die natuurlijk verschrikt zijn om dat te doen, ‘daeromme waren dese narvolghende personen ghebannen, elc l. jaer up sijn hoeft, ierst: Mer Roelandt van Uutkerke, Mer Colaert van den Clyte, souverain van Vlaenderen, Jan de Baenst, Gwy de Baenst, Paridaen Woutersone, Jacop van Rouselare, Willem Tarre, Lauwereys van den Moere, Jan van Sevecoten, Pieter Evyn, Pieter van Pinagie, Lauwereys Buc, Joerijs Litac, Jan van den Slotele, Wouter de Groete, Jan Reinolf, Rogier Davijst ende Joes, ‘s heeren cnape.’

Er moet ook recht gesproken worden over de negentien belangrijkste heren van Brugge die zeven weken lang de Oude Halle bezet hebben gehouden. Aanvankelijk worden ze gevangen genomen in het Steen. Enkele dagen later krijgen ze elk een boete die afhangt van hun welstand, ‘elc naer sine rijcheyt’, en kunnen ze, na zich voldoende borg te hebben gesteld, naar huis trekken. Een aantal poorters, Jacob Bieze, Jacop Ruebs, Jacop Haghelsteen, Cornelijs van Merendre en Pieter de Cuer waren al eerder gevangen gezet, maar worden nu vrijgelaten omdat ‘sy sonder wet ende vonnesse ghevanghen waren, daeromme moesten sy naer privilegien van Brugghe vranc ende vry uut den Steene gaen, ende waren ontsleghen.’

Ook toen bestond dus zoiets als procedurefouten! Het zint de Sluizenaars allerminst dat de baljuw van Brugge hun notabelen bij verstek hebben veroordeeld tot een ballingschap van een jaar op straffe van onthoofding. De onrust tussen Sluis en Brugge laait weer op. Die van Sluis trekken naar de Raad van Vlaanderen te Gent om er te protesteren en daar wordt hen aangeraden dat de verbannen mannen zich toch beter niet buiten Sluis zouden wagen.

‘Dan maar een rondje pesten’ denken ze. De blokkade van de binnenscheepvaart is er een van alle tijden. De waterwegen naar Brugge en Damme gaan dicht. Er kan geen enkel schip nog binnenvaren te Brugge en ook de vissers worden belet om nog op de Noordzee te geraken. Het is natuurlijk een zuivere provocatie aan het adres van de Bruggelingen die met 8.000 man naar Aardenburg, Damme en Muide trekken om wat druk op de ketel te zetten.

Enkele dagen later vernemen ze dat Jan van Uutkerke ter hoogte van Nieuwpoort een koopmansschip uit Castilië gekaapt heeft. De bemanning zit nu gevangen. Onder hen een deel Vlamingen. Een diplomatieke aanslag is het, en het valt niet te verwonderen dat de natie van Castilië haar beklag komt doen in Brugge waarom de Vlaamse kusten en oevers niet beschermd worden tegen rovers en piraten.

Het is en blijft gevaarlijk als ambachtslieden uit hun normale leven weggetrokken worden om een leven te leiden als verzetsman. Sommige gezellen die nu opgetrommeld zijn naar Aardenburg, slaan nu aan het plunderen. De maandag voor Allerheiligen trekt een bende richting Sluis waar de woning van Ghijs Baenst in diggelen wordt geslagen, ‘brekende de doren ende de vensteren, enz.’ Coppin Edelinc, Bernard Mahieu, Dany Reyners stelen het geld van de bastaard van Moorbeke. Moerbeke en Lapscheure krijgen ook met de verbolgen Bruggelingen te maken.

De drie Bruggelingen arriveren nu ‘by Sent Adriaens capelle, buten den Damme’. ‘Alle die Brugghe liefhebben, die volghen ons,’ roepen ze. ‘Ende sy traken in Lievin Ruebs huus, ende clommen boven up ‘t huus, ende wierpen de schaelgien aff ende sy sloughen doren, veinsteren ende ‘t verwelf van den cameren al in sticken, ende wierpen lizen, taeflen, scraghen, cussene, dryevoeten al in de gracht, ende deden daer schade.’

Coppin Edelinc is in het vizier gekomen van de Brugse wet. Hij heeft de voorbije veertien dagen niets anders dan terreur en vernieling gezaaid en hij heeft zich bijzonder schamper uitgesproken over de mannen die nu deel uitmaken van het Brugse stadsbestuur. De woensdag na Sint-Maarten wordt hij brutaal aangepakt, ‘tusschen Sent Donas scole ende de burch was hy daer bespronghen, ghewondt ende zeere ghequetst, men waenden doot gesleghen hebben.’

Hij kan zich nog in veiligheid brengen achter het koor van de kerk maar de kanunnik betrapt hem en laat hem oppakken voor al het kwaad dat hij, samen met zijn kompanen, heeft uitgericht. De onrust in het noorden van Vlaanderen en de open oorlog tussen Brugge en Sluis, verplichten de drie Staten van de Raad van Vlaanderen om enkele dagen later samen te komen en overleg te plegen. Die drie zijn de prelaten, de edelen en een delegatie van steden zoals Gent en Ieper. Morissijs van Varsenare, de burgemeester van Brugge is ook aanwezig bij de crisisvergadering.

Hij komt net van Rijsel waar hij overleg gepleegd heeft met de graaf. Ook de nieuwe Brugse baljuw tekent present. ‘Welke voorrechten claimen de Bruggelingen nu eigenlijk over Sluis?’ De oude voorrechten en de privileges worden één voor één overlopen. Korte tijd later moet Coppin Edelinc zich verantwoorden voor de vierschaar waar de baljuw zal oordelen over zijn lot. Die zit nu gevangen in het Steen. De dekens van de ambachten zijn tegen de bestraffing van Coppin die indruist tegen hun privileges en vooral omdat het oneerlijk is. Zes weken geleden heeft diezelfde baljuw zestien mannen uit Sluis verplicht om Vlaanderen te verlaten en als ze dat niet deden, zouden ze onthoofd worden. Na al die tijd lopen die Sluizenaars nog altijd doodleuk rond in de streek.

‘Waarom is dit vonnis nog niet uitgevoerd?’ vragen ze. Zolang dat niet gebeurt, kan de baljuw toch ook geen straffen uitspreken tegen de goeden van Brugge? Twee maten en twee gewichten. Baljuw Bartolomeus de Vooght houdt voet bij stuk en veroordeelt Edelinc. Hij kan moeilijk anders, maar dat dit niet naar de zin is van de Bruggelingen lezen we zo. ‘Soe was de vorseide schouteete in groeter vriezen van sinen live.’

Het wordt toch wel nodig dat de graaf ingrijpt in Brugge. De onrust spookt weer rond en het is een kwestie van tijd voor de potjes weer helemaal zullen overlopen. De Brugse bestuurders smeken Filips de Goede om hulp en bijstand en vooral dat hij persoonlijk af wil zakken naar Brugge. De 13de december krijgen ze hun zin. De graaf komt de Smedepoort binnen gegaloppeerd in het gezelschap van 700 Picardische soldaten. Allemaal voorzien van handbogen en voorzien van groot geschut. Hij wordt er verwelkomd door een delegatie van het stadsbestuur en door kapitein Vincent de Schoteleere. En natuurlijk ook door zijn baljuw Bartolomeus de Vooght.

Meester Jan de Mil neemt het woord in naam van het stadsbestuur: ‘Ghenadich ende gheduchtich prinche ende heere, Gode van hemelryke moet ghi welcomen sijn ende al uwen subgyten van der steede van Brugghe, den capiteyn, schoutete, burgermeesters, scepenen, hooeftmans, dekenen ende al den ghemeenen commuyne, oedtmoedelyke biddende uwer werdegher hoger moghentheyt dat onse rechten ende onse privilegien ons van uwen vorders ghegheven, ende ghi ons in voerledenen tyden belovedet den ghenen van Brugghe te latene ghebruyken, ende ons te beschermene, ende sonderlinghe jeghen de plaetse van der Sluus, dewelke ons lastelic es, ende zeere moyelijc, ende onse privilegien breket, ende oec onse recht onthout.’

Filips de Goede antwoordt, ‘segghende: Daeromme soe come ic nu te Brugghe om u lieden in vreden en in payse te stellene.’ De graaf heeft gesproken. We zijn benieuwd hoe de zaken verder evolueren in de schone stad van Brugge. Wees gerust, in het vervolg van ‘Kronyk van Vlaenderen’ gaan we verder met de gebeurtenissen van december 1436 en van de volgende jaren. Er valt in elk geval nog genoeg te vertellen in de volgende episode van onze Vlaamse geschiedenis.